gras en mol

Gisteren stond er in de voortuin van mijn vader een paaltje: een geel stokje met een geel schildje, een beetje zo’n ‘stop-bordje’. Later ging hij grasmaaien en zag ik dat het paaltje was verplaatst. Toen pas zag ik dat er aan de voet van het paaltje een mollenklem in de grond stak. “Hij heeft er één hoor,” zei mijn moeder vanochtend. Even later stond vaders voor het raam, klem en dode mol trots in de lucht. En toen dacht ik: daar doe je het voor, om je vrouw en – nu even – je zoon te laten zien dat je een mol gevangen hebt, een hert geschoten, een dikke karper gevangen.

Ik zat op het bankje naast de achterdeur te roken (binnen roken doe ik niet meer aan, een pakje shag gaat nu 4 dagen mee in plaats van anderhalve dag). Er fietste een oude man vanaf de weg het gras op. “Ja, ik dacht,” zei hij, “dat ik daar Gerbrand zag zitten.” Omdat ik hem nogal uilig aankeek, zei hij: “En jij hebt geen idee wie ik ben zeker?” Dat was zo. Een buurman, maar dan wel één die hier nog maar 20 jaar woont. Toch ging hij bij me zitten en praatte een half uur lang. Ik zei ook wel eens iets tussendoor. Hij was ooit bijna dood aan maag- en darmkanker, dus we hadden een min of meer gemeenschappelijk onderwerp. Daarna fietste hij weer weg. Een aardige man. Ik vergeet zeker hier dat je als schrijver toch een ‘openbaar persoon’ bent en dat mensen van hier dat volgen, dingen in de krant lezen, weet ik veel. Buurman Kaan kwam gisteren het weerbericht kijken want zijn tv is kapot en later haalde hij een krop andijvie op. “Hoe gaat het?” vroeg hij. “Goed,” zei ik. “Sta ik toch zomaar met de op één na beste schrijver van Nederland,” grapt zo’n man dan. Ik gaf hem een hand. ‘Je mag hem zelfs de hand schudden,” zei ik.

Ik begin het nu een beetje vervelend te vinden, ik zou best veertig kilometer willen fietsen, of tien lopen. Momenteel diarree, dat is op zich niet heel erg, maar wel vervelend. Verder gaat het erg goed, ik slikte bijvoorbeeld vandaag nog maar één dosis paracetamol. Het is nu een week geleden dat ik geopereerd ben. “Ik wil morgen wel weer naar Amsterdam,” zei ik. “Zou je dat nou wel doen?” zei mijn vader. “Vanavond eten we andijviestamppot,” zei mijn moeder.

 

porfra

Mijn vader kijkt voetbal. Net deed hij tussendoor even de deur naar de gang dicht omdat dan de kat – Sissi – niet naar boven kan om op mijn bed te gaan liggen. “Nou jongens, het is gebeurd,” zei hij tijdens het sluiten van de deur. Die uitspraak ken ik al mijn hele leven. “Frankrijk gaat winnen.” De laatste uitspraak varieert per jaar en deelnemende landen. Mijn moeder greep de gelegenheid aan op te staan en hem een bak chips te geven. “Hij heeft gister al chips gegeten!” roep ik. Ronaldo wordt afgevoerd.

Ja, mijn bed. Boven. Afgelopen nacht sliep ik slecht. Dat kan komende nacht beter. Toch? Ik slik veel pijnstillende middelen.Een paar dagen geleden heeft een chirurg in het OLVG te Amsterdam mijn dunne en dikke darm uit mijn buikholte geschept, die uitgehangen en weer op hun plek teruggelegd. De juiste plek. Toen het verband er af ging, ontdekte ik dat ze eerst nog geprobeerd hadden iets via een kijkoperatie te doen. Verder heb ik nogal weinig informatie. Pas op 17 augustus zie en spreek ik de betreffende chirurg weer. De pijn die ik had is uitgevonden om naadloos met het woord creperen samen te vallen. Ze hadden me dood mogen maken om er een einde aan te maken en ik vrees dat neef Casper mogelijk een klein trauma overhoudt aan het beeld van zijn oom in onderbroek die om 5 uur ’s ochtends bijna gillend in de woonkamer over de grond rolde, nauwelijks meer aanspreekbaar was.

Ik ben niet bekend met operaties. Dit was mijn eerste. Ik kwam dus ook voor het eerst bij uit een narcose. Een engelachtige vrouw zei iets tegen me in het Nederlands. Ik verstond het niet, ik dacht steeds ‘waarom spreekt die mevrouw geen Duits?’ Ik moest op een knop drukken, een groene knop, die ze me steeds in de rechterknuist drukte. Keer op keer op keer. “Morfine” zei ze. “Drukken”. Ik begreep er helemaal niets van. Ik meen me te herinneren dat ik die mevrouw – nog steeds geen Duits – weigerde los te laten toen ik naar de zaal werd gereden. Ik wilde dat ze altijd bij me zou blijven, me steeds maar weer op dat onbegrijpelijke apparaatje zou laten drukken, wat ik trouwens niet deed, omdat ik het dus niet begreep.

Op die zaal – fijne mensen, drie à vier stuks: borstverkleining; galblaasoperatie; leveroperatie, we konden goed met elkaar opschieten en ik won: ik zat als eerste aan het tafeltje bij het raam te eten, terwijl de rest voortdurend middelen kreeg voorgeschreven tegen de misselijkheid – besloot ik thuis te gaan revalideren. In Wieringerwaard, bij mijn vader en moeder. Ik belde mijn moeder pas donderdag op, ik ben blijkbaar iemand die zoiets in stilte wil doen, ik dacht bij mezelf: ‘ach, misschien mag ik over twee dagen wel weer weg.’ “Ja, gezellig!” zei ze, toen ik vroeg of ik er een bed kon reserveren. Ik vroeg haar of ze het aankon, zelf heeft ze een kleine twee weken geleden een cardioversie ondergaan. “Zeker! Ik voel me prima!”

De eerste helft is nu voorbij. “0-0” zegt Frank Snoeks. Vanuit de zitbankhoek klinken tevreden kauwgeluiden. Dat zit maar chips te eten alsof er geen darmen of verkeerd cholesterol bestaan. Ik denk dat dit niet één, twee, drie voorbij is. Vanmorgen twee keer gepoept, dat was erg goed, maar mijn buik is als een doedelzak voor er geluid uit komt. Het zal er allemaal wel bijhoren. En o ja: afgelopen donderdagochtend had ik vanaf Eindhoven naar Skopje zullen vliegen, vanochtend was de terugvlucht. Boven is het stil kwam er uit. Vanaf vanavond had ik in Zeeland zullen zijn, bij het begin van de repetitieperiode van Juni, dat er tijdens het Zeeuws Nazomerfestival wordt opgevoerd. Ik was nodig. Dat gaat er helaas ook niet van komen. Maar het zal allemaal wel goedkomen.

NL dagboek in Dld

Problemen bij Suhrkamp in Berlijn. Problemen voor mij vooral ook. Lang nadat Andreas Ecke Jasper und sein Knecht vertaald had, stond iemand op de Duitse uitgeverij er eens goed bij stil. Wacht eens even, mag je in Duitsland eigenlijk wel… Nee, dat mag je niet. Je mag over niemand schrijven zonder toestemming. ‘Ach, even een belletje of een mailtje,’ zei iemand. Er staan ontstellend veel namen in het boek! Zo gaat dat met dagboeken, je schrijft over alles en iedereen. Bovendien: weet ik veel wat het telefoonnummer of emailadres van Margreet van der Voet is? Want: zelfs de Nederlandse namen zouden veranderd moeten worden. Toestemming of naamswijziging. Morgen overleg met Eva Cossee, die de buitenlandse rechten van het boek doet. Het moet half september uitkomen, dat is over tweeënhalve maand. Maar: namen van Nederlandse schrijvers? Die kan ik niet veranderen, die zijn onlosmakelijk verbonden aan de boeken die ze schrijven, of aan wat ik over ze schrijf, al dan niet bekend of vertaald in Duitsland of het Duits.

Er zijn al heel wat stukken – vanwege té Nederlands – verdwenen uit het boek, en dan ging het vooral om de columns die ik voor de website van de De Groene schreef. Daar kan ik me wel in vinden, dat vond ik niet erg. Hoewel ik het ook niet erg gevonden had als ze er in gebleven waren. Ik lees ook weleens over een Duitser die ik niet ken, die me niets zegt, maar het gaat om hoe en wat er over die Duitser geschreven wordt, en als het geschrevene boeiend genoeg is, maakt het mij helemaal niet uit dat ik die Duitser niet ken, want na over hem – of haar natuurlijk – gelezen te hebben, ken ik hem immers wel. Daarnaast waren er nog zo een aantal ‘dingetjes’, meldde de Duitse redactrice. Bijna denk ik: blijft er nog wel iets van over? En: wordt het zo niet steeds meer een roman? Met fictieve namen, geredigeerd, een tikje gladgestreken misschien wel?

Ik meen zelfs te weten dat ‘Genehmigung‘ betekent dat er een ondertekend formulier aangeleverd dient te worden. Ik zie buurman Max en buurvrouw Margret al over zo’n formulier gebogen zitten, of Peter und Maria, of Ernst Görgen, Tierarzt Kuntze. Terwijl ik die namen hier zonder enig probleem op kan tikken. Wacht eens, Tierarzt Kuntze, over hem staat wel – weliswaar opgetekend uit de mond van Anton Dautzenberg – dat hij een ‘knollige Nase‘ heeft. Dat kan weleens tot een rechtszaak leiden, ja.

 

Buurman Fred

Ochtend. Buurman Klaus roept. Hij heeft een sleutel in zijn hand en vraagt me naar het huis van buurvrouw Weiers te gaan, want daar zijn kijkers. Nederlanders. Klaus zelf moet dringend weg en de Maklerin is te laat. Ik loop erheen en tref drie mensen aan, de deur staat open. Rotterdammers. Ik ga met ze het huis in, maar al snel komt de Vlaamse makelaar (v) aan. Daarna laat ik het, maar ik zeg wel dat ze van harte op de koffie uitgenodigd zijn na de bezichtiging. Dat doen ze.

Fred, zijn ex-vrouw en zijn jongste zoon. De namen van de ex-vrouw en de jongste zoon ben ik vergeten. Dat geeft niet want het huis is bedoeld voor Fred. Een potig ventje met een bril, hij draagt een strak hemd. Ik schat hem een jaar of 65. Ze praten alle drie sappig Rotterdams en het gesprek gaat over oom Henk waar ‘iets mee is gebeurd’, garageboxen en het oorverdovende lawaai in Rotterdam. Fred was vooral erg gecharmeerd van de schuur, daar zag hij zijn ‘werkplaats’ al voor zich, en in een hoek stond al zijn Harley-Davidson. Hij bleef hardnekkig ‘u’ tegen me zeggen. Hij zit boordevol vragen en ze willen erg graag ook even de tuin zien. Zelfs achter het huis, waar ik bezig ben de boel te fatsoeneren, gaan zijn gedachten alle kanten op, nu over de achterkant van wat zijn huis moet worden. Hij zou het ook kunnen afvlakken, flink wat bomen weg. Fred en zoon zijn kettingrokers. Ze willen alle drie suiker en melk in de koffie. Fred is aardig, misschien was hij havenarbeider, dat heb ik niet gevraagd. Ze hadden meteen gehoord dat ik uit Amsterdam kwam. ‘Nou, Amsterdam,’ zeg ik, en daar laat ik het bij. De ex-vrouw wil naar de wc, of dat mag? Natuurlijk mag dat. ‘Dat is een fijne badkamer, zeg!’ roept ze als ze weer naar buiten komt. Dan is het tijd te vertrekken. Fred heeft heel wat te overdenken op de terugweg, zegt zijn jongste zoon.

Later zei ik tegen buurman Klaus dat ik bíjna mijn hoed op zou eten als Fred het huis niet koopt. Bíjna, maar niet helemaal, want de verkoop van het huis van buurvrouw Weiers is al vaker afgeketst. Fred. Ik zag hem wel zitten als buurman. Hij had zin in alles. In vogelgekwetter in de ochtend, in het opknappen van de oude gebinten, de heg voor het huis had hij al voor de helft weggedacht en voor de lekke schoorstenen had hij ook al een oplossing. Buurman Fred. Voor een volgend Privédomein-deel. Een enorm voordeel: ik hoef zijn Duitse uitspraken niet op correctheid te laten controleren.

Op de afbeelding overigens Jasper die in een veel te kleine kartonnen doos gekropen is. Dat was de eerste dag hier in de Eifel. Hij was blijkbaar zo geschrokken wat hem allemaal overkwam, dat hij dacht: die doos daar, daar moet ik in, dan kan niemand me wat maken.

kultuurlandschap IV

Gisteren bezochten vriend Henk, hondje Bas en ik Pauline Slot, Pieter de Rijk en hondje Saar. Thee, rabarbercrumble. Ik had tegen Henk gezegd dat ik al wist hoe we terug zouden rijden: langs Weiβenseifen, daar waar al die kunsthippies zitten. Toen Pauline en Pieter dat hoorden, wilden ze ook mee. Het was zondag en het was er tamelijk druk. Het is de enige dag waarop het Waldcafé open is. Er was een tentoonstelling, houtsnedes van Joachim Mennicken. Een struise mevrouw in een pak had toezicht. Buiten stonden kunstwerken van hout, die had zij gemaakt. Er hing een tamelijk grote meerkleuren houtsnede met als titel Kulturlanschaft IV. Ik liep er een paar keer langs, luisterde niet naar wat de anderen bespraken of zeiden. Dan weet ik al hoe laat het is: Bakker gaat kunst kopen. Vooral de horizon van de houtsnede vond ik mooi, of beter: wat er áchter die horizon zou kunnen zijn. Een kluitje gebouwen in de verte. In de schrijfkamer zouden uitsluitend schuren komen te hangen. Inmiddels hangen er ook drie vogels. Het was dus hoog tijd om het originele idee in ere te herstellen, en ik zag in de gebouwen schuren (zie afbeelding). Ik mocht van de struise mevrouw zelf een rood stickertje op het Schildchen plakken. 50 euro aanbetalen en na 17 juli op te halen of eventueel langs laten brengen.

Later, we moesten een stuk terug lopen naar de auto’s, geeuwde ik overdreven. ‘O jee,’ zei ik, ‘deze kunstaankoop is me niet in de koude kleren gaan zitten.’ Kunst kopen blijft iets geweldigs, het gevoel dat je ervan krijgt. Wat heb ik gedaan? denk je. Ik word er altijd zenuwachtig van, als de koop al gesloten is. Niet vervelend zenuwachtig, misschien is opgewonden een beter woord. Vandaar dat gapen. Gapen als Shani Davis voor een 1000 meter. Gapen om de spanning te verdrijven. Later op de avond, België speelde tegen Hongarije, de glazen gin-tonic met komkommer op tafel, vroeg Henk of ik nog steeds tevreden was met mijn aankoop. ‘Welke aankoop?’ zei ik.

Quercus frainetto

Vandaag wordt het 32 graden. De zon schijnt. Het is hier vreselijk weer geweest, steeds maar regen en regen, de leemgrond in de tuin is vet en taai, geen land mee te bezeilen. Koud was het ook, vooral ’s nachts. Maar nu dus warm. En meteen begint het huis te zweten. Dat vind ik wel iets hebben. In Amsterdam merk je er niets van, het verschil tussen vorst en 25 graden. Hier wel: het huis reageert op allerlei weersgesteldheden. Zelfs het betonnen plafond van de Hauswirtschaftsraum is vochtig. Net zoals vroeger het betonnen trapje naar het melklokaal vochtig werd met broeierig weer. Meestal betekende een vochtig trapje regen.

Gisteren ben ik erg dronken geraakt. Dat schijnt vaker voor te komen tijdens Duitse begrafenissen. Toen ik om half elf ’s avonds thuiskwam, zag ik de eerste vuurvlieg van dit seizoen door de voortuin zweven. Ik herinnerde me dat ik tijdens het drinken door een raam keek van Gasthaus Zur Post en dat ik dacht: ik wil hier niet zitten drinken, ik wil nu met Jasper gaan lopen. Buurman Max is het gras dat hij gisteren gemaaid heeft met de hand aan het keren. Door het openstaande raam klinkt een of ander mechanisch tuingereedschap. Zomer. De eerste zomerdag hier. En het is 23 juni. Morgen schijnt het alweer te gaan onweren, zaterdag grijs en regen. Of ik ergens in november of december gastschrijver wilde zijn aan de universiteit in Berlijn? Ik heb de mail drie dagen onbeantwoord gelaten, schreef toen ontkennend terug. Twee weken in een grote stad, nee, daar word ik niet blij van. Een herfststad, ook dat nog. En bovendien, zo zei ik, ben ik van plan in november hier een nieuwe hond te hebben. Dan kun je niet weg.

Straks komen Pauline Slot en Pieter de Rijk langs. Dat is gezellig. Ik zal de lichtgroene tuinstoelen op het verhoogde terras zetten, daar is schaduw van de Hongaarse eik. Lommerrijke schaduw, die voelt heel anders dan een grote parasol boven je kop.

geen bramen meer

In de loop van de zomer, meer naar het einde dan in het midden, hadden Dakdekker Rudi en ik een soort competitie. Waarbij ik de nieuweling, de indringer was. Hij wist al jaren waar je in één klap de meeste en beste bramen kon halen. Ik ontdekte dat een keer toen ik met Jasper over het doodlopende weggetje langs de begraafplaats in Nimshuscheid liep. Het is een kwestie van afwachten, van je tijd kiezen: wanneer zijn de meeste rijp, wanneer sla ik toe. Vorig jaar was ik te laat. Ik was uitgerukt met een plukploeg, Tuinmaat Han en vriendin Syberthe en Jasper. ‘Godsamme,’ zei ik toen we er aankwamen, ‘hier hangt bijna niks meer!’ Uiteindelijk bleek het genoeg voor zes of zeven potten jam. Ik vertelde Rudi en Christa erover. Rudi glimlachte wat voor zich uit. ‘Wat?’ zei ik. Toen bleek dat hij degene was geweest die de bramen voor mijn neus had weggekaapt.

Een onschuldige competitie. Maar wel één die ik dit jaar best weer had willen aangaan. Want we hadden er lol om. Het hoeft en kan niet meer. Rudi hield trouwens het meest van rabarberjam, meen ik te weten. En die kon hij gratis en voor niets bij bossenvol uit mijn tuin halen.

Verder was ik gisteren zó gay, dat ik de arm van Guus Bauer heb afgelikt, terwijl ik hem alleen maar iets op de kaart wilde laten zien. Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos. ’s Avonds toen we Frankrijk – Zwitserland keken had ik uitsluitend oog voor konten, benen en goedgecoiffeerde koppies. ‘Jezus, wat voel ik me gay!’ riep ik. ‘Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos!’ riep Guus Bauer, die wat angstig op de bank zat, uit vrees dat ik hem weer zou gaan aflikken, in opdracht van Coen Peppelenbos. ‘Zal ik het allemaal ook maar opschrijven?’ vroeg ik Guus. ‘Ja, natuurlijk, dat is je taak!’ zei Guus. ‘Het moet immers van Coen Peppelenbos!’

Dat Coen het nog heeft over ‘uit de kast komen’ en ‘gay‘ mag hij natuurlijk op geen enkele manier op mij projecteren, alstublieft, dankuwel. Ik ben ik. Coen is Coen. Niets van wat ik ben of wat mij vormt verplicht me om een ‘standpunt’ in te nemen, ‘op de barricades te gaan staan’ of om me te conformeren aan een groep, aan welke groep dan ook. Misschien had Coen de mail die ik hem stuurde, waarin ik meldde dat ik vanwege te veel werk eraan niet mee wilde denken aan zijn lijst van ‘gay literatuur’, nog iets te vers in zijn hoofd toen hij zijn column schreef, en daarom dacht: ik ga zijn (mijn) naam erin zetten! Nee Coen, zo gaat dat niet.