Poging tot filmbespreking

Gisteravond naar de film. In Studio K, eten & film voor 21 euro. De film die om half tien draaide was The Circle. Ik had daar niets over gelezen, wist eerlijk gezegd niet eens dat die roman al verfilmd was. Eten was goed, Grüner Veltliner erbij. Alle deuren stonden open, er waaide een verkoelend briesje het restaurant in. ‘Ik hou niet van Tom Hanks,’ zei vriend H. ‘Ik wel,’ zei ik. We namen een sticky toffee puddin’ toe, best lekker, maar een sticky toffee puddin’ was het niet. We hadden tijd nog even te roken. En toen begon de film.

Zelden een slechtere film gezien. Het begon al helemaal verkeerd, heel Amerikaans ofzo, met zieke vader, hysterische vriendin, allemaal mensen die veel te snel praten, de nogal miscastte Emma Watson (dat is toch een probleem: wat ze ook doet, ik zie Hermelien), alles net ernaast, cliché, voorspelbaar. En dan begint het verhaal: steeds meer wordt ons onze privacy afgepakt, alles gericht op het beter maken van de mens, de wereld, volledige transparantie. Niet origineel, feitelijk gebeurt dat al natuurlijk, in de werkelijke wereld. Iemand – de oprichter van The Circle – ziet dat het misloopt, wil er iets aan doen. Tom Hanks als de bad guy. Ik keek ernaar en dacht: het zal allemaal wel. Die film weet niet wat hij wil. Moeten we erom lachen? Kan niet, want alles zit er nét naast, het is pijnlijk, als het grappig had moeten zijn. Moeten we bang worden? Lukt niet, want er zit geen originele gedachte achter en de film zwalkt op meerdere gedachten. Moeten onze ogen geopend worden voor een toekomst zoals we die ons nog nooit voorgesteld hadden? Lukt ook niet, want we hebben het ons al voorgesteld, gezien in andere films, gelezen in boeken of essays.

Ik probeerde erachter te komen waaróm mij zo’n film dan zo ergert. Waarom vind ik hem zo tenenkrommend slecht? Ik denk dat het is omdat ik als bioscoopbezoeker niet serieus genomen word. Er wordt mij iets door de strot geduwd waar ik geen zin in heb, waarin ik niet geloof. Voorbeeldje: Emma Watson doet op een bepaald moment een cameraatje op en kan 24 uur per dag gevolgd worden. Daar reageren mensen op en die reacties zweven door het beeld. Geen enkele keer heb ik ‘Cunt!’ voorbij zien komen, of ‘I’m coming over to kill you!’ Wat is dat dan voor wereld waarin Emma en de mensen van The Circle leven? Terwijl wij in het dagelijkse leven elke dag overspoeld worden op twitter en facebook of waar dan ook met scheld- en haattirades? Het is een zoetelijke film, terwijl dat niet de bedoeling is. Ik neem aan dat hij ‘beklemmend’ had moeten zijn. De film weet niet wat hij wil. Misschien zijn alle films die niet weten wat ze willen slecht. Overbodig is hij ook. Nu ga ik het boek zeker niet lezen, als dit is waarom die Dave Eggers zo geprezen wordt, dan begrijp ik er weinig meer van.

 

Limburg

Eén keer eerder in mijn leven heb ik een lezing gehouden in Limburg. Nee, ik meen dat er ook een lezing geweest is in Noord-Limburg en die werd wel aardig bezocht. Eén keer eerder in Maastricht. In die Dominicanerkerk. Er stond een enorme geluidsinstallatie klaar. Er kwamen twee dames op af. De rest van het winkelende publiek keek me aan alsof ik, ja, dat weet ik niet goed, wat was. Gisteravond gesprek onder leiding van Erik Lindner, met Roos van Rijswijk en mij. Op de Van Eyck Academie. Er waren zeven (7) bezoekers. Limburg. Moeilijke provincie. Altijd maar schreeuwen tegen westerlingen, tegen de randstad, altijd en eeuwig dat misplaatste minderwaardigheidsgevoel. Maar als er dan een westerling, wat zeg ik: drie (3) westerlingen, afzakt/afzakken, komen ze niet. Misschien omdát het westerlingen zijn, misschien omdat ze daarmee willen aangeven: jullie interesseren ons niet. Er was geen voetbal op de tv en ook geen songfestival.

Erik zei tijdens de borrel na – met zeven mensen, er waren tijdens de lezing ongeveer net zoveel ‘eigen mensen’ als bezoekers – dat als die-en-die dichter op kwam treden (ik kende zijn naam niet, hij is een Limburger) of Emma Crebolder, dat er dan zo honderd (100) mensen op af komen. Eigen volk. In Brabant, zoals bekend ook een zuidelijke provincie, komt altijd nogal wat volk naar lezingen. Misschien dat dat verklaart waarom die Noord-Limburgse lezing goed bezocht werd. Het zit ‘m dus niet in ‘de provincie’. Het zit ‘m in Limburg. De woede-uitbarsting van de uitbater van het restaurant van het Derlon Theater heb ik altijd nog scherp in mijn herinnering. Ik zei, nietsvermoedend, mogelijk typisch Hollands of zelfs Amsterdams, tegen hem: ‘Ik heb gehoord dat je hier best lekker kunt eten.’ Dat ik er überhaupt nog heb gegeten die avond mag een wonder heten. Waarom? Hoe komt dat? Willen Limburgers eigenlijk geen Nederlanders zijn? Ik snap het echt niet. Weet Chrétien Breukers hoe zoiets zit?

En, tussendoor, het gaat niet om mij, u kunt zich troostende woorden of opbeuringen besparen, ik voelde me niet persoonlijk ergens in aangetast en Roos en Erik ook niet. Wij hadden het wel gezellig en over een tijdje krijg ik mijn honorarium op mijn rekening gestort. Er kwam eens een beroemde Italiaanse acteur een monoloog spelen op diezelfde Van Eyck Academie. Daar kwamen nul (0) mensen. Hij speelde zijn monoloog evengoed, inclusief betekenisvolle pauzes.

Vanmiddag spoorde ik terug. Vanaf Eindhoven (Noord-Brabant) stroomden er Ajaxsupporters de trein in. Bij elk station kwamen er meer binnen. De trein kon nauwelijks nog rijden. In de buurt van Amsterdam gingen ze allemaal samen zingen en met de opklaptafeltjes slaan. De meesten waren al dronken, het was rond drieën. Het was vreselijk. Ik geloof dat ik daarom voetbal haat. Het maakt het slechtste in mensen los. Alleen voetbal doet dat. Niet fietsen, schaatsen of zelfs ijshockey. Het dwingende ervan, je móet meedoen, ook als je als argeloze reiziger in de trein van Maastricht naar Amsterdam zit. Als je stoïcijns of, god verhoede, kwaad kijkt, kun je een blikje Heineken naar je kop krijgen. Gelukkig reed mijn tram naar het oosten en niet naar het zuiden, David Pefko stapte in met zijn fiets. ‘Hé David,’ zei ik. ‘Hé, Gerbrand,’ zei hij. Straks, zo hoor ik achter me, komt André Rieu op de tv, vanaf het Vrijthof. Tienduizend mensen zitten daar dan, geen idee wanneer dat opgenomen is. Eigen volk. Gezellig.

Tuinleed

Dit is zo’n dag, zo’n wat-doe-ik-en-hé-is-het-toch-al-half-twee-dag? Ik heb de buxusboom fors gesnoeid. Die staat aan de zijkant van het huis, ik heb onlangs zijn stamdiameter gemeten en die boom is meer dan 100 jaar oud. Dus niet zo’n strakgeknipt heggetje, nee, een boom, immer grün. Bovenin zitten dooie takken, is hij geel en kaal. Eigenlijk wil ik hem écht snoeien, met een zaag, maar dat durf ik niet. Ik wacht nog even deskundig advies af. Ik weet niet wat er gebeurt met een buxus van meer dan 100 jaar oud als je die rigoureus aanpakt. Daarna schepte ik afleggers van de Kerria japonica uit de grond en knipte de wortels door. Die heb ik in de heuvel op de plek gezet waar ik ooit een stuk of zes sparretjes gezet had. Die zijn allemaal doodgegaan. Het is gerommel in de marge, heen en weer lopen, snoeischaar vergeten beneden, ophalen, weer omhoog, weer naar beneden om de kraan open te draaien, weer omhoog om die verse ranonkels te bewateren. En steeds maar omhoog kijken. Voor vandaag is regen voorspeld. Echte regen, met onweer en alles (‘alles’ betekent hier dan meestal scherpe windstoten). Maar alle pikzwarte wolken drijven in de verte voorbij. Ik wacht. Ik wacht.

Ik wacht. Het gebrek aan water is hier een probleem aan het worden. Vorig jaar was ook al zo’n rotjaar. Toen ik hier ging wonen verklaarden mensen me voor gek omdat het in de Eifel altijd zou regenen. Dat is mooi, dacht ik, dat zal mijn tuin in wording goed doen. Nu staan de Hereford-stiertjes in de Nims, het water komt tot net boven hun hoeven. Mijn waterrekening zal torenhoog zijn, want niet alleen alle planten in potten moeten elke dag water hebben, ook die ranonkelstekken, en de Sorbus aria ‘Majestica’ die ik gisteren in Mürlenbach uit het bos jatte en alle plekken waar ik bloemenzaad gestrooid heb en het liefst besproeide ik ook nog het gazon, dat er nu al schamel en geel bij ligt, en het is pas half mei. En als je aan het wachten bent, zo is mijn ondervinding, heb je niet het idee dat je echt iets aan het doen bent; alles wat je doet staat in het teken van dat wachten, het is tijdspassering, het télt niet. Het werk bevredigt niet.

Punt is: als ik hier ben, kan ik er iets aan doen. Ik kan bewateren. Maar bewateren stelt zo weinig voor, alleen regen maakt dat de grond écht vochtig wordt, ik denk dat dat komt omdat regen zo gelijkmatig valt, waardoor de grond verzadigd kan raken. Een gieter vol met leidingwater is water naar de zee dragen. Straks ben ik hier twee weken niet en dat is waar ik me zorgen om maak. En de moestuin! De uitjes en radijzen komen net de grond uit! De snijbiet en wortels zijn afgelopen zondag gezaaid! Nee, ik begrijp wel waarom Maarten ’t Hart het liefst zijn erf nooit verlaat: als je alles goed wilt doen, kan dat domweg niet. Ik ga naar boven, ik zoek een zender die de Giro uitstraalt, dan doe ik nog iets nuttigs tijdens het wachten.

Amor pelos dois/liefde voor allebei

Gisteravond keek ik het Eurovisie Songfestival. Na een heel drukke dag. Boodschappen gedaan in Bitburg, de nieuwe buurman (Axel) geholpen een hondenhek te maken, zodat de hondjes Nikita, Karlotta, Zoey, Benni, Gizmo en Mia drie keer zo veel bewegingsruimte zouden krijgen, courgetteplantjes planten, biertjes drinken bij Christa en toekijken hoe buurman Klaus en buurvrouw Monika hun eenjarigen in de betonnen bakken zetten. Ik was net als vroeger onder de douche geweest, er was wijn en chips. Zaterdagavond. Ik werd helemaal gek van Jan Smit met zijn gezeur over ‘ernaast zitten’. Zoiets hoor ik helemaal niet, val me er dan niet mee lastig. Ook wilde ik naar Olexandr (midden) en Volodimir (links) luisteren en als je je best doet, lukt dat, kan je Maas en Smit volstrekt wegfilteren. Naar Timoer (rechts) wilde ik niet luisteren, want die was überhaupt niet te verstaan. Ik vond de Nederlandse inzending niet veel aan. En dan dat met die zieke moeder, mensenlief, iedereen heeft weleens een zieke moeder (of vader, broer, zus, hond, kat, paard). Eigenlijk had ik geen echte voorkeur, dat doet er ook niet toe, en nog nooit heeft een lied dat ik het mooiste vond gewonnen. Ik dronk witte wijn en at sour cream-chips. Ik zag een Australiër in zijn blote reet rond zangeres Jamala lopen (dat vond Jan Smit helemaal niet leuk) en ik hoorde regendruppels op het dakraam vallen. Daar was ik erg blij mee, de droogte hier wordt zo langzamerhand problematisch.

Het werd tijd eens een tweetje de wereld in te sturen, maar ik wist niks te schrijven. Tot ik deze bedacht: IEDEREEN DIE OP ZWEDEN GAAT STEMMEN, ZAL DOOR MIJ ONTVOLGD WORDEN. Daarna het ellenlange stemmen (Douwe Bob met zijn hondje Tammy!) en toen won Portugal. Vooruit, dat kan, en het is best een fijn luisterliedje. Die Salvador Sobral ergerde me een beetje. Hoe hij zich gedroeg. Wilde hij nou wel of niet meedoen? Maar hij dééd mee, dus waarom zat hij er steeds zo raar bij? Met zijn ‘uitwendige pacemaker’ en zijn zus. Op het grote toneel mocht hij iets zeggen, rond hem liep geen Australiër in zijn blote reet. En wat hij zei, daarover dacht ik later: is dat niet precies hetzelfde als wat Trump deed tijdens zijn inauguratiespeech? Dat hij in één klap zijn mededeelnemers diskwalificeerde, zoals Trump Obama – en andere ex-presidenten – schoffeerde? Door te zeggen dat muziek gevoel is en geen vuurwerk en dat hij hoopte dat dat nu eens goed tot iedereen zou doordringen? Aha, Sobral was een activist! Saudade enzo en hartelijk obrigado. Vandaar die halfslachtigheid, het niet écht meedoen, de rare koppen. En iedereen vond het goed en lief en aandoenlijk, niemand vergeleek hem met Trump. Tja. ‘We gaan naar Lissabon!’ riep Jan Smit. Inmiddels was het kwart voor één geworden, terwijl ik normaal gesproken rond elven naar bed ga. Er stond nog een half glas lauwe Grauburgunder op tafel, het tikken op het dakraam was opgehouden.

En nog eens iets: waarom kreeg Duitsland maar 6 punten? Zes! Vakjury en televoting bij elkaar opgeteld! Zo slecht was dat toch niet? Maar goed, voor de eerste keer in jaren niet op de laatste plek, die rode lantaarn was voor de Spanjaarden. Volledig verdiend. Wat een flapdrollen waren dat, met hun gitaartjes en hun hawaïhemden. Vanavond ga ik naar mezelf kijken op SWR. Dan is er een documentaire over het 70-jarig bestaan van Rheinland-Pfalz, waarin ik aan het slot figureer als Einwanderer. Ik ben erg benieuwd wat ik ga zeggen, en of ik morgen de buren nog onder ogen kan komen. Mijn Duits zal waarschijnlijk klinken als het Engels van Timoer.

Elvis, mest en regen

Hoe blij een mens kan zijn met regen. Gisteren ging ik lopen met Elvis en juist op dat moment werd het heel donker en in de verte rommelde het. Onweer! We liepen in het bos en even vroeg ik me af of dat wel goed ging, maar toen ik naar de honderden bomen om me heen keek, besefte ik dat de kans dat we door bliksem geraakt zouden worden erg klein was. Met genoegen heb ik me laten natregenen. Elvis vindt het hier geloof ik wel fijn. Hij was niet bang van het onweer. Soms gooi ik met een stok, maar daar vindt-ie niet veel aan. Grote honden, zoals zwarte labrador Ben van Peter, worden naast Elvis schoothondjes en kleine honden, zoals cocker-spaniël Saar van Pauline Slot, veranderen in muizen. Morgen wordt Elvis trouwens alweer opgehaald, dan gaat-ie terug naar Amsterdam. Als ik hier zo met hem loop, hij los, door de bossen en over de velden, vraag ik me af hoe zijn baasje hem eigenlijk uitlaat, daar in die grote, drukke stad. Nu ik dit tik, eet hij een varkensoor en dat maakt nogal wat lawaai.

Voor het huis zijn minstens vier, maar soms ook wel zes, mannen van het waterleidingbedrijf bezig een hydrant uit te graven die ze maanden geleden nieuw aangelegd hebben. Ik geloof omdat het ding te diep zat, maar helemaal duidelijk is het me niet geworden. Eén van de mannen zei dat het een toestand is, dat het allemaal scheppen geld kost. Tja. Ik heb dus de hele dag geen water. Er wordt vooral veel gebeld en veel gerookt en af en toe schreeuwen ze, wat Elvis dan weer noopt te gaan blaffen, wat toch grappig is: dit is die hond zijn huis en erf niet en toch doet hij waaks. Het varkensoor is op, hij laat een boer en zucht diep.

Vanochtend was een jonge boer met grijze ogen uit Limburg stalmest aan het uitrijden op land van boer Antony, die dat land verpacht heeft aan een Nederlandse boer, voor wie de genoemde jonge boer werkt. In de cabine zat zijn schoonmoeder. Van de week worden er 250 (!) Hereford-koeien hierheen gebracht, hoe, mag god weten. Elvis vond die jonge boer uit Limburg wel een geschikt persoon om bij op te rijden. ‘Is niet erg,’ zei hij. ‘Is wel erg,’ zei ik, ‘dat mag niet.’ Elvis vond die mest net als ik erg lekker ruiken. Ik ken van vroeger mestkarren met horizontale verspreiders (een zogenaamde dubbele molen), deze had verticale verspreiders met grote schotten aan weerszijden, waardoor de mest over een veel groter oppervlakte verspreid wordt. ‘We zien mekaar nog weleens!’ zei hij. Zijn schoonmoeder woof vanuit de cabine en de trekker reed richting Nimsreuland.

Blij met regen, want de afgelopen maanden was het hier erg droog. Zó droog (en ’s nachts nog vrieskoud) dat het uitbotten van bomen en struiken tot stilstand was gekomen. Nu kan de lente echt beginnen. De kriek begint eindelijk te bloeien.