Kleurige vissen zwemmen altijd alleen

Ik was aan het snorkelen. Ondanks het feit dat mij de bril niet goed past waardoor er steeds maar zout zeewater mijn neus binnenloopt waardoor ik me verslik, snorkel ik zo vaak mogelijk. Ik geloof niet dat ik het ooit eerder deed. Er gaat letterlijk een wereld voor je open. Gisteren zag ik mijn eerste rode vis. Eén was het er. Dat vond ik niet raar want ik had al ontdekt dat alle felgekleurde vissen alleen of in tweetallen zwemmen. De egaalgekleurde zwemmen in grote scholen, zoals de ansjovisjes en een heel donkerbruine vis, waarvan ik de naam natuurlijk niet ken. Dat vind ik niet erg, die vissennamen niet kennen, ik steek hier al mijn tijd al in het leren kennen van mij onbekende bomen en struiken.

Ik was skeletten van zee-egels aan het verzamelen, had er al vier in mijn zwembroek zitten, toen ik een vreemde kei zag liggen in het zand. Een kei met gaten, het leek een brok lava te zijn. Ik dook onder en pakte de kei op. Ik draaide hem om. FEAR stond in zwarte letters op de aan die kant gladde kei. Daar hang je dan met je snorkel en je kijkt naar die tekst, die je loepzuiver ziet. Ik had hem uit mijn handen kunnen laten vallen, net doen alsof ik hem niet gevonden had. Dat deed ik niet. Ik nam hem mee het water uit en liet hem zien aan een Schotse dichteres. Zij vond het bizar. Ik vond het ook bizar. Toen ik me af ging douchen kon ik maar drie zee-egelskeletten in mijn zwembroek terugvinden. Hoe ik ook graaide, de vierde bleef zoek. Dat was ook bizar.

s’Avonds aten we met de groep in een taveerne in Agios Nikolaos. Ik had de steen mee, ik had een verhaal voor tijdens het eten. Wat de Schotse dichteres en ik al vermoedden, bleek te kloppen: er is hier, afgelopen juni pas, een speciaal soort yoga-workshop gehouden. Alle deelnemers moesten op een bepaald moment ‘iets uit de natuur’ pakken en daarop schrijven waar ze vanaf wilden. Toen iedereen dat gedaan had, moesten ze de ‘dingen uit de natuur’ in zee gooien. Die akelige, vervelende karaktereigenschap zo ver mogelijk van zich afwerpen. Iemand wilde dus van zijn of haar angst af. Angst die ik vervolgens een paar maanden later weer opdook. ‘Huh!’ vonden sommigen. Ik niet. ‘Het is niet mijn angst,’ zei ik. Ook vonden ze het knap dat ik die betrekkelijk kleine kei gevonden had, op een zeebodem met honderdduizenden keien en stenen.

Een van de bewoners van het huis bouwde het verhaal nog iets uit: het was de bedoeling geweest iets uit de natuur te pakken, maar uitgerekend deze steen vormde onderdeel van een bouwwerkje. Hij had deze steen gebruikt, het was dus niet ‘iets uit de natuur’ meer. Hij was blij dat ik de kei teruggevonden had. Nu kon hij hem weer toevoegen aan zijn bouwwerkje. Ook hem kon het woord, die angst van een ander, niks schelen. De gefrituurde ansjovisjes smaakten heerlijk en de witte wijn was ook erg goed. Later op de avond dronk ik in de taveerne in Agios Georgios nog een glas ouzo. Dat was erg smerig.

Ingezonden brief

Ik stuurde een ingezonden brief naar Trouw. Volgens mij was dat de tweede ingezonden brief in mijn leven. De eerste ging over de etymologische dwalingen van een man die zich verdiept had in de sport tennis en op een dag een platform had gevonden in De Volkskrant. Volgens hem kwam het woord racket van ra-ketsen, ‘terugkaatsen’. Genoeg reden voor een ingezonden brief, vond ik, en de tekst had ik eigenlijk al, want ik had met deze man al eerder een aanvaring gehad in het sporthistorische blad De Sportwereld. Hij vond dat ik niks van tennis wist en daarom ook niks van de etymologie van allerlei tenniswoorden. Dit keer ging mijn brief in op een filmbespreking:

“Soms moet je je toch echt afvragen of een filmrecensent en jijzelf wel dezelfde film gezien hebben. De bespreking van Ronald Rovers van In blue (14 september) maakt het me makkelijk: Rovers heeft iets geheel anders gezien. Nog los van zijn zeer magere psychologische ‘doorgronding’ van het verhaal, staan er twee koeien van fouten in het stuk. Nicu heeft niet een broertje maar een zusje en hij snuift geen lijm maar verf. Hoe kan een recensent zoiets zo verkeerd hebben? En, belangrijker nog, ga ik Rovers voortaan geloven als hij films bespreekt die ik niet gezien heb? Het antwoord daarop kan niet anders dan nee zijn.”

Gisteren en vandaag opende ik op mijn iPad gretig de lezerspostpagina van Trouw. Het blijft iets magisch, je eigen lezersbrief in de krant zien staan. Maar ik zag niks. Misschien ben ik te ongeduldig en zou ik maandag nog even moeten afwachten. Ik zag In blue in Vlissingen, het was de openingsfilm van Film by the Sea. Later die avond, aan het begin van de nacht, sprak ik met Maria Kraakman, die de hoofdrol speelt en de dag erop zoenden we elkaar in Middelburg ten afscheid. Ook dat blijft iets magisch: zomaar met iemand die in een film speelt kunnen praten en haar zelfs kunnen zoenen. En, nou ja, ik zag dus een zusje en verf, en Rovers gaf de film ook nog eens een nietszeggende ***. Gawie Keyser (De Groene Amsterdammer) zag wél verf en noemt In blue ‘een van de beste Nederlandse films die ik in lange tijd gezien heb’. Geen sterren of ballen, daar doet De Groene niet aan.

Het deed me denken aan een bespreking van Daniëlle Serdijn, ooit, van mijn boek Juni. Dat stuk stond ook vol fouten. Dat ze er niks aan vond kan ik haar niet kwalijk nemen. Feitelijke onjuistheden wel, en dóór die feitelijke onjuistheden wordt ‘goed’ of ‘middelmatig’ of ‘slecht’ volledig irrelevant, omdat je eruit af mag leiden dat het boek niet of slecht is gelezen en – in dit geval – de film niet of slecht is bekeken. Zonde van de kolomruimte. Ik snap ook wel dat er niet altijd even veel tijd is, iedereen heeft het druk, maar het maken van een film of het schrijven van een boek duurt soms jaren en daar mag je je als recensent niet in een ongeconcentreerd uurtje zomaar van afmaken.

Weer verbijstering (een toneelrecensie)

Afgelopen week weer eens verbijsterd geweest, de wereld om mij heen niet begrepen, de meningen van anderen volstrekt ongegrond bevonden. Ik was met vriendin en regisseuse Annelore Kodde op het Zeeuws Nazomerfestival, waar we de vier voorstellingen hebben gezien, op vier achtereenvolgende avonden. Nee, één was ’s middags, op de Oesterdam, en dat kwam door het tij: dat stuk kan alleen met laagtij gespeeld worden en die maandagmiddag was het ’s middags om drie uur op z’n laagst. Er zijn mensen die Hiroshima mon amour om zes uur ’s ochtends hebben moeten kijken. Best interessant. Daarna kwam Vlaklanders in de deels ontmantelde schouwburg in Middelburg. Best interessant. Er speelden twee Titussen in: Titus Muizelaar en Titus Tiel Groenestege. De derde was het verst: helemaal in Sas van Gent. Uit de tijd vallen, naar het boek van David Grossman. Toen begon ik me al aardig te ergeren, zo langzamerhand. Aan al die taal! Omslachtige taal, poëtisch en onbegrijpelijk! Dood kind. Zeg dat dan! Doe daar iets mee. Misbruik het niet, gebruik het niet, en áls je het gebruikt, gebruik het dan rechtstreeks en onmiddellijk, oprecht en rauw, gedraag je niet als een ‘kunstenaar’ die zijn/haar verdriet met de rest van de wereld wil of moet delen. Ik mijmerde over het woord ‘liefde’, en die mijmering deed me geen goed. Een loos cliché, Amerikaans (“I loooove you Talullah!” van het ene zusje in een levensgevaarlijke en doodenge kermisattractie tegen het andere zusje). Niemand begrijp het, vooral ook – denk ik – omdat het zo’n begrip is dat, in weerwil van wat iedereen denkt, NIET universeel is maar juist ontstellend individueel. Nee, die voorstelling deed me diep zuchten, hoewel de voorstelling mooi was, met mooie decors enzo, en erg goed gespeeld. Ik werd er moe van en dacht terug aan Hiroshima, dat ik al kende van de film, en wat voegde die enorme slijkplaat met rennende of – o, nee – vertraagd rennende vrouwen daarop, aan de twee Titussen die een soort luxestuk aan het spelen waren, ik bedoel: leuk, maar als er één een gebroken voet had gehad, was het al niet doorgegaan omdat de gebroken voet veel belangrijker was dan de inhoud van het stuk.

De hele week al ruiste het rondom Een nieuwe god, geschreven door Heleen Verburg. Die distantieerde zich van het stuk omdat regisseur Stefan Perceval een koor toevoegde van – zoals hij zelf zei – ‘géén amateurtoneelspelers, maar mensen die getuigen van hun eigen leven. ‘In een tijd waarin religie te vaak samengaat met terreur en verwoesting pleit Heleen Verburg voor die andere kant van de godsdienst: troost, medelijden, solidariteit, liefde.’ (Uit een recensie met één ster uit de Theaterkrant). Veel van Verburgs tekst sneuvelde en één van de mooiste momenten in het stuk is als actrice Marlies Hamelynck iets uitroept als ‘Sodemieter op met je liefde!’ Het was alsof ze mijn mijmeringen van de avond ervoor had gehoord. Mensen hadden ons gezegd: ‘verdoe er je tijd niet aan’ of ‘verschrikkelijk slecht’ of ‘een complete mislukking’. We hadden er zelf – eerlijk is eerlijk – in de loop van de week grapjes over gemaakt en we hielden ons hart vast.

Het was formidabel, het laatste stuk was veruit het beste van alle vier de locatievoorstelling. Het raasde over ons heen, in een uurtje tijd, in de Abdijkerk in Midddelburg, op een toneel als een omgekeerde boot, van hout, met dikke, vette muziek als Un bel di Vedremo uit Madama Butterfly vlak nadat een lid van het koor (allemaal mensen die het moeilijk hebben, psychisch of anderzins) hartverscheurend verteld heeft over het wegnemen van haar drie kinderen. Ja, vet, ja, cliché, op het randje, maar hier perfect op zijn plek, en juist daarom juist géén cliché. Het was hartverscheurend en rauw, en oprecht en waar. Het koor schreeuwde minutenlang: ‘Mama!’ Godsamme nog aan toe! (Ik moest denken aan dat prachtige The Tree of Life van Mallick, waarin Sean Penn ronddoolt onder het zeggen van de woorden ‘mother’ en ‘brother’, steeds opnieuw.) De oude vrouw die zich een uur lang aan ‘God’ Bram Kwekkeboom vastklampte op dat hellende toneel nadat ze een paar keer luid ‘Ik mis mijn man zo!’ heeft geroepen. Dit was echt, dit was een gebeuren dat je de tranen in de ogen bracht, iets waarvan bij geen enkele van de andere drie ‘kunstige’ stukken in de verste verte sprake was, hoewel die ook alle drie over ‘liefde’ gingen en dode kinderen en het uitdijen van de kosmos, of weet ik veel wat allemaal.

‘Meedogenloos,’ was alles wat Annelore Kodde na afloop zei. Waarmee ze doelde op het kapot maken van zo’n stuk. Het kapot kúnnen maken van zo’n stuk. De machinerie die losgaat, het elkaar napraten van mensen. Ik was ook volstrekt in de war en kwaad ook, en wilde na afloop tijdens het roken het hele koor omhelzen en zoenen. In de auto terug naar Arnemuiden zei ik tegen tante Tineke en ome Jo dat er mensen zijn die uitsluitend boeken kopen die in de kranten slecht besproken worden. ‘Ik snap dat wel,’ zei ik ook.

Heleen Verburg heeft op een avond dat het stuk niet speelde samen met een bevriend acteur integraal haar tekst in de Abdijkerk voorgelezen. Een tekst geschreven op twee personen. Best blij ben ik dat ik dat gemist heb, ik vrees dat ik misselijk geworden zou zijn door al die troost, medelijden, solidariteit en liefde, verpakt in poëtische, onbegrijpelijke taal.