Lees Voskuil! [Trouw 8.12.]

Ik herlees Voskuil. Dat is waar ik momenteel behoefte aan heb. Ik wil geen moeilijke boeken, ik wil geen boeken waarin akelige dingen gebeuren, ik wil boeken waarin niets gebeurt en waarin de taal zalvend is. Troostend. De boeken van Voskuil als troostlezen. Ver hoeft ik niet te reiken: ik heb ze allemaal. Het Bureau staat in de Eifel, daar kan ik nu – in Amsterdam – even niet bij. Maar alleen al het idee dat dat monumentale werk daar rustigjes op me staat te wachten, in een schrijfkamer die niet betreden wordt en waar het, zo schat ik, een graad of zeven is, is al genoeg. Elke avond zullen de ruggen van de zeven delen zacht belicht zijn, ik bracht onlangs de kerstverlichting (de zogenaamde Weihnachtslichtschlaug) op orde en sloot hem aan op een tijdschakelaar, zodat-ie van kwart over vijf tot kwart over elf brandt. Dat is gezellig voor de buren die hoger op de berg wonen. Dan is het alsof ik daar ben.

Vooral de drie wandeldagboeken, Terloops, Buiten schot en Gaandeweg zijn, om zijn eigen woorden te gebruiken, meesterlijk. De hoofdpersoon en zijn vrouw L. op pad, van 1957 tot 1992. Ze ergeren zich allebei aan alles en iedereen. Andere wandelaars, het veel te warme weer, onvriendelijke hoteliers, het slechte eten. Ze redden slakjes van het pad en smullen ’s avonds van een kalflevertje. Ze zien hoe beestachtig dieren behandeld worden op marktjes op stoffige Franse dorpspleintjes en eten ’s avonds lekker een biefstukje. Ze hebben voortdurend hoofdpijn of ‘last van het hart’, zijn verkouden, beroerd en hondsmoe, ze zijn in of uit hun humeur. Geweldig. Ik was vergeten dat ze niet alleen in Frankrijk gewandeld hebben, maar ook in Engeland, Wales en Schotland. Drie van die langeafstandswandelingen heb ik ook gedaan, ooit. Offa’s Dyke Path, de West Highland Way en het Pembrokeshire Coast Path. Niets van wat ik las bracht me terug naar die tochten, op af en toe een plaatsnaam na. Zo zie je maar weer hoe literatuur en herinnering zich tot elkaar verhouden. Wat de ene schrijver ziet en opmerkt, gaat aan de andere schrijver volstrekt voorbij.

Ik schreef jaren geleden in Tirade een stuk over deze wandeldagboeken. De slotconclusie was dat ik blij was dat ik ze uit had, want veel meer had ik niet kunnen hebben. Ik kreeg toen een brief van Lousje Voskuil. Dat ze dat nou zo ‘aardig’ vond, dat ik zo kritisch had gelezen. Ik probeerde die brief terug te vinden, ik wéét dat ik hem, samen met een tweetal brieven van Arthur Japin, op een speciale plek opgeborgen heb. Maar zoals zo vaak met speciale plekken, blijkt die té speciaal te zijn geweest.

Je vraagt je af hoe mensen zo onverdraagzaam kunnen zijn. Onverdraagzaam en ronduit racistisch. Voskuil heeft het vaak over ‘negers’, en dan vrijwel altijd in één adem met Algerijnen. Bedreigend zijn ze, en luid. Ik herinner me een geërgerde uitspraak van Nicolien, in Het Bureau: ‘Moeten die Surinamers altijd zo luid zijn?’ Positief punt is dat Voskuil het allemaal wel gewoon opschreef. Ik bedoel: hij maakte van zichzelf in zijn boeken – of hij zich nou verschool achter Maarten Koning of als een ‘ik’ optreedt – niet een aardiger of beter mens. Hij onderzocht. Hij analyseerde voortdurend zijn eigen denken en doen. In Onder andere staat deze zin: ‘[…] Vergeten worden, voor wie daarvan weet te genieten, [is] iets heel moois.’ Hij doet deze uitspraak terwijl hij tweeënhalf uur op Station Baarn zit te wachten omdat zijn fiets tijdens de spits niet in de trein mag. Ik weet heel zeker dat die uitspraak op hemzelf slaat. Maar ondanks dat: lees Voskuil!

Abdolah en Dautzenberg [Trouw 24.11]

Ik ga zelden tot nooit naar lezingen van collega’s. Ik vermoed dat dat voor de collega’s ook geldt. Wat heb je er te zoeken? Je kijkt naar jezelf, ergens. Je ziet wat ze doen, hoe ze dingen zeggen, hoe koket of juist niet ze zijn, je hoort ze vertellen hoe ze een boek schrijven en dat weet je zelf ook wel en tegelijkertijd zie en hoor je jezelf daar zitten en dat leidt al snel tot minstens schaamte. Twee keer bezocht ik – ik heb nu geen flauw idee meer hoe dat zo kwam – vlak achter elkaar een lezing van collega Kader Abdollah. De eerste keer was ik diep onder de indruk. Hij vertelde dat hij van alles vergeten was en daarom niet zou spreken over zijn laatste boek, maar een beetje in het wilde weg zou vertellen. Ik dacht dus een volstrekt geïmproviseerde lezing bij te wonen en dat deed hij geweldig. De zaal zat stampvol en iedereen vond het geweldig. Niet veel later dan twee weken later ging ik opnieuw, ergens anders natuurlijk. Tot op de seconde hetzelfde. Ik wist niet wat ik meemaakte en ik voelde me bekocht.

Later sloeg dat om en veranderde het bekochte gevoel in bewondering. Hij heeft een programma, zo simpel is het. Zoals cabaretiers een programma hebben of muzikanten. Die doen ook altijd hetzelfde en het is helemaal niet de bedoeling dat je daar twee keer vlak achter elkaar heen gaat. Nou ja, bij muziek ligt dat anders, muziek kan soms altijd. En hoewel ik het over het algemeen leuk vind om een lezing te geven, vreet het ook energie. Dat komt omdat ik geen programma heb. Elke lezing is volstrekt anders, afhankelijk van waar het is, hoe de stemming in de zaal is, hoe ik me voel, allerlei factoren. Kader ondervangt dat door een programma te hebben. Hij komt, werkt en vertrekt. Vandaar de bewondering. Ik denk dat ik dat niet zou kunnen omdat ik dan veel zenuwachtiger zou zijn voor een lezing, angst zou hebben tekst kwijt te raken, als bij een toneelstuk. Een lezing in het buitenland vind ik trouwens altijd makkelijker, domweg omdat je in een vreemde taal spreekt en als je een vreemde taal spreekt ben je nooit helemaal jezelf. Losser is het vaak. Of alsof iemand anders het doet.

Vorige week bezocht ik weer eens een lezing van een collega. Anton Dautzenberg had me gevraagd te komen en als iemand me vraagt te komen ben ik meestal niet te beroerd om aan die wens te voldoen. We spraken voor de lezing – op zondagmiddag – af in een kroeg. Ik dronk een oude Rutte. Anton dronk twee glazen muntthee. De lezing was in een tamelijk deftig hotel aan een Amsterdamse gracht. Er kwamen nette mensen binnen, mensen die na de lezing thuis nog Podium Witteman zouden gaan kijken, denk ik. Gelukkig hielden Alma Mathijsen, de interviewster, en Anton zich in, al ging het al snel over anussen omdat Alma zich een anus voorstelde bij het woord ‘gloppenhol’. Zo omschrijft Anton zijn zitkamer in zijn Privédomeindeel. Het was prima te doen. Natuurlijk hoorde ik Anton dingen zeggen die ik hem eerder had horen zeggen, gewoon aan mijn keukentafel. Maar ach, is dat erg? Niet echt, het gesprek duurde zo’n vijftig minuten, de mensen mochten nog vragen stellen. Dat deden drie mensen. Anton antwoordde en daarna waren er gratis champagne en hapjes in de lobby, waar welgeteld één boek verkocht werd. Buiten was het inmiddels donker geworden en erg koud. Ik nam een laatste hapje, zoende Anton en fietste naar huis. Een welbestede, culturele middag, dacht ik ter hoogte van de Munttoren. Moet ik vaker doen.

Willoze wespen

Achter het huis staat een appelboom. Toen ik hier kwam, hing de toen nog tamelijk kleine boom scheef, verdrukt door andere bomen, op zoek naar ruimte en zonlicht. De andere bomen verdwenen, appelboompje bleef en ik bond een dik touw tussen de stam en een beuk. Daarmee trok ik hem min of meer recht trok. Dat wil zeggen: de stam, alle takken bleven zuidwaarts neigen. Ik snoeide hem zo nu en dan en zo langzamerhand lijkt het erop dat ik ooit een boom met een min of meer normale kroon ga krijgen. De appels zijn niet te vreten, dat is jammer. Kleine, groene dingen zijn het, met erg weinig smaak en erg sappig zijn ze ook niet. Geen idee hoe de appel heet. Het zijn er wel héél erg veel, bizar veel zelfs. Momenteel vallen ze af. Dat hij er nog staat, is omdat hij zo prachtig bloeit in het voorjaar.

Eergisteren toog ik naar achteren om die appels te verzamelen in een emmer. Al heel snel daalde ik weer af, want het zwierm er van de wespen. Ik ontdekte een nest, bovenin een telegraafpaal die er als ornament staat. Lekker, rul, mottig hout, met een dakje (een groene plantenschotel), daar houden ze wel van. Later, dacht ik. Om een uur of half acht ging ik er nog eens kijken. Geen wesp meer te bekennen. Het was nog steeds warm, en donker was het ook nog niet. Ik begon te rapen. Zo her en der kroop een versufte wesp, traag en doelloos. Als ik een appel pakte waar een wesp in zat, was dat geen enkel probleem: zelfs als het beest had gewild, was steken niet gelukt. Ik tilde voorzichtig de plantenschotel omhoog: tientallen wespen, ook al zo traag en tam. Wat is dat met die insecten? Moeten ze vóór donker binnen zijn? En zo niet, gaan ze dan dood in de nacht? Zijn ze aan het einde van een dag domweg doodop? Gisteren zag ik een dikke bij op een Sedum zitten, bijna donker was het. Hij deed alsof hij heen en weer scharrelde, misschien deed hij zelfs alsof hij nectar zoog, maar ik zag dat hij totaal versuft en lethargisch was. Als hij niet uitkeek, zou hij de hele nacht daar op die Sedum ‘Herbstfreude’ door moeten brengen, met alle gevaren van dien. Waar slapen wilde bijen? In een holle boomstam? In een insectenhotel? Wat weet ik toch eigenlijk weinig van insecten, feitelijk bijna niets. Deze staat van apathie had ik nooit eerder opgemerkt, en pas als je zoiets ziet, ga je je afvragen waarom het gebeurt of waar ze slapen.

Het is trouwens heerlijk nazomerweer in Schwarzbach. Een graad of 27, zon, windje, en ’s nachts moet bijna het dubbele dekbed weer uit de kast.

Trouw, vandaag

Een verjaardag op een camping. De ergste hitte voorbij, wolkenvelden in de lucht, schaapjes op een belendend weiland. Koffie en taart. Een busje waarin twee vrouwen eten aan het bereiden zijn, Italiaans eten. Car Paccio staat op de bus, dat is geinig gevonden. Campinggasten die belangstellend vanuit hun voortent naar de reuring kijken: kom Jan, wij nemen lekker nog een kopje koffie en laten we hopen dat dat feest niet tot diep in de nacht duurt en dat ze niet te hoog gaan met die drone, want Schiphol is niet ver weg. Eén van de verjaardagsgasten denkt me betrapt te hebben op een fout in een boek. Hij heeft een foto gemaakt van de betreffende bladzij, daar wordt naar het woord broertje verwezen met ‘dat’ en volgens hem moet dat toch echt ‘die’ zijn. ‘O, ja?’ zeg ik. ‘Zeg jij dan ook ‘het schaap die daar keihard wegloopt voor een hond’?’ Nee, dat zou hij niet zeggen. Dan komt het gesprek op dat of wat, waarmee de hele statafel zich bemoeit. ‘Het is iets wat,’ zeg ik. ‘Niet iets dat.’ En waarom dan wel niet? Dat weet ik niet, hap in een stuk vlaai. Iemand slaat een wesp van mijn oor. ‘Hou daar eens mee op!’ zeg ik. ‘Sla naar je eigen wespen!’ Later op de avond, het schemert al, lopen de schapen op het belendende weiland inderdaad keihard weg voor de hond van een van de verjaardagsgasten. Een Ierse terriër.

Er komt een vrouw tegenover me staan. Ze vertelt over haar zoon van 21, die schrijft alsof zijn leven er vanaf hangt. Ik voel de bui al hangen. ‘Ik heb hem net een whatsappje gestuurd dat ik hier met jou sta.’ ‘Ja?’ zeg ik. ‘Zou jij eens iets van hem willen lezen?’ ‘Nee,’ zeg ik. Ze is verbaasd. Nee? Waarom dan niet? ‘Dat interesseert me niet,’ zeg ik. ‘En bovendien, wat is daarvan dan de bedoeling? Moet ik hem raad geven? Moet ik zijn teksten redigeren? Moet ik hem aanbevelen bij mijn uitgever?’ O, ja, nee, nou, dat weet ze ook allemaal niet, maar ik zei wel heel erg snel en gedecideerd nee. ‘Omdat ik dat altijd doe,’ zeg ik. ‘Gewoon meteen nee zeggen.’ We drinken van onze witte wijn en dan komt er nog een toetje uit het busje: bekers tiramisu. Ik eet twee bekers en voer ondertussen het angstige redhondje van de vrouw dat vooral bang is van mannen stukjes brood, die hij volgens haar niet eet, maar uit mijn hand gretig naar binnen slokt. ‘Ik ga nooit een meer een boek van jou lezen,’ zegt de vrouw. ‘Dat kan mij helemaal niks schelen,’ zeg ik. ‘Denk je nou echt dat ik daar wakker van lig?’ Het gesprek is luchtig, maar toch komen allerlei boodschappen over.

Later vertrekt een stel waarvan de vrouw in de boekhandel in Hippolytushoef werkt, één dag in de week. Of ik niet eens daar een lezing kan komen doen? Wieringen is toch een soort van thuisgrond, er zal belangstelling zijn. Ik hou erg van Wieringen, als ik in het buitenland ben en onverhoeds heimwee krijg, is dat vaak naar Wieringen, hoewel ik daar helemaal niet geboren ben, het niet mijn heim is. ‘Best,’ zeg ik en sla het zoveelste glas witte wijn naar binnen. ‘Dat kost trouwens wel 500 euro.’ Ze ik zie aan haar blik dat ze grappend wil zeggen dat ik het moet zien als een vergroting van mijn naamsbekendheid, maar doet dat wijselijk niet. Schielijk fietsen ze de camping af, de inmiddels donkere augustusnacht tegemoet. Schrijvers, werkelijk geen land mee te bezeilen…

Het mysterie van de maagzuurremmers II

Ik fietste inderdaad gistermiddag naar de IJburglaan in Amsterdam. Nummer 727. Daar zit de BENU apotheek waar ik mijn recept zou hebben opgehaald. Het was er rustig, dat was goed. Ik vertelde wat er aan de hand was, liet de medewerkster de nota’s van Famed B.V. zien. Ook vertelde ik haar dat dit de eerste keer was dat ik in haar apotheek stond en dat ik door navraag wist dat mijn huisarts me niets had voorgeschreven op de 29e juni. Tot mijn stomme verbazing kreeg ze binnen de kortste keren op haar computerscherm een gedigitaliseerd recept. Op mijn naam, geboortedatum, adres en BSN-nummer incluis, met de naam van mijn nieuwe huisarts. De datum die erop stond was 29.6.2018. ‘Dat kan niet!’ zei ik. ‘En toch is hier een recept,’ zei ze. ‘Hoe kan dit?’ vroeg ik. Niemand wist hoe dat kon. ‘Het ziet er een beetje vreemd uit,’ zei ze, ‘er zijn stickers overheen geplakt.’ Ze maakte een schermafbeelding van het gedigitaliseerde recept voor me en printte die uit. Na nog wat heen en weer praten zei ze: ‘Maar dit recept is niet afgegeven, er staat geen handtekening op.’ Daar heb ik een steekje laten vallen, ik heb niet gevraagd – voor zover ze dat nog zou kunnen nagaan – hoe het recept bij de apotheek was terechtgekomen. Ik had kunnen vragen: met wie? Dan had zij gezegd, nou, met u, uw naam staat op dit recept. Omdat het recept niet was afgegeven, ik bedoel: omdat het geneesmiddel niet was meegenomen of afgehaald, bepaalde een andere medewerkster dat zij ervoor zou zorgen dat de nota van Famed B.V. zou worden ingetrokken. Ze hield de tweede nota, de zogenaamde ‘gehandhaafde nota’. Ik vroeg om een kopie. Die heb ik niet gekregen, maar dat is mijn eigen schuld, ik vroeg het maar één keer en ik wilde niet overkomen als een verwarde man.

Direct daarop fietste ik naar de praktijk van mijn nieuwe huisarts, die is daar vlakbij. Er zat een mij onbekende receptioniste, dat was niet raar, ik kwam er voor de tweede keer. Ik vertelde wat er aan de hand was en liet haar de kopie van het recept zien. Zij keek in haar computer, zei net als eerder toen ik opgebeld had dat de huisarts mij niets had voorgeschreven en las in het medisch dossier dat er tijdens ons gesprek niets over een maag of maagzuurremmers gezegd was. Daarna keek ze eens goed naar het recept. ‘Dit ziet er vreemd uit,’ zei ze. ‘Dit lijkt niet op een receptbriefje van dokter ***’. Ze zag ook de stickers die er op geplakt waren. Misschien wel óver iets heen, maar dat kun je aan een uitgeprinte schermafbeelding van een gedigitaliseerd receptbriefje niet zien. ‘Maar hoe kan dit dan?’ vroeg ik. ‘Er zal een fout gemaakt zijn bij de apotheek,’ zei ze. ‘Vervelend.’ Daar heb ik weer een steekje laten vallen. Ik had haar moeten vragen hoe het mogelijk is dat een recept met mijn naam en gegevens erop vanuit hun praktijk bij de apotheek terechtgekomen kan zijn. Ik had moeten aanhouden. ‘Heel vervelend,’ zei ze nog eens, ‘van die dingen met je naam erop terwijl je van niets weet.’

De apotheek verwees naar de huisarts, de huisarts verwees naar de apotheek. De fout lag, vonden ze allebei, bij de ander. Nu ik nog eens goed naar het recept kijk, zie ik dat er bij de datum ook een tijd staat: 13:51. Mijn afspraak die ochtend was om 08:10 uur. Nog een aanwijzing dat ik er niks mee te maken had, want anders zou ik voor negenen dat recept al hebben opgehaald. Die tijd, daar zou nog iets mee kunnen: wie vertrok er rond enen, iets later misschien, bij dokter *** met een recept voor Omeprazol in zijn of haar hand richting BENU apotheek aan de IJburglaan 727? Iemand, ergens – mogelijk in de huisartspraktijk of in de apotheek – heeft een recept vervalst. Waarom in godsnaam? Wie wint daar iets bij? Het gaat niet om goudstaven of diamanten, het gaat om een onschuldige maagzuurremmer die 16,10 euro kost.

Op het recept staat ook: Eerste uitgifte. Geef duidelijk uitleg en zonodig instructies. Wat is dat eigenlijk voor een middel? Is het iets waarvoor je een receptenbriefje zou vervalsen om het te bemachtigen? Is het wel onschuldig? Had iemand heel nodig Omeprazol nodig? Opvallend is dat er geen fabrikantnaam bij staat. Niet Sandoz of Actavis of welke fabrikant dan ook. Ik kan op internet niks vreemds vinden over het middel. Ja, mensen die klagen over vreselijke bijwerkingen, maar ook mensen die er tevreden mee zijn. Niets dat wijst op een speciale werking of eigenschap van het geneesmiddel. Niets wat erop wijst dat iemand een reden zou hebben een recept te vervalsen.

Dat ik die nota niet hoef te betalen, dat kan me niks schelen en bovendien moet ik dat eerst nog maar eens afwachten: wat gaat Famed B.V. doen? Maar een heel goeie Sherlock Holmes ben ik niet; ik vroeg niet genoeg door, zit nu nog met vragen (vooral die ene: hoe het recept bij de apotheek terechtgekomen is, al dan niet vanuit de huisartsenpraktijk) en een theorie heb ik ook niet. Ik kan niet verklaren waarom dit gebeurd is. Ik ben geen complotdenker, het idee dat dit misschien wel schering en inslag is binnen de kring van huisartsen, apothekers en Famed B.V. om op een slinkse manier extra geld te verdienen vind ik lachwekkend. Maar wie weet hoeveel onterechte nota’s er elke dag op de mat van Nederlanders vallen? En hoeveel mensen zonder nadenken – we gaan allemaal weleens naar de dokter en vervolgens naar de apotheek – die nota’s betalen? Nota’s voor geneesmiddelen waarvan op alle receptenbriefjes mogelijk een handtekening of paraaf ontbreekt. Niet afgegeven, wel geïncasseerd. Ik kan het me niet voorstellen, je kijkt toch altijd – en zo begon het balletje bij mij te rollen – wáár je voor betaalt en ik herkende dat middel niet.

Van Stichting De Sportwereld nog geen nieuws. Maar ik heb hoe dan ook keihard bewijs dat ik de contributie meer dan twee maanden geleden al betaald heb. Dat is fijn. Duidelijkheid.

Het mysterie van de maagzuurremmers

Ik zit momenteel met twee betalingsdingetjes. Eén van Stichting De Sportwereld, die – zonder het woord ‘stichting’ – een gelijknamig blad uitgeeft over geschiedenis en achtergronden van de sport. Die heb ik ergens vorig jaar een machtigingsformulier gestuurd zodat ze de contributie – 25 euro per jaar – automatisch kunnen afschrijven. Op 21 juni van dit jaar is dat bedrag afgeschreven van mijn bankrekening. Inmiddels heb ik een betalingsherinnering gekregen om het bedrag over te maken, dat is dus een tweede oproep én een oproep de stichting te machtigen het bedrag te mogen overschrijven. Ik wijdde er maar weer een mailtje aan: dat alles allang in orde is, daarbij verwijzend naar een mail die ik na het ontvangen van het eerste betalingsverzoek verstuurde. Het is net of wat ik mail niet aankomt, of dat de Gerbrand Bakker die zij aanschrijven iemand anders is.

Dat gevoel speelt bij het tweede betalingsdingetje nog sterker. Ik kreeg van Famed B.V. in juli een nota. Famed is een bedrijf dat de facturatie en het debiteurenbeheer voor BENU Apotheken verzorgt. De nota was voor dertig stuks Omeprazol capsules 40MG, 16,10 euro. Die zou ik voorgeschreven hebben gekregen door mijn – nieuwe – huisarts en op 29.06.2018 hebben afgehaald bij een apotheek aan de IJburglaan in Amsterdam. Ik mailde Famed B.V. dat ik nooit een middel tegen maagzuur nodig heb gehad, noch voorgeschreven heb gekregen en dat ik nog nooit een voet had gezet in de betreffende apotheek omdat dat mijn apotheek helemaal niet is. Ik checkte het bij de receptie van de huisarts, je weet maar nooit. Niets had ik voorgeschreven gekregen, meldde de receptioniste me. Zonder recept geen middel bij de apotheek. Inmiddels kreeg ik een zogenaamde ‘gehandhaafde nota’ van Famed B.V. Ik mailde Famed B.V. opnieuw, met in de mail die ijzersterke redenatie: niets voorgeschreven door huisarts, dus hoe kan ik dat middel bij de betreffende apotheek opgehaald hebben? Eén telefoontje naar de huisarts van Famed B.V. zou voldoen om deze ‘gehandhaafde nota’ nietig te maken.

Wie heeft op 29 juni 2018 bij de BENU Apotheek aan de IJburglaan maagzuurremmers afgehaald? Ik had die dag om 08:10 uur een eerste afspraak met de voor mij nieuwe huisarts. Dat is wel erg toevallig. Wat is daar misgegaan? Ik heb niets voorgeschreven gekregen, maar stel nu dat een andere patiënt die dag wél Omeprazol voorgeschreven heeft gekregen, hoe kan de apotheek het geneesmiddel dan op mijn naam hebben afgegeven? En stel dat ik het wél gedaan zou hebben, gewoon op eigen houtje, dus zonder recept (ik kom er niet goed achter of die 40MG-capsules vrij verkrijgbaar zijn), zou ik ter plekke hebben moeten betalen, en is er geen reden om er nog eens een nota achteraan te sturen. Ik heb alleen de huisarts gebeld, niet de apotheek. Dat zou ik nog kunnen proberen. Het is een soort detective. Ik krijg ineens zelfs zin gewoon naar die apotheek te fietsen, met de nota’s, en dit tot op de bodem uit te zoeken.

Dode meeuw en bitter lemon

Gisteren zei Esther Scheldwacht, die Arkadina speelt in De meeuw van Tsjechov: ‘Dat is goed. Alles mag en alles kan. Sinds ik dat besef, gaan de dingen een stuk makkelijker.’ Ze zei dat omdat ik het zelf eerst zei. Ik sprak haar kort na afloop van het stuk dat in het Amsterdamse Bos wordt gespeeld. Zij zag mij, gelukkig, zodat ik mezelf niet op hoefde te dringen in het groepje acteurs dat bij elkaar stond, de meesten met niet-alcoholische dranken in de hand. Opdringen voelt niet goed. Ik ken Esther omdat zij één of twee toneelstukken heeft geregisseerd waarin ik speelde. Lang geleden. Ze was steengoed, sommige acteurs lijken gemáákt voor de rol die ze spelen.

Ik zei ‘alles mag en alles kan’ toen ik vertelde over schrijven, op haar vraag of ik nog lekker aan het schrijven was. ‘Nou, lekker,’ zei ik. ‘Ik heb in tien jaar tijd geen roman geschreven.’ Dat is de waarheid. Er zijn wel dingen uitgekomen – Jasper en zijn knecht en Rotgrond bestaat niet – maar romans kun je die twee boeken niet noemen. En ik bén aan het schrijven, maar op een heel aparte manier, met grote onderbrekingen, niet voluit, aarzelend, alsof het het eerste boek is dat ik aan het maken ben. Ontevreden ook natuurlijk, maar daarvan heb ik wel geleerd dat dat absoluut geen graadmeter is voor de kwaliteit. Dat vertelde ik haar niet, maar ik zei dat ik mezelf continu voorhoud dat alles mag en alles kan. Ik lees de laatste tijd zulke boeken, van Lieke Marsman bijvoorbeeld, of van Maarten van der Graaff.

Het was een beetje ongemakkelijk, ons gesprek. Het stokte en trok zich weer in gang en Esther was een beetje misselijk. Ik was niet misselijk en ik stond er met een glas bitter lemon. Omdat ik later, thuis, voor het eerst een halve pil zou innemen waarbij het advies is geen alcohol te drinken. Een mislukt antidepressivum met een bijwerking die wel fijn is voor veel mensen: slaperigheid. Ik slaap erg slecht. Daarover had ik geklaagd bij de therapeut en omdat mijn therapeut psychiater is, mag hij medicijnen voorschrijven. Het zit me niet helemaal lekker, bijna een jaar geleden ben ik gestopt met mijn antidepressivum en nu begin ik er toch weer mee, al werd me verzekerd dat het middel – ik zal de naam niet noemen – weinig tot niets doet, behalve die bijwerking dus. Maar misschien moet ik in dit geval ook ‘alles mag en alles kan’ denken. Of ‘baat het niet, schaadt het niet’.

Alle mag en alles kan. Als je aan het schrijven bent. Jij bepaalt wat en hoe. Alles wat er uit je pen vloeit is van waarde, in elk geval voor jezelf. ‘Ik word er zelf nog akeliger van dan ik me al voel,’ had ik een paar uur eerder tegen de therapeut gezegd. ‘Dat is niet goed,’ zei hij, ‘want ik moet het straks lezen.’ Dat ik er zelf akelig van word, maakt het niet makkelijker, maar omdat alles mag en alles kan, is dat mogelijk te verhelpen, kan ik van iets dat akelig is of dreigt te gaan worden, iets moois en hoopvols en grappigs maken. Iets wat me beter doet voelen en, bij uitbreiding, eventueel later een lezer. Dat alles mag, houdt bijvoorbeeld in dat je een heel stuk gewoon overslaat, ongeschreven laat. Hoofdstuk 16 beëindigen en dan een dikke, vette 2 en hop voort met het verhaal, maar dan dagen of weken later. Het kan. Het mag. Zo los ik ook seksscènes op: gewoon twee of drie witregels.

De pil deed niets. Komende nacht nog eens proberen en bij nog niks kappen. Jammer dan.