Lesereise – week 4 DEEL II

Natuurlijk ging het mis, een paar dagen geleden. Ik wist het. Ik in een hotel in Potsdam, de lezing in Premnitz. Ik was twee nachten in dat hotel, domweg omdat er een dag zat tussen een lezing in Göttingen en die lezing in Premnitz en het onzinnig zou zijn helemaal terug te reizen naar Schwarzbach. Het regende, maar ik was ruim op tijd op het station. De trein echter was niet ruim op tijd, waardoor ik in Brandenburg strandde. Geen punt, de eigenaar van de Villa am See kwam me wel ‘even’ ophalen. Ik was drie minuten voor alles begon ter plekke. Ter plekke was een ‘heel fout huis’, zoals de huidige bewoner zei. Er woonde ooit een directeur van IG Farben, het chemische bedrijf dat in WOII Zyklon B maakte.

De lezing was in de hal, een grote ruimte met eikenhouten lambriseringen en tjokvol kunst. De huidige bewoner is rijk, erg rijk. Ook is hij een bijna ouderwetse maecenas, die zijn huis openstelt voor alles en nog wat, onder andere dus voor schrijvers. Hij was een bijzonder leuke en enthousiaste man, op geen enkel moment had ik het gevoel dat hij niet het beste voorhad met alles en iedereen. De lezing verliep prima, ik kreeg van Herr Behrens een flink glas pruimenschnaps. Na afloop was er een korte pauze, waarin de gasten wijn dronken en hapjes aten en toen was er een optreden van een pianist, die speelde keihard Bach en Liszt. Een verlegen jongen die op kosten van Herr Behrens studeert. Buiten de namen van de werken die hij speelde, heeft hij geen woord gezegd. Herr Behrens vroeg me of ik van pianomuziek hield en ik antwoordde hem eerlijk dat de piano niet tot mijn favoriete muziekinstrumenten behoort. Dat vond hij jammer, als hij dat geweten had, had hij een strijkje ingehuurd. Adriaan van Dis en Saskia de Coster gaan er ook nog lezen.

Saskia de Coster is zo’n beetje de mooiste vrouw die ik ken, helaas heb ik nog nooit iets van haar gelezen. Ze is sinds kort samen met een andere mooie vrouw, Niña Weijers. Die twee waren de absolute sterren van de afgelopen Buchmesse. Qua verschijning dan, hoe ze het er verder van afbrachten weet ik niet, ik heb één Nederlands optreden gezien in het Nederlands-Vlaamse paviljoen, van Tom Lanoye en Ernest van der Kwast. Die maakten het de Moderatorin erg moeilijk, vooral omdat ze steeds onderling ‘geintjes’ maakten, waarmee ze de toeschouwers nogal van zich vervreemdden. Tom las minstens tien minuten lang in het Nederlands voor, er liepen mensen weg. Je kunt je gastlandschap iets te ver doordrijven. Gelukkig las Ernest in het Duits voor, met ‘g’s’ en ‘ch’s’ waarmee hij – was hij een Duitser – in de oorlog zeker niet doodgeschoten zou zijn na het uitspreken van de plaatsnaam ‘Scheveningen’.

Hier een soort verslag van mijn Buchmesse, dat ik schreef op verzoek van Suhrkamp. Er was trouwens (zie het vorige dingetje) een treinkaart naar Zwitserland, alleen had die als beginstation Keulen (het kost me tweeënhalf uur daar te komen), terwijl ik natuurlijk eindelijk eens via Trier naar het Zuiden reis. Ik kocht dus zelf maar een kaartje van Bitburg-Erfdorf naar Mannheim Hbf, waar ik in de door de Zwitsers gereserveerde trein zal stappen. En ik ben niet eens woedend. Knap hoor, van mezelf. Saskia de Coster is daar trouwens ook, we doen zelfs samen een programma-onderdeel.

Lesereise – week 4

Gisteren maakte ik een foto van het stationsbord Braunschweig en twitterde daarbij “Ik begin het niet meer te trekken”. Duitsland is een ontstellend groot land, als je alle treinritten wilt maken die er te maken zijn, ben je maanden bezig. Misschien is het daarom dat ik nu in een hotel in Potsdam zit, terwijl ik vanavond in Premnitz een lezing heb. Met een beetje geluk zit ik een uur in de trein, met een beetje ongeluk anderhalf uur. Potsdam en Premnitz liggen zo’n 70 kilometer bij elkaar vandaan. Ik kreeg de opdracht uit te stappen op Premnitz-Süd, maar dat station bestaat niet, óf het ligt vanuit Potsdam gezien aan de verkeerde kant. Ik heb gevraagd of er ook iets te eten is daar, zo nee dan moet ik rond vieren hier warm eten. Nog geen antwoord gekregen. En na de lezing moet ik weer terug naar Potsdam, waar mijn hotel natuurlijk niet vlak naast het Hbf ligt, maar op 1,7 kilometer afstand. En dan, eindelijk, morgenochtend de monsterreis terug naar Schwarzbach.

Om drie dagen later weer af te reizen naar Zwitserland. Ik ben erg benieuwd of er in mijn brievenbus thuis treintickets liggen. Ik reken erop van niet, zo gaat dat altijd, en inmiddels ben ik zo ver dat ik dan domweg niet afreis naar Zofingen. Jammer dan. Zij zouden de reis regelen en als er geen reis is, kan ik niet naar Zofingen. De achtertuin is bijna klaar, jammer genoeg raakte vorige week dinsdag het worteldoek op, waardoor ik niet verder kon met het Schotter. Inmiddels whatsappte ik Christa met de vraag of zij misschien nog een stuk Unkrautvlies had liggen? Ja, dat had ze. Woensdag kan ik de hele dag – mocht ik dat willen – steentjes van het platte dak van de schrijfkamer naar de achtertuin verfrachten. Nog steeds alleen, Joop rent nog steeds rond in de buurt van Mönchengladbach, en ik krijg foto’s waarop hij na dat rondrennen diep ligt te slapen met zijn voorpoten opgetrokken tot zijn kin, als een klein kind, terwijl het een hond is van 28 kilo.

 

vochtig brandhout

Vandaag is Joop jarig. Hij heet al Joop, Claudia noemt hem in elk geval nooit meer Mio in whatsappberichten. Hij krijgt vanochtend worst, en vanavond krijgt-ie nog een keer worst. Bijna elke dag krijg ik een foto door, gisteren één waarop hij op zijn rug ligt met zijn voorpoten opgetrokken tot onder zijn kin. Ik heb zin in Joop. Zodat ik ook op een dag als vandaag – nat, grijs – erop uitga. En die geboortedatum is natuurlijk nattevingerwerk van een Griekse dierenarts, daar kan zomaar een paar weken onzekerheid in zitten.

Dat natte en grijze komt nogal slecht uit. Gisteravond hoorde ik het tikken op het tuimelraam in de woonkamer. Even had ik de aanvechting een zeiltje van achter het huis te halen en dat over de zeven kuub hout te leggen die Herr Arnoldy uit Schleid gistermiddag op de oprit stortte. Ik liet het, omdat het pikkedonker was en vooral ook omdat het zeiltje veel te klein zou zijn voor de enorme hoop hout (het grote zeil ligt ónder het hout, ja, je verzint het niet) en vanochtend werd ik wakker met wéér regen. Mijn brandhout is dus nat. Dat is niet fijn. Geen ramp, maar niet fijn, je hebt toch liever lekker droog hout. En dat terwijl het hier godsamme twee maanden niet geregend heeft en de Weatherpro geen enkele regen afgaf. Dat leidde vanochtend in bed tot een kleine woede-aanval (de halve Citaloprams zijn inmiddels kwartjes geworden).

Maar nu is het droog en het waait een beetje en bovendien droogt het hout wel weer op als het eenmaal in het hok ligt. Loslaten dus maar. Altijd alles maar loslaten, daar ben ik om zeven uur vanochtend in bed maar weer mee begonnen. Wat heb je aan woede op de natuur? De Werkstattofen hier in de schrijfkamer brandt, óók met vochtig hout, er is dus niks aan de hand. Herr Arnoldy is 78 en nu houdt-ie er echt mee op. Dit was zijn laatste lading hout. Ik had verwacht dat hij huilen moest, maar dat viel mee, en hij liet weten dat zijn hout nog helemaal niet op is. Momenteel heeft hij een heel goeie Poolse hulp, die zelfs appels gaat rapen om er appelmoes van te maken, en ze kan erg lekker koken en de verzorging van zijn zieke vrouw doet ze ook prima. De vorige Poolse hulp was niks, zei hij, daar had hij alleen maar problemen en moeilijkheden mee. En weer zei hij hoe lekker het was hier in mijn dalletje. Bij hem, daarboven in Schleid, waaide het weer fürchtbar en was het veel kouder. Hij droeg zijn poolmuts en bliefde geen koffie. Hij vertrok zelfs schielijk, alsof hij wél wist dat het zou gaan regenen. ‘Schielijk’, dat woord las ik gisteren in het Verzameld proza van Peskens. Wat overigens prachtig is.

Brandhout en daksteentjes

Ondertussen ben ik al een maand lang de Citalopram aan het afbouwen. Dat gaat toch niet helemaal zonder slag of stoot, nu merk ik maar weer eens dat elke dag zo’n klein pilletje zeker zijn werk doet. Ik slaap vreselijk slecht, heb wilde dromen vol moord en doodslag en echte boter. Aan de andere kant sta ik monter op, vroeg ook nog en borrelt zo nu en dan een mij heel bekende woede omhoog, wat ik niet eens zo heel erg vind. Waar ik erg op hoop is dat mijn tinnitus – bij de bijwerkingen van het middel als zeer zelden voorkomend genoemd – langzamerhand ook zal slijten. Ik ruik en zie de herfst en dat doet me af en toe de borst een beetje zwellen, brengt beelden en herinneringen aan eerdere najaren omhoog. Het is hier in de Eifel af en toe al vorstig ’s nachts. Vanaf vandaag neem ik niet elke dag meer een halve pil, maar om de dag, en misschien wel om de twee dagen, ik zou een slikschemaatje moeten opstellen.

Straks zaag ik een dikke zijtak van de kroosjespruim naast de poort af. Als die er niet meer is kan de vrachtwagen van de Raiffeisen met zeven ton steentjes de draai maken, mijn oprit op. De vorige keer dat dat geprobeerd werd, reed de chauffeur het pookje van de kraan kapot, en vertrok hij vloekend. Maar ook komt Herr Arnoldy met het winterhout, alleen niet vandaag – wat ik gewild had want ik ben niet alleen en met z’n tweeën is het hout sneller van de oprit in het houthok – want er zijn schilders bezig bij hem in Schleid, met een steiger, en die steiger staat voor de deur van de schuur en ín die schuur staat de kar met acht kuub hout. Nu zit ik dus met een logistiek probleem: acht kuub hout en zeven ton steentjes in bigbags gaan niet samen, ik zal dat nauwkeurig moeten plannen. Gelukkig heb ik de godganse week de tijd, pas volgende week woensdag gaan de Lesereisen verder, te beginnen met de Buchmesse in Frankfurt. Waar ik overigens uitsluitend dingen voor Suhrkamp zal doen want het Nederlands Letterenfonds heeft me nergens voor uitgenodigd, niet eens voor de opening, wat ik maar opvatten zal als iets positiefs: die jongen komt er wel, of is er al, die heeft geen ondersteuning van ons nodig.

Het is alweer druk bij het vogelvoederstation, straks bij de Globus (voorheen de HELA) in Bitburg eens kijken of er alweer mezenbollen te koop zijn. Gisteren kreeg ik weer een foto van Joop uit Mönchengladbach, misschien krijg ik tot half november elke dag wel een foto van Joop. Ik heb net als met Jasper eens goed aan hem geroken: ook híj ruikt prima.

Joop (tijdens Lesereise – week 3)

Het wordt tijd om niet steeds maar naar die urn onder de heg te kijken, of beter: als ik in de voortuin ben die urn vanuit mijn ooghoek steeds maar te zien. Half november. Dan is alle drukte – voor mijn doen – voorbij, dan is de tournee met Waumans&Victoria geweest, ligt de vuistdikke biografie over Koningin Juliana in de boekhandel en heb ik Münster en Bielefeld en Ingelheim af kunnen vinken. Half november. Buiten donker, binnen minstens twee houtkachels aan, de eerste sneeuw. En ik en mijn nieuwe maat ín die sneeuw en vóór die kachel.

Ik hoopte steeds dat er iets zou gebeuren. Zomaar. Per ongeluk. Iets serendipiteitachtigs. Dat ik niet dag in dag uit achter de laptop zou hoeven zitten om via marktplaats.nl of marktplatz.de op zoek te moeten onder het kopje windhonden of hoede- en herdershonden. Ik schreef hier al een keer over Snor en Buster, en dat die natuurlijk allang weg waren. Zo’n tweeënhalve week geleden kreeg ik een whatsappbericht vanuit Mönchengladbach. Hoe het met me ging? Goed, berichtte ik terug. En met jullie? Ook goed. Daarna nog wat heen-en-weer-geplauder. Tot ik de moed had het volgende te tikken: ‘Gibt’s einen neunen Hund?’ Ja, er was een nieuwe hond, maar dan een hond die ze eigenlijk wilden houden. En toch kreeg ik het bericht. De dingen zijn niet altijd zo duidelijk, of zwart-wit, of vrij van twijfels. ‘Mönchengladbach’ is Klaus en Claudia, en het was Claudia met wie ik whatsappte.

De witte hond komt net als Jasper van het Griekse eiland Thassos (maar dan als pup), en hij heeft al een opvanghuis achter de rug, waar het allemaal vreselijk misliep. Daarom is hij terug in Mönchengladbach. Ik heb hem nu twee keer gezien, een dikke week geleden, samen met Tuinmaat Han, Trijntje en teckel Jet (die de witte hond met groot respect vervulde; die opgetrokken lippen, die blikkerende tanden) en gisteren met vriend Henk en hondje Bas, en ook Bas maakte nogal wat indruk op de witte hond. Bas is 10, de witte hond is nog net geen 1. Hij heet nu nog Mio, maar ik ga hem omnoemen omdat ik mezelf hier in de Eifel, in de bossen en op de weiden, niet steeds keihard ‘Mio!’ zie en hoor roepen. Hij is lief en tamelijk groot en hij leert graag, hij loopt verend en zijn staart staat bijna altijd omhoog. Hij heeft bruine vlekjes op zijn oren en ondanks zijn zwarte neus heeft hij lichte ogen. Jasper was 20 kilo, Joop is 28 kilo en toch kan ik hem vrij gemakkelijk optillen, wat handig is bij een roltrap op een station.

Lesereise – week 2

Ik zat in de bus van Emmerich naar Kleve. De lezingen in Düsseldorf en Wesel had ik al achter de rug. In de bus zaten ook een stuk of negen schoolkinderen, die vrolijk kakelden. Ik zat een beetje om me heen te kijken, gewoon zoals je doet in een bus of trein. Middenin zat ik, op de eerste bank na het lege stuk waar moeders met kinderwagens kunnen staan, of oude mensen met rollators. Er zit daar zo’n ijzeren stang, waar je – mocht je daar zin in hebben – met je onderarmen op kunt leunen, of als je erg lenig bent zelfs je hielen tegenaan kunt zetten. Zien jullie het voor je? Naast me stond mijn lezingentas. En toen ging de buschauffeuse vol op de rem staan. Vol. Ik weet niet hoe ik het in die fractie van een seconde voor elkaar kreeg, maar ik gleed onderuit, met de benen eerst, ónder die stang door en wist me er nog aan vast te grijpen, waardoor ik even, heel even, horizontaal in de bus hing, terwijl mijn lezingentas door de bus heen vloog. Als ik dat niet voor elkaar had gekregen was ik met mijn buik – diezelfde buik met nog steeds een enorme snee erin – dubbelgeklapt tegen die stang.

Er was een meisje overgestoken, plotseling, op haar fiets. De buschauffeuse schold het kind helemaal verrot, het arme schaap begon keihard te huilen, maar dat vermurwde de chauffeuse niet. Ook vroeg de chauffeuse wel drie keer of er niemand verletzt was. Nein, zeiden de schoolkinderen en ik, terwijl ik over mijn pijnlijke armen wreef. Ik zat inmiddels weer óp mijn bank.

’s Avonds, toen we na de lezing zaten te eten, moest ik er weer aan denken. Dit moet ik vertellen, dacht ik, dit is best een spannend verhaal. Dus ik begin en ik zie ineens Epke Zonderland voor me, maar nog net op tijd besefte ik dat de Duitsers aan wie ik het verhaal vertelde mogelijk helemaal niet wisten wie Epke Zonderland was, maar gelukkig schoot me daarna nog nét op tijd de naam Fabian Hambüchen te binnen, zodat ik het verhaal smakelijk kon afsluiten met de mededeling dat ik dus als een soort Fabian Hambüchen aan de rekstok, dwars in die bus gebungeld had. Want ja: Epke donderde een paar weken geleden van die rekstok af en Fabian Hambüchen won goud. ‘Hahahaha,’ deden mijn Duitse disgenoten.

(Op de afbeelding Hambüchen aan zijn sterkste turnonderdeel, de ringen.)