het waaide er

Onderweg van Heerenveen in bus 324 naar Groningen kwam ik door Drachten. In die ene zin zitten de twee in mijn ogen naargeestigste plaatsen van Friesland. Zeker op een druilerige dag, gisteren was het. Regen, grauw. Maar Drachten heeft dan wel weer één van de mooiste busstations van heel Friesland. Kort daarop zat ik in een mudvolle kroeg in de Groninger binnenstad. Er was een dichtbundelpresentatie. De bundel heet Het waaide er. Prachtige titel, ongeveer van hetzelfde kaliber als mijn fictieve bundel Het was nacht en er waren matrassen. Ik vond nog een plek aan het biljart. Naast me zat een vrouw die het na een kwartiertje aandurfde. Ze boog opzij en fluisterde tegen me: ‘Jij lijkt zo vreselijk op Gerbrand Bakker.’ Ik moest een beetje lachen en door dat lachen kon ik niet meer zeggen dat Gerbrand Bakker mijn broer is, maar ik wist ook niet meer wat ik dan wél kon zeggen. Ik wees op Jan Glas, de dichter, want om hem ging het. Het was er razend gezellig, bier om vier uur ’s middags en bitterballen en ik heb heel veel gezoend, vooral met mannen.

Vervolgens moest ik snel naar de trein, richting Leeuwarden. Toen ik het witte huis op de hoek, schuin tegenover het station daar, in het zicht kreeg, raakte ik gespannen. Het eerste wat ik door de ramen – nooit de gordijnen dicht – zag, was een man languit op de bank. Dat klopte niet. Hier hoort een wat gezette vrouw in het zwart te wonen. Een halve meter verder kreeg ik de salontafel in beeld. Ja! De fles ketchup stond er! Al een jaar of vijftien staat er in dat witte huis op de hoek, schuin tegenover het station, een fles ketchup op tafel. Zo’n lange, slanke plastic fles, ik weet het merk niet omdat ik zelf nooit ketchup eet. En gelukkig zat op een stoel tegenover de bank met de man de vrouw in het zwart. Alles was goed. Alles was zoals het hoorde. Nou ja, behalve die man dan. Was die nieuw? Heeft de vrouw ‘het geluk gevonden’? Of heb ik hem de afgelopen vijftien jaar domweg niet gezien?

’s Avonds keken we The Sacrifice van Tarkovski. Daar had mijn gastvrouw nou echt zin in. Ik ook wel. Er zitten veel minder gierzwaluwen in dan ik me herinnerde. Hij duurde bijna tweeënhalf uur. We namen twee pauzes om te roken. Ik geloof dat ik er iets meer van begreep dan dertig jaar geleden. Iets. De film heet eigenlijk Offret, want het is een Zweedse film met vooral Zweedse acteurs, opgenomen op Gotland. De film heeft me in ieder geval, zo besefte ik gisteravond, de liefde bijgebracht voor in- en uitwaaiende vitrage of heel dunne gordijnen. Het liefst op een zoel zomerbriesje en met het geluid van de al eerder genoemde gierzwaluwen op de achtergrond. Een geit aan een zeel, een stukje verderop, zou het beeld helemaal volmaakt maken.

Hischseber

Ik ben een fan van sense8, een serie van Netflix. Of moet je schrijven ‘was’ als je de twee seizoenen die er tot nu toe verschenen zijn bekeken hebt? Een vreemde serie over een groep mensen die telepathisch met elkaar verknoopt raakt, waar ook ter wereld. Het moet een hel geweest zijn de serie te maken, want Daryl Hannah werd bijvoorbeeld voor enkele seconden tv-beeld in Mumbai en Nairobi en Berlijn en Seoel gefilmd. Een productietechnische hel. Het is een heel opwindende serie, met veel seks, vooral ook volstrekt vanzelfsprekende homo- en lesbische seks. Allerlei grenzen vervagen, soms kan het niet gek genoeg. Prachtige beelden, fijne muziek.

Toen ik de laatste aflevering van jaargang twee had bekeken, begreep ik dat er nog een derde jaargang komen moest want er was niets opgelost. De grote ontknoping moest nog volgen. Dat is een tijdje niet fijn, want je wilt door in zo’n verhaal, maar na dat tijdje vergeet je het weer en ga je bijvoorbeeld naar Please like me kijken.

Afgelopen week was ik in Berlijn. In een hotel. De ellende van een hotel – zeker als je op de tiende verdieping slaapt – is dat je om te roken altijd maar er voor de deur moet staan, in de kou en regen en wind. Op een ochtend kwam er een Indische man door de draaideuren. Hij liep langzaam naar een zwart bestelbusje en klom erin. Ik dacht dat ik die man kende, maar waarvan ken ik nou een Indische man? Kort daarop stapt Brian J. Smith naar buiten. Die speelt Will Gorski in de serie. Eerst deed ik net alsof ik hem niet zag. Lastig, want in het echt is hij nóg knapper dan in de serie. Ook hij liep naar het busje, en toen weer terug. Ik dacht: ‘kan mij het schelen’. Dus ik spreek hem aan. En dat vond hij leuk. En ja, de hele cast sliep in mijn hotel. En ja, ze waren aan het filmen, maar niet een derde seizoen, want dat vond Netflix te duur. Daarom komt er een twee uur durende film om het verhaal mee af te ronden. Bijna klaar, de Berlijnse opnames zijn de laatste. Een keurig opgevoede, hoffelijke jongen die oprecht zei dat hij het fijn vond dat ik zo genoot van hun serie.

Daarna was ik enorm eenzaam. Ik ging voor een tweede keer naar de Zoo. Alleen, de dag ervoor was ik er met Gustaaf Peek de hele dag geweest. Ik schreef erover, vandaar dat ik nog eens heen wilde. Ik kon Will Gorski niet van me afschudden. Figuurlijk. Wat is dat? Ik vind het vrijwel niet te doen zo’n jongen die ik ken van de tv in mijn échte leven te zien. Film is film, het échte leven is het échte leven. Die horen gescheiden te zijn. Als zo’n filmster mijn leven binnenloopt, opent zich een gapend gat aan mogelijkheden, toekomstbeelden, flarden uit het verleden, of eigenlijk: een alternatieve wereld waaraan ik natuurlijk geen deel heb. Zo’n soort eenzaamheid. Terwijl ik de hertenzwijntjes stond te bekijken, waren zij misschien wel aan het filmen ergens. En het regende ook nog. Het was triestig in de Zoo.

Noot: jammer dat seizoen 7 van House of Cards niet nét iets eerder is geschrapt. Had Netflix het bespaarde geld in een derde seizoen sense8 kunnen stoppen.

Chromecast

De Canal Digitaal-soap is tot een einde gekomen. Al een jaar betaalde ik per maand 19,99 voor niks. Geen enkele Eifeler ‘vakman’ kreeg het voor elkaar mijn schotel dusdanig te draaien dat de CI-module van Canal Digitaal een signaal opving. Het heeft me honderden euro’s gekost, want ja: de arbeid is geleverd en wij kunnen er ook niets aan doen dat het niet gelukt is. Eén ‘vakman’ liet me achter met niets: het tv-scherm was zwart en bleef zwart, tot ik ontdekte dat hij een kabeltje in een verkeerd gat had gestoken. Op een bepaald moment heb ik het losgelaten. Dat was moeilijk, héél moeilijk, want ik ben daarin een obsessief persoon.

Twee weken geleden – ik weet niet meer hoe – ontdekte ik dat er een Canal Digitaal-app bestaat. Op dezelfde dag waarop ik me voornam Canal Digitaal op te zeggen, want dat kan maar in een periode van een maand voor het verstrijken van het eerste jaarabonnement. ‘Verrek,’ dacht ik. Die app kostte niks dus ik laadde hem onmiddellijk op mijn iPad. Met het intikken van mijn klantnummer had ik op slag toegang tot de Nederlandse zenders die ik een jaar geleden al had willen bekijken. Of niet bekijken, als de mógelijkheid er maar was. Ook zag ik ergens het woord chromecast staan. ‘Aha,’ dacht ik. Afgelopen maandagochtend kocht ik bij de Mediamarkt een zo’n chromecast, voor 29,00 euro. Juist deze week was dat ding een tientje goedkoper. Een meevallertje. Maar dat mocht ook wel een keer.

Hier in de Eifel wachtte ik een dag met het in de tv steken van de mediastreamer, bang als ik was dat er van alles mis zou gaan. Er ging niets mis, alles maakte contact met elkaar. Perfect beeld, alles in HD-kwaliteit. Weliswaar niet alle zenders van mijn ‘pakket’ zijn via de app te bekijken, maar voor de ARD en de ZDF heb ik altijd nog de schotel, die ik dus helaas niet – dat lelijke ding – van het dak kan halen. Want ja, als halve Duitser dien ik op zondagavond naar Tatort te kijken, dan heb ik op maandag iets om over te praten.

Vanavond begint het schaatsseizoen met de NK. Om tien voor acht zit ik op de bank, iPad, chromecast en Sony Bravia in de aanslag. En nu al kan ik me verkneukelen op februari. Hoe hard het ook vriest hier, hoe niets er ook in de tuin te doen is, ik stook de houtkachels flink op en ga twee weken lang naar de Olympische Spelen kijken op de Nederlandse tv. Niets of niemand zal me afleiden.

Rotgrond bestaat niet

Er is hier hard gewerkt, aan het Tindalplein in Amsterdam. Er is een wand gebouwd. Nooit eerder bouwde ik een wand. Tuinmaat Han wel, en daarom was hij anderhalve dag hoofd wandenbouwer. Hij bestaat uit een houten geraamte met aan twee kanten gipsplaat. Nu heeft neef Casper een grote, eigen kamer en toen ik gisteren aan hem vroeg te gaan praten in zijn kamer, hoorde ik niet erg veel, dus blijkbaar dempt de lucht tussen beide wandjes het geluid best goed. Mijn kant van de wand heb ik al twee keer in de latex gezet, mogelijk dempt dat geluid nóg meer. Ik heb mijn eigen slaapkamer weer terug. Daar had ik zin in en behoefte aan. Feitelijk heb ik mijn hele huis weer terug, buiten die ene, grote kamer die vlak bij de voordeur ligt. Neef Casper is ontstellend laat thuisgekomen van een activiteit tijdens het Amsterdam Dance Event en ik heb er niks van gemerkt. Dat het ontstellend laat was, meldde hij zelf van tevoren, vandaar dat ik het weet. Om dat te belonen ben ik de hele zondagochtend al muisstil, inmiddels is het bijna half 3.

Ik schreef. Er komt namelijk een nieuw boek aan, waarvan inmiddels bekend is wat de titel gaat worden: Rotgrond bestaat niet. Het zal rondom de Boekenweek uitkomen, aangezien het thema daarvan ‘natuur’ is. Ik zelf ben zeer tevreden met de titel en het is nog waar ook: rotgrond bestaat niet. Grond is grond, het is maar net wat je ermee wilt en waar die grond ligt. Ik bedacht hem in Griekenland, waar ik overigens naast zwemmen, snorkelen (zie hieronder bij “Kleurige vissen zwemmen altijd alleen”) en eten & drinken flink doorgeschreven heb. De uitgeverij en ik hadden een streefaantal woorden afgesproken en daar ben ik al overheen, terwijl ik het manuscript nog lang niet hoef in te leveren. Het nieuwe boek zal nogal Jasper en zijn knecht-achtig zijn, met hoogstpersoonlijke natuuroverpeinzingen, tuinanekdotes, milieumeningen en ‘natuurlijke’ reisverslagen, die niet (of nauwelijks) eerder in Trouw of elders verschenen zijn. Dat is met opzet, ik houd niet zo van ‘tweedehands’ werk, opgewarmd brood. (Behalve voor mezelf: ik zou er niks op tegen hebben een mooie bundeling Trouw-columns in een boek met een mooi omslag te hebben. Maar dan voornamelijk voor in mijn eigen boekenkast.) Het moest iets nieuws zijn. Nieuw, fris, voorwaarts.

En weer non-fictie. Lekker is dat. Het is wat het is. Niets meer en niets minder. En toch – al zeg ik het zelf – leuk om te lezen. Ik bedoel, ik vind het ook leuk om non-fictie te lezen, en ik vind het zeker niet ‘minder’ dan literair werk, als ze het een beetje goed doen vind ik het zelfs net zo literair als literair werk. Het/de omslag wordt mogelijk iets in de trant van de afbeelding hierboven. Mogelijk ook niet.

Boekbespreking (stuk of 3)

Ik las een boek. Nu lees ik wel vaker boeken, maar dit boek was verpletterend goed. Voor dit boek las ik My little orange tree van José Mauro de Vasconcelos uit 1968. Volgend jaar bestaat dat boek 50 jaar en gaat Puskin Press het (her)uitgeven. Ook dat boek was ontstellend goed, vooral door de onschuld en oprechtheid die eruit spreekt. Ik heb zo’n vermoeden dat het volgend jaar ook in het Nederlands zal uitkomen. En dáár weer voor las ik De sneeuwman van Jo Nesbø, een thriller waar menig mannelijke thrillerschrijver uit Nederland diep voor buigen mag. Ik noem geen namen, maar willekeurig wie is van harte uitgenodigd zich aangesproken te voelen. Charles den Tex trouwens niet.

Maar goed, dit boek. Broeder, schrijf toch eens! van Rinus Spruit. Mensenlief. Zo bedaard en kalm, zó precies, zo precies de juiste lengte, zo mooi en vloeiend de overgang van ‘werkelijkheid’ naar fictie, zó helder het gevoel voor die overgang. Ik ken Rinus een beetje, hij geeft net als ik uit bij Cossee, vorig jaar fietste ik onaangekondigd bij hem langs. Ik zag de tuin, maar mooi niet dat ik een voet in het huis – dat centraal staat in zijn laatste boek – zetten mocht. Hij is een ‘moeilijke man’, en zoals zo vaak bij ‘moeilijke’ mensen heeft hij daar vooral zelf veel last van. Ik vermoed, maar ken hem daarvoor niet goed genoeg, dat hij erg dwingend kan zijn. Hij is droog, een tikje somber of melancholiek, het is of hij het gevoel heeft dat hij heel veel dingen niet goed heeft gedaan, wat hem dwingt om op de een of andere manier rekenschap af te leggen. En precies dat doet hij in Broeder, schrijf toch eens! Maar het is niet zwaar, verre van. Het is juist heel erg licht. Maar onder die lichtheid zweeft zijn leven. Een man die probeert er iets van te maken, die doormoddert, die geplaagd wordt door het gevoel zijn vader onrecht te hebben aangedaan. Onrecht dat nooit meer rechtgezet kan worden, want zijn vader is dood.

Wat een prachtig boek. En het is hoe je het ook wendt of keert tóch een roman, ondanks het feit dat de hoofdpersoon ‘Rinus’ heet. Veel van de dingen die hij beschrijft, beschrijft hij als een romancier: hij laat weg, hij dikt aan, hij vergeet op momenten dat dat gewenst is, hij introduceert als dat gewenst is personages die – gemeten naar hoe ik hem denk te kennen – helemaal niet bestaan. Als je hem hoort praten (ik keek hier in de Eifel VPRO Boeken terug), denk je gemakkelijk: ‘Laat maar, deze kerel heeft niks te vertellen en als hij net zo schrijft als hij praat, laat dan helemaal maar.’ Dat is een heel verkeerde gedachte. Rinus Spruit kan héél erg goed schrijven. Hij is een dark horse. En dat gesprek, trouwens, met Jeroen van Kan, was óók meesterlijk. Daar kunnen heel wat collega’s een voorbeeld aan nemen.

Attractie, blijkbaar

Het was mij een beetje opgevallen. Niet genoeg om er iets achter te zoeken. Klaus wees me erop, toen hij buiten aan de tafel zat en logeerhond Simba aan het aaien was. Klaus is dol op Simba, die doet hem namelijk denken aan zijn Newfoundlander. Branka heette die hond, allang dood. Monika zou Simba nog leuker vinden, zei Klaus, maar die kwam niet, want Monika is een paar dagen geleden gebeten door zo’n Franse bulldog van buren Axel und Gabi, dus die heeft Schiss voor honden op heden en haar arm is ontstoken. Klaus zei: ‘Ja, und jetzt?’ tegen een auto die bijna stil bleef staan voor mijn huis. Een dag later weer één, met mensen erin die mij onbeschaamd aanstaarden voor ze verder reden.

Toen trof ik buurman Max en buurvrouw Margret, die waren aan het lopen met hun nordic walkingstokken. Margret vroeg wat ik voor mooie bloemen in mijn hand had. ‘Asters,’ zei ik, ‘nicht geklaut, maar van een groenstort gehaald, bij Wawern.’ Als je een logeerhond hebt, loop je weer. Sinds maanden kom ik weer in het bos, loop ik naar Wawern, Feuerscheid of Lasel. Simba is een golden retriever. Ik heb hem al een keer aan de lange lijn uit de Nims moeten trekken en zelfs een klein poeltje doet hem hopsen van plezier. In het poeltje. Mijn keuken is een zwijnenstal. ‘Ach ja,’ zei Margret, ‘je was een paar dagen geleden nog op de tv.’ En ineens viel het kwartje. Ramptoeristen. Poppetje gezien, en gas geven maar. Als ik dat had geweten, had ik geen riem in mijn broek gedaan. Dat vergemakkelijkt en -snelt het naar beneden trekken van de hele handel.

Simba is dus een golden retriever. Ik had al toegezegd op hem te passen vóór ik dat wist. Golden retrievers zijn zo’n beetje mijn minst favoriete honden. Al dat haar! Zijn voorpoten staan opzij, ik bedoel: zijn poezelige pootjes staan naar buiten gedraaid. Hij is niet eens te dik en toch is hij log en lomp. Ik voel nauwelijks genegenheid voor de hond. Daarover voel ik me schuldig. Dus loop ik heel veel met hem, véél vaker dan de baasjes, dat merkte ik meteen de eerste dag al: na drie kwartier begon Simba zwaar te hijgen en nóg logger te bewegen. Ook prop ik hem voortdurend lekkernijen in zijn muil. Hij graaft gaten in de tuin. En vanmiddag was ik het terras voor de keuken aan het restaureren met mortel en dan doet hij niets liever dan languit op mijn werk gaan liggen. Als ik aan de keukentafel zit, te eten bijvoorbeeld, steekt hij steeds zijn grote kop tussen mijn arm en het tafelblad. En hij heeft een dekentje. Niet om op of onder te liggen, maar om aan te sabbelen, tot schuimens toe. Het beest is drie jaar oud, een puber dus, sabbeldekentjes lijken mij dan niet meer gepast. De baasjes zijn in Griekenland en nog niet één keer hebben ze een sms’je gestuurd om te vragen hoe het met hem gaat.

Kleurige vissen zwemmen altijd alleen

Ik was aan het snorkelen. Ondanks het feit dat mij de bril niet goed past waardoor er steeds maar zout zeewater mijn neus binnenloopt waardoor ik me verslik, snorkel ik zo vaak mogelijk. Ik geloof niet dat ik het ooit eerder deed. Er gaat letterlijk een wereld voor je open. Gisteren zag ik mijn eerste rode vis. Eén was het er. Dat vond ik niet raar want ik had al ontdekt dat alle felgekleurde vissen alleen of in tweetallen zwemmen. De egaalgekleurde zwemmen in grote scholen, zoals de ansjovisjes en een heel donkerbruine vis, waarvan ik de naam natuurlijk niet ken. Dat vind ik niet erg, die vissennamen niet kennen, ik steek hier al mijn tijd al in het leren kennen van mij onbekende bomen en struiken.

Ik was skeletten van zee-egels aan het verzamelen, had er al vier in mijn zwembroek zitten, toen ik een vreemde kei zag liggen in het zand. Een kei met gaten, het leek een brok lava te zijn. Ik dook onder en pakte de kei op. Ik draaide hem om. FEAR stond in zwarte letters op de aan die kant gladde kei. Daar hang je dan met je snorkel en je kijkt naar die tekst, die je loepzuiver ziet. Ik had hem uit mijn handen kunnen laten vallen, net doen alsof ik hem niet gevonden had. Dat deed ik niet. Ik nam hem mee het water uit en liet hem zien aan een Schotse dichteres. Zij vond het bizar. Ik vond het ook bizar. Toen ik me af ging douchen kon ik maar drie zee-egelskeletten in mijn zwembroek terugvinden. Hoe ik ook graaide, de vierde bleef zoek. Dat was ook bizar.

s’Avonds aten we met de groep in een taveerne in Agios Nikolaos. Ik had de steen mee, ik had een verhaal voor tijdens het eten. Wat de Schotse dichteres en ik al vermoedden, bleek te kloppen: er is hier, afgelopen juni pas, een speciaal soort yoga-workshop gehouden. Alle deelnemers moesten op een bepaald moment ‘iets uit de natuur’ pakken en daarop schrijven waar ze vanaf wilden. Toen iedereen dat gedaan had, moesten ze de ‘dingen uit de natuur’ in zee gooien. Die akelige, vervelende karaktereigenschap zo ver mogelijk van zich afwerpen. Iemand wilde dus van zijn of haar angst af. Angst die ik vervolgens een paar maanden later weer opdook. ‘Huh!’ vonden sommigen. Ik niet. ‘Het is niet mijn angst,’ zei ik. Ook vonden ze het knap dat ik die betrekkelijk kleine kei gevonden had, op een zeebodem met honderdduizenden keien en stenen.

Een van de bewoners van het huis bouwde het verhaal nog iets uit: het was de bedoeling geweest iets uit de natuur te pakken, maar uitgerekend deze steen vormde onderdeel van een bouwwerkje. Hij had deze steen gebruikt, het was dus niet ‘iets uit de natuur’ meer. Hij was blij dat ik de kei teruggevonden had. Nu kon hij hem weer toevoegen aan zijn bouwwerkje. Ook hem kon het woord, die angst van een ander, niks schelen. De gefrituurde ansjovisjes smaakten heerlijk en de witte wijn was ook erg goed. Later op de avond dronk ik in de taveerne in Agios Georgios nog een glas ouzo. Dat was erg smerig.