Het Bal [Trouw, 22.2]

Over een tijdje is het weer zo ver: het Boekenbal. En aansluitend de Boekenweek. Maar die Boekenweek kan mij gestolen worden, het gaat om het Bal. Dat is het hoogtepunt van het jaar en dat hoogtepunt vindt op 6 maart plaats in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Er wordt weleens geschimpt op dat Bal, het zou elitair grachtengordelgedoe zijn en de run op kaartjes wordt door mensen die geen kaartje hebben of krijgen belachelijk gemaakt. Maar het is natuurlijk helemaal geen elitair grachtengordelgedoe: het Boekenbal is als het jaarlijkse personeelsuitje van de HEMA. En dan niet de HEMA van alleen Hengelo, maar van alle vestigingen. Het Bal is een personeelsuitje: alle schrijvers van Nederland en België komen één keer per jaar samen. Niks elitairs aan. Wat de ‘leek’ erover hoort, zijn de opstootjes, de vechtpartijen, het vanuit de zaal bruut onderbreken van het openingsprogramma, terwijl het over het algemeen een genoeglijk samenzijn is, waar je met deze en degene praat, waar gedanst en gezoend wordt, waar – toegegeven – flink gedronken wordt. Je loopt ook iedereen de hele avond te feliciteren, met de shortlist van de Libris, met een gewonnen poëzieprijs, met geweldige verkoopcijfers. Ik ben tegenwoordig nog maar twee keer per jaar stomdronken: op het Bal en tijdens het negentigjarig jubileum van de vrijwillige brandweer van Nimshuscheid.

Het zijn de uitgevers die bij de cpnb kaartjes aanvragen voor hun auteurs. Aanvragen én betalen. Let wel, een kaartje kost zomaar 150 euro, als het niet meer is. De cpnb zelf zal niet al te veel kosten hebben aan hun eigen Bal. Daarnaast is niets gratis op de avond. De schrijvers, uitgevers en boekverkopers dienen zelf hun drankjes af te rekenen, evenals eventuele broodjes kroket. Dit jaar krijgen genodigden voor het eerst geen brief in de bus. Alles gaat via de mail. Van de week schoot mij ineens te binnen dat ik die mail van de cpnb al binnen had. Een mail waarop ik antwoorden moest, ik diende voor een bepaalde datum aan te geven of ik gebruik wilde maken van de kaartjes. Maar toen ik die mail ging opzoeken, bleek hij verdwenen te zijn. Ik raakte lichtelijk in paniek. Ik mailde iemand van de cpnb. Die bleek op skivakantie te zijn. Maar, zo meldde hij behulpzaam vanuit een koude skilift, ik kon met Die-en-Die contact opnemen. Ondertussen had ik in mijn onrust alweer iemand anders een mailtje gestuurd. Ik werd per ommegaande teruggemaild. Bijgevoegd was een uitnodiging om ‘verslag te doen van het Boekenbal’. Maar wees er snel bij, werd me gemaand, de plekken zijn zeer schaars! Verslag doen?  dacht ik. Wat heeft dat nu weer te betekenen? De betreffende persoon, die dus werkt bij de branche-organisatie van schrijvers, had geen flauw idee wie ik was. Ik mailde een tikje geagiteerd terug dat ik helemaal geen verslag wilde doen, maar dat ik zélf wilde feesten! En dat ik uitgenodigd was, maar dat die mail verdwenen was. In HEMA-taal: de kassamevrouw van de Zwijndrechtse vestiging, die daar al veertien jaar gedienstig haar werk doet, wordt bij de ingang van het zalencentrum waar het personeelsfeest plaatsvindt door haar bloedeigen chef tegengehouden met de argwanende vraag: ‘Wie bent u eigenlijk?’ Van de betreffende cpnb-persoon hoorde ik verder niets meer. Gelukkig kreeg ik de volgende ochtend een mail van Die-en-Die, en zij meldde me dat het opnieuw versturen van de uitnodigingsmail onmogelijk was, maar dat ze me op de lijst gezet had en dat ik rond 28 februari de kaartjes zou krijgen. Er viel een pak van mijn hart. Ik mocht weer. Als ik me niet vergis, wordt het mijn vijftiende Bal.

Stormschade en winterakonieten

Ik ging afgelopen zondagavond even naar buiten om te voelen hoe storm Ciara hier huishield. Precies op dat moment waaide de groene lantaarn met daarin de nepkaars op batterijen van het vogelvoederstation. Mijn huis staat in een dalletje, de meeste wind woei er overheen. Toen we, later, in bed lagen, zei ik: ‘Alweer zo’n storm die nogal tegenvalt.’ Gisteren zag ik dat achterin mijn bosje, aan de bosrand, een stuk of zes dode sparren omgewaaid waren. Daar moet ik op af met de kettingzaag. Ze hangen allemaal, dat is gevaarlijk. Ik schrijf ‘mijn bosje’ maar feitelijk is het het bosje van Ina, van de leegstaande boerderij om de hoek, aan de L5. Daar woonde tot haar dood haar moeder en zoals hier gebruikelijk wordt het Elternhaus niet verkocht. Ina is halverwege de tachtig en woont in Keulen. Ik denk niet dat ze me de opruimwerkzaamheden kwalijk gaat nemen.

Nog steeds waait het erg hard. Dat is vreemd voor hier. De Nims is momenteel een woest stromende rivier. Misschien moet ik nog even wachten met die kettingzaag; voor je het weet waait zo’n spar op je kop. Hondje Floris is bijna helemaal hersteld van haar korte bewustzijnsverlies. Nog een kleine bult op de snuit, het korstje van de wond is er eergisteren afgevallen. Ze neemt me niets kwalijk en mocht ze dat toch doen dan weet ze dat heel erg goed verborgen te houden. Ik spitte op de groenstortplek – in het bosje van voormalig buurvrouw Weiers – van buurman Max ontelbare sneeuwklokjes uit. De meeste zijn bijna in bloei. De winterakonieten worden al vaalgeel. De witte tuinmuur is helemaal groen van de algen en de eerste verf bladdert er al af. Dat heb ik afgelopen zomer niet goed gedaan. Bijna iedereen vindt de muur zo mooier, maar ik niet. Het is tot nu toe een kwakkelwinter. Nat. Minus vijf graden was de koudste nacht.

Gisteren met M. voor de tweede keer Call Me by Your Name gezien, die stond op Netflix. Ik wilde eens zien of ik mijn mening over de film moest herzien. Dat was niet het geval, ik vond het nog steeds een nogal sentimentele draak, waar – zo is en blijft mijn stelling – weinig van overblijft als die Amerikaanse student Oliver een vrouw zou zijn. M. zag ‘m voor het eerst en vond het een mooie film, ik zag het wel. Hij smolt helemaal weg. Vanavond maar weer eens zo’n fijne sf-film, met spectaculaire special effects. Dat is altijd goed.

Reservoir 13 [Trouw, 8.2]

Ik heb een ongelofelijk mooi boek gelezen. Een boek dat eigenlijk niet kan. Het heeft namelijk bijna een heel dorp als hoofdpersonage. Naast een andere hoofdpersonage: een meisje van 13 dat verdwijnt tijdens een kerstvakantie in het dorp. Twee hoofdpersonages, waarvan er één het hele boek door ontbreekt. Het boek heet Reservoir 13 en het is geschreven door Jon McGregor. Ik las het in het origineel, maar het is, met dezelfde titel, ook vertaald in het Nederlands. Nog zoiets vreemds aan het boek: als je begint, wil je het na een bladzijde of dertig wegleggen. Om het daarna niet meer op te pakken. Veel te vermoeiend allemaal, als je tenminste je best doet om de bijpersonages waarin dat ene hoofdpersonage Het Dorp uiteenvalt te willen leren kennen. Dat zal niet gaan. Je zult je moeten overgeven aan de lijn die de schrijver heeft uitgezet. Alle afzonderlijke onderdelen van Het Dorp – de Thomsons, de Jacksons, de Hunters, Irene, Su Cooper, Liam, James, Lindsey, Mr. Wilson, en ga zo nog maar even door (de river keeper, de barman van The Gladstone, de ploeg mannen die de reservoirs elk jaar controleert) – zijn als eigenschappen van Het Dorp. De een is zo, de ander zus, samen vormen ze het karakter van het dorp. Daarnaast de vossen, dassen, vleermuizen, zwaluwen en de eenzame blauwe reiger.

Ik weet niet eens, omdat ik het in het Engels las, wat een reservoir is. Een spaarbekken? Wordt er energie mee opgewekt? Liggen ze er als drinkwatervoorziening? Ik had, nadat ik me overgaf aan het boek, niet eens zin meer om het op te zoeken. Net zoals ik geen zin had om uit te zoeken wat ‘well dressing’ inhoudt: iets met natte klei op enorme platen waar dan bloemen in gestoken worden. Kon me niks schelen, het was genoeg dat het steeds maar weer terug kwam, elk jaar weer. Want dat is waar het boek over gaat: er verdwijnt een meisje en daarna volgen we dertien jaar lang Het Dorp. Heel spaarzaam, achteloos, wordt er eens een witte hoody gevonden, graaft een hond een blauwe bodywarmer op, en de persoon die met de hond loopt ziet het niet eens omdat ze met heel andere dingen bezig is.

Ik kwam er ook niet achter waar het dorp zich zou kunnen bevinden. Kon me ook niets schelen, er is sprake van ‘moors’, en dan denk je al snel aan Yorkshire, maar het sneeuwt er ook vaak, en doet het dat wel aan die Noordzeekust? Doet er niet toe. Het meisje en het dorp. De dertien reservoirs, de steengroeve, de onbeantwoorde liefdes, het sterven, het verlangen en hunkeren, de herhaling. Steeds maar weer die herhaling. Elk jaar verdwijnen de zwaluwen, elk jaar keren ze in april terug. Elk jaar moet een ander onderdeel van Het Dorp het ‘Harvest Festival Display’ samenstellen en dat lukt het ene jaar natuurlijk beter dan het andere, maar staan doet het er, in de kerk, elk jaar opnieuw, geen enkel jaar niet. En ondertussen blijft dat meisje vermist, dromen mensen over het meisje. Soms verdwijnt elders in Engeland een meisje en keert Het Dorp in gedachten naar die ene december, in dat ene jaar, terug. Ze is vermist en blijft vermist.

Zo’n beetje alle reservoirs worden gecontroleerd, en soms wordt er iets vervangen of hersteld. Reservoir 7, reservoir 4. Reservoir 11. Alleen het reservoir uit de titel komt niet aan bod. Reservoir 13. Daar geen controle of reparatie of grote schoonmaak van het rasterwerk. De titel is, vermoed ik, de oplossing. Het is een titel die het hele boek lang in je achterhoofd smeult.