We hebben hier ineens een bull-terriër…

Gisterochtend deed ik een kort rondje met Floris. Later die dag kwamen Tuinmaat Han en Trijntje met Jet, en dan zou er vast nog een langere ronde volgen. Floris is het blijst als er met stokken of sparrenappels gegooid wordt. Meestal gaan er een stuk of drie stokken/sparrenappels doorheen tijdens zo’n rondje, want ondertussen wordt er toch ook scherp gelet op wilde dieren en dan wordt het gooiding even vergeten. Op de terugweg had ik een tamelijk dikke stok. Dat is voor mij ook lekker want des te zwaarder de stok, des te verder ik ‘m weg kan smijten. Floris rent altijd vooruit, dat wil zeggen dat ze niet wacht op het gooien. Regelmatig zeggen we ‘Oei!’ als zo’n stok bijna de hond raakt. Gisteren riep ik niet eens oei toen ik de hond bewusteloos gooide.

Ze rent als een kip zonder kop, kijkt niet, let niet op, en op de een of andere manier komt ze vrijwel altijd heel dicht in de buurt van de stok. Deze stok was domweg te zwaar en de plek op haar kop te gevoelig. Ze zeeg ineen en rolde van het pad af. Toen ik bij haar kwam, lag ze met haar nek vreemd geknakt, het oog dat ik zag wijd opengesperd zonder iets te zien. Even dacht ik dat ze dood was. Ik tilde haar op en zei: ‘Ben je er nog?’ Heel langzaam kwam ze bij haar positieven, maar pas tweehonderd meter verderop, toen ik luidruchtig mijn neus ophaalde, draaide ze haar kop en keek ze me aan alsof ze dacht: wie is die vent nou weer en hoe kom ik hier? Waarom loop ik niet? Waar is de stok? Ik denk, hoop, vermoed, dat ze er niets van meegekregen heeft. Ze was in één klap weg en liet daarna alles maar over zich heenkomen.

De rest van de middag was ik een beetje misselijk. Ze mocht een kom yoghurt leeglikken en kreeg meer Hundeleckerli dan normaal. Ik hield haar scherp in de gaten. Maar een paar uurtjes later, op het dalrondje met Jet, was er alweer strijd om een stok die ze allebei wilden hebben. Ze leek niet eens hoofdpijn te hebben. ’s Avonds, toen wij zo’n twee uur na haar naar bed gingen, tilde M. het dekentje van haar bench op. ‘Niet dood?’ vroeg ik. ‘Niet dood,’ zei M. ‘Goddank,’ zei ik. De halve nacht heb ik liggen luisteren naar geluiden vanuit de bench en pas vanochtend, toen ze na het gebruikelijke overdreven geeuwen en uitrekken eindelijk de bench verliet en daarna bijna haar hele bak leegvrat, was ik gerust. Ze heeft een wond op haar snuit, en een bult en ze ziet er tijdelijk uit als een bull-terriër.

Ba-Ta-Clan [Trouw, 25.1]

Ik was dus in Parijs. Met man en hond. Het waaide er ongelofelijk hard. Overal op straat liepen zeer chagrijnige oudere vrouwen. Iedereen praatte er Frans. Hond Floris ontmoette op de stoep een lief hondje, maar ze stonden in de weg van een hardloper. Die was ook enorm chagrijnig. Hij hief zijn handen ten hemel van ongeloof dat wij hem de weg versperden. Veel mensen liepen er – net als onlangs in Bordeaux – met de kop van hun elektrische tandenborstel in hun oren en ze spraken in zichzelf. Frans vanzelfsprekend. De uitgever was erg druk op whatsapp. Wij moesten zelf maar zien wat ons het beste uitkwam, qua eten, wanneer we maar wilden en wat we maar wilden. ‘Ja,’ zei ik tegen man, ‘en moeten wij dan zelf ons eigen eten betalen als we niet met hem gaan lunchen of dineren?’ (Er is momenteel een AH-reclame op tv te zien met Frenkie de Jong erin, dat was een voetballer van Ajax en nu van Barcelona. Hij zit met Oranje-collega’s te signeren in een supermarkt en krijgt van een AH-medewerkster een kartonnen kopje koffie. Zegt ze: ‘Als jullie nog meer koffie willen, kun je dat daar pakken.’ Wat?! Die jongens zitten voor niks waarschijnlijk een voetbalplaatjesboek te signeren en dan moeten ze ook nog hun eigen koffie pakken?! Koffie in een kartonnen bekertje?! Deze wereld is gek geworden.)

In Parijs werd al ongeveer vijftig dagen gestaakt. Spoorwegmedewerkers bijvoorbeeld kunnen het niet verkroppen dat hun pensioengerechtigde leeftijd niet langer 52 jaar blijft. De CAO is afgesloten in de tijd dat er nog kolen geschept moesten worden. Wij reisden twee keer met metrolijn 1. Die heeft geen bestuurder en kan dus ook niet staken. Het was de enige metrolijn die reed. Hij bracht ons in de buurt van de Notre Dame, die wij eens gingen inspecteren. Nou, veel is daar niet mis mee. Dat hele ding staat er gewoon nog, er moet alleen een nieuw dak op. Waarom doen ze daar zo moeilijk over? Omdat de stad één grote file was, stonden we een uur onder de luifel van café Sarah Bernhardt – het regende keihard – te wachten op de uitgever die in een taxi voor zou komen rijden die ons naar een boekhandel zou brengen. Die taxirit duurde ook nog eens drie kwartier. We kwamen een uur te laat in de boekhandel aan. Er waren nog mensen. Een oudere vrouw zei dat ze mijn boek veel te triest vond. Hoe ze dat wist, wilde iemand weten. Het boek was juist die dag uitgekomen. O, ze had er even in gebladerd tijdens het wachten. Ze was gaan staan en blokkeerde het zicht van de andere bezoekers. Ik gebaarde haar steeds met mijn hand aan de kant, maar steeds keerde ze weer terug naar het middelpunt. ‘Maar u bent helemaal niet triest of treurig,’ zei ze. ‘Kijk eens wat een leuke kleren u aan heeft!’

Na het avondeten – met de uitgever en mensen van de boekhandel, die me beloofden dat ze ongelofelijk veel boeken van mij gingen verkopen – was het tijd terug te keren naar het hotel. We gingen met een taxi. Op een gegeven moment stond die stil voor een rood licht. ‘Kijk,’ wees man. ‘Bataclan.’ We stonden er pal voor. Het werd stil in de taxi. Daar binnen waren 89 mensen vermoord. Het licht bleef lang rood. De zaal is vernoemd naar Ba-Ta-Clan, de eerste succesvolle operette van JacquesOffenbach uit 1855, een grappig stuk, een satire op de politiek en operaconventies van die tijd. Het licht sprong eindelijk op groen. We konden verder. Wij wel.

Op naar Parijs! [Trouw, 11.1]

Als u of je dit leest, ben ik bijna onderweg naar Parijs. In de auto. Dat is niet erg klimaatvriendelijk, maar een bench met een druk hondje erin in de TGV is niet erg handig. In de hoofdstad van Frankrijk is een hondvriendelijk hotel voor ons geregeld, zó zelfs dat het dier in het Bois de Vincennes uitgelaten kan worden. Dat is allemaal dik in orde. Ik heb de auto gewassen; het ding is wit, maar zag er niet uit, er zaten zelfs algen op. Het was een heel werk, maar het resultaat is Parijswaardig. Zelf kan ik, zoals bijna iedereen wel weet, niet rijden. Winegums uitdelen vanaf de bijrijdersstoel kan ik des te beter, en zo nu een dan een hondensnoepje tussen de spijlen van de bench door steken. Vanuit de Eifel is het vierhonderd kilometer rijden, en daarna weer vierhonderd kilometer terug.

In de tussentijd wordt Parce que les fleurs sont blanches er gepresenteerd. Ik weet niet precies wat ik me daarvan moet voorstellen. De Franse uitgever – Jean Mattern van Grasset – spreekt van een ‘comeback’ en hij heeft flink wat vooruitexemplaren extra laten drukken omdat zijn vertegenwoordigers zo enthousiast waren. Een comeback impliceert dat er sprake was van een vergeten, een uit beeld verdwenen zijn. In dat opzicht is het wel ironisch dat die comeback moet komen van het allereerste boek dat ik schreef. Of beter: de allereerste roman. Of nog beter: het allereerste jeugdboek, hoewel ik de eerste ben om het strikte onderscheid tussen verschillende soorten van boeken te laten vallen. Een boek is een boek. Met uitzondering van kookboeken natuurlijk.

Perenbomen bloeien wit is twintig jaar oud. ‘Je zet er toch wel “moderne klassieker” of zoiets op?’ vroeg ik Jean Mattern een paar maanden geleden. ‘Net zoals uitgeverij Cossee “Cossee Century” heeft, zodat de lezer weet dat het om een heruitgegeven boek gaat dat aan de vergetelheid wordt ontrukt?’ Welnee, antwoordde Jean. Nergens voor nodig. ‘Maar er komt een antwoordapparaat in voor!’ zei ik. Ook een mobiele telefoon, zei Jean. Ik moest heel hard nadenken en wist het toen weer, er zit inderdaad een mobiele telefoon in. Bestonden die in 1999 al? Nou ja, het zal wel. Je kunt je ongemakkelijk voelen als een oud boek uitgegeven wordt, schamen misschien wel, maar aan de andere kant: een boek is een boek. Wat maakt het uit hoe oud het is? Als het maar goed is. En blijkbaar vond Grasset Perenbomen bloeien wit goed genoeg om nu, in 2020, alsnog uit te geven. Ik voel me er niet ongemakkelijk onder, ik laat het allemaal lekker over me heenkomen. Wel zal ik het voor vertrek nog eens lezen, ik heb geleerd van een lezing die ik ooit op een Friese school deed en die rampzalig verliep omdat ik zelf geen flauw idee meer had wat er eigenlijk allemaal in dat boek stond, terwijl de scholieren het boek net gelezen hadden. Dat was pijnlijk. En niet erg netjes en professioneel. Immers: een boek is een boek, voor mij wellicht oud, maar voor een lezer op welk moment dan ook splinternieuw.

De titel is veranderd omdat er in Frankrijk – zo vertelde Jean – nogal wat mensen zijn die Poirier als achternaam hebben. Perenboom. Die zouden dan blijkbaar kunnen denken dat zij wit bloeien en daarom het boek niet kopen? ‘Omdat de bloemen wit zijn’ vind ik ook geen verkeerde titel. Hoeveel titels beginnen er met een onderschikkend voegwoord? Niet veel, lijkt mij. That they may face the rising sun schiet me te binnen, een ongelofelijk mooi Iers boek van John McGahern. Nooit vertaald in het Nederlands. Onbegrijpelijk.

Hond en vos

Afgelopen zondag waren we in de Schönecker Schweiz. Dat is een wandelgebied dat blijkbaar op Zwitserland lijkt. Zo nu en dan rijden we daarheen om eens een ander loopje te hebben met Floris. Daar – zo’n tien kilometer van Schwarzbach – ontdekte ik dat de Nims, die hier een niet onaanzienlijk riviertje is, samenvloeit met een ander beekje en zelf maar een kilometer of vijftien verderop ontspringt (in totaal dus 25 kilometer verderop). We verdwaalden afgelopen zondag en toen merkten we waarom ze het daar Zwitserland noemen: enorme rotspartijen en ravijnen. We moesten naar een beekje in de diepte, maar het was onmogelijk er te komen. Behalve voor Floris. Die joeg een vos uit een hol en ging er achteraan, fox-terriër als ze is. Ze buitelden achter elkaar de diepte in. Wat mij dan verbaast is dat die vos zich niet gewoon omdraait en de aanval opzoekt. Een vos is al snel twee keer zo groot als Floris. Floris is dan niet, zoals Jasper, uren verdwenen. Na een minuut of vijf is ze alweer terug, van precies de andere kant, helemaal ongeschonden. En die ‘andere kant’ bleek na een korte zoektocht de kant van de berg om naar beneden te komen.

Hier komen we eigenlijk nooit iemand tegen tijdens wandelingen. In de Schönecker Schweiz wel. En natuurlijk niet alleen mensen, maar ook honden. Opvallend hoe verschillend mensen met hun hond omgaan. Floris liep los achter een aangelijnde bordercollie aan, en verdween om een hoek. ‘Geh weg!’ hoorden we. Toen we de hoek om kwamen, zagen we Floris en de andere hond elkaar vriendelijk besnuffelen. De bazin hield haar hond angstvallig strak aan de lijn en ze keek erg boos. Zo af en toe vind ik het wel gezellig, die andere mensen en honden. Hier loop ik altijd maar alleen. Maar dat gaan misschien wel veranderen als mijn Van Oorschot-boekje over de 1 uitkomt. Misschien komen er dan drommen mensen deze kant op. Die dan allemaal bij buren Rinus en Lien zullen gaan logeren, want dat raad ik ze in het boekje aan. Rinus en Lien wonen pal aan de wandelroute en verhuren de bovenste verdieping van hun huis aan vakantiegangers. Ons huis zien ze niet, dat ligt, vanaf de 1 gezien, onderaan een beboste steile heuvel.

Gisteren kwamen we op de berg achter het huis Happy tegen. Dat is foute boel, ware het niet dat Happy stevig aan de lijn zat en Werner haar in toom hield. Floris liep los, maar ik lijnde haar ook snel aan. Werner en ik probeerden een gesprek te voeren, wat niet lukte vanwege twee woest blaffende honden. Happy wil Floris vermoorden. Happy wil alle honden vermoorden. Voor mensen ongevaarlijk. Het is hier nu prachtig: het heeft flink gevroren, alles is wit en de lucht is kristalhelder. Alle vogels zijn blij, de geelgorzen zijn teruggekeerd, de Alaskan Malamutes van Herbert en Christin jammeren zachtjes, de rivier stroomt zilverig naar beneden. De kachels branden. Om half zes een glaasje Auchentoshan.

Opdoeken die handel [Trouw, 28.12]

Ik zat eens in een jury samen met Rachel Cusk. Nee, het was zelfs zo dat Rachel Cusk en ik de gehele jury vormden. Een jury van twee mensen. Dat kan sowieso niet, maar het was nu eenmaal zo. Rachel Cusk is een Britse schrijfster. Nadat alles achter de rug was, kon ik de naam ‘Rachel Cusk’ niet meer horen. Als iemand – altijd een vrouw – mij zei dat ze haar boeken zo geweldig vond, begon ik al over te geven, zelfs zonder ooit een woord van Rachel Cusk gelezen te hebben. Het was onze taak om de beste Ierse roman van het jaar te kiezen voor de Kerry Group Irish Novel of the Year. De Kerry Group is een voedingsmiddelenbedrijf dat zich daarnaast blijkbaar graag met literatuur bezighoudt. Buiten een over het algemeen moeizaam verlopende communicatie was het dieptepunt dat Rachel Cusk een bepaalde schrijfster de prijs wilde toekennen omdat die nog nooit een grote prijs had gewonnen. Mijn verstand stond er bij stil, en toen we na heel wat geharrewar tot een échte winnaar waren gekomen, weigerde ze de uitreiking bij te wonen en stond ze erop dat ik een tekst van haar over de betreffende schrijfster daar voor zou lezen. Ze wilde dat haar stem gehoord zou worden. ‘Dat zal niet gaan,’ zei ik. ‘Als ik jouw tekst voorlees, zal het lijken alsof zij de prijs gewonnen heeft.’ De oplossing was simpel: aangezien ze er niet was, heb ik de vrijheid genomen haar tekst aangepast voor te lezen.

Een klucht, ergens. Nadat ik voor Trouw van 14 december een stuk geschreven had over de teloorgang van een literaire prijs, diende de volgende klucht zich alweer aan: de uitverkiezing van de NRC Lezersprijs 2019. 25 boeken, allemaal met vier of vijf ballen, waren uitgezocht door de recensenten van de NRC en daar konden de lezers op stemmen. Het staat iedereen vrij zich daar op de sociale media tegenaan te bemoeien. Ik had een tweetje kunnen schrijven met de oproep om op ‘Zwarte schuur’ van Oek de Jong te stemmen omdat dat zo’n mooi boek is. Iedereen kon dat doen. Maar toen deed Özcan Akyol (meer dan 88.000 volgers) het. Hij riep al zijn volgers op ‘nog een poll te fucken’ en op underdog Jan van Mersbergen te stemmen. Vrijwel onmiddellijk haalde Jans boek het boek van Bart van Loo in, dat tot op dat moment aan kop ging. Het grappige was dat toen gebeurde waarover ik het in mijn vorige reguliere column had: onterechte lof wordt zonder tegenspraak als een warm bad ondergaan. In dit geval: onterechte erkenning voor een boek wordt niet weersproken. Van Mersbergen, de NRC, de uitgever van Jan, boekhandel Athenaeum, iedereen deed alsof zijn of haar neus bloedde en er werd slechts gemeld dat Van Mersbergen nu aan kop ging: het leek erop dat alles de verdienste van het boek zélf was. Pas toen Van Mersbergen op 17 december daadwerkelijk won, schreef hij er op zijn weblog iets over. In een lange, zichzelf in de staart bijtende tekst die defensief van toon was en waarin hij Akyol niet bij naam noemde en niet bedankte. Zelfs toen nog deed hij alsof het een samenspel was geweest van eigen inspanningen om stemmen te werven en andere dingetjes. (Wie dat nalezen wil, vervoege zich op zijn weblog en zoekt de post van 18 december op.) De papieren NRC meldde op 18 december wijselijk niets over de prijs.

De conclusie lijkt me onderhand wel duidelijk. Opdoeken. Alles. Als je wilt genieten van een wedstrijd gewoon naar het WK Schaatsen of EK Handballen kijken. Daar wint altijd de beste.

Goed bezig, Bakker

Mag je de ene vogel voortrekken boven een andere? Eigenlijk niet, maar ik werd die gaaien toch echt beu. Vroeger heette de vogel Vlaamse gaai, maar dat mag je geloof ik niet meer zeggen. In het Duits heet hij Eichelhäher, ‘eikelschreeuwer’, min of meer; häher is een klanknabootsend woord voor het gekras. Als ik vers voer op het vogelvoederstation strooi, zijn twee gaaien er als de kippen bij. Alle andere vogeltjes zijn bang voor ze. Er komt ook weleens een mannetjesmerel of een middelste bonte specht op het vogelvoederstation, maar die leven in harmonie met de mezen, matkoppen en boomklevers. Binnen de kortste keren slokken die grote vogels alles naar binnen. Ik betaal me scheel aan vogelvoer. Het was genoeg. Ik had nog een rol schapengaas liggen en daar knipte ik een stuk vanaf. Zoals gebruikelijk was dat stuk te kort: ik kon slechts drie zijden van de voertafel bemazen. Daar liet ik het even bij en ging in de keuken zitten.

De gaai vloog op zijn gebruikelijke ingang af en daar bleef hij verbouwereerd zitten: hij kon er niet naar binnen. Daarna inspecteerde hij de twee andere zijden en tenslotte kroop hij bij het onbemaasde stuk naar binnen om van alles naar binnen te schrokken, waarna hij dóór zijn favoriete aanvliegzijde wegvloog. Hij kan dus wel van binnen naar buiten, maar niet van buiten naar binnen. Daarin vind ik hem tamelijk dom: een gaai is een kraaiachtige en kraaiachtigen staan bekend om hun slimheid. En nog iets: door één zo’n maas passen wel twee gaaien en toch schrikt het ijzerdraad ze af. Ik tikte ook de vierde zijde dicht. De kleine vogeltjes hadden helemaal geen last van het schapengaas. Weer ging ik in de keuken zitten, dronk een kopje koffie en at een groot stuk marsepein. Ik kan eten wat ik wil, ik heb onbeperkte toegang tot voedsel en drinken. De gaai niet meer.

Toen hij een tweede keer aan kwam vliegen, was hij nog verbouwereerder dan eerder. Er was verdomme geen enkele mogelijkheid meer bij het voer te komen. Ik kreeg medelijden met hem (of haar, geen idee, ‘geslachten gelijk’), maar dat gevoel verdrong ik al snel. Hij hipte langs alle zijden, en nóg eens, maar het enige wat hij kon doen was voorzichtig over een ijzerdraad heen een beetje voer pikken. Ik zag al snel dat dat hem helemaal niet beviel. Het is óf alles óf niks met gaaien. Onbeperkte toegang wil hij. Het is tijd voor hem om eerder begraven eikels op te zoeken. Ergens heb ik die twee gaaien een dienst bewezen: mijn vogelvoederstation maakte ze alleen maar lui en gemakzuchtig. Als dit nog iets langer had geduurd hadden ze afgeleerd in het wild in de natuur te overleven! Conclusie: ik trek geen vogel(tjes) voor, ik herstel de natuurlijke orde. Goed bezig, Bakker.