Muur en hond

Er is hier weer eens een project gaande, een project dat allang klaar had moeten zijn. Nee, beter gezegd: een project dat door iemand anders uitgevoerd zou worden, maar die heeft nooit meer iets van zich laten horen, maandenlang niet. Zo gaat dat in de Eifel. Nu doet iemand anders het en ineens gaat alles in een razende vaart. Zo’n vaart dat ik er scheel van ga kijken en buikpijn van heb. Waarom? Waarom moet ik zo nodig een muur om mijn tuin heen? Wie heeft dat verzonnen? Ja, ik, dat lijkt me duidelijk, maar waarom houdt niemand me tegen? Fase 1 is gedaan, een sleuf. De sleuf is klaar, nu moet die berg aarde met stenen nog weg. Dat moet ik doen natuurlijk. Die muur komt in een hoek: negen meter langs de weg, zes meter langs de oprit. En het moet klaar voor Elvis hier de 20e juli verschijnt. Ik kan hier niet met een Deense dog zitten terwijl de route naar de weg wijd open ligt. Dat gaat lukken, is me verzekerd.

Waar we (de bouwer van de muur en ik) geen rekening mee hadden gehouden is dat de tuin schuin naar beneden afloopt, dus de oude betonnen fundering die er heel handig al ligt, langs de weg, loopt schuin mee. En ik wil een rechte muur, waterpas. Dat betekent, om het in lekentermen te schrijven, dat er over een lengte van 9 meter een gigantische, smalle wig moet komen. Of misschien twee afzonderlijke wiggen, even afhankelijk van hoe veel graden die betonrand afloopt. Brede planken zijn nodig, om een kistwerk te maken, waarin beton gestort zal worden. Die brede planken heb ik niet besteld natuurlijk, ik heb alleen stenen, ijzer, cement en kiezels besteld. En Deense dog Elvis is dus de spil waar alles omheen draait. Ik zeg steeds: ‘als je denkt dat het niet gaat lukken, vind ik het helemaal niet erg als je begint (of het afmaakt) wanneer Elvis weer weg is.’ Nee, het gaat lukken.

Nu er dus twee mannen in de tuin aan het graven waren met een pikhouweel, kwamen weer herinneringen aan eerdere projecten naar boven, en het besef dat wat ik het allerergste vind, domweg is dat er de hele tijd mensen in de tuin, of in het huis, zijn. Je kunt geen kant meer op. Je bent gevangen in het werkschema van die mannen. Ik wil uit het zicht blijven, ik wil me verstoppen, maar hoelang hou je dat vol? Want ik wil me verstoppen met de mogelijkheid iets te doen. Gisteren lukte dat aardig, ik maakte de eerste zes potten zwarte bessenjam, en maakte vooral veel werk van het schoonmaken en opruimen. Daarna was de geleisuiker op, dus ging ik een potje tennis op Wimbledon kijken, al viel dat niet mee: ik languit op de bank, die mannen werkend en zwetend in de tuin (ik hóórde de steel van de pikhouweel breken). Dat ligt niet lekker. Ik kan me nu dan ook al niet meer herinneren tussen welke twee tennissers dat potje ging.

Loslaten maar weer. Altijd alles maar loslaten, en die berg grond met stenen zien als iets wat niet in één klap weg hoeft. Misschien moet ik het zeven, de stenen afvoeren en de grond verdelen over het gras, dat stuk van het gazon ligt dieper dan de rest. Prima, maar ook dat hoeft niet in één dag klaar, en ik zou het bezoek – dat in deze tijd van het jaar nogal talrijk is – kennis kunnen laten maken met het edele vak van tuinieren. Met andere woorden: wil je een lekker bedje en een warme hap met alcoholische versnaperingen? Dan de handen uit de mouwen.