Bestattung

27 november. Het heeft hier de afgelopen nacht voor de eerste keer flink gevroren. Dat betekent ook meteen dat het mooi weer is. Helder. Gisteren scheen de zon overdadig. Dat kwam goed uit want buurvrouw Monika werd bijgezet in het graf van haar ouders op de begraafplaats van Lasel. Dat is een vreemde begraafplaats, hij is heel leeg. Het is – ik moet dat eens navragen – alsof hij ooit, en aan de stenen te zien niet eens zo heel lang geleden, geruimd is. Of elders is een oude begraafplaats geruimd, en dit is de nieuwe. Hij ligt tegen een heuvel aan, in terrassen. Buurman Max kwam met zijn stok vlak voor de bijzetting begon op ons toe lopen. Wij stonden bij het graf van dakdekker Rudi, we deden alsof we per ongeluk op precies dat tijdstip daar waren, omdat er maar een beperkt aantal mensen mocht zijn. ‘Kijk,’ wees hij met zijn stok naar een naburig graf, ‘dit zijn de ouders van Ina.’ ‘Goh,’ zei ik, want dat wist ik niet. ‘En dit is de man van Ina.’ Ik zag dat de moeder van Ina 99 was geworden.

Tegen de tijd dat de dienst begon, waren de andere mensen die net als wij deden of ze iemand bezochten allemaal dichter naar het graf toe gelopen, Max en Margret stonden er ineens met hun neus bovenop. Een mij onbekende vrouw snelde bijna gretig naderbij. Wij bleven wat op afstand. Op de een of andere manier werd de pastoor versterkt, misschien had de koster hem een microfoon tussen de bovenkleding gestopt. Iedereen droeg een zwart mondkapje. De zon scheen ongenadig, lange herfstdraden slierden over de begraafplaats, uit de schoorstenen van de huizen in Lasel steeg de rook vrijwel recht omhoog, we konden zelfs een hond die honderd meter verderop uitgelaten werd benauwd horen hijgen, dat geluid wat honden maken als ze aan de lijn trekken. Allerlei katholieke dingen die ik vaag ken, klonken helder verstaanbaar op. Und führe uns nicht in Versuchung sondern erlöse uns von dem Bösen

Toen de pastoor klaar was, liep hij heel langzaam langs ons. We knikten hem toe, hij knikte zachtmoedig terug. Dan komt het moment dat iedereen langs het graf loopt en met een buxustakje wat wijwater sprenkelt. Op dat moment word ik altijd heel zenuwachtig, op dat moment wreekt zich mijn atheïstische opvoeding. We wachtten tot iedereen klaar was, zelfs tot de familie zich verwijderde. ‘Je had best wat eerder mogen komen,’ zei buurman Klaus. ‘Ja, nein, das macht mich nervös,’ zei ik. Voor begrafenissen ben ik absoluut ongeschikt, ik ben alleen maar met mezelf bezig.

Ik wierp wat rozenblaadjes in het holletje waar de urn in verdwenen was. Ik zocht tussen de bloemstukken naar dat van de buren, daar had buurvrouw Margaret voor gezorgd. Het was erg mooi, met oranje bloemen, niet alleen met wit of rood. De zon scheen nog steeds, de begraafplaats was bijna weer leeg. Maar die vorst van afgelopen nacht! Een ramp voor de bloemen. Maar goed, dat is de natuur. Die gaat haar eigen gang. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat God de natuur bestuurt. Het heeft dus zo moeten zijn. Denk ik.

De stola van Ali Smith

Gisteren deed ik voor de eerste keer een Zoom-lezing, best laat, zo aan het schijnbare einde van de Tweede Golf. De lezing vond plaats in Zuid-Afrika, al weet ik niet of je dat zo kunt zeggen: feitelijk zal de lezing overal plaatsgevonden hebben. Op het ‘hoogtepunt’ waren er 27 mensen bij. Dat kun je zien onderin beeld. Ik had erg mijn best gedaan om er goed bij te zitten. Waarmee ik bedoel: dat de achtergrond leuk was om naar te kijken. M. deed op een bepaald moment de lampen achter mij aan, en toen zag het er nóg gezelliger uit. Dit naar aanleiding van het hok waar Ali Smith onlangs was gaan zitten om mee te doen aan een Zoom-gesprek over de Europese Literatuurprijs. Wat een armoedige toestand was dat. Op een gegeven moment zei iemand: hangt daar nou een hond in haar nek? Het bleek een half afgezakt stola-achtig ding te zijn, blijkbaar was het ook nog eens koud op haar schamele zolderkamertje.

Ik sprak met Daniel Hugo, dat is de dichter die Boven is het stil in het Afrikaans vertaald heeft. Ik zag Daniel voor het eerst, en laatst, in december 2018. In het Zuid-Afrikahuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Daar heb ik tamelijk warme herinneringen aan. Het was zo’n beetje het eerste wat ik deed na die maandenlange toestand waarover ik schrijf in Knecht, alleen. Het was er warm en intiem, er was wijn, er waren knabbeltjes. Dat was een ferme stap in de goeie richting. Gisteren spraken we dus over dat ‘ouwe brood’, en ook dat was bevreemdend. Maar toch ook wel weer leuk. Ik ben zo iemand die zich nog steeds verbaast over zulke technische mogelijkheden. Pas gisteravond, in bed, voelde ik me gebruikt. Geen enkele reactie, geen interactie, een half uur in het luchtledige weggepraat. Ik hoef waarschijnlijk niet eens te zeggen dat de deelname aan het Madibaland World Literary Festival geheel gratis en voor niets was.

Gelukkig kwam van buiten luid kraanvogelgebabbel. Het was mistig, waarschijnlijk waren ze de kluts een beetje kwijt, mogelijk waren er nogal wat geland op het weiland van voormalig Ortsburgermeister Ernst Görgen, op de heuvel tegenover ons huis. Net vlogen er vijf op vijftig meter hoogte voorbij. Ik belde Ernst op om te vragen of hij ze kon zien. Hij deed zijn best, maar kon op een bepaald moment niet verder omdat de telefoon het anders niet meer zou doen. Ik tik dit snel af, en dan lopen Floris en ik toch nog maar even de heuvel op. Je weet maar nooit. Het zou de eerste keer zijn dat ze hier in de onmiddellijke omgeving overnacht hebben.

Buurvrouw Monika en Hugo Walker

Buurvrouw Monika is afgelopen zaterdag overleden. Het werd mij meegedeeld door Irmgard, een van haar oudste vriendinnen. We stonden over de heg te praten (Irmgard en nog wat vrouwen waren de voormalige woning van buurvrouw Weiers, de moeder van Irmgard, aan het schoonmaken na schilderwerkzaamheden) over ditjes en datjes en toen zei ze: ‘Monika ist tod.’ Dat vond ik nogal tussen neus en lippen door. Twee uur eerder stonden buurman Klaus, buurman Rinus, M. en ik nog te keuvelen bij de poort. Zo snel als zoiets kan gaan. Zo toch nog onverwacht. Monika – de vrouw van buurman Klaus – was al twee jaar ziek. Twee jaar chemo, bestralingen, immuuntherapie, en vorige week zondagavond naar het Palliativstation in het ziekenhuis in Prüm. Ze is 64 geworden.

Ik merk dat ik er moeilijk mee overweg kan. Ik ben aan het hyperventileren, en dat ken ik van mezelf als ik geen raad weet met mijn emoties, en mijn emoties zich op hun beurt geen raad weten vanwege een antidepressivum. We gingen zondag langs bij Klaus, nadat ik besloten had dat iemand die eerste uren na het sterven geen behoefte zou hebben aan aanloop. Het huis was leeg. Er kwam van boven geen geroep om het een of ander. Klaus maande niet tot stilte omdat ze net was gaan slapen. Het is hier in Duitsland, mogelijk alleen in de Eifel, niet gebruikelijk overledenen thuis te hebben, en als iemand thuis doodgaat, wordt het lichaam zo snel mogelijk uit huis verwijderd. Monika was in Prüm en is vandaag overgebracht naar een crematorium. Klaus was praktisch. We troffen geen ontredderd mens aan, mogelijk als gevolg van zo’n lang ziekbed, waarbij – laat ik eerlijk zijn – de zieke niet echt de makkelijkste was. Maar wat kun je daarvan vinden? Hoe ben je zelf als je weet dat het einde eraan komt? Ik weet al heel lang dat ik onophoudelijk voetbalwedstrijden met het commentaar van Hugo Walker (1933 – 2015) wil zien en beluisteren – het liefst tussen clubs als Heracles en VVV – als ik eenmaal, halfmurw van de morfine, ergens op een sterfbed lig. Maar dat zeg ik nu. Je weet het gewoon niet. 

Wel weet ik dat het hele dorp onwerkelijk voelt. Alsof er iets scheef is. Iedereen houdt een beetje zijn adem in. Het crematorium is in Koblenz, dat is 140 kilometer verderop. Er had er twee kilometer verderop één kunnen zijn, ware het niet dat de buurt daar een stokje voor gestoken heeft. Ook anders dan bij ons, voltrekt zoiets zich in alle schimmigheid, niemand is daarbij, er is geen dienst, er is geen langzaam wegzakken van de kist. Het is een kille formaliteit en later, ergens volgende week, zal de urn bijgezet worden in het graf van haar ouders. Dan pas wordt er herdacht, verzamelt een vanwege alle maatregelen kleine groep mensen zich om afscheid te nemen. Buurvrouw Margret kwam zojuist geld ophalen voor het bloemstuk van de weg, en de weg, dat is ons hele gehucht. Ik was net eikenblad aan het harken. ‘Ich komme für Dich,’ zei ze dreigend. Floris was dolblij met haar bezoek.

Afnemende populariteit

Ik was begonnen aan een dingetje over de leenrechtvergoeding. Over hoe het toch kan dat je – ik – tien jaar geleden makkelijk 3500 euro per jaar binnenharkte aan bibliotheekuitleningen, en dat het in de jaren erna – met steeds méér boeken – alleen maar achteruit liep. Een dingetje vol wantrouwen. Tot ik de eerste factuur die gespecificeerd was, en dat was die over het jaar 2015 (1495,23) eens vergeleek met die over het jaar 2020. En wat bleek? Bibliotheekbezoekers lenen domweg veel minder Bakkers! Heerlijk, ook weer opgelost en nooit meer een kwaad woord over de LIRA. En, hoe laag of hoog het bedrag ook is, het komt wel elk jaar als een fijn extraatje waar je helemaal niets voor hoeft te doen. En ook, zeikerd die ik ben, ik kan er wel gewoon een nieuwe McBook Air voor kopen.

Dus, andere dingen. Gisteren kreeg Oek de Jong de eerste Boekenbon Literatuurprijs. Ik keek live naar de uitreiking, en zag tot mijn verbijstering dat er slechts zo’n 200 andere mensen keken. Zo staat de literatuur ervoor tegenwoordig in Nederland. In Trouw vanochtend was het nieuws niet meer waard dan één van de drie korte tekstjes in de rubriek personalia op pagina twee. Jammer. Ik ben wel blij voor Oek. Ik las Zwarte Schuur en vond het een écht boek. Het is de enige roman van de shortlist van vijf die ik las. Liever dan eens aan iets nieuws te beginnen, worstel ik me met enorm veel plezier voor de vierde keer door Het bureau heen, wat wellicht kan duiden op enig dedain ten opzichte van alles wat er tegenwoordig verschijnt. Maar dat weet ik niet zeker.

Ik tik dit aan de keukentafel, en dat is vanwege luiheid. Ik ben te lui om de kachel in de schrijfkamer aan te maken. Maar ook is het weleens lekker om ergens anders te zitten met je laptop, je bekijkt de dingen anders. Gisteren scheen de zon fel en toen was ik niet lui want ik lapte het keukenraam. Als de zon schijnt worden bepaalde dingen altijd genadeloos blootgelegd. Daarom kan ik nu zo helder als wat naar het vogelvoederstation kijken, waar alle vogeltjes tegenwoordig zeer luuks voer vreten, met zonnebloempitten en pinda’s. Ook hangt er een pot pindakaas en hangen er Meisenknödel. Hondje Floris maakt elke ochtend na het voeren een rondje rondom de voet van het station aangezien ik niet zonder te morsen het voer op het voederplankje krijg.

We zijn burgerlijk ongehoorzaam geweest. De laatste keer dat we ons in Bitburg lieten testen was dat dusdanig onaangenaam, dat we besloten hebben het nu niet te doen. De testlocatie is de voormalige Amerikaanse Commisary (zie afbeelding), daar is lekker veel parkeerruimte. Wij stonden tweeënhalf uur in de rij terwijl ettelijke nieuwkomers via een andere baan binnen tien minuten klaar waren. Dat leidde tot boosheid. Nadat een meisje mij tot twee keer toe een staaf in de keel stak en M. mijn reactie zag, riep hij: ‘Geen sprake van! Ik ga wel tien dagen in quarantaine!’ Hij kreeg hem, monkelend, in zijn neus, en dat bleek een fluitje van een cent. De uitslag kwam na vijf (!) dagen. Dus hier in Duitsland is het niet allemaal beter dan in Nederland.

Man over de vloer

Amsterdam. Gisteren hadden we de laatste man over de vloer. Eigenlijk twee, maar de chef vertrok al snel, nadat hij mij verteld had dat ik sprekend leek op iemand die hij kende, iemand op de Rozengracht. Of dat familie van mij was? ‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb geen enkele familie in Amsterdam.’ De man die achterbleef, een wat oudere man die heel slecht Nederlands sprak, ging de wand in de slaapkamer stuken. Dat duurde heel erg lang. Af en toe vroeg ik fluisterend aan M: ‘Is hij binnen?’ Hij moest telkens wachten tot een laag droog genoeg was. ‘Ga toch naar buiten,’ zei ik dan. ‘Even lekker roken.’ En dat deed hij. Hij wilde maar één kopje koffie en beëindigde het werk door op zijn knieën de lange gang met een nat doekje af te nemen. Voorlopig is het even klaar met mannen over de vloer. Later komt er nog een nieuw keukenblok. Later.

Ik lijk altijd op iemand. Of beter: vroeger leek ik heel vaak op iemand. Naarmate ik ouder word, wordt me nauwelijks meer gezegd dat ik op iemand lijk. De bekendste twee waren altijd Jan Lenferink en Wim Kieft. Waarschijnlijk groei je met het klimmen der jaren uit elkaar, qua gelijkenis. Ik lijk wel heel erg op zo’n beetje al mijn broers. Vooral de oudste, ik schreef er al eens over geloof ik, zou ik zo een lezing kunnen laten doen. Misschien moeten we dat over 13 dagen eens uitproberen. Dan heb ik een lezing in Zuid-Afrika. Jammer genoeg vanwege, nou ja, dat weten we nou wel, niet in Zuid-Afrika zelf. Ik houd mijn hart ervoor vast, want ik krijg steeds ‘generieke’ mails, aan alle deelnemers gericht, en in één van de bijlages kwam ik erachter dat de mijne op 23 november is. Maar persoonlijk weet ik dat dus nog niet en hoe het aangepakt gaat worden evenmin. En ik geloof dat ik het gratis doe, maar zelfs daarvan ben ik niet zeker. Nog een reden om het mijn broer te laten doen.

Gisteren zouden mijn vader en moeder hier komen kijken, maar dat is niet doorgegaan. Zij gaven mijn zus – de chauffeuse – de schuld, mijn zus gaf mijn ouders de schuld. Dat waren grappige telefoongesprekken. Ik ben er nog steeds niet achter waar de waarheid ligt. Ook allemaal ten gevolge van, nou ja, dat weten we nou wel. Mijn vader had al gevraagd of de ‘auto wel tot aan de voordeur kon komen’,  alsof je je in Amsterdam altijd door een mensenmassa heen moet werken om ergens binnen te geraken. Hun kat is doodgegaan. Sisi, een oeroud beest. En doodgaan in de polder betekent: verdwenen in een verre uithoek. Sterven zonder toeschouwers.

Mannen over de vloer

Amsterdam. Morgen zouden we naar Harlingen rijden om daar de uitreiking van de Anton Wachterprijs bij te wonen. Annemarie Haverkamp heeft die toegekend gekregen voor haar roman De achtste dag. Maar na de persconferentie van afgelopen dinsdag gaat dat niet door. Het zou in een kerk zijn, ze hadden kunnen doen of het een kerkdienst was, en voor het geval van een een plotse controle-inval een dominee of pastoor (al naar gelang de kerk een protestantse of katholieke kerk is) achter de hand hebben. Jammer. Vooral voor Annemarie Haverkamp. Maar ook voor ons. Ik had zin om weer eens de Afsluitdijk over te rijden. De uitreiking is nu drie weken verzet, maar dat is natuurlijk ook maar weer afwachten en bovendien zijn wij op 28 november helemaal niet in het land. Om nu om de Afsluitdijk over te kunnen 680 kilometer heen en weer te rijden is ook weer zo wat.

Floris vermaakt zich ondertussen prima hier. Er wordt gewerkt in huis, door heel veel verschillende mannen. Loodgieters, kitters, tegelzetters, stukadoors; iedereen neemt een klein deel van het al niet al te grote werk voor zijn rekening. Soms willen ze thee, soms willen ze koffie. De één is een enorme ouwehoer, de ander roept alleen maar en praat verder een kwartier in zijn oortelefoon, waardoor ik aldoor denkt dat hij iets zachter naar mij roept. Telkens wanneer er aangebeld wordt, gaat de hond door het lint. Zo’n voor ons onaangenaam moment: het beest weet dat de bel betekent dat er iemand aankomt. Ze wil daar zo graag heen – ik zet de voordeur open en dan vliegt ze de galerij over – dat het elke keer is alsof ze gered wil worden. Wég van deze twee vervelende mannen, méé met die nieuwe! De kitter die net het huis verlaten heeft, maakte de fout de rubber bal een paar keer weg te gooien. Ik moest Floris weghalen uit de badkamer, ze spartelde flink tegen. Jarenlang heeft het stiekem gelekt, minieme hoeveelheden water sijpelden de muur naar de slaapkamer binnen. Dat wordt nu allemaal verholpen. De stukadoor is de enige die nog komen moet. Geen idee hoe laat die komt. En ik krijg net van FedEx bericht dat een nieuw vloerkleed vandaag wordt afgeleverd. Dolle boel hier. Douchen mag niet, zei de kitjongen. Maar ik kan natuurlijk wel de badkamer opnieuw latexen. 

En schrijven, dat kan ook. Maar ja. Ik hoop dat dat kleed – gekocht bij RUGvista, kijk maar eens op hun website – snel komt. Dan kan ik de rest van de dag tevreden afwisselend daarnaar en naar de nagelnieuwe 55inch-tv staren. De Vuelta. Wielrenners in de kou en regen, met kale bomen langs de wegen, nauwelijks publiek, opstuivende bladeren. Bizar. Je zal zien dat Primoz zijn rode trui nog wel verliest voor zondag.