Willoze wespen

Achter het huis staat een appelboom. Toen ik hier kwam, hing de toen nog tamelijk kleine boom scheef, verdrukt door andere bomen, op zoek naar ruimte en zonlicht. De andere bomen verdwenen, appelboompje bleef en ik bond een dik touw tussen de stam en een beuk. Daarmee trok ik hem min of meer recht trok. Dat wil zeggen: de stam, alle takken bleven zuidwaarts neigen. Ik snoeide hem zo nu en dan en zo langzamerhand lijkt het erop dat ik ooit een boom met een min of meer normale kroon ga krijgen. De appels zijn niet te vreten, dat is jammer. Kleine, groene dingen zijn het, met erg weinig smaak en erg sappig zijn ze ook niet. Geen idee hoe de appel heet. Het zijn er wel héél erg veel, bizar veel zelfs. Momenteel vallen ze af. Dat hij er nog staat, is omdat hij zo prachtig bloeit in het voorjaar.

Eergisteren toog ik naar achteren om die appels te verzamelen in een emmer. Al heel snel daalde ik weer af, want het zwierm er van de wespen. Ik ontdekte een nest, bovenin een telegraafpaal die er als ornament staat. Lekker, rul, mottig hout, met een dakje (een groene plantenschotel), daar houden ze wel van. Later, dacht ik. Om een uur of half acht ging ik er nog eens kijken. Geen wesp meer te bekennen. Het was nog steeds warm, en donker was het ook nog niet. Ik begon te rapen. Zo her en der kroop een versufte wesp, traag en doelloos. Als ik een appel pakte waar een wesp in zat, was dat geen enkel probleem: zelfs als het beest had gewild, was steken niet gelukt. Ik tilde voorzichtig de plantenschotel omhoog: tientallen wespen, ook al zo traag en tam. Wat is dat met die insecten? Moeten ze vóór donker binnen zijn? En zo niet, gaan ze dan dood in de nacht? Zijn ze aan het einde van een dag domweg doodop? Gisteren zag ik een dikke bij op een Sedum zitten, bijna donker was het. Hij deed alsof hij heen en weer scharrelde, misschien deed hij zelfs alsof hij nectar zoog, maar ik zag dat hij totaal versuft en lethargisch was. Als hij niet uitkeek, zou hij de hele nacht daar op die Sedum ‘Herbstfreude’ door moeten brengen, met alle gevaren van dien. Waar slapen wilde bijen? In een holle boomstam? In een insectenhotel? Wat weet ik toch eigenlijk weinig van insecten, feitelijk bijna niets. Deze staat van apathie had ik nooit eerder opgemerkt, en pas als je zoiets ziet, ga je je afvragen waarom het gebeurt of waar ze slapen.

Het is trouwens heerlijk nazomerweer in Schwarzbach. Een graad of 27, zon, windje, en ’s nachts moet bijna het dubbele dekbed weer uit de kast.

Trouw, vandaag

Een verjaardag op een camping. De ergste hitte voorbij, wolkenvelden in de lucht, schaapjes op een belendend weiland. Koffie en taart. Een busje waarin twee vrouwen eten aan het bereiden zijn, Italiaans eten. Car Paccio staat op de bus, dat is geinig gevonden. Campinggasten die belangstellend vanuit hun voortent naar de reuring kijken: kom Jan, wij nemen lekker nog een kopje koffie en laten we hopen dat dat feest niet tot diep in de nacht duurt en dat ze niet te hoog gaan met die drone, want Schiphol is niet ver weg. Eén van de verjaardagsgasten denkt me betrapt te hebben op een fout in een boek. Hij heeft een foto gemaakt van de betreffende bladzij, daar wordt naar het woord broertje verwezen met ‘dat’ en volgens hem moet dat toch echt ‘die’ zijn. ‘O, ja?’ zeg ik. ‘Zeg jij dan ook ‘het schaap die daar keihard wegloopt voor een hond’?’ Nee, dat zou hij niet zeggen. Dan komt het gesprek op dat of wat, waarmee de hele statafel zich bemoeit. ‘Het is iets wat,’ zeg ik. ‘Niet iets dat.’ En waarom dan wel niet? Dat weet ik niet, hap in een stuk vlaai. Iemand slaat een wesp van mijn oor. ‘Hou daar eens mee op!’ zeg ik. ‘Sla naar je eigen wespen!’ Later op de avond, het schemert al, lopen de schapen op het belendende weiland inderdaad keihard weg voor de hond van een van de verjaardagsgasten. Een Ierse terriër.

Er komt een vrouw tegenover me staan. Ze vertelt over haar zoon van 21, die schrijft alsof zijn leven er vanaf hangt. Ik voel de bui al hangen. ‘Ik heb hem net een whatsappje gestuurd dat ik hier met jou sta.’ ‘Ja?’ zeg ik. ‘Zou jij eens iets van hem willen lezen?’ ‘Nee,’ zeg ik. Ze is verbaasd. Nee? Waarom dan niet? ‘Dat interesseert me niet,’ zeg ik. ‘En bovendien, wat is daarvan dan de bedoeling? Moet ik hem raad geven? Moet ik zijn teksten redigeren? Moet ik hem aanbevelen bij mijn uitgever?’ O, ja, nee, nou, dat weet ze ook allemaal niet, maar ik zei wel heel erg snel en gedecideerd nee. ‘Omdat ik dat altijd doe,’ zeg ik. ‘Gewoon meteen nee zeggen.’ We drinken van onze witte wijn en dan komt er nog een toetje uit het busje: bekers tiramisu. Ik eet twee bekers en voer ondertussen het angstige redhondje van de vrouw dat vooral bang is van mannen stukjes brood, die hij volgens haar niet eet, maar uit mijn hand gretig naar binnen slokt. ‘Ik ga nooit een meer een boek van jou lezen,’ zegt de vrouw. ‘Dat kan mij helemaal niks schelen,’ zeg ik. ‘Denk je nou echt dat ik daar wakker van lig?’ Het gesprek is luchtig, maar toch komen allerlei boodschappen over.

Later vertrekt een stel waarvan de vrouw in de boekhandel in Hippolytushoef werkt, één dag in de week. Of ik niet eens daar een lezing kan komen doen? Wieringen is toch een soort van thuisgrond, er zal belangstelling zijn. Ik hou erg van Wieringen, als ik in het buitenland ben en onverhoeds heimwee krijg, is dat vaak naar Wieringen, hoewel ik daar helemaal niet geboren ben, het niet mijn heim is. ‘Best,’ zeg ik en sla het zoveelste glas witte wijn naar binnen. ‘Dat kost trouwens wel 500 euro.’ Ze ik zie aan haar blik dat ze grappend wil zeggen dat ik het moet zien als een vergroting van mijn naamsbekendheid, maar doet dat wijselijk niet. Schielijk fietsen ze de camping af, de inmiddels donkere augustusnacht tegemoet. Schrijvers, werkelijk geen land mee te bezeilen…