Woest tandenpoetsen

Gisteravond kwam er op tv weer eens een vrouw uit bed die deed alsof wij meekeken. Ze had net lekker – neem ik aan – liggen  seksen met de een of andere vent en trok het dekbed met zich mee en vouwde dat decent rondom haar borsten. Dat kan niet. Dat klopt niet. Dat veronderstelt dat ze weet dat wij meekijken, terwijl het nu juist een ongeschreven wet is dat wij er níet zijn. Wij zitten onzichtbaar weggestopt achter de vierde wand. Al die vrouwen met complete dekbedden achter zich aan halen me hinderlijk uit de fictie, zonder woorden zeggen ze tegen me: wij spelen hier maar een toneelstukje. Het was Katrine, de journaliste uit Borgen, dat wij – jaren nadat anderen die serie al zagen – nu aan het bekijken zijn. Ik berichtte mijn halfdeense vriend Jens dat ik de hele tijd het woord træbeskyttelse in mijn hoofd heb als we ernaar kijken. ‘Goh,’ schreef hij terug, ‘denk je dan ook aan het woord brombærrød?’ Deens is en blijft een bizarre taal. Nog iets wat het onbekommerd kijken naar de serie niet ten goede komt.(Zelden, trouwens, slaat een naakte man het dekbed om zich heen. Mannen glijden terwijl ze van achter gefilmd worden uit bed en trekken snel een broek aan.)

Nog zo iets in films en tv-series: het poetsen van de tanden. Ik heb van mijn tandarts geleerd geen druk te geven. Gewoon de tandenborstel – ouderwets of elektrisch – het werk laten doen. Maar acteurs en actrices raggen de altijd ouderwetse tandenborstels door hun mond alsof ze verf aan het afkrabben zijn. Ik heb nog NOOIT een acteur zijn/haar tanden met een elektrische tandenborstel zien poetsen. Het kan zijn dat ik de verkeerde films zie en dat ik hieronder wel te lezen krijg in welke films er wel met een elektrische tandenborstel gepoetst wordt, maar dat is toch bizar? Of bestaan in andere landen geen elektrische tandenborstels? Dat gerag met tandenborstels doet gewoon zeer als ik ernaar kijk en bevordert, net als dat gesleep met dekbedden rond blote borsten, niet de geloofwaardigheid van wat ik zie.

Of wacht eens even. Is het de bedoeling dat het eveneens een ongeschreven wet is dat ik als kijker begrijp en accepteer dat actrices handdoeken of dekbedden gebruiken om hun naaktheid te bedekken? Dat er een stil verbond is tussen acteurs en kijkers die beide kanten opgaan kan? Dat ik me juist gestreeld moet voelen wanneer ik dat begrijp als ik naar een film zit te kijken? Hm. Maar dat woeste tandenpoetsen, dat kan echt niet. Dat geeft het verkeerde voorbeeld.

Dammetjes bouwen

Ik ben 58 en ik heb een nieuwe hobby. Ik bouw dammetjes in stromend water. Eerst een beetje aarzelend, vooral als ik met Floris onder de brug in de L5 met een bal aan het gooien was omdat daar aan de Nims Michael plus vrouw en kinderen wonen en ik bang was dat zij ineens van bovenaf naar mij zouden staan kijken. Maar diezelfde Michael was er een keer aan het bosmaaien, zo’n twee meter boven me, en hij zág me niet eens. Dus daarna werd ik driester en voor ik het wist was het een uur later. Want dat is wat dammetjes bouwen doet: je verliest jezelf. Floris blaft zo nu en dan schel om me eraan te herinneren dat zij er ook nog is. Wel moet altijd nog die hond erbij zijn: ik wil niet betrapt worden als ik ergens in de Nims in mijn eentje het water sta tegen te houden. IJsvogeltjes vliegen heen en weer alsof zij het ook wel gezellig vinden dat ik daar stenen sta te rapen en opnieuw elders deponeer. Eergisteren, in de Johannesbach, een onaanzienlijk beekje, blokkeerde ik de hele stroom, waardoor er een stuwmeer ontstond. Dat was heel erg bevredigend. Floris blafte me overeind en verder, anders had ik daar nog wel even gezeten.

Storm Francis reikte zelfs tot hier, maar dan in uitgedoofde vorm. Corona houden we in onze dorpjes nog steeds buiten de deur. De Globus verkoopt nog steeds hout en verf en vogelvoer, en harde witte bolletjes en Zitronesahnerolletjes. Ik bouw een boekenkast, want ook hier groeit de stapel boeken, ik schilder de nieuwe tuinmuur (nu aan de buurkant, en elektricien Lothar kwam daar en hij zei, zoals bijna iedereen hier zegt als je buiten bezig bent: ‘Schon wieder fleissig?’ Dat moest ik toegeven, maar ik zei ook: ‘Aber ohne Lust, weil das hier ist nicht meine Seite.’ Dat begreep hij.) en ik verfraai de tuin, nog steeds. Ik bood aan Christa van voorheen dakdekker Rudi te komen helpen schilderen. Tegen de voorkant van haar gigantische huis, met daarin zes appartementen voor de verhuur, is een steiger opgebouwd. Het wordt een tikje herfstig, het is bijna tijd de gin-tonic te vervangen door whisky en Herr Arnoldy te bellen voor acht kuub winterhout.

Tussen ontelbare debuten door heb ik nu op één hoofdstuk na een boek uit dat zó goed is dat het niet eens in me opkomt jaloers te zijn dat ik het zelf niet geschreven heb. Het is een zogenaamd vooruitleesexemplaar van Ruimte, de nieuwe Walter van den Berg. Ik zal Jann Ruyters van Trouw vragen of ik er een recensie over mag schrijven. Jammer dat Trouw niet aan ballen of sterren doet. De ballenbak van IKEA is er nauwelijks groot genoeg voor.

Vakantie [Trouw, 15 augustus]

We vierden vakantie in eigen land. Heel verantwoord. Maar het was te warm. We zouden dit en dat en naar Trier, en naar Vianden (Luxemburg), en wijn proeven aan de Moezel, maar het was echt te warm. Hondje Floris was blij, ze kreeg heel veel aandacht, want er waren twee extra mensen die met stokken of de rubberen bal konden gooien. Ze heeft ontdekt dat water niet eng is, ze is niet uit de Kyll of de Nims te slaan als we er met de eerder genoemde, paarse, rubberen bal spelen. Ze steekt haar hele kop onder water om de bal, die zinkt, naar boven te halen. Ze heeft zelfs echt leren zwemmen, weliswaar ietwat paniekerig, maar ze zinkt niet. Drie dagen waren er nóg eens drie extra mensen, twee daarvan hebben we collectief uitgefoeterd omdat ze net terug waren uit Portugal, waar ze met een vliegmachine heen gevlogen waren. En ook weer terug. Lissabon nota bene. ‘Weg!’ riepen we. ‘Weg van ons!’ Voor je het weet, ben je ziek. ‘Zijn jullie gek geworden, jezelf op laten proppen in zo’n vliegtuig?!’ Wij deden alles met de auto, of te voet, soms ook met de fiets. We bespraken de toestand van de wereld, dronken gin-tonics, lazen boeken, aten veel ijs, speelden Keezbord, sprongen in en uit riviertjes, gingen een paar keer uit eten.

Ondertussen, als niemand het zag, zorgde ik stiekem toch voor de tuin, die kent geen vakantie. Die kun je met zulk weer niet aan zijn lot overlaten. ‘Ho, ho,’ zei één van de gasten, die onverwacht opdook. ‘Er wordt hier niet gemetseld!’ Hij had gelijk, dat muurtjesmetselen was niet werkelijk nodig, dat was niet noodzakelijk voor het voortbestaan van de tuin. Maar ik had het even nodig. Ik moest even aarden. Vakantie vieren is moeilijk, zeker in je eigen, vertrouwde omgeving, met anderen er steeds bij. Zondag 9 augustus, vandaag, is de laatste dag van onze vakantie. Het is bewolkt, het rommelt, maar zoals gebruikelijk glijden eventuele donderbuien in een volgend dal voorbij. Het is schwül. Niet te verwarren met schwul. Ik heb hier al ettelijke malen ‘Wat een homoweer, niet?’ gezegd.

Morgen, 10 augustus, is het geen vakantie meer. De grote weersomslag is pas voor vrijdag opgegeven. Nog een dag of vijf doorbijten. Dat heb ik van mijn grootvader. Die had ook een enorme hekel aan heet weer. Maar hij bleef rustig en ging onder de berk achter het huis zitten, met een kruiswoordraadsel. De witte pauwstaarten koerden loom in de volière. Toen oma nog leefde, zaten ze er samen en dronken ze potten vol thee. In de wazige verte lag de West-Friese Dijk, en achter die dijk woonden wij. Ik stond op een hoge ladder in het dorp van opa en oma het huis van slager Louw te schilderen. Mijn schouders verbrandden en ik at altijd mijn meegebrachte brood bij opa en oma. Dan zat ik ook onder de berk, en keek uit op de West-Friese Dijk. We zeiden weinig. We luisterden naar de duiven en stilletjes hoopten opa en ik dat dat vreselijke warme weer eens over zou gaan in een donderbui. Als ik na een paar weken klaar was met schilderen, gaf ik oma een doos bonbons om haar te bedanken. Die smeet ze me bijna in het gezicht. Of ik gek geworden was?! Ja, dat was een aparte. Ik geloof dat ik dat dan weer van háár heb. Ik kijk nogal uit naar 29 augustus. Vanaf die dag zal de wereld weer min of meer zijn zoals hij was en neem ik opnieuw vakantie. Drie weken lang. Op de bank.

Klaterend water

Gregor Verwijmeren schrijft in De vorm van geluid: ‘Wat horen we wanneer de door een commerciële machinerie voortgestuwde violiste Janine Jansen zich half overspannen door Bachs chaconne worstelt? De piep, vaste tool van iedere geluidseditor.’ Daarvoor heeft hij andere voorbeelden gegeven van het gebruik van een doordringende piep in films. ‘Jaaaa!’ roep ik tegen de tv als de een of ander een hersenbloeding krijgt die blijkbaar uitsluitend aan de kijkers kan worden overgebracht met een piep. Was je net even je eigen geluid – Verwijmeren noemt het T – ‘vergeten’,  word je er door zo’n blijkbaar niet aan T lijdende geluidseditor wel weer op gewezen. ‘Genoeg!’ moet ik er vaak nog achteraan roepen, want een korte piep volstaat niet, het liefst is het een aanzwellend en wegstervend geluid dat net zo lang duurt als de scène duurt, of nog langer: in een volgende scène klinkt vaak nog een echo. O, wat erg allemaal. Inderdaad.

Ik wil het boek helemaal niet lezen. De roman is als die filmpiep van een geluidseditor. Maar het is een debuut. En debuten dingen mee naar de Anton Wachterprijs. Ik zit in de jury van de Anton Wachterprijs. Ik heb net als Verwijmeren last van T. Hoe erg het is, weet ik niet, ik kan niet in de gehoorgangen van anderen kijken. Wel weet ik dat ik er liever niet aan herinnerd word. In Knecht, alleen schrijf ik: ‘Het punt van die piep in je oor is dat je er van wegrennen wilt. Je wilt eraan ontsnappen. Dat kan niet. Je kunt hem niet achterlaten in de woonkamer als je naar de keuken loopt. Hij is er voortdurend. En tóch wil je eraan ontsnappen. Dat geeft onrust. Het beste is je eraan over te geven. Juist niet negeren. Voor mij is pianomuziek het ergste. Je zou denken dat (luide) pianomuziek de piep tijdelijk verdrijft, maar het begint daardoor juist rond te zingen in mijn hoofd: de piep begint te golven, verplaatst zich soms zelfs naar mijn rechteroor. Pianomuziek is voor mij onverdraaglijk gepingel.’

Keiharde wind in mijn oren is lekker. Takkengeraas. Onweer. Een trekker met strobalen die langsrijdt. Een bijeenkomst met veel mensen maar zonder muziek. Klaterend water, waterval, stroomversnelling. Ik ben bezig in het boek, heb het nog niet uit. Misschien komt er iets waar ik iets aan heb, waar Verwijmeren iets aan gehad heeft. Hoe dan ook: hij schrijft het allemaal verdomd mooi en goed op.

Op de afbeelding gedicht IX uit een cyclus die uiteindelijk 24 gedichten zal omvatten van Anton Dautzenberg, stadsdichter van Tilburg.