AESE (Actie Eigen Schrijvers Eerst)

Er is iets wat mij ernstige zorgen baart, en dat heeft te maken met de CPNB-top60. Al weken- en wekenlang bestaat die lijst voornamelijk niet uit Nederlandse literatuur. De ene na de andere Lucinda Riley – waar ik verder geen mening over heb omdat ik haar niet las –, de ene na de andere onthullende sportbiografie, het ene na het andere kookboek, twee Raynor Winn’s – waar ik wel een mening over heb want ik las ze alle twee: de eerste is een erg fijn wandelboek, de tweede las ik met stijgende ergernis omdat ze ineens een soort goeroe-achtige taal begint uit te slaan, een klimaatactiviste wordt en zich zelfs ontpopt als een Peter Wohlleben-aanhanger –, een hele trits thrillers en op nummer 1 een boek vol zogenaamde ‘wijsheden’, één van een aantal: mensen hebben momenteel blijkbaar nood aan sturing en zingeving die ze in zichzelf of om zich heen niet kunnen vinden.

Het schijnt weer goed te gaan met de boekenbranche, er wordt best lekker veel verkocht. Maar de vraag is dus: wát wordt er verkocht? Nou, dat heb ik in de eerste alinea omschreven. En dat baart mij zorgen. Pas voorbij die zestig boeken, dus vanaf nummer 61, zitten de romans van Nederlandse schrijvers (m/v/lhbtiq+). Vooruit, Alfred Birney staat er deze week (waarschijnlijk één keer) weer in omdat hij een hele avond met zijn kop op de tv was. Waarom kopen Nederlandse lezers niet massaal Nederlandse schrijvers? Eén verklaring is dat wij, Nederlanders, sowieso buitenlandse schrijvers prefereren; die schrijven veel betere boeken dan de Hollandse auteurs. Een vergelijking tussen een eindejaarstop in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland toont dat elk jaar weer aan. Waar het in de ons omringende landen eigen schrijvers eerst is, is dat bij ons helaas niet het geval. Iemand hoeft bijvoorbeeld maar de naam Dave Eggers in een krantenartikel te laten vallen of de krantenlezers vallen in zwijm. Dát is nog eens een schrijver! Nou, laat mij hier zeggen dat dat ronduit onzin is. Ik heb de afgelopen tijd – buiten die twee van Winn – weer tal van prachtige Nederlandse romans gelezen.

Wij moeten eens af van dat, wat is het eigenlijk, dat minderwaardigheidscomplex? Zowel de schrijvers als de lezers. Het is toch van de zotte dat er in de literaire top60 van dit land vrijwel geen enkele Nederlandse schrijver voorkomt? En, zoals ik al schreef, dat is al weken, misschien maanden het geval, en hoe langer dit voortduurt, des te moeilijker het voor een Nederlandse schrijver wordt zich weer eens een plaatsje te bemachtigen in die lijst. Want dingen die je niet ziet, koop je niet. Boeken waarover je niets hoort, ken je niet. Interviews of gloedvolle beschouwingen die niet geschreven worden, kunnen niet gelezen worden. En ondertussen wordt die Raynor Winn slapend rijk. Is ze van een dakloze Britse met haar dat nooit meer mooi zal worden vanwege maandenlange weersinvloeden en een doodzieke man in een miljonair veranderd. Wat ik haar best gun, daar niet van, maar het zou zo fijn zijn als veel meer Nederlandse schrijvers iets van die enorme royaltybedragen zouden kunnen en mógen afsnoepen. En dat kan alleen als lezers hun boeken kopen. Kopen en lezen. 

Badmintonnen

De laatste keer dat ik hem sprak, zocht hij naar zijn horloge. Hij keek naar zijn rechterpols, maar het horloge zat aan zijn linkerpols. ‘Dat heb ik,’ zei hij en keek nog wat rond. ‘Dus nu is het…’ Ja, alles was er, dus we konden afscheid nemen. Eerder al, een week, misschien wel twee weken, zei hij ineens middenin een gesprek: ‘Ik weet niet of je nog meer vragen hebt, maar ik zou nu eerst wel…’ En dan ging het over stoelen of kleden, om dingen die bij elkaar gezocht moesten worden. Een soort boekhouden. Tellen deed hij ook en soms vertellen over vakanties met de kleinkinderen in Frankrijk, een land waar hij nooit een voet gezet heeft. Een van de bijzonderste ochtenden was die waarop hij alleen maar Engels sprak. Weken geleden is dat alweer. Er belde juist toen een oude buurman, die vroeg of hij mijn vader kon spreken. ‘Jawel,’ zei ik, ‘maar hij zit wel in een Engelse fase.’ Dat vond de oude buurman geen probleem en ik zette hem op de speaker en ze spraken een tijdje Engels met elkaar. Maar als je zijn aandacht had, hem aankeek en iets vroeg, was hij helder. Vreemde wisselingen waren dat, die tussen waan en werkelijkheid.

Op zondagochtend, een dag nadat, zei mijn moeder, gezeten op het bankje buiten bij de achterdeur, ‘Maar, wacht eens even. Ik ben nu de baas.’ Later diezelfde zondag ging ze daarop door. ‘Hij was wel echt de baas hoor. En serieus.’ Ze dacht even na. ‘Maar ik vond dat ook wel makkelijk.’ Tegen de avond zei ze ineens tegen mijn zus en mij dat er testamenten waren. Ze werden opgezocht. Testament, ja, maar dan zo’n formele, waarin ze elkaar als gevolmachtigde aanmerken. ‘Kijk,’ zei ik tegen mijn moeder. ‘Hier staat het zwart op wit en in tamelijk ingewikkelde taal, maar je bent nu officieel de baas.’ 

De gierzwaluwen hadden het niet afgewacht. Maar de andere, gebruikelijke vogels, waren er nog wel. De duiven die altijd zo luidruchtig opvliegen vanuit de bomen, de enorme bruine kiekendief aan de overkant van de sloot en ik zag dat er in de voorsloot een enkele aalscholver woonde. Dat zijn enorme beesten bij wie, als ze zwemmen, het water over de rug stroomt. Vreemde, plompe vogels. Tijdens het condoleren, op de dors in de grote schuur van de boerderij, vlogen de boerenzwaluwen in en uit, er zal vast een condoleancegast met zwaluwpoep op zijn of haar kleren thuisgekomen zijn.

Die dorsvloer bleek een ideale plek om te badmintonnen. Geen wind en groot genoeg voor zelfs de hoogste of verste slag. Vooral gistermiddag en –avond, nadat we vader naar de achterdeur van het crematorium gebracht hadden en vier broers hem in de oven hadden zien verdwijnen, werd er fanatiek gebadmintond. Er werd gezweet en geschreeuwd. Badmintonnen is een enorm fijne sport. Die achterdeur, trouwens, was vanwege het ontbreken van een dienst in het crematorium. Hij wilde dat zelf zo. Geen dienst en alleen vrouw en kinderen, maar dan mag je niet via de voordeur naar binnen. Broer Piet kreeg een vinnige uitbrander van de dienstdoende crematoriummedewerkster omdat hij probeerde de rolkar onder de kist vandaan te trekken toen de kist bíjna helemaal op de schuif stond. “Wilt u mij alstublieft mijn werk laten doen?’ zei ze scherp.  Broer Cees-Jan vroeg hoe heet zo’n oven was. Duizend graden. Ik wilde weten hoe lang het duurde. Negentig minuten. Er was ook geen lijkwagen, vader stond in de Dodge pick-up van mijn jongste broer, en we reden langs plekken van vroeger: de eerste boerderij, waar mijn twee oudere broers geboren zijn; het oude woonhuis van zijn vader en moeder. Zo her en der stonden bekenden die het tijdstip kenden achter een raam of in de deuropening te zwaaien. ‘Mag ik erop wijzen,’ zei mijn jongste broer bij het crematorium, ‘dat ik geen enkel bloemstuk ben verloren?’ Jawel hoor, daar mocht hij ons op wijzen.

Later op de avond, na het eten in dezelfde schuur – alle tafels van het condoleren stonden er nog – kwam er een moment dat je naar huis wilt of moet. Moeder was al geruime tijd weg. Toen we bij haar binnenliepen, had ze alle rouwkaarten opengemaakt en gelezen. Een enorme klus, want er waren heel veel rouwkaarten binnengekomen, de postbode bond ze met dikke elastieken bij elkaar. Zo her en der kon ik zeggen wie of wat. ‘Kijk,’ zei ik dan, ‘deze is van Anja, je weet wel, de hulp van Dolf en Gerard.’ Ach ja, natuurlijk, die kwam oorspronkelijk uit Noord-Holland en vader had geweten wie haar vader was. ‘Nou ja!’ riep ik, ‘een kaart van Ted van Lieshout!’ We vertrokken. ‘We komen zondag weer,’ zei ik. ‘Misschien vind je het dan leuk een rondje te rijden over Wieringen.’ We zullen zien, vond ze. Prima, we zien dan wel of ze wil of niet. Zij is nu de baas in huis. Maar een rondje Wieringen, ik heb er hier geloof ik wel vaker over geschreven, doet wonderen en is altijd leuk en mooi en troostrijk.

Arbeit ohne Ende

Komende maand verschijnt Die 3 gibt es nicht. Na het opnieuw markeren van de 1 had ik al eens een controlerondje gelopen en onlangs liepen we met Zeeuwse gasten de 1 opnieuw, omdat ik tijdens het controlerondje had gemerkt dat die Schildchen verrassend snel verdwijnen. En jawel, ook nu weer waren er een paar weg. Op één punt zat nog wel een bordje, maar daar was het onkruid zo hoog opgeschoten dat hij er net zo goed niet had kunnen zitten. Dat was waar ik de vorige keer al een nieuwe had aangebracht omdat de oeroude wilg waarop de 1 zat was omgezaagd. Een andere ontbrekende was op de rug van een houten bank geplakt. Een bank waarvan ik me ervan had verzekerd dat die er zomer en winter stond. Ik belde aan bij het huis waar ik dus eerder had aangebeld om daarnaar te vragen. Er deed een jonge vrouw open. Ik vroeg of haar moeder er was. Nee, zei ze, dit is het huis van mijn opa en oma en oma is vorige week overleden. Ach, gecondoleerd, zei ik, en liet het verder zitten.

Het punt is dat die mensen maar wat doen. Ze halen paaltjes weg, ze rijden met hun maaimachines tegen bomen op waardoor het bordje eraf valt. Niemand die bedenkt dat die Schildchen of Aufkleber iets te betekenen hebben, of misschien bedenken ze het wel, maar kan het ze geen lor schelen omdat zij die 1 nooit ofte nimmer lopen. Dat ergerde me. En toen bedacht ik dat ik er iets over zou kunnen schrijven in het dorpsblaadje, het Feuerscheider Doerfblaedchen. Maar hoe pak je zoiets aan zonder dat je de inheemsen tegen de haren instrijkt? Zo’n Hollander die ze de les leest, een schrijver ook nog, die in andere boeken ook al het een en ander ongegeneerd neergepend heeft. En ik zal daarvoor contact moeten opnemen met de voormalige Ortsburgermeister, die juist alle contact momenteel schuwt omdat hij erge kanker heeft, en bovendien: via hem kwam ik ooit aan mijn bordjes en stickers en daarvan heb ik er nog maar twee. Nee, toch maar niet een stukje schrijven. Beter naar het kantoor van Naturpark Eifel in Prüm en daar zelf nog wat extra materiaal aanvragen. Dan kan ik ze gelijk wijzen op het boekje, dat ze natuurlijk in grote hoeveelheden zouden kunnen inslaan.

Buurman Rinus, en misschien buurvrouw Lien ook wel, verwacht dat het een drukte van belang gaat worden langs de 1, vanaf september. Rinus en Lien spelen een hoofdrol in het boekje en voor de Duitse uitgave zijn hun namen niet veranderd, in tegenstelling tot vele andere namen van Duitse buren, want dat moet vanwege privacyregels die in Nederland niet gelden. Dat is altijd een extra klus bij de vertaling, hoewel het met zoek + vervang ook wel weer tamelijk snel gaat. Rinus denkt dat ik in Nederland nog altijd een beroemde schrijver ben en dat ik dus vanzelfsprekend in januari, als De kapperszoon uitkomt, met mijn kop op de tv ga verschijnen. De kans dat dat in Duitsland gebeurt is nog groter. Ik probeer hem dat dus uit het hoofd te praten. ‘Misschien komt er wel een interview in een of andere krant,’ zeg ik. ‘Mogelijk iets op de radio.’ Maar goed, eerst Die 3 gibt es nicht. Eens zien of er horden toeristen onze kant opkomen.

Augustusdagen

Ik stap van de fiets en loop naar binnen. Voor de schuifpui staat nog steeds het in hoogte verstelbare bed. ‘Ik ben het,’ zeg ik, ten overvloede. ‘Ja.’ Daarna is het een tijdje stil. ‘Moet ik nu iets zeggen?’ vraagt hij. Daar denk ik even over na. ‘Nee, hoor,’ zeg ik dan. ‘Als jij geen zin hebt om iets te zeggen, dan zeg je gewoon niets.’

Mijn moeder loopt achter de rollator naar het kippenhok dat achterin de tuin staat. Op het door oom Flip op maat gemaakte dienblad dat precies op het zitje past, staat een bakje met etensrestjes. Ik begrijp niet hoe het kan dat die kippen geen plofkippen zijn. Ze zet de rollator aan de kant en doet het deurtje open. Maar dan rijdt de niet op de rem gezette rollator de droge sloot in. Getverjenne, denkt mijn moeder. Dat is niet zo mooi. Ze loopt naar het schuurtje, dat staat halverwege het huis en het kippenhok, en daar staan en hangen harken, schoffels en spades. Ze pakt een wieder en loopt terug naar de droge sloot. Ze slaagt erin het blad achter een kabel te krijgen en trekt het ding omhoog. Later, binnen, maakt ze de rollator – een heel mooie, uit Noorwegen – schoon. Die komt er wel. Gisteren liep ze voor het eerst sinds weken een rondje brug, laat het een kilometertje zijn. Vandaag deed ze dat weer. ‘Heerlijk,’ zegt ze. ‘Even weer in een andere wereld zijn.’

Mijn vader tilt zijn arm op. Die is angstig dun geworden. De hand ziet er uitgebeend uit. Hij zwaait met die hand. ‘Als ik dan naar jullie allemaal zwaai,’ zegt hij, ‘en gedag zeg’ – nu brengt hij de hand naar zijn borst – ‘dan moet ik hier toch niet meer zijn?’ Soms moet je met hem meedenken, proberen zijn gedachtegangen te volgen. ‘Maar je bent er dus nog wel,’ zeg ik. ‘Het is je tijd nog niet.’ De afgelopen dagen moest hij zo nu en dan huilen en na een bezoek van de huisarts, die onnadenkend met hem meeging toen hij zei dat hij dacht kanker te hebben, en hem daarin bevestigde met een ‘de kans is best groot dat u kanker hebt, meneer Bakker’, at hij tussen de middag een bakje appelmoes en rond half zes een tiental lepels paprikasoep. ‘Stop,’ zei hij toen. ‘Niet te veel ineens, want ik heb al zo lang niets gegeten.’ Hij wilde ‘groeien’, zei hij. Eventueel stond hem een biefstukje wel aan, maar dat moest dan wel vermalen worden.

Het zijn – denk ik – allemaal fases. Nu lijkt het erop dat hij terugkomt, of terug wíl komen, op zijn eerdere ‘besluit’ niet meer te willen eten, misschien zelfs op zijn besluit niet meer uit het in hoogte verstelbare bed te komen. Alsof het hem ineens allemaal te snel gaat, alsof hij geschrokken is van de manier waarop hij het heeft laten gaan. Dus groeien. Hij had het ook over een operatie, mopperde twee dagen geleden op bezoek dat veel te lang bleef hangen ‘terwijl ik voor een grote operatie sta,’ en dat bezoek rookte ook nog twee sjekkies in huis, hoewel binnen roken al wekenlang strikt verboden is. Het derde sjekkie rookte het bezoek buiten met zijn zuster, mijn moeder, die zelf nog nooit een sigaret aangeraakt heeft. Heel soms bekruipt mij kort het gevoel dat hij ons voor de gek houdt. Dat hij misschien zichzelf ook wel voor de gek houdt.

En ondertussen worden er nog steeds magnetronmaaltijden opgewarmd, draait de wasmachine elke dag, brengen mensen bloemen, worden er kaarten bezorgd en gisteren waren de gierzwaluwen nog niet gevlogen. Er worden boodschappen gedaan, de nachtzuster komt om 23.00 uur binnen en vertrekt om 07:00 uur. ‘Ik heb haar nog nooit gezien,’ zegt mijn moeder. Ik wel, ik heb haar (ze is één van twee die elkaar afwisselen) op een ochtend ‘afgelost’. Ze had ons die nacht drie keer bijna wakker gemaakt, zei ze in haar sappige Westfriese dialect. De waterhoentjes hebben verdomd nóg weer een nieuw nest gemaakt en de jonge ransuilen zijn uitgevlogen: ze zitten vijfhonderd meter verderop in de iepen langs de weg. De bruine kiekendief vliegt onvermoeibaar zijn of haar rondjes. Er zijn periodes waarin hij erg warrig is, en wij vertellen hem dan dat dat komt omdat hij nauwelijks drinkt en niet eet. Daar wordt je ‘raar’ van. Het wachten duurt dus voort, het is een ‘verlengd wachten’ geworden, wij reden zondag naar de Eifel en maandagavond weer terug. Ik moest het gras maaien en zwartebessenjam maken en nog zo het één en ander. Hij is niet ziek (‘Je moet niet denken dat je kanker hebt, vader,’ zei ik, ‘want dat heb je écht niet.’). Hij heeft tweeënzeventig jaar keihard gewerkt. Hij is op. Maar dat is een ruim begrip in dit geval, ‘op’.