Hurenpflanze [Trouw, 25 mei]

Een maand geleden reisde ik af naar Baden-Baden. Dat is een nog steeds mondaine stad in Zuidwest-Duitsland waar dames in bontmantels rondlopen en echtparen precies dezelfde Dolce & Gabbana-schoenen dragen tijdens de avondwandeling. In de 19e eeuw was het de zomerhoofdstad van Europa, allerlei rijke en beroemde mensen kwamen er op af, onder andere koningin Victoria. Iwan Toergenjev heeft er een tijd gewoond en vele andere schrijvers verbleven er. Lesenswert, het literatuurprogramma van de SWR, werd er opgenomen. De opnames verliepen naar tevredenheid. Ze vonden tot mijn verbazing buiten plaats, in het park van een groot buitenhuis. Het eerste programma-onderdeel was een wandelingetje van Denis Scheck, de presentator, en mij naar een omgezaagde mammoetboom. Wat of ik daar nou van vond? wilde Scheck weten. ‘Ach,’ zei ik, ‘hier kan ik niet om huilen hoor, ik heb deze boom niet gekend.’ De opnames duurden ongeveer een uur en ze verliepen in de geest van de eerste opmerking die ik maakte.

Afgelopen week werd het programma uitgezonden. Er was me verteld dat ik de hoofdgast zou zijn, en het programma zou een uur duren. Even speelde ik met de gedachte helemaal niet te gaan kijken, dat doe ik wel vaker, maar toen whatsappte ik Christa in Nimshuscheidermühle met de vraag of zij kijken ging. Ik kan die verschillende Duitse zenders niet meer ontvangen sinds mijn schotel scheef gewaaid is tijdens de laatste storm. Ja, Christa ging kijken en ik was van harte welkom. Met een biertje in de hand ging ik zitten in de stoel van haar overleden man dakdekker Rudi. Eerst kwam er een kwartier een gesprek tussen Scheck en een critica waarin ze drie boeken bespraken. ‘Nu is mijn bier al op!’ zei ik tegen Christa. ‘En kan die mevrouw niet eens iets anders gaan doen?’ Christa haalde een tweede Bitburger voor me en toen kwam ik. Er was enorm geknipt in de opnames, maar – zo zei Christa – ik zag er keurig uit in mijn mooie blauwe overhemd en grijze jasje. Alleen mijn hardloopschoenen detoneerden nogal, ik was er vanuit gegaan dat die onder een tafel verstopt zouden zijn. ‘Hahahaha,’ deed Christa toen ik, nadat ik bij de keuze tussen een roos of een orchidee onmiddellijk voor de roos had gekozen, uitlegde dat ik de orchidee een ‘Hurenpflanze’ vind. ‘Nou,’ vond Christa, ‘jij gaat flink wat extra boeken verkopen.’

En toen verscheen er onderin beeld dit: gerbrand bakker. schriftsteller und naturschützer. Wat? dacht ik. Mijn naam klopte (het is heel makkelijk de eerste r in mijn voornaam over het hoofd te zien), en ‘schrijver’, ach ja, waarom niet, maar ‘natuurbeschermer’? Wie had dat nou weer bedacht? Ik in elk geval niet. Tienduizenden mensen konden het lezen en als iets op tv verkondigd is, is het waar. ‘Goh, ik ben een natuurbeschermer,’ zei ik tegen Christa. ‘Wist jij dat?’ Nee, dat wist Christa tot op dat moment ook niet. Het slot was wel weer goed: Denis Scheck raadde mensen aan mijn nieuwe boek te lezen want dan zouden ze leren hoe de dingen werkelijk in elkaar staken. Vervolgens ging hij zelf op een stoel zitten om Die Verwandlung van Kafka te bespreken, want het was Week van de Insecten. Uit onze opnamen was nu juist het hele gesprek over insecten weggeknipt. Tien minuten had het geduurd. Ik slokte het laatste bier naar binnen en vertrok naar huis. Drie dagen later kreeg ik 400 euro op mijn bankrekening gestort, dat was een aangename verrassing want niemand had iets gezegd over een honorarium. Maar goed, als ze mij een nieuwe betrekking in de schoenen schuiven, mag daar ook wel wat tegenover staan.

Deens koffiebroodje

Gisteren was ik voor het eerst van mijn leven bij een Duitse tandarts. Huseman heet hij en hij woont in Schönecken. Ik belde in de ochtend op en kon om 14:00 uur komen. Dat verbaasde me want hij schijnt een tandarts te zijn die rabiaat géén nieuwe klanten wil. Maar: ik was een noodgeval. Zaterdag zat ik gedachteloos met een softgum tussen mijn voortanden te poeren en toen viel één van die voortanden eruit. Op zich niet raar, ik herinner me nog – vreemd hoe zulke dingen werken, welke onbeduidende dingen je je herinnert van vroeger – dat Dennis (de tandarts die van een berg in Nepal viel) zei: ‘Ik zet ze vast met tijdelijk cement.’ Tijdelijk cement houdt het dus ook zo’n 25 jaar uit. De opbouw was heel erg fragiel dus ik wilde die kroon er zo snel mogelijk weer in.

Ik heb een half uur op een knalroze stoel gezeten in een kamertje met nephouten deuren en zoete schilderijtjes van meisjes met lammetjes aan de muur en kastjes met groene deurtjes. Papieren slabbetje al om. In een belendende ruimte werd iets gedaan met een stokoude man die tegelijk met mij was binnengekomen. Ik wist niet wat, wel hoorde ik hem op een bepaald moment luidkeels kokhalzen. Ik dacht dat hij aan het stikken was. ‘Door de neus ademhalen!’ riep de tandarts. Kort daarop kwam Huseman door mijn kamertje lopen – zonder me aan te kijken – met een afdruk van gummi. In het kamertje rechts van me was ook iemand aan het werk, een tandtechnieker neem ik aan. Ja, zulke enorme dingen in je bek, ik snap niet hoe die oude man het voor elkaar gekregen had evengoed door zijn mond te ademen. Nu hij van dat rotding verlost was, hoorde ik hem keihard zijn neus snuiten.

Toen was ik aan de beurt. Ik kreeg een hand, maar Huseman – enorme vent, buikje, nors – zei verder niets. Ik moest mijn mond opendoen en hij begon meteen mijn hele gebit te controleren. Dat ergerde me. Ik heb zelf een tandarts, alstublieft, dankuwel. Daar op dat tafeltje voor me ligt mijn door een tandtechnieker schoongemaakte kroon. Of ik al heel lang niet bij de tandarts geweest was? vroeg Herr Huseman. ‘Twee weken geleden nog!’ zei ik. Tandartsen onderling, dat is vaak een toestand. Hij zuchtte en zette de kroon erin. Ik wilde meteen betalen, kon dat met een Karte? Nee, helaas. Het bleek 40,20 te kosten. Dat had ik precies nog in mijn knip zitten. Ik stapte op de fiets en kocht bij de Nah und Gut Bonefas een Deens koffiebroodje. Daar heb ik, thuisgekomen, eens flink mijn voortanden in gezet.

Kramsvogels [Trouw, 11 mei]

Zondagochtend. Het is of het sneeuwt, maar het zijn de kleine blaadjes van de perenbloesem die, nu het afgelopen nacht weer eens gevroren heeft, besluiten dat het genoeg is geweest. De tulpen, tot gisteren nog fier recht overeind, hangen krom, ook zij buigen het hoofd voor de temperatuur. Twee kramsvogels maken ruzie met een ekster: de kramsvogels nestelen in de tuin of in elk geval vlak in de buurt en die ekster moet weg. Keer op keer maken ze duikvluchten. De gaaien heb ik al even niet gezien, waarschijnlijk zijn die al eerder door de kramsvogels verjaagd. Zondagochtend in de Eifel, alles is ver weg. Op Tzum lees ik een bespreking van Hooiberg, de laatste Koos van Zomeren. Coen Peppelenbos omschrijft zijn stijl als ‘precies’, en zo heb ik het ook benoemd in een brief aan Koos. Ik ben niet van de straat, ik zou zo recensent kunnen worden. Maar dat wil ik niet.

Dat wil ik niet omdat ik, soms met moeite, schrijven en iets vinden van iets gescheiden wil houden. De enige recensenten met wie ik op Facebook bevriend ben zijn Arie Storm en de al eerder genoemde Coen Peppelenbos. Alle anderen houd ik bij me weg. Ik wens geen welwillende bespreking van mijn werk, ik heb geen zin in vriendjespolitiek. Ik zie op Facebook trouwens ook een aanstaand boek van Arie langskomen: Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Dat gaat me wat worden: ‘Dit boek biedt een beeld van de literatuur dat in elk opzicht eerlijk en onthullend is. Het horrortheater van de Nederlandse literatuur is een hartstochtelijk, vaak geestig maar soms ook woedend essay in de vorm van een gloedvolle roman. Scherp, geniaal en scandaleus.’ Het zal een van de laatste dingen zijn die ik zie op Facebook. Alles ergert me mateloos, iedereen ergert me, elke dag hetzelfde, en het komt me voor dat als ik me erger aan anderen, anderen zich vast ook aan mij ergeren.

Ik lees raar momenteel. De ene avond vind ik het lezen van het nieuwe boek van Eva Meijer een saaie bedoening, de avond erop zie ik ineens dat ze mooi schrijft en wil ik verder, wil ik weten waar het allemaal naartoe gaat. Wat kan er dan in de dag die daartussen zat gebeurd zijn? Ik lees veel vrouwen, na Eva komt een oud boek van Saskia de Coster en ergens in mijn Eifelhuis slingert de nieuwe Manon Uphoff rond. Daarvoor ben ik een beetje huiverig omdat ik op Twitter zo veel goeds en jubelends langs zie komen dat het is alsof er iets anders achter zit dan alleen positieve lezersreacties. (Mede gevoed door het feit dat ik het boek ongevraagd thuisgestuurd kreeg door de betreffende uitgever.) Ook dat doen Facebook en Twitter: eens lekker onbekommerd en onbevooroordeeld ergens aan beginnen is er niet meer bij, en ondertussen worden dingen in mij gevoed waarvan ik dacht geen last te hebben. Complottheorieën, bijvoorbeeld.

Ach, het literaire leven. Dit en dat en die en die en zus en zo. Nog iets van de sociale media: als je collega’s volgt, virtueel bevriend bent met schrijvers, heffen alle vijfsterrenrecensies elkaar op: het zijn er zó veel dat je denkt: ‘Allemaal gefeliciteerd met je vijf sterren, maar ik weet niet wat te kiezen en morgen worden er virtuele vissen in verpakt.’ En dan kies je in plaats van Manon Uphoff voor de vierde keer voor Het bureau, en ben je maanden onder de pannen met het lezen van een overleden schrijver die nooit meer roeptoeteren zal.

Ondertussen zijn de geelgorzen neergestreken onder het vogelvoederstation en is de rust weergekeerd. Ze kunnen goed samen met de vinkjes en de ene roodborst.