Black-out [Trouw, 20 juni]

Bij de ingang van het NPO-gebouw op het mediapark in Hilversum trof ik collega Jan Siebelink. Of eerder: hij trof mij, ik was al doorgedrongen tot de hal, hij kwam binnenlopen. Hij bleef even staan, keek me aandachtig aan en zei toen: ‘Nu zie ik het.’ Aan de balie boog hij zich iets te vertrouwelijk over naar de baliemedewerkster, die daarop iets terugdeinsde. We kregen allebei een badge en konden het gebouw in. Ik kijk elke keer als ik daar ben mijn ogen uit. Daar komt Dione de Graaff gewoon aanlopen en ze zegt ‘Hallo’ tegen me! Dolf Jansen sloft voorbij en zegt nonchalant ‘Goedemorgen’. De medewerker van De Taalstaat nam de trap, Jan en ik gingen samen, te dicht op elkaar waarschijnlijk, met de lift. Boven gingen we bij elkaar zitten en we namen eens even goed de literaire wereld door. Ik vroeg hem – wat ik eerder in de week anderen al gevraagd had, wat kon omdat ik de hele week in Amsterdam was omdat ik mógelijk bij M kon aanschuiven – of hij een idee had hoe het mogelijk was dat een boek – Suikerbastaard – van een schrijver – Jaap Scholten – vanuit het niets, zonder één bespreking en zonder media-aandacht op plek 38 in de CPNB Top60 terecht kon komen. Jan zijn verstand stond er bij stil. Het mijne ook. We kwamen er niet achter. ‘Het is en blijft een bizarre en moeilijke wereld,’ verzuchtte Jan, die onlangs een aantal niet al te malse kritieken te verstouwen had gekregen.

Frits Spits stak zijn hoofd door de deur. ‘Goedemorgen, mannen!’ zei hij. ‘Fijn dat jullie er zijn.’ Jan Siebelink dacht even na en zei toen: ‘Ja, en dat we er überhaupt nog zijn.’ Dat vond ik wel erg diep gaan voor iets voor elven op een zaterdagochtend, maar Frits glimlachte en toen zei Jan: ‘Goed, daar hebben we het straks nog over.’ Daarna mocht ik en toen ik klaar was, werd Jan binnengebracht. ‘Veel plezier!’ zei ik. Iets later zat ik alweer in de taxi die me terug naar Amsterdam zou vervoeren. De ruiten hadden prachtig getint glas, waardoor het Hollandse landschap dat ik al drie maanden niet gezien had op magistrale wijze langs me heen trok. De chauffeur had de radio aanstaan. Radio 1. De Taalstaat. Dat vind ik altijd prettig, dat zo’n programma – net als Met het oog op morgen – gewoon doorgaat terwijl je zelf net geweest bent en er onthecht naar kan luisteren.

Jan las iets voor uit Knielen op een bed violen en toen hij klaar was, vroeg Frits: ‘Ja, en wat dééd die vader toen, Jan?’ Het bleef stil. Het bleef heel lang stil. Jan zei: ‘Ja, wat dééd die vader…’ Frits nam het over, die moest Jan vertellen wat de vader in het boek toen deed. Ondertussen had ik al een paar keer luid vanaf de achterbank geroepen: ‘Jan! Zeg iets!’ Soms vergeten mensen die op de radio zijn dat ze op de radio zijn. ‘Kom, Jan! Iets!’ Radio bestaat bij geluid. Op tv kunnen mensen best lang hun mond houden omdat er altijd nog beeld is om de tijd te vullen. Jan had een black-out. En niet vanwege zijn leeftijd, maar gewoon van de spanning of wat dan ook. Ik heb ook weleens een black-out en inmiddels heb ik geleerd om dan zo snel mogelijk domweg ‘Dat weet ik niet, hoor’ te zeggen, want dan kan in elk geval het programma gewoon door. En het is helemaal niet erg dingen niet te weten. Zoals ik hier al vaker schreef: iedereen is een sukkel en we doen allemaal maar ons best. Zo’n heerlijk rustgevende gedachte.

Lieve Margriet [Trouw, 6 juni]

‘Iets minder lieve, maar steeds toch best nog lieve Margriet: ik had bij het schrijven van mijn vorige column niet goed stilgestaan bij de gevolgen. Kijk, het was allemaal de schuld van buurman Rinus. Die woont hier een stukje hoger op de berg, met zijn lieve vrouw Lien, hun twee honden en een stuk of achttien kippen. Hij zei: ‘Jij moet met je kop op tv!’ Ik heb hem geduldig uitgelegd dat het zo niet werkt, dat dat allemaal zo makkelijk niet gaat, dat je uitverkoren moet worden. En toch, hield hij vol, moest ik met mijn kop op de tv. Vandaar die column van twee weken geleden. Een ander gevolg had ik ook niet goed ingeschat: de schaamte die me overviel elke keer als iemand me vroeg of ik al benaderd was door M. Dat is als gedoucht, haartjes gekamd, mooi overhemdje aan, lekker geurtje op zitten wachten op je spannende date en dat die date dan gewoon je huisje voorbij rijdt. Dat voelt akelig!

Ik dacht dat je sportief genoeg was het er eens op te wagen. Nou, je begrijpt dat ons huishouden – in de week voor Pinksteren bestaande uit mijn man, ons hondje Floris, die heel tere voetkussentjes heeft, en een goede vriendin die een week op bezoek was – uit pure nijd en vanwege het lekkere weer de hele week niet naar M gekeken heeft. We aten buiten, speelden spelletjes, wandelden kilometers lang of keken de ene feelgoodfilm na de andere. Tot ik vrijdag – het eten liet even op zich wachten –op de Ziggo-app tikte. Meteen viel ik in een gesprek met Rutger Bregman. Ik riep mijn vriendin erbij want die is dol op Rutger Bregman, ik geloof dat ze een tikje verliefd is op zijn zwoele lispel en zijdezachte borsthaar. ‘Kijk!’ zei ik tegen haar. ‘Wat leuk! Margriet geeft die jongen die nooit op tv is de kans iets te vertellen over zijn boek dat nu vertaald is in het Engels en wat deels verfilmd gaat worden door een Amerikaanse producent! En dat deel is niet eens door hemzelf bedacht, het is een allang bekend verhaal, waarover deze zomer zelfs een documentaire uitkomt waar Rutger niets mee te maken heeft. Maar mensenlief wat een succes, wat een eer voor zo’n jongen uit de polder en wat fijn voor hem dat hij eindelijk eens op de tv komt!’ ‘Ach, zeikerd,’ zei mijn vriendin. Die vriendin kent mij heel goed, dus ze zal wel gelijk hebben.

Maar stel je nu eens voor dat je het volgende doet. Je nodigt een volstrekt onbekende debutant uit en je doet of je neus bloedt. Je overlaadt hem of haar met loftuitingen en laat in niets doorschemeren dat het een debutant betreft. Je zult hopelijk zien dat de kijkers daarop massaal dat debuut gaan kopen, en dat de roman een week later in de cpnb-top 60 staat. Debutant blij, uitgever van de debutant blij, en in wat verschilt dat nou allemaal met de nieuwe roman van Ilja Pfeijffer? Ik zeg je: helemaal niks. Het gaat namelijk, of: het zou moeten gaan, om de kwaliteit van het werk. Doe het gewoon een keer, durf het. Een experiment! Iets tegendraads! Iets onbregmaniaans! Iets anders! Gelijke kansen voor iedereen! Niet altijd maar de mensen die toch al succes hebben. Kijk, voor mij hoef je het niet te doen, ik red me wel, ik heb geld, drink elke dag overheerlijke frisse Grauburgunders, en stel dat je me alsnog zou willen uitnodigen, vrees ik dat ik nee moet zeggen, want in het echt ben ik helaas lang niet zo stoer als hier op papier.’

‘Ist das Jasper?’

Op paaszondag liepen we in de Schönecker Schweiz. Waarom het daar zo heet, weet ik niet. Ik vroeg het aan buurman Klaus. Die keek me even aan en zei toen: ‘Schönecken, zo heet het stadje en Schweiz omdat het er op Zwitserland lijkt.’ Tja. Hoe dan ook, er kwamen ons twee mannen tegemoet lopen. Eén van de mannen keek naar Floris en vroeg: ‘Ist das Jasper?’ Wat? ‘Jasper ist tod,’ zei ik. Ja, dat wist hij. Toen vroeg hij of Anna Kaas (is: Kaan, maar goed, Duitsers) een Apoplex had gehad, in het boek Juni. ‘Een wat?’ vroeg ik. ‘Hirnschlag.’ Ah, een hersenbloeding. ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Mooi idee wel.’ Hij wees naar Floris. ‘Dat is Floris,’ zei ik. ‘Die leer je ook nog wel kennen.’ Toen we verderliepen, draaide ik me om. De man was druk en opgewonden aan het praten tegen zijn wandelmaat. ‘Ja ja,’ zei ik tegen M. ‘Der weltberühmte niederländische Schriftsteller Gerbrand Bakker.’

M. zei een paar dagen later: ‘Die hond heeft in een jaar tijd ook heel wat meegemaakt.’ Hoe dat zo, wilde ik weten. ‘Nou,’ zei hij, ‘eerst was het een rothond die weg moest en nu worden er paadjes voor mevrouw aangelegd door de tuin.’ En dat is waar. Bij het ballengooien let Floris niet op planten of struiken, daar gaat ze dwars doorheen. Daarom spitte ik een gele plant uit de langwerpige border naast het larikshouten terras en verving die door drie plankjes van 40 cm lang, waardoor er een soort van bruggetje ontstond. Eerst liep het kreng er langs – waardoor ze alsnog dwars door een Hosta of de kleine vijg liep –, later nam ze de brug. ‘Goed zo!’ riepen we dan. Floris kan doorgaan met ballen ophalen tot ze omvalt. Dat duurt even, dan staat ze op en drentelt naar de keuken en drinkt daar een bak water leeg. Vervolgens staat ze weer klaar voor de volgende ronde.

Wat de hond ook heel fijn doet – ooit hoopte ik van Jasper dat hij dat zou gaan doen – is in de buurt blijven als ik in de tuin aan het werk ben. Ze loopt sowieso niet weg, het poortje naar de boventuin staat eigenlijk altijd open, maar ze heeft ook op de een of andere manier door wanneer ik aan het werk ben. Dan jengelt ze niet met de bal, maar scharrelt wat rond, gaat soms zelf hinderlijk in de weg zitten als ik onkruid aan het uitsteken ben. Maar meestal, zeker met het warme weer van de afgelopen dagen, gaat ze onder een struik in de schaduw liggen. Schrijven trouwens, zoals nu, ziet ze niet als werk. Nu zit ze luidkeels te gapen, het blauwe balletje ligt een twee meter verderop. Correctie: het balletje ligt nu onder mijn stoel. Trillend zit ze er naast. Gapen doet ze niet meer, ze drängelt met dwingende keelgeluiden.