Amber (Trouw 21.01.2017)

Tuinmaat Han en ik reden naar Lisserbroek. Daar was een hond, Amber. Amber bleek in een huis te wonen met nog vijf andere honden, in de woonkamer. De rest van het huis was van de bazin. Het belangrijkste wapen van de bazin was een plantenspuit. ‘Je moet ze eronder houden,’ zei ze en toen ik één van de honden riep, zei ze: ‘Een hond roep je niet.’ Het waren allemaal lieve, aanhankelijke, springerige honden, of nee, één had angst voor mannen, die zat rillend in haar mand. Amber zou een Portugese podenco moeten zijn, maar ik zag meteen aan het lange haar dat Amber dat niet was. Podencos zijn glad- of draadharig. Amber had ook een iets te zwaar achterstel. Maar vooral had ze het allerliefste snoetje dat je je voor kunt stellen, met van die iets diepliggende, scheve ogen. Of ik even met Amber mocht lopen? Zeker mocht dat. Het regende en het was guur en het huis waarin Amber woonde stond in een nieuwbouwwijk. Han’s draadhaarteckel Jet was ook mee. Amber wilde graag spelen met Jet, maar die had daar weinig zin in. We liepen over een fietspad, Jet los voorop en ik met Amber aan de lijn daar achteraan. Ik had medelijden met Amber. Ik kon wel janken.

‘Denk er goed over na,’ zei de bazin. ‘Jullie bevallen me wel.’ Dat gebeurt wel vaker, dat mensen Tuinmaat Han en mij met ‘jullie’ aanspreken, alsof we een stelletje zijn. Op mijn verzoek liet ze de wilde hond die ze in een bench had opgesloten los, hij was een soort pitbullmix. Die hond sprong meteen bij me op. ‘Geef hem maar een knietje,’ zei ze. Dat knietje hielp niet, dus pakte ze er haar plantenspuit bij. ‘Jij bent veel te soft,’ zei ze. Daarna ging het in de auto in de inmiddels stromende regen verder naar Den Haag. In Wassenaar zei ik: ‘Straks naar links kijken, daar wonen Willem-Alexander en Maxima.’ Daar geloofde Han niks van. ‘Ik dacht dat ze rechts woonden,’ zei hij. ‘Nee,’ zei ik pedant, ‘want de vorige keer dat ik hier was, kwam ik úit Den Haag en toen woonden ze rechts.’ Daarna waren we even stil en nog weer later reed Han faliekant verkeerd in Den Haag, waardoor we de stad weer uitreden.

‘Wat denk je, Han?’ vroeg ik toen we omgekeerd waren. Han wist het niet. Amber had niks verkeerd gedaan, niet gemeen geblaft naar kinderen, niet achter katten aangezeten, geen agressie getoond naar andere honden. Dat lange haar was helemaal nat geworden en af en toe keek ze om, met die iets scheefstaande ogen. ‘Ik weet het ook niet,’ zei ik. ‘Ik weet het echt niet.’ Al die honden overal, die van het ene naar het andere baasje gaan, worden ingevlogen vanuit Griekenland en Spanje. Al die lieve, scheve, lepe, schuldige blikken. Dat moet je allemaal maar verdragen kunnen. Soms kun je het beste gewoon maar hard weglopen.

Un bel di vedremo

Gisteren waren naar een crematie in Lisse. Met we bedoel ik vader en moeder, drie broers en een zus. En natuurlijk nog meer mensen, vooral heel veel oude mensen, die wij niet kenden: buren en vrienden en nog een plukje familie van oom Cor. Want het ging om oom Cor, voormalig octrooigemachtigde bij de Shell. Oom Cor was getrouwd met tante Lief, de zus van mijn vader. De laatste anderhalf jaar heeft hij doorgebracht in een verzorgingstehuis. Hij had zich daar erg goed gedragen zeiden beide zoons Jan en Wim in hun toespraken. Eigenlijk is het Wim en Jan, want Wim is de oudste. Wim woont in Australië en Jan woont in Amerika. Tante Lief is over een tijdje, als de zoons weer gevlogen zijn, helemaal alleen. Ik reisde erheen met de trein en de bus. Ook als je geen auto hebt, kom je overal. Ik moest wel de laatste twintig minuten lopen, maar dat was niet erg, het was mooi weer. Pas tijdens de dienst betrok het en toen tante Geertje en haar man Sybren me in Sassenheim afzetten, zei tante Geertje ‘Wat een mistroostig weer.’

Tante Geertje is helemaal geen tante, tante Geertje is een Hannema, we moeten terug naar een zuster van opa Bakker voor de Hannema’s, die trouwde er met één. Tante Geertje is eerder een achternicht van me (want een nicht van mijn vader), en ze had geklaagd bij een medewerkster van het crematorium, dat nog maar vier maanden open is. De gehele achterwand is van glas. Dat is mooi, want daar weer achter ligt een water met een fontein, een strakke haag en een tweetal muren, met dáárachter weer de bollenvelden. Negen punten voor het uitzicht. Maar de sprekers vallen erbij in het niet en staan er in tegenlicht. Je hoort ze duidelijk, maar de gezichten zie je niet. Het is bijna een schimmenspel. De medewerkster zou er melding van maken.

‘Wat kijk je naar me,’ zei mijn moeder na afloop tegen een onbekende vrouw. ‘Zie je kennis?’ De vrouw zei eerst even niets en daarna: ‘U kijkt naar mij.’ Daar had mijn moeder weer niet van terug en met een ‘Tja, daar hebben we ogen voor gekregen’ ging ze zitten. Wie die mevrouw was bleef onopgehelderd. Ik werd een paar keer aangesproken op mijn boeken door wildvreemde mensen. Dat vind ik niet kies op een crematie en ik heb er ook geen zin in, tot mijn zus me toesiste ‘Die mevrouw wil even wat tegen je zeggen over dat boek!’ Een man zei: ‘Hé Gerbrand’. ‘Wie bent u?’ vroeg ik. ‘Je kent me helemaal niet,’ zei hij. ‘Ik ken jou uit de krant.’ O ja. Toen ik buiten even ging roken, kon ik er niet meer in: de deur zat op slot. Dat doen ze denk ik om niet-betrokkenen weg te houden bij de crematie. Ik kon er pas weer in toen iemand vroeg vertrok.

Een van de muziekstukken was ‘Un bel di vedremo’ uit Madama Butterfly, als ik me niet vergis in de uitvoering van Maria Callas. Mijn moeder kreeg het te kwaad en mijn zus ook, allebei een kind verloren, en omdat mijn zus het te kwaad kreeg, kreeg ik het ook kort te kwaad. Zo gaat dat: iemand wordt gecremeerd of begraven, maar de oude doden steken de kop weer op. Lees de vertaling van de Italiaanse tekst van ‘Un bel di vedremo’ maar eens. Huiveringwekkend. Als ik oom Cor voor me zie, zie ik een lange, dunne man in een beige regenjas. Hij ging een gesprek altijd heel verwachtingsvol in, handen op de knieën, opgewekt. Zoon van een tuinder uit Oosterblokker.

Minus Fünfzehn

Afgelopen nacht heb ik verzonnen dat ik mijn bed ga verplaatsen. Mijn bed in de Eifel. Nooit eerder aan gedacht, het staat al vier jaar op dezelfde plek. Ik heb daar zin in, want met het verplaatsen van het bed komt ruimte vrij die ik voor andere doeleinden kan benutten. Er komt natuurlijk geen ruimte vrij, de ruimte wordt anders van vorm, dat is wat ik bedoel. Maar snel ga ik dat niet doen, want zoals ik tegen nogal wat mensen gezegd heb de afgelopen dagen: van de Eifel heb ik de Nase voll. In het Nederlands heb je ergens je buik van vol, in het Duits je neus. Aankomende nacht vijftien graden vorst (-15) daar. Geen zin in. Twintig centimeter sneeuw. Geen zin in. Ik heb zin in sneeuwklokjes en winterakonieten, en een zon die al warm voelt ‘hoewel het nog vroeg in het jaar is’.

Ik geloof dat ik de afgelopen jaren iets té hardnekkig daar heb gewoond, en het is alsof ik nu pas begrijp dat ik er niet hoef te zijn. De – tijdelijke – volle neus heeft ook te maken met hondengedoe natuurlijk, en misschien nog wel het een of ander. Ander punt is ook dat ik al drie jaar een column in de krant heb over dát leven, en dan is het wel handig dat je er bent. Ik kan veel uit mijn duim zuigen, maar niet alles. Misschien eens een afspraakje maken met de redactie van Tijd, en dan een gesprek hebben over een iets andere invulling van die column. Over een tijdje moet ik er wél zijn, want dan moeten alle oude tegels in de keuken en de hal eruit en de oude keuken zelf ook. Maar zelfs dan zou ik na die sloopwerkzaamheden weer terug kunnen keren naar Amsterdam. Wanneer dat over een tijdje is, weet ik nog niet, Thiex heeft nog geen leverdatum van de nieuwe keuken aangegeven. Buurman Klaus meldde via whatsapp zojuist dat hij de kachels in de schrijfkamer en de keuken heeft aangemaakt en dat morgen nog eens gaat doen, en dat was nog vóór ik hem vroeg of de waterleiding al kapotgevroren was. Aan vorst in de Eifel heb je helemaal niks, nergens kun je schaatsen. Het is iets negatiefs, niet iets positiefs. Aan buren daarentegen heb je in de Eifel erg veel.

 

(Geen) Filmbespreking

Er is mij ooit tijdens een feestje, met hapjes en drankjes, tussen neus en lippen gevraagd of ik recensies wilde schrijven voor de krant die het feestje organiseerde. Daarop zei ik onmiddellijk ‘nee’. Ik hoefde er niets eens over na te denken. Niet omdat ik niet iets vinden kan van een boek, wel omdat ik er de taal niet voor heb, de instrumenten ontbeer om er iets over te zeggen. Zo simpel is het. Ik kan bijvoorbeeld slecht uitleggen waarom ik een zin mooi vind, of waarom de constructie van een boek passend is bij het verhaal. Soms lukt dat wel, soms is er één ding wat me niet – of wel – zint. Er werd me vorig jaar gevraagd een blurb te leveren voor het boek De burcht van Cynan Jones. Dat is een prima boek, maar iets zat me dwars. Dat bleek de gedachtewereld van één van de hoofdpersonen te zijn. Dat is een Welshe schapenboer. Die gedachtewereld paste niet bij een boer, dat overtuigde me niet; het was alsof de schrijver (met zíjn intelligentie en inzichten) in de huid van die boer was gekropen. Geen blurb. En nog eens wat: als je dat helemaal niet dwarszit, is er niets aan de hand. Mogelijk moet je als recensent niet te veel relativeren?

Maandagavond zag ik de film Brimstone van Martin Koolhoven. Ik had mooie kleren aan, want het was de première. Ik dronk speciaal bier, dat gebrouwen was ter ere van de film. Om me heen allemaal beroemde acteurs en actrices en dj’s en regisseurs. Daar raak ik altijd een beetje van in de war, ik ben zo iemand die bekende koppen van film of tv als larger than life ondergaat. Bridget Maasland komt langs met een RTL4-cameraploeg en ik roep opgewonden ‘Hé, Bridget Maasland!’ Sinds ik met haar en haar hond in een kleedkamer heb gezeten vind ik Bridget Maasland lief. De film duurt tweeënhalf uur. Toen hij afgelopen was, voelde dat als een uurtje. Ik vind dit dus een mooie film, besefte ik. Dat bedoel ik met het ontberen van de woorden om zo’n film te beoordelen of te bespreken. Als mijn recensie in een krant zou komen, zou daar dus staan Je merkt er niets van dat hij zo lang duurt. Ik denk dat dat voor potentiële filmgangers niet erg behulpzaam is. De muziek is prachtig. Dat vond ik ook. Van dik hout zaagt men planken-muziek. Helemaal goed. En het Engelse woord Retribution is zo prachtig en twee delen van de film hadden die titel.

Er was een afterparty. Daar dronk ik te veel. Maar ik durfde wel op Egbert Jan Weeber af te stappen om hem te vertellen dat hij zo op Joel Kinnaman lijkt. Daar heeft verder niemand wat aan. En ik sprak met Eddy Terstall over moslims en met Eric de Bruyn (Wilde mossels, J. Kessels) over hoe moeilijk het is in dit land een film van de grond te krijgen en ik kon Joram Lürsen een scène uit Alles is liefde naspelen waarin Chantal Janssen een rolletje speelt, ze komt hups aanlopen bij een zwembad in een flodderig maar sexy niemendalletje en zegt ‘Ja, ik heb zomaar even wat aangeschoten, hoor’. Daar heeft verder ook niemand wat aan. Maar het was wel gezellig.

Steendrolletjes

Er is hier een zwarte eekhoorn. Buurman Klaus ziet hem ook regelmatig. ‘Maar die wordt in het voorjaar vast weer rood,’ zei ik. Volgens hem niet. Volgens hem is het een échte zwarte eekhoorn. Net liep hij langs het vogelvoederstation – als ik hem was, zou ik er eens ín klimmen – en hipte hij via de oude perenboom weg. Het is -11, de drolletjes van hondje Bas worden in een kwartier tijd keiharde steentjes. Die drolletjes liggen in de tuin, hij heeft niet geleerd dat de tuin eigenlijk nog niet echt ‘buiten’ is. Buiten is alles voorbij het hek. Voor dat doel ligt er een oude troffel op de afgezaagde sierkers. Teckel Jet van Tuinmaat Han en Trijntje poept ook altijd in de tuin. Als het hier Friesland was geweest, hadden we allang een Elfstedentocht gehad. Er is hier wel water, voornamelijk visvijvers, maar dat water is altijd in beroering, nergens een betrouwbare ijsvloer.

Ik heb erg veel zin om vanaf vanmiddag het EK allround en -sprint te kijken. Maar dat zal niet gaan. VaBo Elektrotechnik te Waxweiler houdt zich nog steeds doodstil. Inmiddels ben ik zo ver dat ik er gewoon iemand anders bijhaal en de eventuele rekening van de VaBo betaal ik ook niet. Buurman Klaus zei het al: ‘Dat is helemaal niks, je moet dat bedrijf uit Bitburg hebben.’ Maar goed, iedereen zegt weer iets anders, deze vindt dat bedrijf top, een ander zweert bij dit bedrijf. Mijn keukenleverancier wordt ook door iedereen als viel zu teuer aangemerkt. Maar ja: de goedkopere Kücheplus is domweg nooit doorgekomen met een offerte. Eergisteren had ik een onverwacht voordeeltje: ik was tegels voor de vloer en de keuken aan het bestellen. De tegels voor de keuken waren uitgezocht, maar net op tijd zinde het me niet. ‘Wacht even,’ zei ik tegen buurman Klaus en Frau Horn van Baustoffenzuntrum Henrich. Ik vroeg om een iets andere kleur groen. Nu heb ik een restpartijtje van vier meter, waarvan Klaus bij thuiskomst zei dat die oorspronkelijk twee keer zo duur waren als de eerder uitgezochte tegel.

Het is zes januari, Driekoningen. Ik wilde vandaag de Lichtschlauch van het vogelvoederstation verwijderen, maar met deze temperaturen kijk ik wel lekker uit. Ik zal de stekker uit het stopcontact halen. De Sternsinger zouden moeten komen, maar het is vrijdag, waarschijnlijk komen ze pas zondag, na de kerkdienst. Zondag ben ik hier niet, wat betekent dat het huis ongezegend blijft. Of, anders gezegd, dat het huis nog een jaartje door moet op C*M*B 2016. Als ze heel welwillend zijn, zouden ze het huis zelfs zonder mijn euro’s voor een goed doel in Afrika kunnen zegenen.

Ik heb zin in voorjaar. In de tuin.

Insgelijks!

Regen in plaats van sneeuw. Gisteravond werd het wit, terwijl het al dagenlang wit was van de rijp, maar in de loop van de nacht is de temperatuur gestegen. Takkeweer. Koud, nat, grijs. In mijzelf is het ook koud en grijs. Nat niet, voor zover ik na kan gaan. Ik heb al twee maanden abonnement betaald aan Canal Digitaal, maar nog steeds zie ik geen 1, 2 of 3, of RTL of SBS. Er zijn twee jongens geweest uit Waxweiler om iets te doen aan de schotel, maar dat is mislukt en nu komen ze niet meer en als ik opbel, krijg ik geen antwoord. Eén ding dat ik wel geleerd heb hier: als je niet opbelt, gebeurt er domweg niks meer, laten ze je zitten. De mensen die een grote bek opzetten worden dus geholpen, zij die rustig afwachten laten ze zitten. Is dat Duits? Ik dacht toch altijd van niet. Misschien is het typisch Eifelisch. Het is zelfs zo dat ik in de stemming ben om hier weg te lopen en nooit meer terug te komen. Zoals ik vroeger fietsen in de sloot kon smijten. Mijn eigen fiets, welteverstaan, en dan grimmig verder lopen, weglopen. Zo! denken. Waarmee je natuurlijk alleen jezelf te pakken hebt. Ik pas op een hondje dat ik niet velen kan, omdat ik op de plek waar hij ligt nog steeds een veel grotere hond zie liggen. Ik heb even helemaal geen zin in 2017, rot op met je 2017. Maar dan komt buurman Klaus en die zegt dat we vanmiddag naar Baustoffenzentrum Henrich in Gerolstein rijden om tegels te bestellen. Nou ja, vooruit dan maar. Kan mij het schelen, bestellen kan altijd. En dan weglopen als ze geleverd worden. Zoek het maar uit met dat huis. Niet mijn probleem.

Met het wegvallen van de Citalopram is er van alles veranderd. Eén belangrijk ding is dit: ineens kijk ik weer vooruit, kan ik denken ‘wat moet ik nu doen?’ Nu, maar bijvoorbeeld ook over een paar maanden, of vier jaar. Het min of meer tevreden dag bij dag leven is omgeslagen in oude onrust, een beetje woede zo nu en dan, niet bij mensen langsgaan omdat die – net als buurvrouw Weiers ooit, waarna ik domweg NOOIT meer bij haar langsging – zijn begonnen ‘Zo, zien we jou ook weer eens’ of ‘Waarom was je er gisteren niet?’ te zeggen. Ook dat kan ik niet velen. Omdat ik er geen goed antwoord op heb en niet keihard ‘Ik ben aan niemand iets verplicht’ wil zeggen. Omdat ik even in mezelf aan het kruipen ben en daar kan ik geen onderbrekingen bij gebruiken, dat moet ik alleen en ongestoord doen. Daar past ook het oppashondje niet in (het gevoel dat ik heb als ik ’s avonds in het donker het beest nog uit moet laten!), of een telefoontje dat ik plegen moet. Of mensen gelukkig nieuwjaar wensen. Collega Hans Vervoort deelde een anekdote op Facebook, dat hij om dat laatste voor te zijn overal waar hij binnenkwam onmiddellijk ‘Insgelijks!’ riep. Dat snoerde iedereen de mond. Meesterlijk, zou Han Voskuil zeggen.

Verder gaat het goed. Het is hier warm, de kachels staan roodgloeiend en ik eet goed en drink niet te veel, gisteravond dronk ik zelfs een kop gemberthee in plaats van een glas Doppelkorn. Wat er ook gebeurt, je moet altijd goed voor jezelf zorgen. Vanaf zondag een paar weken Nederland. Met afspraken, een lezing in Leeuwarden, een filmpremière, een paar boekpresentaties. Ik geloof dat dat wel goed is.