Ik wil geen windmolen!

Vaak als Jamal Ouariachi ergens iets schrijft (op zijn blog, sinds kort in VN, een tweet, iets of Facebook) denk ik: jongen, jongen. Jamal is in wezen zachtmoedig en aardig (dat weet ik uit persoonlijke observatie), maar naar de buitenwereld toe stelt hij zich op als een querulant, een zuiger, een ruziezoeker, ik neem aan uit commerciële overwegingen. Maar verdomd, ineens schreef hij iets waaronder ik hartjes en duimpjes aanklikte. Dat was dit. Ik ben het zo vreselijk grondig met hem eens. Ik maakte het zelf afgelopen weekend weer eens mee. We zaten met alle Bakkertjes (en dat zijn er inmiddels best veel en lang niet iedereen heet Bakker) in een enorme huifkar. Zó groot was die huifkar, dat hij door een trekker getrokken werd en niet door een paard. We kregen het over de panda’s. Ik vind dat leuk, die twee panda’s.

Nou, de huifkar was te klein. ‘Wat kost dat allemaal wel niet?!’ ‘Wat een ophef, wat een gekte, en waarvoor?!’ Mijn weerwoord is altijd heel simpel: ‘Eet je er zelf een snee brood minder om?’ Nee, dat niet natuurlijk, maar kan dat geld niet besteed worden aan iets beters? De zorg, of minder belastingen of betere wegen? Punt is dat niemand precies weet wie die panda’s betaalt, en ja, het zal wat gekost hebben, dat begreep ik wel uit een documentaire die ik er zondagavond over zag. Alleen al de bouw van het pandaverblijf, de 35 Chinese werklui die er wekenlang aan werkten, en de panda’s kosten per jaar 1 miljoen euro. Ik neem aan dat de overheid, naast jarenlange diplomatie, ook wel iets bijgedragen heeft. In elk geval gaat de entreeprijs van Ouwehands Dierenpark omhoog. Ik heb het gecheckt: met 0,50 cent. Ze verwachten 10.000 bezoekers per dag, dat betekent in een jaar grofweg 3,5 miljoen mensen, x 0,50 = 1.750.000 euro. Maar zelfs zonder dat geld: worden wij er armer van?

En daar wordt Jamals punt duidelijk. Niemand in de huifkar – die overigens over Wieringen reed en een gids had met een microfoon en de gids deed niets liever dan verhalen over zichzelf te vertellen, maar daar wond op dat moment zich grappig genoeg dan weer niemand over op – heeft er zelf iets aan, aan Wu Wen en Xing Ya. ‘Maar het is toch leuk?’ zei ik. ‘Panda’s! In Rhenen! Je kunt er zo heen, je hoeft niet urenlang in een vliegtuig te zitten!’ Nee. Vrijwel niemand vond het leuk. Bijna niemand vindt tegenwoordig meer iets leuk. Iedereen wil protesteren tegen alles, de gaskraan moet dicht, maar als er dan een windmolen op de dijk achter het huis komt, mag dat ook niet. Dat gaat niet, het is of het één of het ander. Iedereen is boos, iedereen heeft recht op van alles. Het stuk van Jamal viel ongeveer samen met dit stuk van Dieuwertje Kuijpers. Heeft er ook van alles mee van doen. Zulke stukken vind ik fijn, ook dat van Jamal, ik kan zoiets nooit onder woorden brengen, terwijl ik wel aan mijn water voel dat er iets misgaat.

Tot slot, en ook hiermee samenhangend: ik vind dat Donald Trump verboden moet worden te twitteren. Dat mag niet, dat kan niet, dat ondermijnt alles. Wat je ook van hem vindt, hij is de president van de Verenigde Staten, hij is niet een mannetje dat je kent van Twitter. Zijn werk is niet hetzelfde als dat van de slager op de hoek of de weervrouw van RTL4. Zijn werk is, jazeker, belangrijker. Maar dat schijnt hij zelf ook niet te begrijpen en daarom twittert hij zichzelf gelijkwaardig aan iedereen die zijn tweets maar lezen wil.

Later, tijdens de nabespreking van het 60-jarig huwelijksfeest, vond trouwens iedereen dat de gids in de huifkar zijn werk niet goed gedaan had. Niets bijvoorbeeld vertelde hij over het spoortracé dat altijd nog duidelijk te zien is in het Wieringer landschap. Maar nooit heeft er een trein over de Afsluitdijk gereden.

Einwanderer (Trouw, 8 april)

Ik kwam op zondag aan en fietste maandag naar Schönecken, want er was nauwelijks iets in huis. Bleek de Edeka te worden verbouwd. Een typisch norse Eifeler die iets met elektriciteit aan het doen was, keek me onbegrijpend aan. Tja, zei ik, nu ben ik op de fiets naar hier gekomen om boodschappen te doen. Wat nu? Hij bleef me aankijken, met een blik alsof ik krankzinnig was. Ik snapte ook wel dat hij er niets aan kon doen, hij deed gewoon zijn werk, maar een klein beetje medeleven zou fijn geweest zijn. Hij begreep het niet. ‘Wat moet ik nu?’ vroeg ik. ‘Fiets maar door naar Prüm,’ zei hij. Van die mensen die nooit op een fiets gezeten hebben, niet beseffen dat je op een stadsfiets niet zomaar naar Prüm fietsen kan, nog eens twaalf kilometer verderop, met minstens 800 hoogtemeters, omhoog en omlaag ‘Hartelijk dank,’ zei ik. Hufter, dacht ik, met je fijne, snelle auto en een vrouw die inkopen doet en voor je kookt.

Geen auto. Soms is het ineens een groot probleem. Gelukkig is er een bakker in Schönecken. Thuis had ik jam (in overvloed) en sesampasta. Ik slaagde erin met wat er in de vrieskist en de voorraadlade lag en een verse paprika eten te maken voor twee dagen. De derde dag – over een uur of zes – zal ik in Luxemburg zijn voor een lezing. Daar is een restaurant, kan ik gratis eten wat ik wil. Soms is het ontberen van iets prima, kun je des te meer genieten van wat erna komt. Maar eerst is er een cameraploeg, er wordt een documentaire over 70 jaar Rheinland-Pfalz gemaakt. Ik zit dit te tikken terwijl zij buiten op het balkon staan en de cameraman me door de ruit heen filmt. Schrijver aan de arbeid. Wat de geluidsman er te zoeken heeft weet ik niet, het geluid van het tikken zal niet op het balkon te horen zijn. Misschien vinden ze het ronken van voorbij rijdende auto’s boeiend, of de vogeltjes die vrolijk fluiten. Het is echte arbeid, ik hoef niet iets na te spelen. Als ik moet doen alsof, weet ik nooit wat voor kop ik trekken moet. Ik ben een Einwanderer. Ik speel een Einwanderer. Tot nu toe hebben ze een cactus omgestoten en dus kapotgemaakt en de uitbottende bieslook – buiten – geplet met een camerastatief.

Die jam, trouwens, staat inmiddels in een speciaal daarvoor gemaakte buffetkast. Daar ben ik twee dagen mee bezig geweest. Piet Hein Eek, natuurlijk, wat ben ik die man dankbaar. Alles wat ik maak en er een tikje sjofel uitziet, is Piet Hein Eek. Ik vind dat gezellig, zichtbare potten jam. De helft van het buffetkast bestaat uit smalle planken. Dicht bij de grond, daar is het koel, dat heb je met een houtkachel. De andere helft is voor de drankflessen. Ook dat vind ik gezellig, dat je de drankflessen kunt zien staan, vooral ook voor de gasten, die meestal graag drank drinken.

Mededogen

Vanmiddag heb ik de la van de oude kast opengetrokken en alle enveloppen met foto’s eruit gehaald. Nooit heb ik foto’s ingeplakt. Soms staat er iets specifieks op, zoals Portugal 1983 of Iran 2004, maar vaker dingen als foto’s divers, soms met een uitweiding, meestal niet. Ik deed dat niet omdat ik zin had mijn hele leven nog eens in beeld te laten voorbij komen, ik deed dat omdat een Duits tv-programma om foto’s van vroeger had gevraagd en ook om schaatsfoto’s. Na een paar uur was ik helemaal murw en moest ik hard mijn hoofd schudden. Maar ook had ik een nieuwe mate van mededogen met mijzelf en met mijn leven gekregen. Onlangs schreef iemand hier in een reactie dat hij vermoedde dat ik vroeger ‘bloedmooi’ was geweest en dat hij het erg jammer vond dat hij zomaar aan me voorbij was gelopen. Het klopt. Ik was vroeger bloedmooi. Dat had ik nooit eerder gezien. Vroeger zijn er ook veel foto’s gemaakt van mij in zwem- dan wel onderbroek, of in sportbroekjes aan het schilderen op een ladder. (Door andere mensen dus, vroeger was er nog geen iPhone, bestond een selfie uit de camera opstellen en rennen maar. Blijkbaar vonden ze dat leuk, mij fotograferen met zo weinig mogelijk kleren aan.) Verveloze huizen, hoogzomer, bruine rug. Jong, hoopvol zonder gerichte hoop, verlegen ook, nooit zou ik toen van mezelf gezegd hebben dat ik bloedmooi was. Nu wel, en ik schrijf er niet eens bij: ‘Al zeg ik het zelf’.

Het idiote aan die foto’s is dat ik die jongen erop wel herken, maar ook weer helemaal niet. Heel, heel zelden kwam er een werkelijk herinnerd beeld omhoog, een gevoel, een ‘aha’. Het zijn foto’s. Toen was ik daar, toen daar en toen weer daar en inmiddels zijn we vier jaar verder in de tijd of juist zeven jaar terug, want ik plakte niet alleen nooit foto’s in, alle enveloppen liggen door elkaar, niets is chronologisch. Als ik al iets zie aan die veranderende kop van me, het veranderende lijf, is het iemand die maar wat doet, die zomaar ergens zit, die waarschijnlijk zijn best wel doet, maar die niet weet waarvoor dan wel. Vandaar dat mededogen, na die uren van fotokijken. Neef Casper kwam thuis, ik liet hem zo af en toe foto’s zien waarop hij zelf stond, een half jaar oud, vier jaar oud, of een foto van zijn vader met een permanentje, een vreemd meisje naast hem. Die foto hield hij heel lang vast, hij keek er een beetje vreemd bij. ‘Hoe kan dat?’ vroeg hij. ‘Tja,’ zei ik. ‘Maar dit is hem toch?’ Ja, dat was hem toch.

Mijn vader, mijn moeder, jonger dan ik, dezelfde leeftijd als ik en ook met hen heb ik mededogen. Opa Bakker, op bijna elke foto die ik van hem heb met iets in zijn mond. Als het even kon, at hij iets. Oma Bakker met haar streng opgeheven vinger, ik daarnaast, aan een touw, een jaar of twee oud. Ik heb eigenlijk al dagenlang last van mededogen. Overal. Op straat voor andere fietsers, in het theater voor de actrices, zelfs voor de hond Eppi die afgelopen zondag ruwhaarteckel Jet vreselijk te pakken nam. De ogen van die hond, het onbegrip en het onvermogen, terwijl zijn baas vol op hem lag en hem stomp na stomp op zijn snuit toediende. Dat is mooi, en goed, mededogen met anderen, maar het is geloof ik het allerbeste als je mededogen met jezelf kunt hebben.

De foto is een uitsnede van een foto die Joke Oosterbaan maakte, in Schagen. Ik zal daar een jaar of 19 zijn. 1981.

Kapotte cactus

Nachbar Max kwam zojuist een doos I Love Milka en een fles Riesling halbtrocken brengen. Nog als dank voor het boek dat hij gisteren meenam, nadat hij aan was gekomen met ‘die gelbe Blumen’ en had gevraagd of hij niet een boek kon krijgen. Dat kon, er lagen nog vijf stuks. Hij had blijkbaar niet geluisterd toen ik hem vertelde dat ik uitsluitend droge wijn drink. Eergisteren hing er een fles Spätburgunder aan de deur, met een kaartje van Josef Thielen. “Ich möchte das Buch ‘Jasper und sein Knecht’ bei Ihnen kaufen.” Gisteren kwam timmerman Marco vier keer langs, steeds om een stuk raamkozijn opnieuw te schilderen dat vreemd afbladderde, naar nu bleek vanwege een beschadiging in het hout dat met tweecomponentenspul was hersteld. Hij vertelde dat hij had zitten lezen in Jasper en ik dankte god op mijn blote knieën dat ik een bepaalde passage had geschrapt. Buurman Klaus kwam langs met de rekening van het tegelwerk in de keuken en de gang. ‘Zo weinig?’ vroeg ik. Ja, daar kon hij ook niks aan doen.

Ik wil maar zeggen: altijd wat hier in de Eifel. Afgelopen woensdag nog werd ik met een drone gefilmd terwijl ik van de L5 de L33 op kwam fietsen en mijn erf opreed. Dat was aan het einde van vier uur durende opnames. De cameraploeg van SWR maakte een cactus kapot en met een statief pletten ze de net uitbottende bieslook. Daarna hield ik een heel aangename lezing in Luxemburg, met aansluitend heerlijk eten en een nachtje in een hotel. Gisteren liep ik naar de nieuwe buren omdat ik hoorde dat de honden buiten waren. Ik wilde die honden wel eens zien en aaien. Vier Franse buldoggen, een draadhaar teckel en een blinde langharige teckel. Eén van de buldoggen moest vastgebonden worden want die was niet betrouwbaar. De anderen doken meteen mijn kruis in of probeerden me in het gezicht te likken. Ik zat op de grond en vroeg me af of ik een Franse bulldog zou willen hebben. De buurvrouw vertelde me dat ze een baan had. Ik feliciteerde haar. Daarna bouwde ik een object van een sparrenstam, een object om diepte te brengen in de nog steeds tamelijk nieuwe Japanse tuin pal achter het huis. Ik spitte een jonge tamme kastanje uit en zette die naast het object. Het is erg mooi geworden, al zeg ik het zelf.

Er schoot me nog iets te binnen van het Boekenbal. Dat Tim Hofman daar – maar ook later nog op de afterparty in de Balie, enorm boos en agressief rondliep. Zó boos en afwerend dat je het wel uit je hoofd liet om bijvoorbeeld ‘Hallo’ tegen hem te zeggen, als hij je aankeek. Een paar dagen later zag ik hem zitten bij DWDD en daar is hij altijd een en al glimlach en vriendelijk en jongensachtig. Waarom dan dat mürrische, zoals ze hier zeggen, op het Bal? Ook op Twitter is hij niet mals, om niet te zeggen grof en beledigend. Blijkbaar heeft die jongen twee kanten. Hij is geboren in Vlaardingen. Misschien betekent dat iets.