Abdolah en Dautzenberg [Trouw 24.11]

Ik ga zelden tot nooit naar lezingen van collega’s. Ik vermoed dat dat voor de collega’s ook geldt. Wat heb je er te zoeken? Je kijkt naar jezelf, ergens. Je ziet wat ze doen, hoe ze dingen zeggen, hoe koket of juist niet ze zijn, je hoort ze vertellen hoe ze een boek schrijven en dat weet je zelf ook wel en tegelijkertijd zie en hoor je jezelf daar zitten en dat leidt al snel tot minstens schaamte. Twee keer bezocht ik – ik heb nu geen flauw idee meer hoe dat zo kwam – vlak achter elkaar een lezing van collega Kader Abdollah. De eerste keer was ik diep onder de indruk. Hij vertelde dat hij van alles vergeten was en daarom niet zou spreken over zijn laatste boek, maar een beetje in het wilde weg zou vertellen. Ik dacht dus een volstrekt geïmproviseerde lezing bij te wonen en dat deed hij geweldig. De zaal zat stampvol en iedereen vond het geweldig. Niet veel later dan twee weken later ging ik opnieuw, ergens anders natuurlijk. Tot op de seconde hetzelfde. Ik wist niet wat ik meemaakte en ik voelde me bekocht.

Later sloeg dat om en veranderde het bekochte gevoel in bewondering. Hij heeft een programma, zo simpel is het. Zoals cabaretiers een programma hebben of muzikanten. Die doen ook altijd hetzelfde en het is helemaal niet de bedoeling dat je daar twee keer vlak achter elkaar heen gaat. Nou ja, bij muziek ligt dat anders, muziek kan soms altijd. En hoewel ik het over het algemeen leuk vind om een lezing te geven, vreet het ook energie. Dat komt omdat ik geen programma heb. Elke lezing is volstrekt anders, afhankelijk van waar het is, hoe de stemming in de zaal is, hoe ik me voel, allerlei factoren. Kader ondervangt dat door een programma te hebben. Hij komt, werkt en vertrekt. Vandaar de bewondering. Ik denk dat ik dat niet zou kunnen omdat ik dan veel zenuwachtiger zou zijn voor een lezing, angst zou hebben tekst kwijt te raken, als bij een toneelstuk. Een lezing in het buitenland vind ik trouwens altijd makkelijker, domweg omdat je in een vreemde taal spreekt en als je een vreemde taal spreekt ben je nooit helemaal jezelf. Losser is het vaak. Of alsof iemand anders het doet.

Vorige week bezocht ik weer eens een lezing van een collega. Anton Dautzenberg had me gevraagd te komen en als iemand me vraagt te komen ben ik meestal niet te beroerd om aan die wens te voldoen. We spraken voor de lezing – op zondagmiddag – af in een kroeg. Ik dronk een oude Rutte. Anton dronk twee glazen muntthee. De lezing was in een tamelijk deftig hotel aan een Amsterdamse gracht. Er kwamen nette mensen binnen, mensen die na de lezing thuis nog Podium Witteman zouden gaan kijken, denk ik. Gelukkig hielden Alma Mathijsen, de interviewster, en Anton zich in, al ging het al snel over anussen omdat Alma zich een anus voorstelde bij het woord ‘gloppenhol’. Zo omschrijft Anton zijn zitkamer in zijn Privédomeindeel. Het was prima te doen. Natuurlijk hoorde ik Anton dingen zeggen die ik hem eerder had horen zeggen, gewoon aan mijn keukentafel. Maar ach, is dat erg? Niet echt, het gesprek duurde zo’n vijftig minuten, de mensen mochten nog vragen stellen. Dat deden drie mensen. Anton antwoordde en daarna waren er gratis champagne en hapjes in de lobby, waar welgeteld één boek verkocht werd. Buiten was het inmiddels donker geworden en erg koud. Ik nam een laatste hapje, zoende Anton en fietste naar huis. Een welbestede, culturele middag, dacht ik ter hoogte van de Munttoren. Moet ik vaker doen.