Aardappel

Ik was erg geraakt door de column van Franca van afgelopen zaterdag. Ik vond het een prachtige column, misschien zelfs wel jaloersmakend. Ze had het over een ‘geest als van aardappel’ en ‘wat steekt mijn bruin daar schraal bij af’, in vergelijking met schrijvers die vrijheid nemen, die vlammen en fel kleurend schilderen. Het was een column die me aan het nadenken zette en dat gebeurt niet vaak. Hooguit denk ik bij deze of gene column eens: ‘O, ja?’ of: ‘Nou, nou.’ Ik dacht na over wat voor soort schrijver ik wil zijn, een gedachte waarop ik mezelf nooit eerder betrapte.

Eerst dacht ik: is dat belangrijk eigenlijk? Franca dacht erover na en schreef dat vervolgens op omdat ze – vermoed ik – een kort moment van jaloezie doormaakte en haar ouders op de vraag hoe ze vroeger was ‘Een heel gewoon kind’ hoorde antwoorden. Precies wat mijn vader en moeder zouden zeggen, en ook gezegd hebben. En dat ze het woord ‘trots’ nooit in de mond zouden nemen, maar wel blij zijn als het goed gaat. Met andere woorden: van je ouders moet je het in de schrijverij niet hebben, je moet je eigen pad kiezen en als je erop gesteld bent dat mensen trots op je zijn, als je wilt dat je erkend wordt, moet je daarvoor de juiste vrienden kiezen.

Ik kan me niet herinneren ooit jaloers te zijn geweest op andere schrijvers. Niet waar het hun schrijven betreft. Natuurlijk wel als de ander er met een prijs vandoor gaat waarvoor ik ook genomineerd was. Waarom zou ik jaloers zijn? Ik ben me bewust van mijn manier van schrijven, en ik wéét dat als ik anders (vuriger, vlammender, met meer kleuren) zou willen, ik dat domweg niet doe. Omdat dat niet bij mij past. Net zoals Franca vanuit haar aard schrijft zoals ze schrijft, schrijf ik geloof ik ook vanuit mijn aard. Ik herinner me een gesprek met haar vlak voor ze iets moeilijks moest doen in De Balie, meen ik, iets over Simone de Boeuvoir, geloof ik. Ik merkte aan haar dat ze dat dolgraag wilde doen, want andere schrijfsters deden het ook, het zou blijkbaar een nogal intellectuele avond worden, maar vooral ook merkte ik haar ongemak op. Wellicht omdat ze zelf voelde dat het niet bij haar paste?

Precies zo is het bij het schrijven ook. Als je ongemak bij jezelf voelt als je op een manier schrijft die niet bij je past, kun je er maar beter mee ophouden. En: als je probeert het anders te doen, doe je dat altijd voor de lezers, of de tijdgeest, of wat er op dat moment populair is. Je verloochent jezelf dan. Daarom heb ik nooit de neiging vuriger, vlammender en kleuriger te schrijven. Dat doen anderen al. Omdat dat bij ze past.

Ik wil dus een schrijver zijn die schrijft zoals hij gebekt is en zoals hij in elkaar steekt. Vandaar wellicht tegenwoordig liever een Privé-domeindeel dan een roman. Want ja, een roman is een tamelijk geconstrueerd iets. Dat wat er in mij zit, wie ik ben, dát is wat ik in wil zetten en ik zou dus nooit een roman willen schrijven zoals bijvoorbeeld Ilja Pfeijffer die schrijft. Misschien zou ik het wel kunnen, maar dat is een andere kwestie.

Het einde van Franca’s column is misschien een tikje verontrustend. Ze schrijft dat je je niet moet laten vangen in een rol, en al helemaal niet door je eigen betoog. Gaat ze de boel omgooien? Gaat ze van een ‘bruine schrijfster met een geest als van aardappel’ een vlammende, bloemrijke auteur worden? Ik ben benieuwd.

Een ouwe dag

Ik was gisteren op een trouwfeest. Dat vond buiten plaats en het was prachtig weer. En het bruidspaar was geweldig, in alle opzichten. Dus dat was allemaal prima in orde. Iets anders was niet helemaal in orde. Drie momenten.

Ik sprak met de moeder van de bruidegom. De bruidegom is, meen ik, 47. Waarover het ging, weet ik niet meer, maar de moeder van de bruidegom zei op een bepaald moment: ‘Wij zullen niet zoveel schelen.’ De bruidegom keek me schuins aan. ‘Ik ben van zes,’ zei de moeder. ‘1946,’ zei de bruidegom lachend. ‘Nou,’ zei ik toen, ‘dan schelen we toch nogal…’

Ik stond met een tante van de bruid aan een statafeltje te praten met een vriend van de bruidegom. Een man van een jaar of 45. ‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg hij aan mij. Ik wilde vragen: ‘Wie zijn jullie?’ of: ‘Waarom spreek je mij in meervoudsvorm aan?’ maar ondertussen kwam de tante al niet meer bij van het lachen. Ik had haar over het leeftijdsakkefietje met de moeder van de bruidegom verteld. Ik wees over mijn schouder naar de oom van de bruid. ‘Deze mevrouw is met die meneer getrouwd,’ zei ik. De tante is 70. Maar ze ziet er, toegegeven, wel erg jeugdig uit.

Teruggekeerd in Amsterdam, nam ik tram 26 naar huis. Het was nogal druk. Op een stoel vlakbij me zat een zwartharige jongen met een afbakpizza op zijn schoot. Ik stond. De jongen kwam half overeind. ‘Do you want to sit down?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei ik. De jongen bleef overeind. ‘Are you sure?’ vroeg hij. Ik wilde zeggen: ‘Don’t be ridiculous!’ maar zei: ‘Really, I can stand.’

Ik vertelde neef Casper vanochtend over deze drie momenten. En in plaats van uit te roepen: ‘Wat een rare mensen, oom Gerbrand!’ zei hij: ‘Ja, het is begonnen.’

Eregast [Trouw, 8 juni]

Vorig weekend bracht ik door in Catalonië omdat een literair festival in La Bisbal d’Empordà mij gevraagd had of ik daar eregast wilde zijn. Ik vermoed dat mijn uitgeefster Laura Huerga – die sommige lezers zich wellicht herinneren uit een eerdere column: die slavendrijverachtige Catalaanse die zich lastig omver laat blazen – daarin een flinke een vinger in de pap heeft gehad, aangezien ik anderhalve maand geleden weigerde af te reizen voor de presentatie van het boek Juny. La Bisbal bleek een stadje met zo’n 9000 inwoners te zijn. Er leven meer gier- en huiszwaluwen dan mensen. Ik vind dat wel fijn, ik ben niet dol op grote steden. Ik sliep in een boerderij buiten het stadje en hoorde ’s nachts de ezels balken en de honden blaffen. Mijn werkzaamheden zaten er zaterdagavond al op, zondag was ‘vrij’ had Laura gemaild. Dat was het natuurlijk niet, al was er maar één dingetje te doen: een radio-interview met de Catalaanse radio. Maar dan wel om twaalf uur. ‘Bah,’ zei ik, ‘dat breekt de hele dag in tweeën.’ Ik zou namelijk met mijn persoonlijke assistent Pol op pad gaan op zondag.

Pol was ook de vertaler van dienst. Een jongen van 30 die documentaires maakt en in Barcelona woont, maar hij is geboren in La Bisbal. ‘Pol,’ zei ik, toen hij me van een treinstation afhaalde, ‘dat is een Vlaamse naam.’ Volgens hem was het ook een typisch Catalaanse naam. ‘Mijn moeder,’ ging ik verder, ‘heeft eens een Shetlandertje voor de kleinkinderen gekocht en heeft dat Polleke genoemd. Kleine Pol, dus.’ Dat vond Pol een geweldig verhaal. Hij reed in een wit autootje van 25 jaar oud en hield erg van kleine wegen, wat daar in Catalonië inhoudt dat hij van stoffige prutpaden met grote keien en diepe kuilen houdt.

Op zondagochtend, vóór het radio-interview, gingen we de bergen in. We reden door een kurkdroog woud vol zuidelijke bomen en struiken omhoog. Het was erg steil en onherbergzaam en Pol vertelde een gruwelverhaal over een bosbrand. En toen hield de auto ermee op. ‘Cotxe mort,’ zei Pol. Nou ja, vond ik, er zit weinig anders op dan naar beneden lopen. Er kwam rook onder de motorkap vandaan. Ik zag vlammen voor me en ik zag mezelf en Pol keihard rennen om die vlammen voor te blijven. ‘Mooie boel, Pol,’ zei ik, nadat we een kwartiertje hadden gelopen. ‘Ik ben wel de eregast van La Bisbal en nu loop ik hier op mijn dure, leren schoenen in 30 graden op een stoffig pad. En het is allemaal jouw schuld.’ Daar moest hij hard om lachen. Nog weer een kwartiertje later reed zijn vader ons tegemoet in zijn fourwheeldrive. We waren gered. ‘Kijk!’ riep Pols vader. ‘Daar gaan we altijd paddenstoelen plukken!’

’s Middags reden we in de auto van Pols moeder Martha – zo’n moeder die zich overal mee bemoeit en daarmee alles in het honderd stuurt – naar de zee. Eerst liet hij me een oeroud vissersdorpje in een baai zien en daarna reden we naar de monding van de rivier de Ter. Omdat ik geen zon meer kon zien, gingen we een biertje drinken op een beschaduwd terras in Torroella de Montgrí. Pol was gestrest: zijn autootje stond nog altijd op die berg. ‘Ga lekker naar huis, joh,’ zei ik. Tot slot trakteerde Laura Huerga – die de hele middag boeken had staan verkopen in een bloedheet standje – me op het kasteelpleintje op een gin-tonic. Er waren verschillende zogenaamde ‘infused’ gins en ik koos voor de ‘Clitoria’, die een vuile paarse kleur had. ‘Ik zeg niks,’ zei ik. Maar hij smaakte prima.

Tuinupdate (bij afwezigheid)

Afgelopen voorjaar zijn zoals gebruikelijk alle ‘bevattelijke’ struiken kapot gevroren. Of beter: de kakelverse blaadjes van die struiken. Altijd hetzelfde: een warme periode die té vroeg komt, drie nachten vorst er overheen en de Hydrangea aspera, de rode pruikenboom (Cotinus coggygria), de blauwe regen en de tamme kastanje kunnen opnieuw beginnen. Zelfs de enorme Hongaarse eik was van de ene op de andere nacht bruin in plaats van wazig groen. Kapotvriezen is dus een verkeerde term: ze overleven het wel, ze moeten alleen opnieuw beginnen, slapende knoppen activeren.

Er is één nogal apart geval: een kleine tamme kastanje die in een pot stond en die ik nu in de grond heb gezet. Dat was helemaal niet de bedoeling, het was de bedoeling dat hij bij iemand anders – om precies te zijn: Pauline Slot – de grond in zou gaan. Maar Pauline had nadat ik haar het boompje had geschonken tamme kastanje ingetikt op Google en had ontdekt dat het een enorme boom wordt. Toen heeft ze het boompje teruggegeven. Het hielp niet dat ik ‘Maar, Pauline, een boom wordt precies zo groot als jij toestaat’ zei. Snoeischaar en zaag doen immers wonderen. Dus stond hij bij mij te wachten op een plek. Die plek vond ik. Anderhalve maand geleden haalde ik hem uit de pot en zette hem in de volle grond.

En nu staat-ie daar zielig stakerig te wezen, met stokjes er omheen om aan te geven dat je er niet op moet gaan staan. Hij is verre van dood, de takjes zijn buigzaam, maar hij weigert tot op de dag van vandaag uit te lopen. Waarom? Heeft-ie geleerd van die nachtvorst? Ik weet dat hij nog kaal is omdat buurman Klaus me er een foto van stuurde. Ik ben daar even niet en als ik er niet ben, ligt er een tuinslang klaar, zodat Klaus de potten en het pas ingezaaide deel van het gazon kan bewateren. Ook maakte hij een foto van de irissen die na twee jaar eindelijk zijn gaan bloeien. Dat was slim van hem, want als ik er terugkom, zijn die hoogstwaarschijnlijk al klaar met bloeien. Onuitstaanbaar: je doet je best, je wacht twee jaar op bloei en áls die bloei dan eindelijk komt, ben je er niet om het mee te maken! Eén dag heb ik genoten van de knalrode pioenen, als ik na Pinksteren daar weer ben, is er niets van over.