Keuken enzo

Gisteren las ik het waterwolfweblog van collega Voos.

En toen dacht ik: ja, je moet toch maar schrijven. Veel anders zit er niet op. Bedankt, Lammert. Hier zo stil, dat is ook niks. Ik ben aan het doorbijten, zo zal ik het maar noemen. Er was paniek, er is lichamelijk ongemak dat tot op heden onverklaard is, vandaar de paniek omdat ik van het ergste uitging, er was langzaam weer het besef dat ik al een tijd in een dalende lijn zat. Opmerkelijk blijft het toch dat ik dat niet in de gaten heb. Gelukkig is er dan mijn zus, die is bij ons in de familie de medische vraagbaak omdat ze IC-verpleegkundige is. ‘Begin dan toch weer met die pillen!’ zei ze. ‘Accepteer dat je één of ander stofje mist, en neem ze gewoon in!’ Ja, dacht ik toen. Ja. Die slik ik dus weer bijna twee weken, maar het jammere ervan is dat het altijd een aantal weken duurt voor ze aan beginnen te slaan, en dat ik veiligheidshalve met halfjes ben begonnen. Rustig afwachten maar. Doorbijten.

Schrijven lukte absoluut niet. Ik durf dat niet. Ik wil niets benoemen. Ik wil niet zeuren. Er kwam een nieuwe hond. De ellende van me voelen zoals ik me nu voel is dat ik niet kan bepalen wat ik wil. Mijn gevoel zegt van alles, maar ik versta het niet, en soms schuif ik dat gevoel aan de kant of denk ik: met die hond wordt alles weer leuk. Nog steeds niet geleerd om in zulke tijden geen grote beslissingen of uitdagingen aan te gaan. Hondje kwam. Hondje – vijf maanden oud – sliep niet, maakte van alles stuk en piste en poepte alles onder, behalve de straatstenen. Ik sliep ook niet, één nacht slechts, maar de volgende ochtend wist ik wel al dat dit niet kon, dat ik niet voor hondje zorgen kon, haar niet kon opvoeden. Hondje meteen weer weg, dat kon omdat het gastgezin na het brengen een nachtje aan de kust doorbracht en ik wist dat ze langs Amsterdam moesten om naar huis te rijden. Ik voelde gisteravond, toen ik het WK Sprint in Calgary zat te kijken, een zweem van opluchting. Een zweem. Dat was goed. Tussendoor vroeg ik me ook af wat ik gedaan had, want het onmiddellijk weer afstaan van hondje was óók een grote beslissing. Toch dronk ik niet de hele fles witte wijn op, maar nam twee koppen gemberthee. Dat was goed.

Niet doen dus even, grote beslissingen, nieuwe uitdagingen. Rustig blijven zitten, het plezier vooral ook in de Eifel terug zien te vinden. Het wordt lente, de tuin lonkt, de nieuwe keuken is erg mooi, al ontbrak toen ik er afgelopen donderdag vertrok nog steeds een kraan. Ik deed er elf (11) uur over om in Amsterdam te komen. Het begon met het missen van de ICE in Keulen wegens vertraging en daarna reed de boemel naar Mönchengladbach tegen een boom (twee uur in een stilstaande trein gezeten) en vervolgens was de trein naar Venlo stuk en toen kwam ik in de stormdienstregeling terecht. Maar dat was allemaal op de een of andere manier oké. Ik was onderweg en ik las een boek van John McGahern.

Man met gereedschappen

‘Ben jij nog weleens verliefd eigenlijk?’ vroeg de vrouw van mijn oudste broer. Zulke vragen pffff ik gewoonlijk aan de kant, vaak ook nog met een handgebaar erbij. Maar nu zei ik ‘Nee’. Ik weet niet hoe het komt – vroeger was ik elke week op iemand anders verliefd – maar het is zo. Om verliefd te kunnen worden, heb je een bepaald zelfbeeld, een bepaald zelfgevoel nodig, en dat beeld of gevoel ontbreekt tegenwoordig. En bovendien heb ik mijn hele leven lang al verliefdheid verward met jaloezie: het is vrijwel altijd zo geweest dat ik niet zozeer met de ander samen wilde zijn, ik wilde hem vooral zíjn. Tot ik in een hout- annex steenwinkel in Anna Paulowna kwam, afgelopen zondagmiddag. Daar was een voorstelling over Barbara Hepworth, de Britse beeldhouwer. Het was er erg gezellig, met hapjes, houtkachels, drankjes, een witte kat en al die prachtige gereedschappen die je nodig hebt om steen of hout te kunnen bewerken. Twee oudere jongens speelden op gitaren en zongen liedjes. Maar toen begon de voorstelling.

Het was een monoloog, en om eerlijk te zijn nogal amateuristisch gespeeld. De man van de ex-vrouw van mijn oudste broer zat naast me en hij heeft de actrice niet één keer aangekeken, waardoor mijn ex-schoonzuster en ik dachten dat hij zich een uur lang stierlijk heeft zitten vervelen. Na afloop zei hij: ‘Ik keek haar niet aan, want daar zou ze heel zenuwachtig van geworden zijn.’ ‘Maar het is een actrice!’ zei ik. ‘Die moet je aankijken, daar zijn ze voor!’ Hoe dan ook, er zaten foto’s in de voorstelling, één ervan hierboven te zien. Barbara Hepworth en haar eerste man John Skeaping. Kijk nou toch eens naar die kerel. Die kleren, de manier waarop hij het gereedschap in zijn handen houdt, die vierkante kop met haar als van een bouvier, die zware schoenen. Ik heb geprobeerd de foto te vergroten, maar dat lukte niet. Maar goed, wat heb je eraan? Die kerel is allang dood, het is een afbeelding, ergens in de jaren ’20 van de vorige eeuw gemaakt. Een ideaalbeeld, een melancholisch verlangen naar iets dat nooit had kunnen zijn.

Ik heb eens iets gehad met een kunstenaar, die leefde in het toen nog ijskoude Lloyd Hotel, de voormalige jeugdgevangenis, in een tijd dat de Oostelijke Haveneilanden nog een leeg en woest waren en het hotel een ‘broeiplaats’. Geen beeldhouwer, meer iemand die ruimtelijke installaties maakte. Blond, niet met van dat zwarte touwhaar, geen zware gereedschappen in machtige handen. Hij had eens kip gemaakt, niet als kunst maar om te eten, met kleine tomaatjes. Ik heb er geen hap van kunnen eten omdat boven mijn hoofd een installatie van dode eksters langzaam rondtolde. Bovendien: het was té echt, hij was daar en ik was daar. Hij was geen foto van een man zoals een man moet zijn. En bovendien had ik geen enkele wens hem te zijn.

John Skeaping (1901 – 1980). Later – in weerwil van deze heroïsche foto – vooral bekend geworden als paardenschilder. Hepworth stierf in een ‘accidental fire’ in haar studio in St. Ives, in 1975. De toevoeging van het woord accidental doet het ergste vermoeden, zeker als je weet dat ze ernstige artritis had en nauwelijks meer kon werken.