Kleurige sokken en dampende lijven

Ik zat afgelopen dinsdagavond in de Stadsschouwburg. Er was een dansvoorstelling – Dancing Grandmothers – van de Eun-Me Ahn Company. ‘Uit Korea’ stond er in een folder. Korea? denk ik dan. Welk Korea?! Zuid-Korea natuurlijk. Het land waar over twee weken de Olympische Spelen beginnen. Choreografe Eun-Me Ahn wordt de ‘Pina Bausch van Seoel’ genoemd en bij deze dansproductie ‘gaat het publiek uit z’n dak’. Het was heel erg mooi. Even wennen, maar na een tijdje wilde ik niets anders dan mezelf in die kluwen van danslijven werpen. We zaten op de eerste rij. Dat is niet een heel goeie plek, maar hier was het prima: we zagen alles vanaf voethoogte en de kleedkamerlucht sloeg ons in het gezicht. Alle mannen droegen oma-jurkjes. Nou, dan heb je mij meteen al te pakken: een man in een jurk vind ik prachtig, als ze maar niet proberen er als een vrouw uit te zien. Gerard-Jan Reijnders liet in de jaren ’80 en ’90 zijn mannen ook graag in van die prachtige mannenrokken optreden.

Bij zulk soort dans – chaotisch, vrijwel geen enkele synchronie – richt ik me altijd op één danser. Nooit op een danseres. De mijne was de langste jongen, zijn oma-jurkje was de fijnste en hij was de enige met lang haar en het vermoeden van een snor. Het eerste half uur was een techno-gebeuren dat je in een trance bracht. Daarna kwamen de grandmothers: op een scherm, dansend in hun dagelijkse Koreaanse omgeving, vaker wel dan niet misprijzend bekeken door echtgenoten of collega’s, en later ook live, waarbij de dansers de oudere vrouwen opbrachten en afvoerden.

Dat ik het erg goed vond, kon ik aflezen aan mijn mate van jaloezie. Waarom stond ik daar niet? Waarom wentelde ik me niet rond in het zweet en de kleurige sokken, de onderbroeken, de dampende lijven? Waarom hoorde ik niet bij die groep mensen die de hele wereld afreizen? Hoe jaloerser ik ben, des te beter ik het vind. Ik wil deel uitmaken van die kleine gemeenschap, hoewel ik ook donders goed weet hoe vluchtig dat is: als de voorstellingenreeks is afgelopen, valt zo’n groep onbarmhartig uit elkaar. Die jaloezie uit zich ook in het feit dat ik na afloop wil blijven hangen in de bar. Ik wil die mensen – en, eerlijk is eerlijk, vooral mijn besnorde Koreaan – zien en spreken en aanraken. Ik wil niet weg uit deze betovering. Ik ben jaloers op ze, ik wil niet in mijn eentje op de fiets door de melancholische regen naar huis. Wat is daar, thuis? Helemaal niks! Dat was niet waar, thuis stond neef Casper af te wassen en ik dronk nog een whisky en vertelde dat ik een geweldige dansvoorstelling had gezien en tegen de tijd dat ik in bed kroop was het ouderwetse, jaloerse, erbij-willen-horen gevoel al grotendeels verdampt. De dag erna was het woensdag en waren de Koreaanse sferen helemaal opgetrokken. Nog twee weken wachten, dan dompel ik me er weer helemaal in onder.

warme dagen

Aangezien het aan de overkant van de Atlantische Oceaan zo verduiveld koud is, is het hier dus warm. Dat is altijd zo. Op de een of andere manier moet er blijkbaar altijd een evenwicht zijn. Nooit eens is het overal ter wereld verduiveld koud. Of bokheet. Hier in de Eifel waait het ook nog eens niet en de vogeltjes laten al voorzichtig hun voorjaarszang horen. Naar voer op het vogelvoederstation talen ze nauwelijks. Vorige week woensdag – neem ik aan – heeft het hier óók keihard gewaaid, overal in het bos liggen groepen sparren om. Elvis weet soms niet hoe hij die nemen moet. Kan hij er onderdoor of moet hij helemaal omlopen? Soms moet ik het voordoen en dan zakt hij ook iets door zijn enorme poten en komt zuchtend achter me aan. Buiten dat danst hij door het bos, het is machtig mooi om te zien hoe soepel en gracieus het enorme beest lopen kan. Hij houdt me goed bezig. Rond half negen lopen we het ochtendrondje en daarna moet hij eten. Pas daarna ga ik eten en de kachel aanmaken. Om twaalf uur de grote ronde en dan iets na vieren de laatste grote ronde van de dag. Dan komen we meestal in de schemering thuis. Soms brandt de kerstverlichting al. Die mag ik er nog niet afhalen van buurvrouw Monika. Want het ziet er zo gezellig uit. Het lichtsnoer zit aan een tijdklok, dus zelfs als ik hier niet ben, floept het ding elke dag om 17:00 uur aan.

Morgen komt het baasje van Elvis hem op de terugweg van de beurs in Frankfurt weer ophalen. En mij ook. Ideaal is dat. Het weekend in Amsterdam en dan aanstaande maandag weer hierheen, als het meezit met een manuscript vol op- en aanmerkingen. Dan heb ik daar werk aan. Zomaar hier zitten is lastig geworden. Waarom dat veranderd is, snap ik niet precies, al besef ik inmiddels wel dat een dode Jasper er mee te maken heeft. Met een hond is de helft van de dag gevuld. Vorige week heb ik de trap bij vrienden geschilderd, in twee dagen tijd. Dat was ook een prima tijdspassering. Tijd moet gevuld worden. Lege ruimte. Komt dat nou echt door het stoppen met Citalopram? Ik móet bewegen, letterlijk en figuurlijk. Ik vraag me af hoe ik dat twee, drie jaar geleden deed. Ik kan me uit die tijd helemaal niet heugen dat ik zo nodig bezig moest zijn. Dat ik aan het begin van een dag dacht: ‘Hoe kom ik hier met goed fatsoen doorheen?’ Nog iets van een hond: het is genoeg om op de grond te zitten of te liggen en de kop van een hond op je schoot of je borst te hebben. Merken dat dat beest dan intens tevreden is. Dat is dus óók iets doen, bezig zijn. Vredig samen zijn. Maar dan moet je wel van de betreffende hond houden. Met een hond die ik stom vind, gaat dat niet.