Column Trouw, vandaag

Een krant op 31 december. Een column in die krant. Eindejaarslijstje? Echt niet, het competitieve denken mag wat mij betreft allang weg en bovendien denken mensen bij het lezen van al die lijstjes, ‘O, ja? Nou, mijn nummer 1 is toch echt een heel andere nummer 1.’ Dat schiet niet op, dient geen enkel doel. Al die wedstrijden, houd er toch eens mee op. Winnaar altijd willekeurig, want gekozen door één iemand of een jury. Ik was op de verjaardag van mijn moeder en daar vertelde mijn neef Julius dat zijn baas genomineerd is voor Ondernemer van het Jaar. Van de gemeente dan, hè. Zijn baas heeft een sloopbedrijf. Ik zuchtte diep en dronk nog een glas rode wijn, nam nog een rolletje boterhamworst met augurk van de schaal.

Dit jaar gingen Jasper en dakdekker Rudi en Peter van Straaten dood. Er gingen natuurlijk nog veel meer mensen en dieren dood, maar dat deed me niets omdat ik al die mensen en dieren niet kende. Ook ging Erik Pezarro dood, een man die ik twee of drie dagen gekend heb en toch greep zijn dood me aan. Ik leerde hem kennen toen hij schuin tegenover me op zaal in het OLVG lag. Een waterval van taal kwam uit hem, ik heb voornamelijk naar hem geluisterd. Dorinde van Oord kwam bij hem op bezoek. Dorinde is een schrijfcollega van me bij Uitgeverij Cossee. Zij zei: ‘Wat doe jij hier nou?’ Ik vroeg aan haar: ‘Nee, wat doe jíj hier?’ Ze bleek een ex-vrouw van hem te zijn en na zijn operatie zat ineens Philip Snijder, ook collega-schrijver, naast zijn bed, bleek zijn zwager te zijn. Hij werd omringd door mensen die ik kende. Maar waarom dat geraakt worden? Omdat ikzelf in die tijd ook ‘gewond’ was, rauw vlees was, openstond voor veel meer dan normaal? Dat moet het zijn. Maar het was ook als een daverende relatie van twee dagen met een man of jongen, ik bedoel: zo’n relatie die meer kan betekenen, dieper kan gaan dan drieëntwintig jaar samenzijn. Dat je uitgelachen wordt door vrienden en bekenden die inderdaad al drieëntwintig jaar samen zijn, mensen die niet kunnen begrijpen dat er een soort van openstaan bestaat dat het hebben moet van uren of dagen, juist niet van maanden of jaren. Een ontmoeting die van alles overstijgt, allerlei dagelijkse gewoontes, allerlei oordelen en vooroordelen. Een wezenlijk leren kennen. Dat gebeurt zeer zelden, en meestal is het gissen naar een verklaring.

31 december. In 2000 deed ik mijn laatste Nieuwjaarskaarten op de post. Daar maakte ik altijd veel werk van, met knip- en plakwerk, eigen teksten. Ik verstuurde er altijd minstens twee keer meer dan ik er terugkreeg. Dat werd ik beu. Ik geloof dat ik het zo langzamerhand wel weer aan zou kunnen, ik denk dat het me niks meer kan schelen hoeveel ik er terugkrijg. Het is immers geen wedstrijd. Guten Rutsch allemaal, ingezonden nieuwjaarswensen niet nodig.

 

 

Jooploos

Als ik een hekel aan mezelf heb, is het vrijwel onmogelijk hier iets te schrijven, als ik een hekel aan mezelf heb, ligt alles hier stil. Laatst vroeg iemand op facebook waarom ik zo weinig over Joop schreef. ‘Dat heeft een reden,’ antwoordde ik toen. Als je een hond neemt, heb je voor hem te zorgen, dat heb ik ook wel eens ergens geschreven. Met Jasper was dat zeker zo; ondanks alles zorgde ik voor hem, nam ik van alles op de koop toe. Omdat ik dat besloten had. Dat betekende niet dat dat zonder ergernis, stress en spanningen gebeurde. Ook als iets erg moeilijk is om over te schrijven, kan het hier een tijdje stil zijn. Die ene maand dat Joop er was, schreef ik om hem heen, liet ik hem meelopen zonder verder commentaar.

Was, ja. Gisterochtend vroeg hebben Tuinmaat Han en ik hem teruggebracht. En met hem zijn halsbanden, het fotoboek, een hondenfluitje, zijn paspoort en zijn reuzenkussen. Die laatste dagen waren nogal zwaar, ik kon hem nauwelijks aankijken omdat ik iets wist wat hij nog niet wist: dat dit zijn voorlaatste rondje was, dat dat zijn laatste avondmaal was, dat het leuk maar niet noodzakelijk was hij en tekkel Jet na een dag eindelijk ophielden naar elkaar te grommen en blaffen. Maar vooral ook omdat ik in zo veel dingen zag dat hij een fijne hond was. Speels, aanhankelijk, gehoorzaam, makkelijk.

Naast wat kleine minpuntjes – erf- en huisbetreders keihard aanblaffen, achter vrachtwagens aan willen -, minpintjes die ik genomen zou hebben, was er een groot minpunt: agressie naar kinderen toe. Het is maar net wat je agressie noemt, ik weet het, en de oorzaak ervan kan in veel dingen liggen, maar ik ervoer het als agressie. Er hoefde maar een kind in zijn blikveld te verschijnen of hij begon woedend te blaffen, al zijn haar rechtop, trekkend aan de lijn. Dat ik elke keer blij was dát hij aan die lijn zat, want wat zou er gebeuren als hij los liep? Ik vertrouwde hem niet. En ja, je kunt proberen er iets aan te doen, maar Joop is 14 maanden oud. Hij laat zich veel dingen makkelijk aanleren, maar probeer zo’n hond maar eens iets áf te leren. En hij liep nou juist zo fijn los mee, liet zich zelfs terugroepen als er drie reeën in de verte verdwenen. Maar daar kwam de gevreesde patstelling: hij mág los, maar het kán niet want stel dat er een kind of een eenzame woudloper op zou doemen.

Die patstelling heeft me met Jasper enorm veel spanning opgeleverd: Jasper was oké met andere honden als hij niet was aangelijnd, maar Jasper kon niet van de lijn want dan smeerde hij hem onmiddellijk. Ergo: altijd aan de lijn, altijd het agressieve gedoe met andere honden, gedoe met andere baasjes ook. Altijd spanning.

Ik wilde dat niet. Ik wilde niet wéér een ‘moeilijke’ hond, waarmee je nooit eens ontspannen kunt lopen, ik wilde het ook niet proberen, dat heb ik met Jasper al vruchteloos gedaan. Ik wilde me niet een patstelling op de hals halen. Patstellingen en twijfels, breek me de bek niet open. Ik nam een ferme beslissing: hij gaat terug. Zo was het ook afgesproken: als het niet klappt, dan mag en moet hij terug. Ik zei tegen Tuinmaat Han in de auto dat ik enorm hoopte te zien dat Joop zich weer naadloos in zijn oude situatie zou voegen, dat ik mezelf kon wijsmaken dat hij gewoon een klein maandje bij me gelogeerd had. En dat deed hij: hij kwam binnen in zijn oude huis en gleed onmiddellijk zijn oude leven weer in, met de vier andere honden en de twee volwassen mensen, waarvan de ene hem meteen maar weer ‘Mio’ noemde. Ik heb hem nog een zoen gegeven en we reden verder naar Amsterdam. ‘Valt best mee,’ zei ik tegen Han, toen we in de AC Venray een broodje kroket aten.

Valt best mee. Ja, als ik mijn best doe niet aan hem te denken, als ik faalgedachten wegduw, probeer geen hekel aan mezelf te hebben omdat ik hem ‘in de steek heb gelaten’. Eerst maar weer eens een tijdje gewoon verder leven, dit en dat doen, heen en weer reizen, lezinkje hier, bezoekje daar, de sneeuwklokjes op zien komen, nieuwe keuken, nieuwe tegelvloer. Alles went.

Inzicht

Gisteravond rond half zeven liep ik met de Petzl op mijn voorhoofd en een kleed over mijn schouder naar Feuerscheid. Joop liep naast me, aan de lijn. Het is een wandeling van ongeveer 20 minuten, met een steile afdaling en een steile klim, deels over de weg, deels dwars door het land. Het was pikkedonker. We gingen eten bij Inge Happé en Roelf van der Laan. Er kwamen twee auto’s langs. Ik hou Joop dan in de berm, aai hem en zeg ‘wacht’. Hij heeft de neiging achter auto’s aan te willen en een nóg grotere neiging achter Lastkraftwagen aan te gaan. En ineens zag ik het: ik ben een zonderling mannetje. Zo één zonder rijbewijs, dat bij nacht en ontij met een kleed over zijn schouders langs duistere wegen loopt. Precies zo’n zondering mannetje als die we vroeger in Wieringerwaard hadden. ‘Dronken Droppie’ bijvoorbeeld. Alleen de naam komt naar boven nu, wat hij deed of hoe hij er uitzag weet ik niet meer. Of Piet Kaan, ook altijd op de fiets, wuft zwaaiend, hij dronk wijn, rode wijn, gekker moest het toch niet worden. Ongetrouwd.

Er komt een moment dat je beseft dat je er zelf zo een geworden bent. Altijd in vuile werkkleren, er hoeft hier maar iemand aan de deur te kloppen (ook zoiets: waarom heeft die kerel niet gewoon een bel!), of ik doe open met ongewassen haar, hondenharen op mijn kleren, een sjekkie tussen mijn bruine vingers. Gebrekkig Duits pratend en met een tuin die in niets lijkt op de strakke, koele, makkelijke tuinen in de buurt. Op de fiets naar Schönecken om een paar bolletjes knoflook te halen. Dat je in plaats van een tikje zelfgenoegzaam te denken ‘dat is een aparteling’ naar jezelf moet kijken als aparteling.

Vind ik het erg? Ik geloof het niet. Er zijn zonderlingen en apartelingen nodig, lijkt mij, om alles in evenwicht te houden in een gemeenschap. En daarbij: ik ben toch zeker een kunstenaar, al dan niet met een kapitale K? Hoort het er niet een beetje bij? Ik hoor nog aannemer Markus Michels zeggen: ‘Du hast immer Urlaub oder?’ omdat hij met de beste wil van de wereld niet begreep hoe dat allemaal kon: iemand zonder werk die een peperdure aanbouw zetten laat. Terwijl hij wist dat ik boeken schrijf, maar het schrijven van boeken was zo niet te rijmen met het fysieke werk dat hij dag in dag uit doet om zijn geld te verdienen, dat hij het niet bij elkaar bedacht kreeg.

Ik vind het eigenlijk wel een soort van bevrijding, dit nieuwe inzicht. Als je een zonderling bent, neemt men je de zonderlinge dingen die je doet ook niet kwalijk, glimlacht men erom, zegt men met een beetje geluk ‘ach, hij bedoelt het goed, het is verder een beste kerel’. De dwaas die de prima kunststof ramen en deuren laat vervangen door peperdure houten ramen en deuren! En die de protesten wegwuift door te zeggen: ‘Laat me nou maar, ik ben gek op houtwerk schilderen. Dat deed ik vroeger ook altijd, het liefst met Radio Tour de France op 1.’

Lichtschlauch usw.

Ineens is het december en na een paar dagen bijna strenge vorst is het vandaag vochtig en maar liefst vijf graden. Ik gooide broodkruimels op het vogelvoederstation en lokte daarmee weer de mussen. In de vensterbank ligt een hele Edammer kaas en in de koelkast een enorm stuk oude geitenkaas. Meegebracht door bezoek S. en bedoeld voor buurman Klaus, waar ze bij aankomst op de koffie ging omdat ik nog even een rondje deed met Joop, de deur dus dicht was, en ze Klaus verklapte dat ze die kaas in opdracht van mij voor hem en buurvrouw Monika mee had, met als gevolg dat ik die hele Edammer kaas niet zelf kan houden. Is niet erg.

Elke dag gebruikt een nu bijna zwarte eekhoorn mijn tuin als doortrekgebied en in plaats van één boomkruiper scharrelen er nu twee heen en weer op de stam van de oude perenboom. Op de buitentafel, die ik pal voor het keukenraam heb gezet, arrangeerde ik heel kunstig – al zeg ik het zelf – een soort kerststuk. Drie lantaarns, een paar aardewerken kruiken, een bak met kastanjes, een paar vliertakkenbossen en een kerstboompje in een pot. Een boompje dat ik uit het bos stal. Heel genoeglijk en zeer on-Duits. Er ligt een Lichtschlauch klaar, die is wel erg Duits, ik weet nog niet waar ik die ga draperen. [Een uur of zes later] Inmiddels is de lichtslang langs het vogelvoederstation gedrapeerd. Hij brandt, omdat ik samen met het ding ook een verlengsnoer kocht.

Mag ik iets zeggen over die boekenwedstrijd die de NRC uitgeschreven heeft? Dat is natuurlijk om gek van te worden: wéér een wedstrijd, alsof de literatuur tegenwoordig alleen nog getoetst, gewaardeerd en genoten kan worden als er gouden, zilveren en bronzen medailles uitgereikt worden. Ik schreef er een tijd geleden een stuk over op de website van De Groene Amsterdammer. Ook op persoonlijk vlak kan het gekmakend zijn:  NRC kiest natuurlijk vóór, want wij zijn te onkundig om zelf een boek te kiezen, en dat terwijl in diezelfde krant mooie boeken als Afscheidstournee van Vrouwkje Tuinman twee (2!) sterren krijgt van Sebastiaan Kort, terwijl het een klassieke roman is, een roman zoals elke schrijver die ooit hoopt te schrijven, zo’n fijn boek met een compleet levensverhaal erin. Ik heb het boek hoogstpersoonlijk in de Cossee-stand op de Frankfurter Buchmesse Duitse uitgevers in de handen geduwd. Maar, zoals gezegd, dat is persoonlijk, en zal ook wel weer ‘belangenverstrengeling’ zijn, want Vrouwkje geeft ook uit bij Cossee.

Maar om er nu volstrekt te gaan doorflippen zoals Pieter Waterdrinker doet, dat gaat ook wel weer wat ver. Pieter is dusdanig verrussischt dat hij aan het einde van een ellenlange twittertirade triomfantelijk uitroept ‘Ik ben vrij!’, waarmee hij bedoelt dat hij NRC-boeken dusdanig heeft geschoffeerd dat ze waarschijnlijk nooit meer een boek van hem gaan bespreken. Pieter heeft daar in dat verre Rusland erg last van klassieke verongelijktheid. Zijn boek Poubelle – dat ik ook een klassieke roman zou willen noemen, een prachtige leeservaring vond ik het – staat namelijk niet in de voorgekauwde keuze van NRC. Er zijn naar mijn weten al vijf drukken van verschenen en er komt een druk aan met een geheel nieuw omslag. Het boek doet het dus prima. Ik wissel weleens berichten uit met Pieter, we schrijven heen en weer, ook nadat hij erg boos was dat het boek niet op de longlist van de ECI stond. ‘Doe dat nou toch niet,’ zeg ik dan. Woorden laten vallen als ‘grachtengordel’ enzo, of schrijven dat je nooit meer een letter op papier zult zetten. Natuurlijk heb ik ook weleens een frustratietje, maar beter houd je die aan de etenstafel of in de echtelijke sponde.

Niemand verdient iets. Niemand. Wat gebeurt, gebeurt. Het is echt niet zo dat alle literaire jury’s met opzet zijn boek negeren, er zijn nu eenmaal – in de ogen van diezelfde jury’s – betere boeken. Wat is dat toch? Dat schrijvers menen een meesterwerk geschreven te hebben? Hoe durven ze? Zo’n meesterwerk dat het script ervan als ‘puberaal’ wordt gewaardeerd en de film dus niet doorgaat? Zo’n meesterwerk dat het ontbreken ervan op een longlist als doodsteek wordt ervaren? Misschien is het bij Pieter de afstand, als hij in Putten had gewoond, was hij wellicht niet zo ontploft. Ik gun hem dat niet, dat ontploffen. Pieter, kom naar Putten en neem daar heel bedaard wat op je toe komt.