Wilde hond

Gisteren ging Floris iets te wild tekeer in een taxusvierkant in de tuin van Museum Het Hannemahuis in Harlingen. Ik merkte het wel, vanuit een ooghoek, maar het waren vooral twee mensen die aan de rand van ons gesprekgroepje stonden die me erop wezen. ‘Waarom roep jij je hond niet tot de orde?’ was de volledig terechte vraag van de man. Ja, dacht ik, waarom eigenlijk niet? Floris was, ik zag het, helemaal door het dolle heen. Ze krabde en groef, er spatte grond tegen de lichte broek van een bezoekster. Voor de zekerheid vroeg ik of het stel bij het museum hoorde. Nee, dat niet, maar dat ik mijn hond zo de boel liet ruïneren? Ik zag aan de hond dat die zich niet zou laten stoppen. Heel soms heeft Floris van die waanzinmomenten en als je daar je hand tussen steekt, nou ja, uitkijken geblazen. Gelukkig reageerde ze toen wel op mijn stem en kon ik met die hand die ik nergens tussen had gestoken als hark het perkje weer op orde brengen. Uiteindelijk bijna niets aan de hand. M. en ik hebben een aan elkaar tegengestelde aanpak als Floris mee is naar een lezing of een gebeurtenis. M. wil haar aan de lijn houden, ik laat het beest gewoon gaan en vind het erg ontroerend als ik haar tussen al die benen van lezingbezoekers op het gras van de tuin zie rondscharrelen, naar boven kijkend, om te zien of iemand iets lekkers aan het eten is. Eigenlijk altijd komt ze al heel snel bij mij op schoot liggen en pakt zij de helft van de aandacht van lezingbezoekers. Later, veel later, dook ze onder de tafels waar het eten op uitgestald was en zat met die spitse snuit aan het brood wat bij een bepaald gerecht hoorde. Maar goed: de hond moest mee, want we waren van half twaalf tot tien uur van huis en we hadden geen oppas geregeld.

Er gebeurde nog iets opmerkelijks, iets omgekeerds. Nadat ik een dik half uur, ingeklemd tussen Joost Oomen en Michel Krielaars, had zitten praten en voorlezen, allemaal in diezelfde tuin, waar een enorme tent was opgebouwd, kwam er een vrouw naar me toe die aan me vroeg of er alstublieft nog een Privé-domeindeel kwam? In de afgelopen jaren is dat dus altijd omgekeerd geweest, altijd wilden mensen een roman. Tot haar grote vreugde kon ik die vraag met ja beantwoorden. Ook kwam ik maar weer eens tot de vaststelling dat ik tijdens zo’n lezing nooit erg mijn best doe om mijn boek te promoten. Ik probeer er altijd een zo gezellig mogelijk gebeuren van te maken, babbeldebabbel dit en dat, en dan is het afgelopen. Na afloop lieten dan ook slechts twee mensen De kapperszoon signeren, terwijl er drie mensen met De 3 bestaat niet aan kwamen zetten. Annemarie Haverkamp zat tegenover me, een beetje verhit. ‘Heb je het er warm van gekregen?’ vroeg ik. Zij had, als vorige winnares, op een andere locatie Simone Atangana Bekono geïnterviewd, de winnares van de Anton Wachterprijs. Ja, ze had het er warm van gekregen. Iemand had per ongeluk een kop thee over de stapel Ik ga leven van Lale Gül gekieperd. Ik geloof dat de eerste editie van het Harlinger Literatuurfestival nogal een succes was. 

Multigroom

Het komt wel voor, zoals nu, dat hier best lang niets staat. Dat heeft te maken met kruid verschieten. Zoals het er nu naar uitziet, ben ik aan een volgend autobiografisch boek bezig. In tegenstelling tot deel 2, Knecht, alleen, weer meer chronologisch, iets meer als een dagboek, iets overzichtelijker. Soms schiet er dan een tijdje als het ware niets over om hier te plaatsen. En ik probeer toch om zo weinig mogelijk overlap te hebben tussen dat boek en ditjes & datjes op dit weblog of op Twitter of op nog andere plekken. Want dan krijg je weer dat ‘mensen’ gaan zeggen dat het ‘een in elkaar geflanst’ werk is, verzameld, bijeengebracht. Ik herinner me nog een bespreking van Rotgrond bestaat niet, waarin vermeld werd dat het ‘een bijeengeraapte bedoening’ was, terwijl vrijwel alles nieuw en vers was. Dat stond me niet erg aan. 

Vanochtend, en dit heb ik nog nergens opgeschreven, stond ik me te scheren. Zo eens in de zo veel tijd moet je (ik) dan ook even goed naar de wenkbrauwen kijken. Des te ouder je wordt, des te sneller groeien de haren in die wenkbrauwen, en trouwens ook de haren in de oren. Nu heeft M. een heel handig, klein tondeusetje, dat ik ook gebruik voor mijn geitenbaardje. Bij bol.com heet zo’n ding een ‘multigroom’. Aha, dacht ik vanochtend, die kan ik natuurlijk ook gebruiken voor mijn wenkbrauwen. Ik haalde het eraan bevestigde kammetje eraf en verving dat door een kammetje dat hoger was. Hoger betekent – over het algemeen – dat de haren minder kort worden afgeschoren. Over het algemeen, ja. Ik had niet moeten kijken naar de algemene hoogte maar naar de hoogte tussen kammetje en scheervlak! Met als gevolg dat ik nu nog één wenkbrauw heb. Even heb ik overwogen die andere dan ook maar op een halve millimeter (want dat was het, geloof ik) af te scheren, maar gelukkig deed ik dat niet. ‘Jij kan de hele week nergens naartoe!’ meesmuilde M. Nou, daar trek ik me niks van aan. Ik deed zojuist gewoon boodschappen bij AH en de dienstdoende caissière bij de zelfscankassa’s zei: ‘Nou, ik wéét het niet’, toen ik een fles witte wijn scande. Dus ik zie er zelfs jaren jonger uit!