you are beautiful

We zaten op het terras van de La Place Roevenpeel, dat is in de buurt van Nederweert. Langs de A2. De La Place aan de overkant, Meiberg, is al maanden dicht en gaat nooit meer open. Dat is best apart, als je ziet hoe bedrijvig het is bij Roevenpeel. Op weg naar de Eifel stoppen we meestal bij tankstation Vossendal, dan is Maastricht heel dichtbij, en België ook. Soms, meestal door mijn schuld, is het Roevenpeel, en dan is Maastricht nog zestig kilometer en zijn we net niet op de helft. Op de weg terug stoppen we tóch bij Meiberg, omdat wat er te krijgen is in het tankstation daar best te doen is en er werken erg grappige mensen. Van die mensen, al wat ouder, die het werken op zo’n drukke plek eigenlijk niet aan kunnen. Dit is een heel lange inleiding op wat ik eigenlijk wil schrijven.

Op het terras – het was prachtig weer, een bijna lauw briesje en zon – zat ook een Engels echtpaar met twee ruwharige teckels. Die waren nogal tekeer gegaan toen M en Floris het terras op gingen. Dat had ik gemist, want ik was de etensophaler van dienst. Nou goed, je zit daar wat, je eet en drinkt en rookt en op een bepaald moment vertrokken de Engelsen. De vrouw kwam met haar ruwharige teckel op ons af. Ze wilde dat Skipper even bij Floris ging kijken. Beide honden waren totaal niet in elkaar geïnteresseerd. ‘What a beautiful dog,’ zei de vrouw. ‘Usually you don’t see fox-terriërs like this.’ Dat klopt, iets vaker zie je de ruwharige foxen, bij wie dan de spitse snuit door hun baardje en snorretje niet opvalt. Ze vertrokken. ‘Hoor je dat, Floris?’ fleemde ik, tamelijk luid. ‘You are beautiful!’ Ondertussen was er een medewerker van La Place, een jongen van zo te zien oorspronkelijk Marokkaanse afkomst, hun tafeltje aan het opruimen. ‘Dank je,’ zei hij en verliet het terras met een vol dienblad. Dat vond ik nou zo ontroerend. En daarom heb ik opgeschreven dat hij zo te zien oorspronkelijk van Marokkaanse oorsprong was, wat er anders niets of niet veel toe doet. Of mag ik dit eigenlijk niet opschrijven? Ik weet dat tegenwoordig niet zo goed meer. Kan me niks schelen. Ik vond het ontroerend en leuk. 

Wel jammer van Roevenpeel is dat er juist aan die kant van de A2 geen tankstation is en als er geen tankstation is, zijn er ook geen schappen met winegums. Vervolgens reden we dus winegumloos verder naar Schwarzbach. Ergens best goed. Al dat gevreet op niks af, daar word je alleen maar dik van. Op de afbeelding twee fox-terriërs, een gladharige en een ruwharige.

Foei, Arjen Lubach

Of het nou door de Actie Eigen Schrijvers Eerst (AESE) komt of door iets anders: er lijkt iets aan het verschuiven te zijn in de CPNB Top60. Er staan maar liefst acht Nederlandse literaire werken in de lijst, negen als ik de gedundrukte Willem Wilmink erbij tel, en tien (10) als ik de dichtbundel van Rijneveld daar óók nog bij optel. Inmiddels heeft natuurlijk de Lezer des Vaderlands Jörgen Apperloo zich min of meer aangesloten bij de AESE door uitsluitend Nederlandse literatuur te lezen en bespreken. Zelf las en lees ik ook erg mooie dingen. Confrontaties bijvoorbeeld, van Simone Atangana Bekono of Was, het debuut van Jilt Jorritsma, dat begint met een bizar tandarts- en aansluitend ziekenhuisbezoek vanwege een ontstoken vijfde verstandskies. Hij doet je denken dat het zich deels afspeelt in Friesland, vanwege de naam van een boerderij/gehucht, maar de omslagafbeelding toont een Wieringermeerse boerderij, mij houd je niet voor de gek.

Gisteren liepen Floris en ik een collegaatje tegen het lijf, hier op ons eigen Sporenburg. Het begon met Mozes, een flinke zwarte labrador die aan een lijn op de stoep lag. Die blafte Floris luid toe, maar Floris dacht: toedeledokie, ik loop hier met mijn bal, afblijven! Het bazinnetje kwam naar buiten en ik herkende meteen de wethouder van onderwijs, armoede en inburgering vanwege haar optredens op tv, maar hoe heette die nou toch? Zoals gebruikelijk ken je onmiddellijk de naam van de hond (in dit geval liefkozend ‘Moos’ genoemd), maar de bazennamen niet. We deden even blablabla en liepen naar huis, waar ik uit de brievenbus een verkiezingspostertje van de PvdA haalde. Aha, Marjolein Moorman, die ‘s avonds door Arjen Lubach belachelijk werd gemaakt omdat ze pontificaal vóór de slogans van de PvdA staat. Dat was best een lang item, grappig bedoeld natuurlijk, maar wat hij verzweeg – en wat alle niet-Amsterdammers niet konden weten – is dat aan de ommezijde van het postertje die slogans óók staan maar dan zonder Moorman. Heel flauw, Arjen. En bijna een soort van fake-nieuws, want onvolledig.

Onze minister van justitie woont hier ook op Sporenburg en ook zij en haar man hebben een hond. Een enorm groot en lief herderachtig geval dat altijd zonder lijn loopt en als het (gesprekken die buurtgenoten met Dilan Yesilgöz aanknopen) de hond allemaal te lang duurt, springt ze in het water en gaat ze een rondje zwemmen. Bij de laatste tweede kamerverkiezingen riep ze ons toe dat we wel VVD moesten stemmen. ‘Hahaha,’ deden wij, ‘wat een leuk grapje!’ Binnen stemden we allebei van de weeromstuit ‘strategisch’, en daar schamen we ons allebei nog steeds heel diep voor. Sigrid Kaag. Spijt als haren op onze hoofden. Wat een sof, we deden het om eventueel eindelijk eens een nieuwe minister-president te krijgen. Maar we hebben onze les wel geleerd. Strategisch stemmen is er hier in huis niet meer bij. 

Interview

Omdat hij romans eigenlijk maar ‘stom’ vond. Daarom duurde het maar liefst twaalf jaar voor de gevierde schrijver de sprong weer waagde. Gerbrand Bakker (1962) schreef met De kapperszoon een roman waarin ook de worsteling binnen zijn schrijverschap een rol speelt. Fietste hij er toch weer wat non-fictie in.

Er verscheen na De omweg in 2010 autobiografisch en non-fictiewerk van jouw hand maar geen roman meer. Had dat een reden? ‘Jazeker. ik vond romans ‘stom’, ik had genoeg van het genre. Ik vond ze pretentieus, en vooral ook de mensen die ze schreven – vooral mannen – pretentieus. En als je dat zo ziet, is er eigenlijk maar één conclusie: dan kan ik ze zelf ook niet meer schrijven. Vandaar die jarenlange non-fictie, waarin ik evengoed dat beoefende wat ik erg graag wilde beoefenen: schrijven.’

De kapperszoon is een boek over rouwverwerking en familiebanden. De setting: een kapperszaak, de hoofdpersoon: een kapper uit een kappersfamilie. Waarom het kappersvak? ‘Tja. Het had net zo goed een tegelzetter of directiesecretaresse – m/v/x – kunnen zijn, ware het niet dat een kapperszaak een plek is waar veel mensen komen. Veel interactie is. Een opening naar de wereld waar Simon, de ‘indolente’ hoofdpersoon, gedwongen wordt die wereld te ondergaan. En: ik ken geen andere Nederlandse romans waarin een kapper de hoofdpersoon is. Dus blijkbaar dacht ik: dat wordt tijd…’

In de roman komt een schrijver voor die een roman over een kapper wil schrijven. Is die schrijver misschien op de schrijver van De kapperszoon gebaseerd? ‘Ja. Nu kan ik wel ingewikkeld doen, maar natuurlijk is dat zo. Hoewel ik die schrijver niet bij naam noem. Ik vond dat voor mijzelf een leuk spel: eens kijken hoe vér je daarmee kunt gaan – dat bleek best ver te zijn. Er is, toen het boek al af was, iets bij me opgekomen: dat ik door die schrijver midden in het fictieve werk te plaatsen, weer de overgang terug van non-fictie naar fictie kon maken. De schrijver als overgangssmeermiddel, zeg maar.’

Je schrijft realistisch en geloofwaardig, ook als het buitengewone personen en situaties betreft. Hoe doe je dat? En heeft je schrijfstijl zich ontwikkeld? ‘Dit is wel een heel moeilijke vraag, zeg. Hoe doe je zoiets? Gewoon opschrijven wat bij je opkomt? Vooral aandacht besteden aan de dialogen? Juist karig schrijven zodat die eventuele onmogelijke dingen niet besmet worden door pompeus en sentimenteel taalgebruik waardoor het juist niet geloofwaardig is? Ik geloof wel, als ik er nu zo op terugkijk, dat ik mezelf steeds meer vrijheid heb gegeven in de loop van die tot nu toe vijf romans. Wie weet waar dat nog toe gaat leiden.’

Je verklaart en psychologiseert in je romans niet. Je laat vooral zien. Bewust? ‘Ja, dat is totaal bewust. Ik ben niet op deze wereld gezet om hem te verklaren. Het enige wat ik kan doen is dingen laten zien, en dan vaak ook nog zonder vooropgezet doel zodat ik – of beter: de uitgever of redacteur – later pas begrijp(t) waar het eigenlijk over gaat. Dat de uitgever je moet vertellen wat het thema is. Wat soms best handig is als je een gesprek op de radio doet. Ook: ik houd zelf helemaal niet van psychologiserende romans. Dan gaat de schrijver ervanuit dat ik dom ben, dat de dingen me voorgekauwd moeten worden. Dat doe ik blijkbaar niet ten opzichte van mijn lezers. (lacht) Kijk, ik begrijp de wereld, het leven, sowieso waarschijnlijk anders dan andere mensen vanwege mijn toch depressieverige aard. Die maakt dat je heel veel dingen net even iets anders ziet of ondergaat of aanvoelt. Wat voor de meeste mensen volstrekt vanzelfsprekend is, is dat voor mij toch vaak net iets minder. Dat zal dan ook wel doorsijpelen in mijn schrijven.’ 

Behalve schrijver ben je ook hovenier. Waar komt deze bijzondere combinatie vandaan? Versterken beide bezigheden elkaar? ‘Hovenier, afgestudeerd en al, ben ik pas vanaf 2006. Het jaar dus waarin Boven is het stil uitkwam. Ik moest toen, voor 2006 dus, iets gaan doen om geld mee te verdienen maar die roman haalde me in. Vanaf dat moment was ik schrijver, hoewel ik eerder al jeugdboekenschrijver was. En nee, die twee dingen staan helemaal los van elkaar buiten een soms, vanwege een vraag van een journalist, nogal gezochte overeenkomst. Wieden, scheppen, onkruid verwijderen: dat kun je allemaal ook figuurlijk op teksten loslaten’

Al een idee voor een volgende roman, of neem je daar opnieuw even de tijd voor? ‘Wellicht eerder weer eerst een Privédomeinachtig boek. Die zijn ook wel erg lekker en plezierig om te schrijven. Ik heb nog geen idee voor een nieuwe roman. Ik weet dat er schrijvers zijn die liefst al met iets nieuws bezig zijn als een roman nog maar net in de winkel ligt, maar dat heb ik nooit zo gehad. Wat komt, komt. Dat is geloof ik altijd al een beetje mijn levensinstelling geweest. Dingen forceren, neu… En soms komt er dus ook, zoals nu, toch na twaalf jaar weer een roman.’

[Zin Magazine, Daniëlle Bronsgeest]