Lesereise – week 5, de buitenwereld en ik zelf

Op 8weekly las ik dat mijn romans “bevolkt worden door (jonge)mannen die zuchten onder hun protestantse geloof”. Nooit heb ik, in welk boek dan ook, een woord vuilgemaakt aan ‘het geloof’. Op Twitter plaatste een man uit Kampen een lekenbespreking van Jasper, waarin hij dit liet weten: “[…] ik vind het persoonlijk te eerlijk. Ik hoef niet precies uitgemeten te krijgen hoe zijn seksuele ervaringen allemaal zijn geweest.” Het zit ‘m in het woord ‘allemaal’. Er staat in dat hele boek geen enkele uitgeschreven seksuele ervaring. Geen enkele. Hij schrijft ook plompweg het woord ‘homofiel’ op overigens, maar goed, hij woont dan ook in Kampen. Het NL-Vlaamse gastlandschap op de Buchmesse was natuurlijk prima voor de Nederlandstalige literatuur in het algemeen, maar een enorm nadeel is dat er veel te veel boeken in één klap zijn uitgekomen, waardoor er nauwelijks recensies komen: de Duitse critici weten gewoonweg niet wát te kiezen. In de Neue Rhein Zeitung verscheen een bespreking van Andreas Gebbink, die bij het zíen van Jasper und sein Knecht zich al afvroeg ‘wer zum Teufel’ Gerbrand Bakker is. Ook hij – net als de man uit Kampen – vindt dat ik “schonungslos offen” over mijn “homosexuelles Leben” schrijf. “Warum soll ich das in Gottes Namen alles lesen?” Nou ja, dat hóeft ook niet, Herr Gebbink, die gretig citeert dat ik nota bene zelf “Was für ein Gelaber” schrijf. En ergens begrijp ik het ook nog wel, zo’n reactie op dagboeken van iemand die je niet kent.

Meer dan ooit krijg ik de vraag naar het waarom ervan. Die vraag zelf is al niet fijn omdat er een nauwelijks verholen agressiviteit in schuilt [eigenlijk past het helemaal niet bij een Duits leespubliek] en bovendien heb ik er eigenlijk geen antwoord op behalve ‘Waarom niet?’ Maar dat zeg ik niet, ik draai en kronkel en lul me er op een bepaald moment wel uit. Wat je natuurlijk meteen moet doen, is de vraag terugkaatsen: wat is uw beroep en zo ja, waarom? Altijd maar verantwoording af moeten leggen waarom je ‘kunstenaar’ bent, alsof het feit dat je boeken schrijft van geheel andere of hogere orde is dan boer zijn en nooit heeft iemand mijn vader gevraagd waarom hij boer was, hoor. Het vreselijke ‘Waarom zou ik uw boek moeten lezen?’ tijdens een lezing. Zulke mensen moet je eigenlijk meteen de zaal uit sturen. Waarom komen ze überhaupt op een lezing af?

Eergisteravond moest ik bij de laatste momenten van de film Interstellar ineens keihard huilen. Niet zomaar een sentimenteel traantje vanwege de – overigens geweldige – film, nee, hardnekkig, echt huilen. Ik vermoed dat het kwam vanwege de afgelopen vijf weken van op en neer en heen en weer reizen, zwetsen en zwatelen (en ergens in de periode heb ik het laatste kwarttablet Citalopram weggeslikt), mezelf allerlei dingen horen vertellen over Jasper en dan vooral dat ik zo goed aan hem zag dat hij wel toenadering zocht en wilde, maar het niet kón. Hij was een hond die zich niet over kon geven, wat vooral bleek uit het de ene keer zo en de andere keer zus doen, er kwam maar geen ritme of regelmaat in, er sleten geen vaste gewoontes in zijn leven. Waarom een hele week ’s nachts aan mijn slaapkamerdeur krabbelen en janken en daarna maandenlang weer niet? En ik kreeg weer zo’n medelijden met hem, waar hij niks aan heeft, want hij is dood, maar ik moest er wel om huilen. Misschien ben ik wel een mens die helemaal geen hond zou moeten hebben, net zoals het goed is dat ik geen kinderen heb. Altijd maar gespannen en aufmerksam, eigenlijk zoals Jasper ooit zelf, en twee gelijken zullen nooit echt tot elkaar komen?

Ook heb ik een stalkster. Daarover wellicht later meer. Of misschien beter van niet.