Poging tot begrijpen

Ik las The Magician van Colm Tóibín. Een boek over Thomas Mann. Ik las het in het Engels, daar had ik zin in: ik had al lang niet een boek in de oorspronkelijke taal gelezen. Over het algemeen vind ik Colm Tóibín een goeie schrijver, met zo nu een dan een boek ertussen wat ik niet snap, zoals bijvoorbeeld Nora Webster, dat ik nogal onverwacht zag als een soort van veredelde keukenmeidenroman. Onverwacht, maar ook dat je gedwongen wordt je af te vragen hoe zo’n boek tot stand komt, of het ‘keukenmeidenachtige’ dat ik er in las niet een gezocht stijlmiddel was, iets waar ik als lezer doorhéén zou moeten kijken, om vervolgens tot een dieper begrijpen van de tekst te komen. Zoals ik me vaak bij het werk van Alan Hollinghurst afvraag wat ik nu eigenlijk aan het lezen ben: nogal week, flemerig, homo-erotisch, upperclass-gezemel (met regelmatig ronduit irritante hoofdpersonen) of toch iets wat dat overstijgt, maar dan zonder dat ik in staat ben die tweede of derde laag te doorgronden. En: baseert Hollinghurst die hoofdpersonen – bewust of onbewust – op zichzelf, wat zou betekenen dat in elk geval ik hém irritant vind (met als vervolgconstatering: heeft hij dan zelf niet door hoe irritant hij is?), of is het toch echt zijn literaire bedoeling om van niet op hem gebaseerde hoofdpersonen irritant te maken? Jullie zien: ik doe mijn best om het te begrijpen en onderscheid te maken tussen feit en (auto)fictie.

Met The Magician had ik een levensgroot probleem: ik wist alles al. Werkelijk alles. Ik las namelijk een paar jaar geleden De familie Mann van Tilmann Lahme. Daarover schreef ik toentertijd ook een dingetje. Tóibín heeft een vast stramien: er wordt een bepaald onderwerp of tijdvak behandeld en meestal wordt dat afgesloten met een dialoog of een gesprek tussen de leden van de familie Mann, kort, en vrijwel altijd grappig of koddig, of ironisch. Dat houdt hij het hele boek (435 bladzijden) vol. Mijn vraag tijdens het lezen was: waarom? Waarom in godsnaam een dikke roman schrijven met ‘informatie’ die bij iedereen die weet wie Thomas Mann is bekend is? Het boek leest zelfs als een biografie. Biografieën die er in overvloed zijn. Komt nog bij dat ik de bijna respectloze toon die Lahme aansloeg in zijn biografie prettiger vond dat de serieuze toon die Tóibín aanslaat in zijn roman, die je ergens niet eens echt een roman kunt noemen omdat alles (buiten de dialogen, neem ik aan) wat hij erin opschrijft uit de werkelijkheid is geplukt. Waarom ‘vergooit’ een gerespecteerd schrijver jaren van zijn leven aan het schrijven van een roman die feitelijk niets nieuws in zich heeft? Ik begrijp het niet. Maar aan de andere kant: zie ik als argeloze lezer weer eens iets over het hoofd? En: ik las het boek wel uit, want dat krijgt Tóibín met zijn schrijfstijl wel voor elkaar. Waarom vindt de Daily Telegraph deze roman ‘A triumph’? En zegt de New York Times Book Review dat het ‘Thrilling’ is? Wat brengt John Banville ertoe het ‘remarkable’ te noemen? Hebben die recensenten Tilmann Lahme, of welke andere biografie dan ook, niet gelezen? Ben ik nou gek of zijn ‘de anderen’ gek? 

Nu lees ik Elisabeth Finch van Julian Barnes. Ook alweer zo’n ‘raar’ boek. Maar ik zeg er niks over. Het is namelijk nog niet uit. Het brengt me in elk geval wel iets nieuws.

Luxeproblemen bij een prima recensie

In een verder uitstekende bespreking van Knecht, allein in de Frankfurter Algemeine Zeitung, staat iets aparts: ‘Der Ausdruck “allein” bezieht sich nicht nur auf den Tod seines Tieres. Es geht auch um Bakkers Verhältnis zum Mitmenschen, um seine Homosexualität, die Suche nach einer feste Beziehung, “Knecht” ist ebenfalls ein Hinweis auf die passive Rolle bei Homosexuellen.’ Inzake besprekingen van De kapperszoon houd ik vol dat elke recensent die het woord ‘homoseksualiteit’ durft op te schrijven af is. Dat geeft namelijk uitsluitend de bekrompenheid en burgerlijkheid van zijn of haar eigen denkwereld weer. Aangezien het nergens gethematiseerd wordt, ís het geen thema en is er dus ook geen enkele reden om het te noemen. De Duitse bespreker van de FAZ maakt het eigenlijk wel heel erg bont. Komt nog bij dat de Duitse spelling van het woord, mer die x, erg dicht in de buurt komt van het vre-se-lij-ke ‘homofiel’, een woord dat graag door een bepaald soort mensen in de mond genomen wordt. Ergens ben ik hierdoor, zoals Raf Njotea zei tijdens een openbaar interview bij Passa Porta in Brussel, ook met Tobi Lakmaker, zónder dat ik het erover wil hebben toch een soort van activist. Een stille activist.

Het heel erg bonte van de Duitse recensent zit ‘m natuurlijk vooral in de laatste opmerking. Dat knecht een aanwijzing zou zijn voor de passieve rol bij homoseksuelen. Pardon? Maakt hij mij nou uit voor een bottom? Waarom in godsnaam? Staat dat in het boek? Nee, nergens. Let wel: er is niks mis met een bottom en hoewel dat Engelse woord inderdaad de ‘passieve rol’ tijdens geslachtsverkeer aangeeft, zegt het verder niets over hoe de betreffende persoon verder in het leven staat. Ik bedoel: als iemand zich in zijn kontje laat neuken, is hij niet automatisch in het algemeen een watje, een onderdanig persoon. Het is iets wat aangeeft hoe de recensent naar de wereld en misschien naar zichzelf kijkt. Het heeft niets met het boek te maken. Het ‘uitstekende bespreking’ uit de eerste zin slaat dan ook uitsluitend op het positieve oordeel over het boek dat hij heeft. Niet over de inhoud van zijn tekst. En, nog eens verder filosoferend: is een vrouw tijdens het heteroseksuele geslachtsverkeer dan ook altijd de bottom? Man top, vrouw bottom. Welja. Wat een onzin allemaal. Wat een stereotypen. Wat een hokjesdenken, hoe weinig fluïde.

Nog iets over die bespreking: Duitsers (lezers en recensenten) (en ja: ik generaliseer enorm) vinden boeken als die twee Privédomeindelen eigenlijk onverdraaglijk. Daar móét een roman van gemaakt worden, om het draaglijk te maken. Ook dat doet de recensent: ‘”Knecht, allein” ist ein literarisches Buch,  in dem der Autor dokumentarische Strategien anwendet, den Rohstoff der Wirklichkeit in einen poetischen Zusammenhang umwandelt.’ Ergens is het bewonderenswaardig dat Suhrkamp, mijn Duitse uitgever, telkens weer de gewaagde stap maakt zulke boeken uit te geven. Ik kan me wel voorstellen dat daar op kantoor zuchten van verlichting werden geslaakt toen ze hoorden dat er volgend jaar weer eens een roman aankomt. Waarin de hoofdpersoon dus niet Gerbrand Bakker heet.

Lekker de trap op rennen

Reclame. Wij hier in huis zien best veel reclame, dat komt mede door ons zondagavond-tvkijk-ritueel, dat zich voor een deel afspeelt op SBS6. Reclame is sowieso al hinderlijk of ergerlijk en er gaat geen blok voorbij of we schreeuwen taalverbeteringen naar het scherm. Maar zo soms is het ook domweg lachwekkend. Er is, al tamelijk lang, deze reclame te zien voor een traplift. Met een zo op het oog volstrekt fitte meneer die dan ook met een soort zelfverzekerd hupsje van die lift stapt en de woonkamer inloopt. Nou, dat is natuurlijk een acteur en zijn vrouw, die op de achtergrond gedienstig rondloopt met iets te eten of te drinken, is natuurlijk een actrice. Zij verdienen daar geld mee. Ze worden ingehuurd door het reclameburo dat de betreffende reclame maakt voor het betreffende bedrijf. Deze acteur is Peter Berkhof, geboren in 1959 te Velsen.

Hij speelt in meerdere reclames een rol. Zo is hij ook te zien in een reclamespot van Verisure. ‘Heb je het alarm aangezet?’ ‘Nee, sorry, vergeten.’ ‘Wacht, ik doe het wel.’ ‘Ja.’ ‘Zo.’ ‘We slapen inderdaad veel beter als het alarm aanstaat.’ ‘Welterusten.’ ‘Welterusten, lieverd.’ Maar nu is er sinds kort een andere reclame, voor een of ander versterkend middel voor de wat oudere mens. Ook daarin speelt Peter Berkhof een rol. Ik heb erg mijn best gedaan, maar kan niet achterhalen hoe het product heet. Hoe dan ook: het houdt je vitaal en levendig en daarom zegt Peter Berkhof op een bepaald moment iets als ‘Ik ren nog steeds gewoon die trap op.’ 

Kijk, dat kan dus niet. Of je hebt een lift nodig om de trap op en af te komen óf je rent vanwege een versterkend product diezelfde trap op en af (en moet dan maar hopen dat iemand die lift aan de kant heeft gemanoeuvreerd). Peter Berkhof kan daar weinig aan doen, die wordt gewoon ingehuurd. Die speelt zijn rol. De vraag is hoe geloofwaardig wij reclames achten te vinden. Blijkbaar is Peter Berkhof nog lang niet zo’n reclame-icoon als Cora van Mora (Juliëtte de Wijn) of Harry Piekema van de AH-reclames, die er allebei op een bepaald moment mee zijn opgehouden omdat ze niets anders meer kónden doen, want zij wáren Mora en Albert Heijn. 

Misschien is dat precies de reden waarom Peter Berkhof zo veel verschillende reclamerollen aanneemt, ongeacht eventuele tegenstrijdigheden. Om hoogstpersoonlijk te voorkomen dat hij wordt als Juliëtte de Wijn of Harry Piekema. Want kijk hier, dat is toch weer héél andere koek dan trapliften of een versterkend pilletje. Die hond is natuurlijk ook een acteur, dat is niet de hond van Peter Berkhof zelf. Nou ja, ‘natuurlijk’, ik weet dat helemaal niet.