The chimney has to smoke

Een dag of tien geen vogels op Twitter. Want ik ben weg. Naar het Verenigd Koninkrijk. Eerst naar Norwich en daarna naar Caernarfon, dat laatste vooral uit sentimentele overwegingen, want in de buurt is Mount Snowdon en ik heb ooit gezegd dat ik die berg elk jaar beklim, en dat ga ik dus doen. Norwich ken ik niet, ben benieuwd, we verblijven er in het oudste hotel van Engeland. Ik schrijf ‘we’, want ik ben in Norwich niet alleen, er zijn nog zo’n twintig andere schrijvers en vertalers. In Noord-Wales ben ik wel alleen en voor het eerst slaap ik er niet in een B&B maar in een hotel, het Celtic Royal. Uit nood, want om de een of andere mij onbekende reden is het er stikdruk, terwijl tien jaar geleden niemand dood gevonden wilde worden in Caernarfon. En ik ga iets doen wat ik nooit eerder deed.

Vanuit Caernarfon rijdt een ouwe stoomtrein naar Porthmadog. Prachtig ding, prachtige route, hier een fragment uit een documentaire die ooit door de NCRV gemaakt is over De omweg. (Dan wordt ook de afbeelding bij dit dingetje duidelijk.) En om dat boek draait het. Er is een winkel aan het beginpunt van het spoor. Daar kan je van alles kopen, koffiemokken, ballonnen, snoep, kaarten, asbakken, stuiterballen, hondensnoepjes, sleutelhangers. En boeken. Dat weet ik, want ik was er vaker. En elke keer draaide ik de boekenmolen rond en rond en rond op zoek naar The Detour. In dat boek komt de trein voor en Mount Snowdon en de plek van handeling is hemelsbreed zes kilometer verderop. Het is de perfecte plek om het boek te verkopen. Maar ze doen het niet. Ik denk dat dat komt omdat ze van het bestaan ervan niet weten. Daar ga ik verandering in brengen. Ik stop er één in mijn tas en zal het een winkelmedewerker overhandigen. ‘Please read this,’ zal ik zeggen. ‘And then decide whether you want to sell it here or not.’ Ze gaan me vreemd aankijken, dat weet ik nu al. Kan me niks schelen. The chimney has to smoke and on the board there has to be bread (and preferably a drop of white wine).

Witte geit, Mike en veel bier

Buurvrouw Hannelore stond in haar elektrische rolstoel bij de poort. ‘U heeft ook geen bel,’ zei ze. ‘Nee,’ zei ik, ‘bij mij moet je aankloppen.’ Maar zij haalt mijn voordeur niet, want het gras ligt tien centimeter hoger dan de oprit. Of ik niet weer eens een hond had? Nee, zei ik, nog steeds geen nieuwe hond. ‘De buren hebben twee honden.’ Ja, dat wist ze, en daarom zei ze dat ik óók geen bel had, want de buren hebben ook geen bel en twee uur eerder had ze voor hun – dichte – poort staan schreeuwen omdat ze niet opendeden. Ik hoorde dat en keek vanuit de boventuin toe, en toen zei buurvrouw Hannelore dat de buren niet opendeden. Niet mijn probleem, dacht ik toen nog en ging door met het onkruidvrij maken van het hoge terras. Goed, de kwestie was, ze had een dode geit. De nacht ervoor verstikt omdat een andere geit met hoorns één van die hoorns onder de halsband van de nu dode geit had gestoken, waarschijnlijk vanwege schrik voor het onweer. ‘Heeft het geonweerd?’ vroeg ik. ‘U heeft vast geslapen,’ zei buurvrouw Hannelore. Hoe dan ook, ze probeerde die dode geit te slijten aan mensen met een hond of honden. Dat die honden lekker wekenlang stukken geitenvlees kunnen eten. Dat doet ze omdat ze anders de geit moet laten ophalen en dat kost geld. En alles wat geld kost, dat heeft buurvrouw Hannelore liever niet. Het is niet gelukt. Niemand met honden wil een dode geit, want die moet je dan eerst nog in stukken snijden.

Het definitieve Mike-nieuws, vernomen uit betrouwbare bron. Mike is inderdaad uit zijn hok gedreven, domweg opgetild door het wassende water. Vervolgens is hij in een boom geklommen die over de rivier hangt. Of in elk geval op de plek waar op dat moment de rivier vermoed kon worden. Omdat hij in die boom zat, moest hij wel doodgeschoten worden. Want als hij uit de boom gevallen was, had het razende water hem meegevoerd en wie weet waar hij dan was terechtgekomen. Verdoven ging niet, want als Mike bewusteloos in de rivier zou vallen, zou hij sowieso verdrinken. Er bleef dus maar één mogelijkheid over. De betrouwbare bron is de brandweer, de vrijwillige brandweer uit Lünebach.

Een andere afdeling van de vrijwillige brandweer, die van Nimshuscheid, vierde afgelopen weekend z’n 90-jarig bestaan. Gisteren om half één begon het blaasorkest uit Bleialf aan een optreden. Om kwart voor één dronk ik mijn eerste biertje en om half acht het laatste. Hoe het kan dat ik niet ben omgevallen is me een raadsel. Vanaf een uur of zes barstte het gebruikelijke onweer los met bijpassende hoosbuien, maar dat kon ons allemaal niks schelen. Vandaag drink ik alleen water.

Water, onverklaard

Toen ik hier afgelopen vrijdag aankwam, bleek hoe heftig het noodweer geweest was. De keuken stond blank. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Het was half tien ’s avonds, er was bezoek meegekomen. Dat heb ik op het terras voor de keuken neergezet met gin-tonics en ik ben gaan dweilen. Later pas – inmiddels wisten we dat we geen angst hoefden te hebben voor tijgers of leeuwen die uit het bos zouden opduiken omdat die beesten nooit hun kooi uit geweest waren – vroeg ik me af hoe precies het water in de keuken terechtgekomen was. Ik zag aan modder dat het onder de voordeur doorgelopen was, maar de keukenvloer ligt hoger dan de gangvloer. Was het met zoveel geweld binnengekomen dat het omhóóg gestroomd was? ‘Het is door de muren gekomen,’ zei buurman Klaus. Maar die muren zijn een meter dik! Dat kan toch zeker niet? Bovendien vind ik dat een rotidee, water door de muren, het moet niet gekker worden. Inmiddels is het bijna een week verder, maar onder het keukenblok blijft het nat. Wat op zich niet vreemd is, dat gebeurt eigenlijk altijd wel als het buiten erg warm en broeierig is. Binnen wordt het nooit warmer dan 20 graden en het huis gaat dan ‘zweten’. Na verloop van tijd droogt de boel weer op en in de tussentijd veeg ik steeds de boel droog met handdoeken. En ondanks de warmte brandt de kachel, terwijl het raam wijd open staat.

Hier gebeuren trouwens wel vaker raadselachtige dingen met water. Achter in de tuin – half ingegraven in de heuvel – staat een half wijnvat met een metselkuip erin. Dat is een vijver. Er staat een pot met Snoekkruid of Moerashyacint (Pontederia cordata) in. Onlangs vulde ik de kuip met de waterslang bij. Toen ik twintig minuten later boven kwam, was de hele kuip leeg. Ik begreep er niks van, maar hing wéér de slang erin. Kuip vol, en hij bleef vol. Was er in de tussentijd een koppel herten komen drinken, of een roedel everzwijnen? Had iemand me een loer gedraaid? Maar wie dan? Rondom het wijnvat was alles droog. Bizar, want er was negentig liter water weggestroomd. Onverklaarbaar. Een week later gebeurde precies hetzelfde met een ingegraven kuip. Ik haalde er een pot uit omdat ik wilde kijken of het riet dat er in stond nog leefde en zette die terug. Kort daarop hele kuip leeg. Kuip weer vol laten lopen. Bleef vol. En dat is maar goed ook, want om hem uit te graven en er een nieuwe in te zetten zou een enorme klus zijn omdat dat deel van de tuin al zo, hoe noem je dat – de Britten zeggen established – is. ‘Volgroeid’ is misschien de juiste vertaling, het goede woord, alles op de geëigende plek, niks meer aan doen. Maar dan moet dus niet de ingegraven kuip lek raken…

Op de afbeelding een deel van de overstroomde Eifelzoo. Moeilijk te zien, maar op het dakje rechts zitten twee ganzen. Die zijn niet goed, want watervogels lijken mij nou de láátste om een veilig en droog heenkomen te zoeken. En het zijn ook nog eens Nijlganzen, die zijn toch wel wat gewend zou je denken.