Knuffig

‘Nee, je moet ze met rust laten,’ zeggen alle zogenaamde ‘wespendeskundigen’ danwel ‘-liefhebbers’ op de tv. ‘Eventueel met rustige armbewegingen verjagen.’ Nou, de wespen die dit jaar rondvliegen zijn strontvervelende, agressieve, opdringerige insecten. Zelfs als je ze niks doet, blijven ze rond je hoofd cirkelen en proberen ze op je lippen te gaan zitten of zelfs in je neus te kruipen. Ik wil nu dus alleen nog maar wespen doodmaken. Zo veel mogelijk. Maar waar ik geen rekening had gehouden, is dat wespen ook best vaak op de grond zitten. Gisteren stapte ik er op één, en die stak me onmiddellijk onder mijn rechter grote teen. Eerst dacht ik nog even dat ik op een hulstblad gestapt was, maar al snel werd die grote teen keihard en inmiddels heb ik een olifantsvoet. Of, accurater nog, een enorm uitvergroot babyvoetje. Het tintelt tot aan de rechterknie. Stel je voor dat zo’n beest je in de hals steekt! Ik heb nu, voor de tweede keer, een ijsklont in een sok gestopt en die sok aangetrokken. Dat verlicht enigszins. Heel angstig is ook dat Floris een hekel heeft aan die beesten en haar uiterste best doet ze te vangen.

Verder gebeurt hier he-le-maal niks. We ondergaan de droogste juli sinds 70 jaar. Gisteren was er een tijdje een kuifmees rondom het vogelvoederstation. Drie dagen geleden wilde een eekhoorntje het huis binnen lopen. We gingen gisteravond uit eten bij die leuke homojongens in Dudeldorf en ik maakte de ene, die bediende, bozig door te zeggen hoe fijn het me leek dat het er goot van de regen. Dat vond hij natuurlijk niet, gezien alle doordrenkte gedekte couverts buiten. Wij zaten onder een grote, witte partytent. Aan een belendende tafel zaten vier mannen waarvan er één continu aan het woord was. Daar erger ik me altijd bovenmatig aan. Eén iemand die praat. En bij thuiskomst bleek, vanzelfsprekend, dat er in Schwarzbach geen druppel gevallen was. Het was een nogal lokale, fikse onweersbui geweest. 

Ik verspil honderden liters water om de tuin enigszins toonbaar te houden en om het hondenzwembadje regelmatig van verse, koude inhoud te voorzien. De courgettes groeien beangstigend hard, het is bijna een horrorfilm achter het huis. Er vallen talloze pruimen van de pruimenboom, maar de pruimen die er nog aan zitten zijn nog niet rijp, dus ik kan (nog) geen pruimenjam maken. Er donderen ook al onrijpe, keiharde peren uit de perenboom, wat het zitten op het larixhouten terras levensgevaarlijk maakt en zo’n beetje alle bomen laten al blad los, om zichzelf door deze kurkdroge periode heen te slepen. Het streepje bij de T vervaagt eindelijk, maar dat mag ook wel eens, want 16 dagen geleden waren beide strepen voor het eerst bloedrood. M. is tot op de dag van vandaag verschoond gebleven van Corona. Het is vanavond Biermeile in Nimshuscheid: meer dan 20 soorten bier en DJ Alex verzorgt de muziek. Eintritt frei. In de Schönecker Schweiz is nu een Lamawanderung bezig. Lekker lopen met knuffigen und neugierigen lama’s. Daar schijn je helemaal rustig van de worden.

Zomercorona

Isolatie, wat houdt dat eigenlijk in? Ik begrijp dat ik niet naar de Albert Heijn kan en mag en ook dat ik uit de buurt van anderen moet blijven. Maar ik mag toch wel een rondje lopen met Floris? Gisteren reden we naar de dijk bij Durgerdam omdat daar zo’n fijn strandje is, waar Floris makkelijk in en uit het IJsselmeer kan. Er lagen twee jonge vrouwen met blote borsten. Dat vonden we wel vreemd, de vorige keer was hier niemand. Bovendien vond ik het ook ongepast, ergens. Komt dat door de nieuwe tijd waarin we leven? Of door de aparte plek, een plek waar je niet zomaar meisjes met blote borsten verwacht? Bijna wilde ik zeggen: ‘Kunnen jullie niet even iets aantrekken, ik voel me niet veilig.’ Hoe dan ook, Floris trok zich er niets van aan, al keek ze wel verstoord toen de meisjes – inmiddels met bovenstukjes aan – gingen zwemmen en lastig in de weg liepen. Ze hadden een klein plastic bootje aan een touwtje bij zich. Heel kinderachtig. Ik vroeg me af wat ze van ons dachten. Twee middelbare mannen met een hond en een bal, op hún halfnudistenplekje. We liepen ook nog een stukje op de dijk richting Durgerdam en toen weer terug. We kochten een ijsje bij Bikes & Bites, een mobiel kraampje dat er op het parkeerplaatsje staat. En voor je (ik) het wist, kom je dan toch weer best dicht bij anderen in de buurt. Het was in elk geval geen opperste isolatie.

Vandaag zouden we naar Denemarken. Met de auto, dus op zich is dat makkelijk niet te doen en de twee alvast gereserveerde vakantiehuisjes waren ook makkelijk af te zeggen, zonder kosten zelfs. We besparen enorm veel geld. Stel je voor wat een gin-tonic daar kost! (Maar die hadden we natuurlijk in de kofferbak meegenomen.) Ik mag in elk geval tot dinsdag nergens heen. En dan maar kijken wanneer ik mezelf kan freitesten. M. heeft niets. Dat verbaast ons, een beetje. Ik heb anderhalve dag koorts gehad, het ergst was het in Neuss, waar ik donderdagmiddag een test deed die negatief was en donderdagavond een lezing gaf. Ik voelde me niet helemaal oké, maar vrijdagochtend pas gaf het witte staafje twee streepjes aan. Toen we in een rechte lijn naar Amsterdam reden, kon ik nog steeds de winegums die we in de auto altijd eten proeven. Blijkbaar krijgt iedereen het op zijn of haar eigen manier. ’s Avonds voor het slapengaan neem ik twee paracetamollen en ook die bittere smaak proef ik als ik ze kapot kauw. Geen idee waar ik het opgelopen heb. Dat moet ergens in de Eifel geweest zijn. Mogelijk in restaurant Krautscheider Hof waar we vorige week zaterdag aten en waar ik na het eten een dik uur aan de bar heb rondgehangen omdat we er alleen contant konden betalen. M. in de auto op zoek naar een geldautomaat en ik dus aan die bar, wachtend en gratis drankjes drinkend, omdat ze zich schuldig voelden. ‘Ik kom hier nooit weer!’ riep M. woest toen we er eindelijk wegreden. ‘Ik vond het wel gezellig,’ zei ik. Dat was erg gemeen van mij, want ik had niet een dik uur in de auto gezeten, geen weigerachtige geldautomaten meegemaakt en bijna zonder benzine gezeten. Maar goed, ik heb het nu. En hij niet.

Dansende mannen

Van alle kunstzinnige dingen die de mens heeft uitgevonden, is het synchroon dansen van een stuk of vijfentwintig mannen wel het allermooiste. Let wel, vijfentwintig vrouwen die tegelijk hetzelfde doen is ook mooi, maar toch net niet zo mooi als vijfentwintig mannen bij elkaar. Vind ik. Daar verbleekt alles bij. Oorlog en VredeHet BureauDe Schreeuw van Munch of De Stier van Potter, welke film dan ook, alle beelden van Barbara Hepworth en zelfs Cat on a hot tin roof of A streetcar named Desire. Ik vermoed dat ik voor het eerst mannen gelijk zag dansen in een van die montagestukken van Gerard-Jan Rijnders uit de jaren ’80. Ze droegen donkerleren rokken. (In die tijd was ik ook smoorverliefd op Clint Farha, de sterdanser van Het Nationaal Ballet. Die kon me daar een partij gekweld kijken! En hij kon natuurlijk ook erg goed dansen.) Het bracht bij mij een ontroering teweeg zonder weerga. Ontroering en troost. Gisteravond kwam ik, terwijl M. beneden de afwas aan het doen was, op Youtube op de een of andere manier terecht bij een balletuitvoering van de Boléro. Nu kun je van de Boléro zeggen dat dat een klassiek stuk is dat gelijkstaat aan een afbeelding van Frida Kahlo, die opwaaiende rokfoto van Marilyn Monroe of de net als Farha gekweld kijkende James Dean, zó wereldwijd iconisch dat het vreselijk kitsch en cliché is geworden, maar als je er eens rustig en open voor gaat zitten is het een prachtig stuk muziek. En daar dansten zo’n vijfentwintig mannen op. Eén had de hoofdrol, dansend op een rode, ronde verhoging en de anderen voegden zich naarmate de muziek vorderde bij hem. Dertig halfnaakte mannen in een naar een climax toewerkend pompend ritme. De choreografie is van Maurice Béjart (1927 – 2007). Als je een kwartiertje tijd hebt, hier is het te zien.  [Op de afbeelding Ravel, niet Béjart.]

Paardenburg

Gisteravond net als een jaar geleden gegeten bij Paardenburg in Ouderkerk aan de Amstel. Onze Amerikaganger komt dan voor een paar weken over uit de Verenigde Staten en om dat te vieren verzamelt een groep oud-schaatsers zich. Gisteren gingen ze eerst nog een rondje fietsen ook. ‘Ze’, ik dus niet, terwijl mijn gloednieuwe racefiets hier in de box staat. Ik weet niet precies waarom niet. Het idee van omkleden, gedoe, zit er vermoed ik achter. Wel fietste ik op de stadsfiets naar Ouderkerk, en dat is een afstand van een kilometer of twaalf. Ik zat dus als eerste aan de lange tafel die voor ons gereserveerd was, buiten. De fietsgroep was inmiddels ook teruggekeerd. Ik zag ze in de tuin van een andere vriend, pal tegenover Paardenburg, aan de overkant van de Amstel, heen en weer lopen. Een paar sprongen in de Amstel, twee ervan zwommen naar mij toe. ‘Denken jullie dat je daar schoon van wordt?’ riep ik, nippend van mijn koude bier. Nee, schoon niet, wel iets frisser. Een bootje was kort daarvoor aangemeerd aan de Paardenburgsteiger. Een grote meeuw pikte eten uit een tas die achtergelaten was. Later bleek het een groep Russen te zijn, tegen wie ik ernstig zei: ‘Don’t leave food in your boat. These seagulls are very agressive.’ Daarna vroeg ik aan de tafel: ‘Moeten we die Russen nu in het water gooien?’ Nee, vond iemand, die boot moest aan de ketting.

Vervolgens lijkt zo’n avond natuurlijk erg veel op Ventoux van Bert Wagendorp. De verfilming. Groep schaatsers/fietsers verzamelt zich dertig jaar na dato, alleen is er bij ons geen sprake van ‘dato’, bij ons is vroeger niet iets ergs gebeurd. Wel waren we tamelijk luid, bijna net zo luid als al die jongelui op boten die bij mooi weer op de Amstel varen. Dronken, muziek, zingen, alsof zij de enige boot op de hele wereld zijn. Alsof zij na al die corona-ellende nu recht hebben op uitspattingen. Het werd iets frisser, maar niet koud. We aten kip of ossenhaassukade of vis. Niet iedereen dronk alcohol. Het ging over van alles en over niets. Koetjes en kalfjes. Ditjes en datjes. Een zomeravond met oude vrienden, die afgesloten werd bij die vriend aan de overkant van de Amstel, want daar stonden de fietsen nog en sommigen moesten in het donker nog naar huis en de vrouw des huizes wilde ons vast nog graag even zien. We dronken er een likeurtje, het begon zachtjes te regenen, maar niet hard genoeg om naar binnen te gaan. Ik zei dat de berk die er in de tuin staat bezig was dood te gaan. ‘Nee toch?’ zei de vrouw van de vriend. ‘Om die boom hebben we ooit het huis gekocht!’ Nou ja, zei ik toen, misschien heeft-ie gewoon even een slecht jaar, dat kan ook nog. ‘Tot volgend jaar!’, riepen de meest dramatische vrienden. De Amerikaganger moest nu toch echt haast maken, want zijn oude moeder zat op hem te wachten omdat hij de sleutel vergeten was.  De vriend met wie ik samen terug fietste, zei: ‘Dat is toch vreemd, je ziet elkaar bijna nooit meer, maar het is alsof alles vorige week was.’ En we merkten maar weer eens dat fietsen in het donker veel makkelijker en sneller gaat dan fietsen als het licht is.

Wilde hond

Gisteren ging Floris iets te wild tekeer in een taxusvierkant in de tuin van Museum Het Hannemahuis in Harlingen. Ik merkte het wel, vanuit een ooghoek, maar het waren vooral twee mensen die aan de rand van ons gesprekgroepje stonden die me erop wezen. ‘Waarom roep jij je hond niet tot de orde?’ was de volledig terechte vraag van de man. Ja, dacht ik, waarom eigenlijk niet? Floris was, ik zag het, helemaal door het dolle heen. Ze krabde en groef, er spatte grond tegen de lichte broek van een bezoekster. Voor de zekerheid vroeg ik of het stel bij het museum hoorde. Nee, dat niet, maar dat ik mijn hond zo de boel liet ruïneren? Ik zag aan de hond dat die zich niet zou laten stoppen. Heel soms heeft Floris van die waanzinmomenten en als je daar je hand tussen steekt, nou ja, uitkijken geblazen. Gelukkig reageerde ze toen wel op mijn stem en kon ik met die hand die ik nergens tussen had gestoken als hark het perkje weer op orde brengen. Uiteindelijk bijna niets aan de hand. M. en ik hebben een aan elkaar tegengestelde aanpak als Floris mee is naar een lezing of een gebeurtenis. M. wil haar aan de lijn houden, ik laat het beest gewoon gaan en vind het erg ontroerend als ik haar tussen al die benen van lezingbezoekers op het gras van de tuin zie rondscharrelen, naar boven kijkend, om te zien of iemand iets lekkers aan het eten is. Eigenlijk altijd komt ze al heel snel bij mij op schoot liggen en pakt zij de helft van de aandacht van lezingbezoekers. Later, veel later, dook ze onder de tafels waar het eten op uitgestald was en zat met die spitse snuit aan het brood wat bij een bepaald gerecht hoorde. Maar goed: de hond moest mee, want we waren van half twaalf tot tien uur van huis en we hadden geen oppas geregeld.

Er gebeurde nog iets opmerkelijks, iets omgekeerds. Nadat ik een dik half uur, ingeklemd tussen Joost Oomen en Michel Krielaars, had zitten praten en voorlezen, allemaal in diezelfde tuin, waar een enorme tent was opgebouwd, kwam er een vrouw naar me toe die aan me vroeg of er alstublieft nog een Privé-domeindeel kwam? In de afgelopen jaren is dat dus altijd omgekeerd geweest, altijd wilden mensen een roman. Tot haar grote vreugde kon ik die vraag met ja beantwoorden. Ook kwam ik maar weer eens tot de vaststelling dat ik tijdens zo’n lezing nooit erg mijn best doe om mijn boek te promoten. Ik probeer er altijd een zo gezellig mogelijk gebeuren van te maken, babbeldebabbel dit en dat, en dan is het afgelopen. Na afloop lieten dan ook slechts twee mensen De kapperszoon signeren, terwijl er drie mensen met De 3 bestaat niet aan kwamen zetten. Annemarie Haverkamp zat tegenover me, een beetje verhit. ‘Heb je het er warm van gekregen?’ vroeg ik. Zij had, als vorige winnares, op een andere locatie Simone Atangana Bekono geïnterviewd, de winnares van de Anton Wachterprijs. Ja, ze had het er warm van gekregen. Iemand had per ongeluk een kop thee over de stapel Ik ga leven van Lale Gül gekieperd. Ik geloof dat de eerste editie van het Harlinger Literatuurfestival nogal een succes was. 

Multigroom

Het komt wel voor, zoals nu, dat hier best lang niets staat. Dat heeft te maken met kruid verschieten. Zoals het er nu naar uitziet, ben ik aan een volgend autobiografisch boek bezig. In tegenstelling tot deel 2, Knecht, alleen, weer meer chronologisch, iets meer als een dagboek, iets overzichtelijker. Soms schiet er dan een tijdje als het ware niets over om hier te plaatsen. En ik probeer toch om zo weinig mogelijk overlap te hebben tussen dat boek en ditjes & datjes op dit weblog of op Twitter of op nog andere plekken. Want dan krijg je weer dat ‘mensen’ gaan zeggen dat het ‘een in elkaar geflanst’ werk is, verzameld, bijeengebracht. Ik herinner me nog een bespreking van Rotgrond bestaat niet, waarin vermeld werd dat het ‘een bijeengeraapte bedoening’ was, terwijl vrijwel alles nieuw en vers was. Dat stond me niet erg aan. 

Vanochtend, en dit heb ik nog nergens opgeschreven, stond ik me te scheren. Zo eens in de zo veel tijd moet je (ik) dan ook even goed naar de wenkbrauwen kijken. Des te ouder je wordt, des te sneller groeien de haren in die wenkbrauwen, en trouwens ook de haren in de oren. Nu heeft M. een heel handig, klein tondeusetje, dat ik ook gebruik voor mijn geitenbaardje. Bij bol.com heet zo’n ding een ‘multigroom’. Aha, dacht ik vanochtend, die kan ik natuurlijk ook gebruiken voor mijn wenkbrauwen. Ik haalde het eraan bevestigde kammetje eraf en verving dat door een kammetje dat hoger was. Hoger betekent – over het algemeen – dat de haren minder kort worden afgeschoren. Over het algemeen, ja. Ik had niet moeten kijken naar de algemene hoogte maar naar de hoogte tussen kammetje en scheervlak! Met als gevolg dat ik nu nog één wenkbrauw heb. Even heb ik overwogen die andere dan ook maar op een halve millimeter (want dat was het, geloof ik) af te scheren, maar gelukkig deed ik dat niet. ‘Jij kan de hele week nergens naartoe!’ meesmuilde M. Nou, daar trek ik me niks van aan. Ik deed zojuist gewoon boodschappen bij AH en de dienstdoende caissière bij de zelfscankassa’s zei: ‘Nou, ik wéét het niet’, toen ik een fles witte wijn scande. Dus ik zie er zelfs jaren jonger uit!

Poging tot begrijpen

Ik las The Magician van Colm Tóibín. Een boek over Thomas Mann. Ik las het in het Engels, daar had ik zin in: ik had al lang niet een boek in de oorspronkelijke taal gelezen. Over het algemeen vind ik Colm Tóibín een goeie schrijver, met zo nu een dan een boek ertussen wat ik niet snap, zoals bijvoorbeeld Nora Webster, dat ik nogal onverwacht zag als een soort van veredelde keukenmeidenroman. Onverwacht, maar ook dat je gedwongen wordt je af te vragen hoe zo’n boek tot stand komt, of het ‘keukenmeidenachtige’ dat ik er in las niet een gezocht stijlmiddel was, iets waar ik als lezer doorhéén zou moeten kijken, om vervolgens tot een dieper begrijpen van de tekst te komen. Zoals ik me vaak bij het werk van Alan Hollinghurst afvraag wat ik nu eigenlijk aan het lezen ben: nogal week, flemerig, homo-erotisch, upperclass-gezemel (met regelmatig ronduit irritante hoofdpersonen) of toch iets wat dat overstijgt, maar dan zonder dat ik in staat ben die tweede of derde laag te doorgronden. En: baseert Hollinghurst die hoofdpersonen – bewust of onbewust – op zichzelf, wat zou betekenen dat in elk geval ik hém irritant vind (met als vervolgconstatering: heeft hij dan zelf niet door hoe irritant hij is?), of is het toch echt zijn literaire bedoeling om van niet op hem gebaseerde hoofdpersonen irritant te maken? Jullie zien: ik doe mijn best om het te begrijpen en onderscheid te maken tussen feit en (auto)fictie.

Met The Magician had ik een levensgroot probleem: ik wist alles al. Werkelijk alles. Ik las namelijk een paar jaar geleden De familie Mann van Tilmann Lahme. Daarover schreef ik toentertijd ook een dingetje. Tóibín heeft een vast stramien: er wordt een bepaald onderwerp of tijdvak behandeld en meestal wordt dat afgesloten met een dialoog of een gesprek tussen de leden van de familie Mann, kort, en vrijwel altijd grappig of koddig, of ironisch. Dat houdt hij het hele boek (435 bladzijden) vol. Mijn vraag tijdens het lezen was: waarom? Waarom in godsnaam een dikke roman schrijven met ‘informatie’ die bij iedereen die weet wie Thomas Mann is bekend is? Het boek leest zelfs als een biografie. Biografieën die er in overvloed zijn. Komt nog bij dat ik de bijna respectloze toon die Lahme aansloeg in zijn biografie prettiger vond dat de serieuze toon die Tóibín aanslaat in zijn roman, die je ergens niet eens echt een roman kunt noemen omdat alles (buiten de dialogen, neem ik aan) wat hij erin opschrijft uit de werkelijkheid is geplukt. Waarom ‘vergooit’ een gerespecteerd schrijver jaren van zijn leven aan het schrijven van een roman die feitelijk niets nieuws in zich heeft? Ik begrijp het niet. Maar aan de andere kant: zie ik als argeloze lezer weer eens iets over het hoofd? En: ik las het boek wel uit, want dat krijgt Tóibín met zijn schrijfstijl wel voor elkaar. Waarom vindt de Daily Telegraph deze roman ‘A triumph’? En zegt de New York Times Book Review dat het ‘Thrilling’ is? Wat brengt John Banville ertoe het ‘remarkable’ te noemen? Hebben die recensenten Tilmann Lahme, of welke andere biografie dan ook, niet gelezen? Ben ik nou gek of zijn ‘de anderen’ gek? 

Nu lees ik Elisabeth Finch van Julian Barnes. Ook alweer zo’n ‘raar’ boek. Maar ik zeg er niks over. Het is namelijk nog niet uit. Het brengt me in elk geval wel iets nieuws.

Luxeproblemen bij een prima recensie

In een verder uitstekende bespreking van Knecht, allein in de Frankfurter Algemeine Zeitung, staat iets aparts: ‘Der Ausdruck “allein” bezieht sich nicht nur auf den Tod seines Tieres. Es geht auch um Bakkers Verhältnis zum Mitmenschen, um seine Homosexualität, die Suche nach einer feste Beziehung, “Knecht” ist ebenfalls ein Hinweis auf die passive Rolle bei Homosexuellen.’ Inzake besprekingen van De kapperszoon houd ik vol dat elke recensent die het woord ‘homoseksualiteit’ durft op te schrijven af is. Dat geeft namelijk uitsluitend de bekrompenheid en burgerlijkheid van zijn of haar eigen denkwereld weer. Aangezien het nergens gethematiseerd wordt, ís het geen thema en is er dus ook geen enkele reden om het te noemen. De Duitse bespreker van de FAZ maakt het eigenlijk wel heel erg bont. Komt nog bij dat de Duitse spelling van het woord, mer die x, erg dicht in de buurt komt van het vre-se-lij-ke ‘homofiel’, een woord dat graag door een bepaald soort mensen in de mond genomen wordt. Ergens ben ik hierdoor, zoals Raf Njotea zei tijdens een openbaar interview bij Passa Porta in Brussel, ook met Tobi Lakmaker, zónder dat ik het erover wil hebben toch een soort van activist. Een stille activist.

Het heel erg bonte van de Duitse recensent zit ‘m natuurlijk vooral in de laatste opmerking. Dat knecht een aanwijzing zou zijn voor de passieve rol bij homoseksuelen. Pardon? Maakt hij mij nou uit voor een bottom? Waarom in godsnaam? Staat dat in het boek? Nee, nergens. Let wel: er is niks mis met een bottom en hoewel dat Engelse woord inderdaad de ‘passieve rol’ tijdens geslachtsverkeer aangeeft, zegt het verder niets over hoe de betreffende persoon verder in het leven staat. Ik bedoel: als iemand zich in zijn kontje laat neuken, is hij niet automatisch in het algemeen een watje, een onderdanig persoon. Het is iets wat aangeeft hoe de recensent naar de wereld en misschien naar zichzelf kijkt. Het heeft niets met het boek te maken. Het ‘uitstekende bespreking’ uit de eerste zin slaat dan ook uitsluitend op het positieve oordeel over het boek dat hij heeft. Niet over de inhoud van zijn tekst. En, nog eens verder filosoferend: is een vrouw tijdens het heteroseksuele geslachtsverkeer dan ook altijd de bottom? Man top, vrouw bottom. Welja. Wat een onzin allemaal. Wat een stereotypen. Wat een hokjesdenken, hoe weinig fluïde.

Nog iets over die bespreking: Duitsers (lezers en recensenten) (en ja: ik generaliseer enorm) vinden boeken als die twee Privédomeindelen eigenlijk onverdraaglijk. Daar móét een roman van gemaakt worden, om het draaglijk te maken. Ook dat doet de recensent: ‘”Knecht, allein” ist ein literarisches Buch,  in dem der Autor dokumentarische Strategien anwendet, den Rohstoff der Wirklichkeit in einen poetischen Zusammenhang umwandelt.’ Ergens is het bewonderenswaardig dat Suhrkamp, mijn Duitse uitgever, telkens weer de gewaagde stap maakt zulke boeken uit te geven. Ik kan me wel voorstellen dat daar op kantoor zuchten van verlichting werden geslaakt toen ze hoorden dat er volgend jaar weer eens een roman aankomt. Waarin de hoofdpersoon dus niet Gerbrand Bakker heet.

Lekker de trap op rennen

Reclame. Wij hier in huis zien best veel reclame, dat komt mede door ons zondagavond-tvkijk-ritueel, dat zich voor een deel afspeelt op SBS6. Reclame is sowieso al hinderlijk of ergerlijk en er gaat geen blok voorbij of we schreeuwen taalverbeteringen naar het scherm. Maar zo soms is het ook domweg lachwekkend. Er is, al tamelijk lang, deze reclame te zien voor een traplift. Met een zo op het oog volstrekt fitte meneer die dan ook met een soort zelfverzekerd hupsje van die lift stapt en de woonkamer inloopt. Nou, dat is natuurlijk een acteur en zijn vrouw, die op de achtergrond gedienstig rondloopt met iets te eten of te drinken, is natuurlijk een actrice. Zij verdienen daar geld mee. Ze worden ingehuurd door het reclameburo dat de betreffende reclame maakt voor het betreffende bedrijf. Deze acteur is Peter Berkhof, geboren in 1959 te Velsen.

Hij speelt in meerdere reclames een rol. Zo is hij ook te zien in een reclamespot van Verisure. ‘Heb je het alarm aangezet?’ ‘Nee, sorry, vergeten.’ ‘Wacht, ik doe het wel.’ ‘Ja.’ ‘Zo.’ ‘We slapen inderdaad veel beter als het alarm aanstaat.’ ‘Welterusten.’ ‘Welterusten, lieverd.’ Maar nu is er sinds kort een andere reclame, voor een of ander versterkend middel voor de wat oudere mens. Ook daarin speelt Peter Berkhof een rol. Ik heb erg mijn best gedaan, maar kan niet achterhalen hoe het product heet. Hoe dan ook: het houdt je vitaal en levendig en daarom zegt Peter Berkhof op een bepaald moment iets als ‘Ik ren nog steeds gewoon die trap op.’ 

Kijk, dat kan dus niet. Of je hebt een lift nodig om de trap op en af te komen óf je rent vanwege een versterkend product diezelfde trap op en af (en moet dan maar hopen dat iemand die lift aan de kant heeft gemanoeuvreerd). Peter Berkhof kan daar weinig aan doen, die wordt gewoon ingehuurd. Die speelt zijn rol. De vraag is hoe geloofwaardig wij reclames achten te vinden. Blijkbaar is Peter Berkhof nog lang niet zo’n reclame-icoon als Cora van Mora (Juliëtte de Wijn) of Harry Piekema van de AH-reclames, die er allebei op een bepaald moment mee zijn opgehouden omdat ze niets anders meer kónden doen, want zij wáren Mora en Albert Heijn. 

Misschien is dat precies de reden waarom Peter Berkhof zo veel verschillende reclamerollen aanneemt, ongeacht eventuele tegenstrijdigheden. Om hoogstpersoonlijk te voorkomen dat hij wordt als Juliëtte de Wijn of Harry Piekema. Want kijk hier, dat is toch weer héél andere koek dan trapliften of een versterkend pilletje. Die hond is natuurlijk ook een acteur, dat is niet de hond van Peter Berkhof zelf. Nou ja, ‘natuurlijk’, ik weet dat helemaal niet.

Gekke jongens, die Duitsers

Gisteravond waren we met het dorp uit eten. En zoals dat gaat, spraken we een groot deel van de avond over dood en begraven en cremeren. Ik heb hier geloof ik wel eerder geschreven over hoe het hier, in de Eifel, gaat inzake dood. Iemand gaat dood en het lichaam wordt in het algemeen zo snel mogelijk uit huis gehaald (of vanuit het ziekenhuis naar een crematorium vervoerd) en een paar dagen later begraven of volledig zonder plichtplegingen gecremeerd (waarbij de nabestaanden meestal niet eens weten wanneer), waarna de urn later begraven wordt. Dode lichamen in huis, daar hebben ze hier geen zin in. Gisteravond kwam het gesprek op de een of andere manier op ruimen. De begraafplaats in Lasel is erg leeg. Dat heb ik altijd vreemd gevonden, want het is niet een begraafplaats die pas tien jaar geleden is aangelegd. Maar nu begrijp ik waarom. Ruimen moet hier anders begrepen worden als ruimen in Nederland.

Als het recht op een plek verspeeld is, wordt de grafsteen verwijderd. Dat is het. Van ruiming is helemaal geen sprake. Dat betekent in het geval van Lasel bijvoorbeeld dat de grond vol ligt met beenderen van gestorvenen en niet op een centrale plek of in een ossuarium, maar gewoon overal. Ik begreep er niks van. Buurvrouw Margret, naast wie ik zat, gruwde van het idee dat er een plek zou zijn waar alle beenderen van geruimde graven verzameld werden. Ja maar, zei ik, stel nou dat jij begraven wordt, Margret, en dat Max na tien jaar (‘Nein! Nein!’), nou vooruit, zei ik, vijfentwintig jaar, klaar is met betalen van die plek. Dan wordt de steen verwijderd en dan ga ik dood en ik wil op die plek liggen. Dan lig ik bovenop jou, of na een tijdje zelfs tussen jou! Nou, dat vond Margret absoluut geen probleem. ‘Wat?!’ zei ik. ‘Dat kan toch niet!’ Ja maar, riposteerde ze, daar merk ik toch niks meer van? Het, in mijn ogen, gebrek aan consequent zijn verbijsterde me. Gruwen bij het idee van een ossuarium, maar mij bovenop zich krijgen geen enkel probleem vinden. ‘Maar dat is dan toch geen geruimde plek? Dat is toch geen schoon graf?’ Dat vond niemand van de buren een probleem en bovendien: wat was er na 25 jaar nog van iemand over? ‘Nou,’ zei M. ‘archeologen halen na honderden jaren nog botten uit kerken.’ Ach, wat, vonden de buren.

Het is hier ook verboden een urn in huis te hebben. Alleen als je de grens overgaat en je je in Nederland laat cremeren, komt er een urn terug. Het idee dat zoals bij ons thuis nu mijn vader gewoon is teruggekeerd in zijn kantoortje, is onbestaanbaar. Dat verbijsterde Margret dan weer. ‘Ja, maar,’ zei ik, ‘straks, als mijn moeder ook is gestorven, gaan we ze samen bijzetten. Het is ergens een soort van werk-, geld- en tijdbesparing.’ Dus, vroeg ze, er staat in een ruimte in het huis van je moeder een urn met daarin de as van jouw vader, haar man? ‘Jazeker,’ zei ik. Ze at verder van haar schnitzel, licht met het hoofd schuddend. Wat een idioten, dacht ze vast. Die rare Hollanders.