Willoze wespen

Achter het huis staat een appelboom. Toen ik hier kwam, hing de toen nog tamelijk kleine boom scheef, verdrukt door andere bomen, op zoek naar ruimte en zonlicht. De andere bomen verdwenen, appelboompje bleef en ik bond een dik touw tussen de stam en een beuk. Daarmee trok ik hem min of meer recht trok. Dat wil zeggen: de stam, alle takken bleven zuidwaarts neigen. Ik snoeide hem zo nu en dan en zo langzamerhand lijkt het erop dat ik ooit een boom met een min of meer normale kroon ga krijgen. De appels zijn niet te vreten, dat is jammer. Kleine, groene dingen zijn het, met erg weinig smaak en erg sappig zijn ze ook niet. Geen idee hoe de appel heet. Het zijn er wel héél erg veel, bizar veel zelfs. Momenteel vallen ze af. Dat hij er nog staat, is omdat hij zo prachtig bloeit in het voorjaar.

Eergisteren toog ik naar achteren om die appels te verzamelen in een emmer. Al heel snel daalde ik weer af, want het zwierm er van de wespen. Ik ontdekte een nest, bovenin een telegraafpaal die er als ornament staat. Lekker, rul, mottig hout, met een dakje (een groene plantenschotel), daar houden ze wel van. Later, dacht ik. Om een uur of half acht ging ik er nog eens kijken. Geen wesp meer te bekennen. Het was nog steeds warm, en donker was het ook nog niet. Ik begon te rapen. Zo her en der kroop een versufte wesp, traag en doelloos. Als ik een appel pakte waar een wesp in zat, was dat geen enkel probleem: zelfs als het beest had gewild, was steken niet gelukt. Ik tilde voorzichtig de plantenschotel omhoog: tientallen wespen, ook al zo traag en tam. Wat is dat met die insecten? Moeten ze vóór donker binnen zijn? En zo niet, gaan ze dan dood in de nacht? Zijn ze aan het einde van een dag domweg doodop? Gisteren zag ik een dikke bij op een Sedum zitten, bijna donker was het. Hij deed alsof hij heen en weer scharrelde, misschien deed hij zelfs alsof hij nectar zoog, maar ik zag dat hij totaal versuft en lethargisch was. Als hij niet uitkeek, zou hij de hele nacht daar op die Sedum ‘Herbstfreude’ door moeten brengen, met alle gevaren van dien. Waar slapen wilde bijen? In een holle boomstam? In een insectenhotel? Wat weet ik toch eigenlijk weinig van insecten, feitelijk bijna niets. Deze staat van apathie had ik nooit eerder opgemerkt, en pas als je zoiets ziet, ga je je afvragen waarom het gebeurt of waar ze slapen.

Het is trouwens heerlijk nazomerweer in Schwarzbach. Een graad of 27, zon, windje, en ’s nachts moet bijna het dubbele dekbed weer uit de kast.

Trouw, vandaag

Een verjaardag op een camping. De ergste hitte voorbij, wolkenvelden in de lucht, schaapjes op een belendend weiland. Koffie en taart. Een busje waarin twee vrouwen eten aan het bereiden zijn, Italiaans eten. Car Paccio staat op de bus, dat is geinig gevonden. Campinggasten die belangstellend vanuit hun voortent naar de reuring kijken: kom Jan, wij nemen lekker nog een kopje koffie en laten we hopen dat dat feest niet tot diep in de nacht duurt en dat ze niet te hoog gaan met die drone, want Schiphol is niet ver weg. Eén van de verjaardagsgasten denkt me betrapt te hebben op een fout in een boek. Hij heeft een foto gemaakt van de betreffende bladzij, daar wordt naar het woord broertje verwezen met ‘dat’ en volgens hem moet dat toch echt ‘die’ zijn. ‘O, ja?’ zeg ik. ‘Zeg jij dan ook ‘het schaap die daar keihard wegloopt voor een hond’?’ Nee, dat zou hij niet zeggen. Dan komt het gesprek op dat of wat, waarmee de hele statafel zich bemoeit. ‘Het is iets wat,’ zeg ik. ‘Niet iets dat.’ En waarom dan wel niet? Dat weet ik niet, hap in een stuk vlaai. Iemand slaat een wesp van mijn oor. ‘Hou daar eens mee op!’ zeg ik. ‘Sla naar je eigen wespen!’ Later op de avond, het schemert al, lopen de schapen op het belendende weiland inderdaad keihard weg voor de hond van een van de verjaardagsgasten. Een Ierse terriër.

Er komt een vrouw tegenover me staan. Ze vertelt over haar zoon van 21, die schrijft alsof zijn leven er vanaf hangt. Ik voel de bui al hangen. ‘Ik heb hem net een whatsappje gestuurd dat ik hier met jou sta.’ ‘Ja?’ zeg ik. ‘Zou jij eens iets van hem willen lezen?’ ‘Nee,’ zeg ik. Ze is verbaasd. Nee? Waarom dan niet? ‘Dat interesseert me niet,’ zeg ik. ‘En bovendien, wat is daarvan dan de bedoeling? Moet ik hem raad geven? Moet ik zijn teksten redigeren? Moet ik hem aanbevelen bij mijn uitgever?’ O, ja, nee, nou, dat weet ze ook allemaal niet, maar ik zei wel heel erg snel en gedecideerd nee. ‘Omdat ik dat altijd doe,’ zeg ik. ‘Gewoon meteen nee zeggen.’ We drinken van onze witte wijn en dan komt er nog een toetje uit het busje: bekers tiramisu. Ik eet twee bekers en voer ondertussen het angstige redhondje van de vrouw dat vooral bang is van mannen stukjes brood, die hij volgens haar niet eet, maar uit mijn hand gretig naar binnen slokt. ‘Ik ga nooit een meer een boek van jou lezen,’ zegt de vrouw. ‘Dat kan mij helemaal niks schelen,’ zeg ik. ‘Denk je nou echt dat ik daar wakker van lig?’ Het gesprek is luchtig, maar toch komen allerlei boodschappen over.

Later vertrekt een stel waarvan de vrouw in de boekhandel in Hippolytushoef werkt, één dag in de week. Of ik niet eens daar een lezing kan komen doen? Wieringen is toch een soort van thuisgrond, er zal belangstelling zijn. Ik hou erg van Wieringen, als ik in het buitenland ben en onverhoeds heimwee krijg, is dat vaak naar Wieringen, hoewel ik daar helemaal niet geboren ben, het niet mijn heim is. ‘Best,’ zeg ik en sla het zoveelste glas witte wijn naar binnen. ‘Dat kost trouwens wel 500 euro.’ Ze ik zie aan haar blik dat ze grappend wil zeggen dat ik het moet zien als een vergroting van mijn naamsbekendheid, maar doet dat wijselijk niet. Schielijk fietsen ze de camping af, de inmiddels donkere augustusnacht tegemoet. Schrijvers, werkelijk geen land mee te bezeilen…

Het mysterie van de maagzuurremmers II

Ik fietste inderdaad gistermiddag naar de IJburglaan in Amsterdam. Nummer 727. Daar zit de BENU apotheek waar ik mijn recept zou hebben opgehaald. Het was er rustig, dat was goed. Ik vertelde wat er aan de hand was, liet de medewerkster de nota’s van Famed B.V. zien. Ook vertelde ik haar dat dit de eerste keer was dat ik in haar apotheek stond en dat ik door navraag wist dat mijn huisarts me niets had voorgeschreven op de 29e juni. Tot mijn stomme verbazing kreeg ze binnen de kortste keren op haar computerscherm een gedigitaliseerd recept. Op mijn naam, geboortedatum, adres en BSN-nummer incluis, met de naam van mijn nieuwe huisarts. De datum die erop stond was 29.6.2018. ‘Dat kan niet!’ zei ik. ‘En toch is hier een recept,’ zei ze. ‘Hoe kan dit?’ vroeg ik. Niemand wist hoe dat kon. ‘Het ziet er een beetje vreemd uit,’ zei ze, ‘er zijn stickers overheen geplakt.’ Ze maakte een schermafbeelding van het gedigitaliseerde recept voor me en printte die uit. Na nog wat heen en weer praten zei ze: ‘Maar dit recept is niet afgegeven, er staat geen handtekening op.’ Daar heb ik een steekje laten vallen, ik heb niet gevraagd – voor zover ze dat nog zou kunnen nagaan – hoe het recept bij de apotheek was terechtgekomen. Ik had kunnen vragen: met wie? Dan had zij gezegd, nou, met u, uw naam staat op dit recept. Omdat het recept niet was afgegeven, ik bedoel: omdat het geneesmiddel niet was meegenomen of afgehaald, bepaalde een andere medewerkster dat zij ervoor zou zorgen dat de nota van Famed B.V. zou worden ingetrokken. Ze hield de tweede nota, de zogenaamde ‘gehandhaafde nota’. Ik vroeg om een kopie. Die heb ik niet gekregen, maar dat is mijn eigen schuld, ik vroeg het maar één keer en ik wilde niet overkomen als een verwarde man.

Direct daarop fietste ik naar de praktijk van mijn nieuwe huisarts, die is daar vlakbij. Er zat een mij onbekende receptioniste, dat was niet raar, ik kwam er voor de tweede keer. Ik vertelde wat er aan de hand was en liet haar de kopie van het recept zien. Zij keek in haar computer, zei net als eerder toen ik opgebeld had dat de huisarts mij niets had voorgeschreven en las in het medisch dossier dat er tijdens ons gesprek niets over een maag of maagzuurremmers gezegd was. Daarna keek ze eens goed naar het recept. ‘Dit ziet er vreemd uit,’ zei ze. ‘Dit lijkt niet op een receptbriefje van dokter ***’. Ze zag ook de stickers die er op geplakt waren. Misschien wel óver iets heen, maar dat kun je aan een uitgeprinte schermafbeelding van een gedigitaliseerd receptbriefje niet zien. ‘Maar hoe kan dit dan?’ vroeg ik. ‘Er zal een fout gemaakt zijn bij de apotheek,’ zei ze. ‘Vervelend.’ Daar heb ik weer een steekje laten vallen. Ik had haar moeten vragen hoe het mogelijk is dat een recept met mijn naam en gegevens erop vanuit hun praktijk bij de apotheek terechtgekomen kan zijn. Ik had moeten aanhouden. ‘Heel vervelend,’ zei ze nog eens, ‘van die dingen met je naam erop terwijl je van niets weet.’

De apotheek verwees naar de huisarts, de huisarts verwees naar de apotheek. De fout lag, vonden ze allebei, bij de ander. Nu ik nog eens goed naar het recept kijk, zie ik dat er bij de datum ook een tijd staat: 13:51. Mijn afspraak die ochtend was om 08:10 uur. Nog een aanwijzing dat ik er niks mee te maken had, want anders zou ik voor negenen dat recept al hebben opgehaald. Die tijd, daar zou nog iets mee kunnen: wie vertrok er rond enen, iets later misschien, bij dokter *** met een recept voor Omeprazol in zijn of haar hand richting BENU apotheek aan de IJburglaan 727? Iemand, ergens – mogelijk in de huisartspraktijk of in de apotheek – heeft een recept vervalst. Waarom in godsnaam? Wie wint daar iets bij? Het gaat niet om goudstaven of diamanten, het gaat om een onschuldige maagzuurremmer die 16,10 euro kost.

Op het recept staat ook: Eerste uitgifte. Geef duidelijk uitleg en zonodig instructies. Wat is dat eigenlijk voor een middel? Is het iets waarvoor je een receptenbriefje zou vervalsen om het te bemachtigen? Is het wel onschuldig? Had iemand heel nodig Omeprazol nodig? Opvallend is dat er geen fabrikantnaam bij staat. Niet Sandoz of Actavis of welke fabrikant dan ook. Ik kan op internet niks vreemds vinden over het middel. Ja, mensen die klagen over vreselijke bijwerkingen, maar ook mensen die er tevreden mee zijn. Niets dat wijst op een speciale werking of eigenschap van het geneesmiddel. Niets wat erop wijst dat iemand een reden zou hebben een recept te vervalsen.

Dat ik die nota niet hoef te betalen, dat kan me niks schelen en bovendien moet ik dat eerst nog maar eens afwachten: wat gaat Famed B.V. doen? Maar een heel goeie Sherlock Holmes ben ik niet; ik vroeg niet genoeg door, zit nu nog met vragen (vooral die ene: hoe het recept bij de apotheek terechtgekomen is, al dan niet vanuit de huisartsenpraktijk) en een theorie heb ik ook niet. Ik kan niet verklaren waarom dit gebeurd is. Ik ben geen complotdenker, het idee dat dit misschien wel schering en inslag is binnen de kring van huisartsen, apothekers en Famed B.V. om op een slinkse manier extra geld te verdienen vind ik lachwekkend. Maar wie weet hoeveel onterechte nota’s er elke dag op de mat van Nederlanders vallen? En hoeveel mensen zonder nadenken – we gaan allemaal weleens naar de dokter en vervolgens naar de apotheek – die nota’s betalen? Nota’s voor geneesmiddelen waarvan op alle receptenbriefjes mogelijk een handtekening of paraaf ontbreekt. Niet afgegeven, wel geïncasseerd. Ik kan het me niet voorstellen, je kijkt toch altijd – en zo begon het balletje bij mij te rollen – wáár je voor betaalt en ik herkende dat middel niet.

Van Stichting De Sportwereld nog geen nieuws. Maar ik heb hoe dan ook keihard bewijs dat ik de contributie meer dan twee maanden geleden al betaald heb. Dat is fijn. Duidelijkheid.

Het mysterie van de maagzuurremmers

Ik zit momenteel met twee betalingsdingetjes. Eén van Stichting De Sportwereld, die – zonder het woord ‘stichting’ – een gelijknamig blad uitgeeft over geschiedenis en achtergronden van de sport. Die heb ik ergens vorig jaar een machtigingsformulier gestuurd zodat ze de contributie – 25 euro per jaar – automatisch kunnen afschrijven. Op 21 juni van dit jaar is dat bedrag afgeschreven van mijn bankrekening. Inmiddels heb ik een betalingsherinnering gekregen om het bedrag over te maken, dat is dus een tweede oproep én een oproep de stichting te machtigen het bedrag te mogen overschrijven. Ik wijdde er maar weer een mailtje aan: dat alles allang in orde is, daarbij verwijzend naar een mail die ik na het ontvangen van het eerste betalingsverzoek verstuurde. Het is net of wat ik mail niet aankomt, of dat de Gerbrand Bakker die zij aanschrijven iemand anders is.

Dat gevoel speelt bij het tweede betalingsdingetje nog sterker. Ik kreeg van Famed B.V. in juli een nota. Famed is een bedrijf dat de facturatie en het debiteurenbeheer voor BENU Apotheken verzorgt. De nota was voor dertig stuks Omeprazol capsules 40MG, 16,10 euro. Die zou ik voorgeschreven hebben gekregen door mijn – nieuwe – huisarts en op 29.06.2018 hebben afgehaald bij een apotheek aan de IJburglaan in Amsterdam. Ik mailde Famed B.V. dat ik nooit een middel tegen maagzuur nodig heb gehad, noch voorgeschreven heb gekregen en dat ik nog nooit een voet had gezet in de betreffende apotheek omdat dat mijn apotheek helemaal niet is. Ik checkte het bij de receptie van de huisarts, je weet maar nooit. Niets had ik voorgeschreven gekregen, meldde de receptioniste me. Zonder recept geen middel bij de apotheek. Inmiddels kreeg ik een zogenaamde ‘gehandhaafde nota’ van Famed B.V. Ik mailde Famed B.V. opnieuw, met in de mail die ijzersterke redenatie: niets voorgeschreven door huisarts, dus hoe kan ik dat middel bij de betreffende apotheek opgehaald hebben? Eén telefoontje naar de huisarts van Famed B.V. zou voldoen om deze ‘gehandhaafde nota’ nietig te maken.

Wie heeft op 29 juni 2018 bij de BENU Apotheek aan de IJburglaan maagzuurremmers afgehaald? Ik had die dag om 08:10 uur een eerste afspraak met de voor mij nieuwe huisarts. Dat is wel erg toevallig. Wat is daar misgegaan? Ik heb niets voorgeschreven gekregen, maar stel nu dat een andere patiënt die dag wél Omeprazol voorgeschreven heeft gekregen, hoe kan de apotheek het geneesmiddel dan op mijn naam hebben afgegeven? En stel dat ik het wél gedaan zou hebben, gewoon op eigen houtje, dus zonder recept (ik kom er niet goed achter of die 40MG-capsules vrij verkrijgbaar zijn), zou ik ter plekke hebben moeten betalen, en is er geen reden om er nog eens een nota achteraan te sturen. Ik heb alleen de huisarts gebeld, niet de apotheek. Dat zou ik nog kunnen proberen. Het is een soort detective. Ik krijg ineens zelfs zin gewoon naar die apotheek te fietsen, met de nota’s, en dit tot op de bodem uit te zoeken.

Dode meeuw en bitter lemon

Gisteren zei Esther Scheldwacht, die Arkadina speelt in De meeuw van Tsjechov: ‘Dat is goed. Alles mag en alles kan. Sinds ik dat besef, gaan de dingen een stuk makkelijker.’ Ze zei dat omdat ik het zelf eerst zei. Ik sprak haar kort na afloop van het stuk dat in het Amsterdamse Bos wordt gespeeld. Zij zag mij, gelukkig, zodat ik mezelf niet op hoefde te dringen in het groepje acteurs dat bij elkaar stond, de meesten met niet-alcoholische dranken in de hand. Opdringen voelt niet goed. Ik ken Esther omdat zij één of twee toneelstukken heeft geregisseerd waarin ik speelde. Lang geleden. Ze was steengoed, sommige acteurs lijken gemáákt voor de rol die ze spelen.

Ik zei ‘alles mag en alles kan’ toen ik vertelde over schrijven, op haar vraag of ik nog lekker aan het schrijven was. ‘Nou, lekker,’ zei ik. ‘Ik heb in tien jaar tijd geen roman geschreven.’ Dat is de waarheid. Er zijn wel dingen uitgekomen – Jasper en zijn knecht en Rotgrond bestaat niet – maar romans kun je die twee boeken niet noemen. En ik bén aan het schrijven, maar op een heel aparte manier, met grote onderbrekingen, niet voluit, aarzelend, alsof het het eerste boek is dat ik aan het maken ben. Ontevreden ook natuurlijk, maar daarvan heb ik wel geleerd dat dat absoluut geen graadmeter is voor de kwaliteit. Dat vertelde ik haar niet, maar ik zei dat ik mezelf continu voorhoud dat alles mag en alles kan. Ik lees de laatste tijd zulke boeken, van Lieke Marsman bijvoorbeeld, of van Maarten van der Graaff.

Het was een beetje ongemakkelijk, ons gesprek. Het stokte en trok zich weer in gang en Esther was een beetje misselijk. Ik was niet misselijk en ik stond er met een glas bitter lemon. Omdat ik later, thuis, voor het eerst een halve pil zou innemen waarbij het advies is geen alcohol te drinken. Een mislukt antidepressivum met een bijwerking die wel fijn is voor veel mensen: slaperigheid. Ik slaap erg slecht. Daarover had ik geklaagd bij de therapeut en omdat mijn therapeut psychiater is, mag hij medicijnen voorschrijven. Het zit me niet helemaal lekker, bijna een jaar geleden ben ik gestopt met mijn antidepressivum en nu begin ik er toch weer mee, al werd me verzekerd dat het middel – ik zal de naam niet noemen – weinig tot niets doet, behalve die bijwerking dus. Maar misschien moet ik in dit geval ook ‘alles mag en alles kan’ denken. Of ‘baat het niet, schaadt het niet’.

Alle mag en alles kan. Als je aan het schrijven bent. Jij bepaalt wat en hoe. Alles wat er uit je pen vloeit is van waarde, in elk geval voor jezelf. ‘Ik word er zelf nog akeliger van dan ik me al voel,’ had ik een paar uur eerder tegen de therapeut gezegd. ‘Dat is niet goed,’ zei hij, ‘want ik moet het straks lezen.’ Dat ik er zelf akelig van word, maakt het niet makkelijker, maar omdat alles mag en alles kan, is dat mogelijk te verhelpen, kan ik van iets dat akelig is of dreigt te gaan worden, iets moois en hoopvols en grappigs maken. Iets wat me beter doet voelen en, bij uitbreiding, eventueel later een lezer. Dat alles mag, houdt bijvoorbeeld in dat je een heel stuk gewoon overslaat, ongeschreven laat. Hoofdstuk 16 beëindigen en dan een dikke, vette 2 en hop voort met het verhaal, maar dan dagen of weken later. Het kan. Het mag. Zo los ik ook seksscènes op: gewoon twee of drie witregels.

De pil deed niets. Komende nacht nog eens proberen en bij nog niks kappen. Jammer dan.

 

Muur en gerookte kip

Dit is de laatste dag, hou ik mezelf voor. Nog één dag 35 graden trotseren en vanaf woensdag, maar vooral vanaf donderdag, zal het beter zijn. Trouwens: in mijn Eifelkeuken wordt het zelden warmer dan 23 graden, dat is dan weer een voordeel van een huis dat ín een berg gebouwd is. En wat een heerlijkheid dat er op de tv vanaf half 6 ’s avonds weer volop sport is! Naar sport mag je altijd kijken, vind ik, wanneer dan ook, bij welk weer dan ook en dat komt nu goed uit. Pas na zevenen is het doenlijk om in de tuin te rotzooien. Zwemmen, turnen, baan- en wegwielrennen, roeien, atletiek. Hebben ze dat met opzet gedaan, al die EK’s tegelijkertijd? Daar lijkt het wel op, met vier ervan in dezelfde stad, Glasgow. Alleen de atletiek is in Berlijn. Iedereen daar in Schotland heeft geluk, het is er zeer aangenaam, soms zelfs maar 17 graden. De atleten moeten net als alle niet-roeiers, -turners, -wielrenners en -zwemmers nog even doorbijten. Glasgow is trouwens een prachtige stad. Berlijn vind ik persoonlijk géén prachtige stad, maar dat komt geloof ik omdat ik er meestal in grauwe, koude jaargetijden ben. November. Februari.

De muur staat er nog steeds zo bij als twee weken geleden. Er moeten nog twee dingen gebeuren: er moet elektriciteit naartoe, voor twee buitenlampen en een stopcontact, en er moet nog worden gestuct. Verputzt, zeggen ze hier. Dat eerste zal wel goedkomen, dat doet loodgieter Lothar. Eigenlijk wil ik een gladde muur, dat wil zeggen: zonder enige Körnung. Als ik dat zeg, begint iedereen meteen moeilijk te kijken, want hier houden ze erg van structuur. Onmogelijk, krijg ik te horen. Ik wéét dat het niet onmogelijk is, ik heb zat huizen en muren gezien die gewoon glad zijn gestuct, in Nederland dan. En dan kan het mijn muur zijn – mijn muur, mijn huis, mijn tuin -, het doorzetten van wat ik wil, zal niet zonder slag of stoot gaan. Dat heb ik inmiddels wel geleerd. Ik kan bij de Edeka in Schönecken ook geen gerookte kip krijgen, zo is het nou eenmaal. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ zei een medewerkster vanochtend toen ik er naar vroeg. Als je dan zegt dat het in Nederland tamelijk normaal is om in een supermarkt gerookte kip te kunnen kopen, kijken ze je vol ongeloof aan. Maar als ze het eens zouden eten, verandert dat misschien. (Het is me ook gelukt gin in het drankenassortiment van de Edeka in Schönecken te krijgen; je moet er gewoon een paar keer naar vragen.) Zo moet ik het aanpakken van die muur ook zien. Zo zouden zíj idealiter het aanpakken van de muur moeten zien. Iets nieuws, iets anders, verrek, dat is nog eens een fijne klus! Wordt vervolgd.

Na de grote hitte

Zondagochtend. Van beneden klinken luide geeuwgeluiden, dat is nieuw. Het is kwart over acht. Elvis blijft altijd gewoon liggen totdat ik naar beneden kom, maar nu is hij zo te horen onrustig. Ik ga uit bed, de trap af en daar staat hij al. Deur open, hond naar buiten. Ik zet koffie, draai een sjekkie. Elvis blijft heen en weer lopen en even later zie ik hem door het keukenraam de achterhand omlaag brengen. Aha. Het beest moest zó nodig poepen dat hij geprobeerd heeft me te waarschuwen. Ik moet hem dus niet meer verleiden nóg meer te eten dan de twee keer per dag een halve bak, wat voor hem al een geweldige prestatie is. Dit is waarschijnlijk vanwege het extraatje dat ik hem gisteravond laat nog gaf.

Een uurtje later ruim ik de boel op met de troffel die speciaal voor dit soort gevallen in de afgezaagde sierkers hangt. Met de sproeier het gras flink afgespoeld en niemand die het nog ziet. Buurman Rinus is aan de rand van zijn tuin bezig, hij staat op het landje naast zijn Hof en draagt zijn felblauwe shirt. Dan is hij altijd erg goed te zien. Ik kan van waar ik sta niet zien wat hij aan het doen is. Buurman Max plukt iets, samen met een kleinzoon. Op het steile weitje achter zijn huis staan vier bomen op een rij. Een appel, een peer, een pruim en nog iets. Ik neem aan dat ze pruimen aan het plukken zijn. Van die donkerblauwe, ik heb ze ook en een paar dagen geleden stond ik ’s avonds pruimenjam te koken omdat alle pruimen vanwege een enorme regen- en hagelbui uit de boom gevallen waren. De eerste pruimenjam ooit, het boompje dat voor het raam van de schrijfruimte staat droeg nooit eerder. Hoe dat kan, geen idee. Er was dit jaar ook een overmaat aan zure kersen, ik plukte het boompje onlangs kaal met Anton Dautzenberg en zijn moeder. Dat leverde ook vijf potten jam op. Sauerkirsch. ‘Morellen’ heten die in het Nederlands, of ‘krieken’, zie afbeelding.

En nog steeds is het zondagochtend. Ik wacht op een berichtje van een vriendin. Óf ze komt met de auto óf ze komt met de trein. Die laatste optie is gewaagd, ze reist vanuit het hoge noorden en de trein stopt niet voor mijn huis en onderweg zijn ongetwijfeld rails uitgezet of kromgetrokken. Gisteren was één van de berichten: “Op de fiets?” nadat ik geschreven had dat station Densborn 13 kilometer verderop ligt. Op de fiets. Wiens fiets? Mijn fiets? Maar die staat hier in de Hauswirtschaftsraum. Moet ik met twee fietsen daarheen? Twee bergen over? Buurman Klaus maakt de grill schoon, dan kan-ie straks aan, het is immers zondag, het is immers mooi weer, dus er wordt gegrilld. Mooi weer, een graad of 23, beetje bewolkt, een aardig windje. Gisteren eindelijk weer eens in de tuin gewerkt, dat kon, de temperatuur nodigde ertoe uit. Elvis heeft zich inmiddels behaaglijk uitgestrekt op het balkon, nadat hij over de rand heeft gekeken wie daar aan het praten is. Hij zucht tevreden. Er rijden twee wielrenners langs, ook daarvoor is de temperatuur weer geschikt, wielrennen. De échte wielrenners rijden vandaag naar Parijs.