Chinezen [Trouw, 27 april]

Aangezien ik een manuscript klaar en doorgemaild had en niet in een door mij verwacht zwart gat viel, maar juist ongedurig en plezierig gespannen afwacht wat de ontvanger er na lezing van zal vinden, bezocht ik tijdens de paasdagen twee musea. Dag één: het Kröller-Müller Museum. We waren met z’n vijven. Eerst een hoogtepunt: het werk Kijk Uit Attention van Krijn Giezen was eindelijk weer eens open. Tamelijk kort na de openstelling van de steile trap van 300 treden viel er een tiener vanaf en vanaf dat moment is het kunstwerk tien jaar niet toegankelijk geweest. Nu is het af en toe open. We hadden geluk. Het was er rustig, niet iedereen klimt voor de lol 53 meter. En vooral: er was geen buitenlander te bekennen, nou ja vooruit: een enkele Belg.

Daarna verplaatste ons gezelschap zich naar binnen. Vlak nadat ik door een Chinees echtpaar dat uitsluitend oor had voor hun audiotour omver gelopen was, liep ik mijn zwager tegen het lijf. We waren vijf minuten binnen. ‘Ik ga eruit,’ zei hij. ‘Dit hou ik niet vol.’ Met ‘dit’ doelde hij op de Chinezen. Ja, dit gaat misschien wel een nogal foute column worden. Ze worden waarschijnlijk met bussen aangevoerd en moeten dan in een beperkte tijd het museum bekijken. Voor de beeldentuin is geen tijd, vandaar die rust bij Kijk Uit Attention. ‘Ach,’ zei ik toen nog vergoelijkend, ‘ik sluit me er gewoon van af.’ Dat bleek nog eens vijf minuten later niet mogelijk. Ze lopen overal dwars doorheen – als de kleine binnentuin niet afgesloten zou zijn, zouden ze daar net als op De Keukenhof alle tulpen vertrappeld hebben -, kijken je nooit aan en bewegen zich in het algemeen door de ruimte alsof er verder niemand is. Ze gedragen zich alsof zo’n museum er speciaal voor hen neergezet is, en alsof ze alleen hebben te letten op de andere Chinezen die in dezelfde bus zaten. En toen begon ik me ook een tikje op te winden. Die mond en neus bedekkende kapjes, waarom is dat? De lentelucht op de Veluwe zal toch zuiver en fris zijn? Ik voelde me ineens een stinkende kaaskop en zag in al die gezichtsbedekkende kapjes om me heen een uiting van afkeer van mijn lichaamsgeur en aanstellerij. Opvallend genoeg zag ik in de uithoeken van het museum – bij Richard Long en Gilbert & George – geen enkele Chinees. Waarom niet? Draait het voor Chinezen allemaal om de uitgekauwde kunstenaar Vincent van Gogh? Mijn schoonzus vertelde dat ze op een gegeven moment: ‘Ga allemaal eens aan de kant! Ik wil erdoor!’ had geroepen, maar dat niemand dat helaas had verstaan. Eenmaal weer buiten, op witte fietsjes door stuifduinen onderweg naar de parkeerplaats, waren alle Chinezen op slag verdwenen.

Dag twee, in een ander gezelschap, naar het Singer Museum in Laren. In sfeer zeer vergelijkbaar met het Kröller-Müller. Terwijl ik werken van Max Beckmann en Paula Modersohn-Becker aan het bestuderen was, dacht ik steeds: Wat is hier toch aan de hand? Om me heen uitsluitend keurige, chique Larense mensen. Aha! dacht ik toen. Ik sprak een suppoost aan. ‘Er zijn hier helemaal geen Chinezen,’ zei ik. ‘Nee,’ zei hij, ‘Chinezen hebben we hier niet veel.’ Ik keek tevreden om me heen, maar kort erop – buiten inmiddels, rokend, pratend – zei iemand: ‘Zielig, hoor. Zij zijn ook mensen, op vakantie, in een bus die steeds maar verder jakkert, in een cultuur die ze niet begrijpen’ en toen kreeg ik last van medelijden. Vandaar dat dit toch geen anti-Chinezen-column is geworden. Was het mogelijk een paastest voor mijn verdraagzaamheid?

2 gedachten over “Chinezen [Trouw, 27 april]”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s