Dode meeuw en bitter lemon

Gisteren zei Esther Scheldwacht, die Arkadina speelt in De meeuw van Tsjechov: ‘Dat is goed. Alles mag en alles kan. Sinds ik dat besef, gaan de dingen een stuk makkelijker.’ Ze zei dat omdat ik het zelf eerst zei. Ik sprak haar kort na afloop van het stuk dat in het Amsterdamse Bos wordt gespeeld. Zij zag mij, gelukkig, zodat ik mezelf niet op hoefde te dringen in het groepje acteurs dat bij elkaar stond, de meesten met niet-alcoholische dranken in de hand. Opdringen voelt niet goed. Ik ken Esther omdat zij één of twee toneelstukken heeft geregisseerd waarin ik speelde. Lang geleden. Ze was steengoed, sommige acteurs lijken gemáákt voor de rol die ze spelen.

Ik zei ‘alles mag en alles kan’ toen ik vertelde over schrijven, op haar vraag of ik nog lekker aan het schrijven was. ‘Nou, lekker,’ zei ik. ‘Ik heb in tien jaar tijd geen roman geschreven.’ Dat is de waarheid. Er zijn wel dingen uitgekomen – Jasper en zijn knecht en Rotgrond bestaat niet – maar romans kun je die twee boeken niet noemen. En ik bén aan het schrijven, maar op een heel aparte manier, met grote onderbrekingen, niet voluit, aarzelend, alsof het het eerste boek is dat ik aan het maken ben. Ontevreden ook natuurlijk, maar daarvan heb ik wel geleerd dat dat absoluut geen graadmeter is voor de kwaliteit. Dat vertelde ik haar niet, maar ik zei dat ik mezelf continu voorhoud dat alles mag en alles kan. Ik lees de laatste tijd zulke boeken, van Lieke Marsman bijvoorbeeld, of van Maarten van der Graaff.

Het was een beetje ongemakkelijk, ons gesprek. Het stokte en trok zich weer in gang en Esther was een beetje misselijk. Ik was niet misselijk en ik stond er met een glas bitter lemon. Omdat ik later, thuis, voor het eerst een halve pil zou innemen waarbij het advies is geen alcohol te drinken. Een mislukt antidepressivum met een bijwerking die wel fijn is voor veel mensen: slaperigheid. Ik slaap erg slecht. Daarover had ik geklaagd bij de therapeut en omdat mijn therapeut psychiater is, mag hij medicijnen voorschrijven. Het zit me niet helemaal lekker, bijna een jaar geleden ben ik gestopt met mijn antidepressivum en nu begin ik er toch weer mee, al werd me verzekerd dat het middel – ik zal de naam niet noemen – weinig tot niets doet, behalve die bijwerking dus. Maar misschien moet ik in dit geval ook ‘alles mag en alles kan’ denken. Of ‘baat het niet, schaadt het niet’.

Alle mag en alles kan. Als je aan het schrijven bent. Jij bepaalt wat en hoe. Alles wat er uit je pen vloeit is van waarde, in elk geval voor jezelf. ‘Ik word er zelf nog akeliger van dan ik me al voel,’ had ik een paar uur eerder tegen de therapeut gezegd. ‘Dat is niet goed,’ zei hij, ‘want ik moet het straks lezen.’ Dat ik er zelf akelig van word, maakt het niet makkelijker, maar omdat alles mag en alles kan, is dat mogelijk te verhelpen, kan ik van iets dat akelig is of dreigt te gaan worden, iets moois en hoopvols en grappigs maken. Iets wat me beter doet voelen en, bij uitbreiding, eventueel later een lezer. Dat alles mag, houdt bijvoorbeeld in dat je een heel stuk gewoon overslaat, ongeschreven laat. Hoofdstuk 16 beëindigen en dan een dikke, vette 2 en hop voort met het verhaal, maar dan dagen of weken later. Het kan. Het mag. Zo los ik ook seksscènes op: gewoon twee of drie witregels.

De pil deed niets. Komende nacht nog eens proberen en bij nog niks kappen. Jammer dan.

 

Muur en gerookte kip

Dit is de laatste dag, hou ik mezelf voor. Nog één dag 35 graden trotseren en vanaf woensdag, maar vooral vanaf donderdag, zal het beter zijn. Trouwens: in mijn Eifelkeuken wordt het zelden warmer dan 23 graden, dat is dan weer een voordeel van een huis dat ín een berg gebouwd is. En wat een heerlijkheid dat er op de tv vanaf half 6 ’s avonds weer volop sport is! Naar sport mag je altijd kijken, vind ik, wanneer dan ook, bij welk weer dan ook en dat komt nu goed uit. Pas na zevenen is het doenlijk om in de tuin te rotzooien. Zwemmen, turnen, baan- en wegwielrennen, roeien, atletiek. Hebben ze dat met opzet gedaan, al die EK’s tegelijkertijd? Daar lijkt het wel op, met vier ervan in dezelfde stad, Glasgow. Alleen de atletiek is in Berlijn. Iedereen daar in Schotland heeft geluk, het is er zeer aangenaam, soms zelfs maar 17 graden. De atleten moeten net als alle niet-roeiers, -turners, -wielrenners en -zwemmers nog even doorbijten. Glasgow is trouwens een prachtige stad. Berlijn vind ik persoonlijk géén prachtige stad, maar dat komt geloof ik omdat ik er meestal in grauwe, koude jaargetijden ben. November. Februari.

De muur staat er nog steeds zo bij als twee weken geleden. Er moeten nog twee dingen gebeuren: er moet elektriciteit naartoe, voor twee buitenlampen en een stopcontact, en er moet nog worden gestuct. Verputzt, zeggen ze hier. Dat eerste zal wel goedkomen, dat doet loodgieter Lothar. Eigenlijk wil ik een gladde muur, dat wil zeggen: zonder enige Körnung. Als ik dat zeg, begint iedereen meteen moeilijk te kijken, want hier houden ze erg van structuur. Onmogelijk, krijg ik te horen. Ik wéét dat het niet onmogelijk is, ik heb zat huizen en muren gezien die gewoon glad zijn gestuct, in Nederland dan. En dan kan het mijn muur zijn – mijn muur, mijn huis, mijn tuin -, het doorzetten van wat ik wil, zal niet zonder slag of stoot gaan. Dat heb ik inmiddels wel geleerd. Ik kan bij de Edeka in Schönecken ook geen gerookte kip krijgen, zo is het nou eenmaal. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ zei een medewerkster vanochtend toen ik er naar vroeg. Als je dan zegt dat het in Nederland tamelijk normaal is om in een supermarkt gerookte kip te kunnen kopen, kijken ze je vol ongeloof aan. Maar als ze het eens zouden eten, verandert dat misschien. (Het is me ook gelukt gin in het drankenassortiment van de Edeka in Schönecken te krijgen; je moet er gewoon een paar keer naar vragen.) Zo moet ik het aanpakken van die muur ook zien. Zo zouden zíj idealiter het aanpakken van de muur moeten zien. Iets nieuws, iets anders, verrek, dat is nog eens een fijne klus! Wordt vervolgd.

Na de grote hitte

Zondagochtend. Van beneden klinken luide geeuwgeluiden, dat is nieuw. Het is kwart over acht. Elvis blijft altijd gewoon liggen totdat ik naar beneden kom, maar nu is hij zo te horen onrustig. Ik ga uit bed, de trap af en daar staat hij al. Deur open, hond naar buiten. Ik zet koffie, draai een sjekkie. Elvis blijft heen en weer lopen en even later zie ik hem door het keukenraam de achterhand omlaag brengen. Aha. Het beest moest zó nodig poepen dat hij geprobeerd heeft me te waarschuwen. Ik moet hem dus niet meer verleiden nóg meer te eten dan de twee keer per dag een halve bak, wat voor hem al een geweldige prestatie is. Dit is waarschijnlijk vanwege het extraatje dat ik hem gisteravond laat nog gaf.

Een uurtje later ruim ik de boel op met de troffel die speciaal voor dit soort gevallen in de afgezaagde sierkers hangt. Met de sproeier het gras flink afgespoeld en niemand die het nog ziet. Buurman Rinus is aan de rand van zijn tuin bezig, hij staat op het landje naast zijn Hof en draagt zijn felblauwe shirt. Dan is hij altijd erg goed te zien. Ik kan van waar ik sta niet zien wat hij aan het doen is. Buurman Max plukt iets, samen met een kleinzoon. Op het steile weitje achter zijn huis staan vier bomen op een rij. Een appel, een peer, een pruim en nog iets. Ik neem aan dat ze pruimen aan het plukken zijn. Van die donkerblauwe, ik heb ze ook en een paar dagen geleden stond ik ’s avonds pruimenjam te koken omdat alle pruimen vanwege een enorme regen- en hagelbui uit de boom gevallen waren. De eerste pruimenjam ooit, het boompje dat voor het raam van de schrijfruimte staat droeg nooit eerder. Hoe dat kan, geen idee. Er was dit jaar ook een overmaat aan zure kersen, ik plukte het boompje onlangs kaal met Anton Dautzenberg en zijn moeder. Dat leverde ook vijf potten jam op. Sauerkirsch. ‘Morellen’ heten die in het Nederlands, of ‘krieken’, zie afbeelding.

En nog steeds is het zondagochtend. Ik wacht op een berichtje van een vriendin. Óf ze komt met de auto óf ze komt met de trein. Die laatste optie is gewaagd, ze reist vanuit het hoge noorden en de trein stopt niet voor mijn huis en onderweg zijn ongetwijfeld rails uitgezet of kromgetrokken. Gisteren was één van de berichten: “Op de fiets?” nadat ik geschreven had dat station Densborn 13 kilometer verderop ligt. Op de fiets. Wiens fiets? Mijn fiets? Maar die staat hier in de Hauswirtschaftsraum. Moet ik met twee fietsen daarheen? Twee bergen over? Buurman Klaus maakt de grill schoon, dan kan-ie straks aan, het is immers zondag, het is immers mooi weer, dus er wordt gegrilld. Mooi weer, een graad of 23, beetje bewolkt, een aardig windje. Gisteren eindelijk weer eens in de tuin gewerkt, dat kon, de temperatuur nodigde ertoe uit. Elvis heeft zich inmiddels behaaglijk uitgestrekt op het balkon, nadat hij over de rand heeft gekeken wie daar aan het praten is. Hij zucht tevreden. Er rijden twee wielrenners langs, ook daarvoor is de temperatuur weer geschikt, wielrennen. De échte wielrenners rijden vandaag naar Parijs.

Overleven

Overleven. Dat is wat Elvis en ik doen. Nadat twee mensen me gezegd hadden dat ik die hond nog eens doodloop (één in het Nederlands en de ander in het Duits), dacht ik: ja, ik moet Elvis tegen zichzelf beschermen. Dat betekent: ’s ochtends een klein half uurtje, ergens rond 13:00 uur hooguit een half uurtje en om een uur of acht ’s avonds een uur. Altijd langs water, maar hoe ik hem ook smeek, hoe vaak ik het ook voordoe: het beest vertikt het natte poten te halen. (Is dat laatste nou een germanisme?) De temperatuur haalt hier makkelijk 36 à 37 graden, en de zon brandt meedogenloos. Voordeel van de Eifel – vooral veroorzaakt door de Nims – is wel dat het ’s nachts aanzienlijk afkoelt, het is dan al snel 20 graden koeler.

‘Nog twee dagen,’ zei ik vanochtend in de auto tegen buurman Klaus. ‘Dan is het zaterdag en mijn weer-app zegt dat het dan tien graden koeler is en dat het flink gaat onweren.’ Daar leef ik naar toe. Ik heb een gruwelijke hekel aan warm weer. Mijn lichaam kan dat niet aan. Ik voel me slap, mijn hart gaat tekeer, ik kan er angstig van worden. Het idee dat het voortaan altijd zo zal zijn is niet te bevatten. Ik vraag me af waar ik dan heen kan, waar op de wereld het nog een beetje koud is. ‘Reken er maar niet op,’ antwoordde buurman Klaus. En later, nadat Frau Horn van Baustoffenzentrum Henrich in Gerolstein uitgerekend had hoeveel geld ik terugkreeg voor de pallets en de overgebleven zakken cement, zei zij: ‘Het blijft de hele maand augustus ook nog zo.’ ‘Nein, Frau Horn!’ schreeuwde ik toen door de winkel. ‘Dann bin ich weg!’ Maar ja, zoals hierboven geschreven: waarheen in godsnaam? En zo droog, ik word er echt ziek van, als één van je levenstaken een tuin is geworden. Ik heb medelijden met de tuin maar ik kan ‘m ook niet meer zien. Ik ben echt in staat domweg te vertrekken en de boel te laten verrekken. Maar dan zit je in Amsterdam in de hitte. En met een hond van 55 kilo. Bij een benzinepomp kocht ik voor buurman Klaus en mezelf een cornetto, die hadden we wel verdiend.

De muur staat dus. En na vanochtend is die ook nog eens 200 euro goedkoper uitgevallen, aangezien buurman Klaus en ik Frau Horn kennen, en die heeft haar uiterste best gedaan niets af te trekken, niet bijvoorbeeld de 20% standaardaftrek bij Zurückgabe te berekenen. De reacties zijn voornamelijk negatief. Iedereen denkt dat die muur er staat omdat ik me erachter terug wil trekken. Dat ik alles en iedereen buiten de deur wil houden. Voormalig Ortsbürgermeister Ernst Görgen zei: ‘Ik vind er niks aan, want nu kan ik je niet meer zien zitten.’ Om al die mensen te plezieren heb ik de kornoeljeheg met de helft omlaag gebracht, zodat ik weer te zien ben. Ik ben erg verguld met het ‘raam’ voor die ene dikke hulststam. Nu nog pleisteren, wit schilderen en twee buitenlampen er in. En een tweede 4 uit hout zagen en aan de buitenkant bevestigen, zodat de mensen weten dat het hier nummer 4 is, en niet 3 of 5.

Er is iets aan me voorbij gegaan

Als je, zoals ik, pas ziet wat er eigenlijk in de mode is als je eens goed om je heen kijkt of na maanden uit de Eifel in een bewoonde wereld komt, of naar een tv-programma kijkt waarin een aantal vrijwel identieke mannen zitten, is dat vaak nogal schrikken. Ik heb misschien anderhalve aflevering van het praatprogramma rondom het WK Voetbal gezien, ik weet niet eens hoe het programma heette. Ik zag vier mannetjes zitten en al die mannetjes hadden een been over het andere been geslagen. De mannelijksten de enkel op de knie, de wat zachtere mannen de knie over de knie. Die leuke Oekraïner zat er tussen, hij had heel moeilijke kleren aan, kleren die maken dat je enorm moet zweten, al was het alleen maar vanwege de modieusheid ervan. Tenminste: ik zou enorm zitten zweten, de Oekraïense ex-voetballer die met Victoria Koblenko getrouwd is niet. Maar daar gaat het hier niet over. Het gaat hier over de sokloosheid. Geen van de vier mannen droeg sokken. En geen van de vier droeg teenslippers of gympen. Nee, ze hadden allemaal dure, modieuze schoenen aan, van leer. En dan geen sokken. Ik moest lachen. Heel hard. Die mannetjes die over voetbal praten en dan allemaal geen sokken aan, ze zagen zelf denk ik niet hoe belachelijk, hoe kinderachtig dat was. Hoe conformerend, hoe niet eigen. Niemand lachte, ze waren allemaal serieus. ‘Zal wel iets van de voetbalwereld zijn,’ dacht ik nog.

Maar wacht eens, een tijdje geleden zag ik Jord Kelder de Plantage Middenlaan oversteken, in die vertrouwde kleding van hem: overhemdje, broek met bretels, pijpen veel te kort. Hij droeg geen sokken. Hele dure, lederen schoenen. Hij was aan het telefoneren, natuurlijk. Dus geen typisch voetbalmannendingetje? Zojuist keek ik de eerste aflevering van De slimste mens. Er deden bekende Nederlanders aan mee, en één daarvan was Jan Blokhuijsen. Leuk! dacht ik. Tot ik zag wat hij droeg. Of beter: niet droeg. Jan Blokhuijsen zat op de tv zonder sokken! Ik moest niet lachen. Ik besefte dat ik een modetrend die waarschijnlijk al maanden gaande is vol-le-dig gemist heb. Gelukkig zal ik er morgen – mocht ik kijken – niet mee geconfronteerd worden, Jan vloog er namelijk meteen uit. Ik ga straks eens oefenen, ik heb mijn dure, lederen schoenen hier. Volgens mij krijg je er enorme blaren van. (Op de afbeelding de onderbenen van Jan. Geen sokken in zijn schaatsen. Dat is normaal.)

Muur en hond

Er is hier weer eens een project gaande, een project dat allang klaar had moeten zijn. Nee, beter gezegd: een project dat door iemand anders uitgevoerd zou worden, maar die heeft nooit meer iets van zich laten horen, maandenlang niet. Zo gaat dat in de Eifel. Nu doet iemand anders het en ineens gaat alles in een razende vaart. Zo’n vaart dat ik er scheel van ga kijken en buikpijn van heb. Waarom? Waarom moet ik zo nodig een muur om mijn tuin heen? Wie heeft dat verzonnen? Ja, ik, dat lijkt me duidelijk, maar waarom houdt niemand me tegen? Fase 1 is gedaan, een sleuf. De sleuf is klaar, nu moet die berg aarde met stenen nog weg. Dat moet ik doen natuurlijk. Die muur komt in een hoek: negen meter langs de weg, zes meter langs de oprit. En het moet klaar voor Elvis hier de 20e juli verschijnt. Ik kan hier niet met een Deense dog zitten terwijl de route naar de weg wijd open ligt. Dat gaat lukken, is me verzekerd.

Waar we (de bouwer van de muur en ik) geen rekening mee hadden gehouden is dat de tuin schuin naar beneden afloopt, dus de oude betonnen fundering die er heel handig al ligt, langs de weg, loopt schuin mee. En ik wil een rechte muur, waterpas. Dat betekent, om het in lekentermen te schrijven, dat er over een lengte van 9 meter een gigantische, smalle wig moet komen. Of misschien twee afzonderlijke wiggen, even afhankelijk van hoe veel graden die betonrand afloopt. Brede planken zijn nodig, om een kistwerk te maken, waarin beton gestort zal worden. Die brede planken heb ik niet besteld natuurlijk, ik heb alleen stenen, ijzer, cement en kiezels besteld. En Deense dog Elvis is dus de spil waar alles omheen draait. Ik zeg steeds: ‘als je denkt dat het niet gaat lukken, vind ik het helemaal niet erg als je begint (of het afmaakt) wanneer Elvis weer weg is.’ Nee, het gaat lukken.

Nu er dus twee mannen in de tuin aan het graven waren met een pikhouweel, kwamen weer herinneringen aan eerdere projecten naar boven, en het besef dat wat ik het allerergste vind, domweg is dat er de hele tijd mensen in de tuin, of in het huis, zijn. Je kunt geen kant meer op. Je bent gevangen in het werkschema van die mannen. Ik wil uit het zicht blijven, ik wil me verstoppen, maar hoelang hou je dat vol? Want ik wil me verstoppen met de mogelijkheid iets te doen. Gisteren lukte dat aardig, ik maakte de eerste zes potten zwarte bessenjam, en maakte vooral veel werk van het schoonmaken en opruimen. Daarna was de geleisuiker op, dus ging ik een potje tennis op Wimbledon kijken, al viel dat niet mee: ik languit op de bank, die mannen werkend en zwetend in de tuin (ik hóórde de steel van de pikhouweel breken). Dat ligt niet lekker. Ik kan me nu dan ook al niet meer herinneren tussen welke twee tennissers dat potje ging.

Loslaten maar weer. Altijd alles maar loslaten, en die berg grond met stenen zien als iets wat niet in één klap weg hoeft. Misschien moet ik het zeven, de stenen afvoeren en de grond verdelen over het gras, dat stuk van het gazon ligt dieper dan de rest. Prima, maar ook dat hoeft niet in één dag klaar, en ik zou het bezoek – dat in deze tijd van het jaar nogal talrijk is – kennis kunnen laten maken met het edele vak van tuinieren. Met andere woorden: wil je een lekker bedje en een warme hap met alcoholische versnaperingen? Dan de handen uit de mouwen.

 

Dierenleed

Omdat de tweede boot maar niet terugkwam uit de Broads (later bleek dat-ie vastgelopen was in het riet) wilde ik wel even naar het rescue centre dat vlakbij het bezoekerscentrum van het natuurgebied was. Ezels, schapen, kippen. En honden. Ik besefte dat ik nog nooit eerder in een hondenasiel was geweest, nooit eerder had ik die blikken hoeven verduren. Er was er één, een slanke zwarte, die steeds bij het hek opsprong om bij me in de buurt te komen. Snel liep ik door naar de schapen, die wat dommig liepen te grazen. Toen ik vertrok, moest ik huilen. Ik barstte zomaar in tranen uit. Om die zwarte hond, maar waarschijnlijk ook om Jasper, zulke dingen komen samen. Met natte ogen zag ik de opvarende schrijvers van de weer losgekomen boot aankomen. Dat was Norwich.

Drie dagen later ging ik langs bij Jan in Caernarfon. Ik kon dan wel niet in haar B&B terecht, maar ze had gevraagd of ik toch even langskwam. Ze sleepte me meteen mee naar de overkant van Church Street. ‘Kijk dan!’ riep ze. Op de stoep van de overburen stond een jonge zilvermeeuw. Hij had een gebroken vleugel. Van het dak gevallen. Een andere buurvrouw, Caroline, hing er ook rond. Er was al gebeld met dierenartsen en de RSPCA. Niemand wilde het dier hebben of helpen. ‘En nu?’ vroeg Jan. Ik had geen idee, ik wilde er eigenlijk helemaal niks mee te maken hebben, maar Jan had mij bij het probleem willen betrekken om dat probleem kleiner te maken, te verdelen over zoveel mogelijk mensen, zeg maar. Inmiddels was het jonge dier gaan liggen, tegen de drempel aan. Ik probeerde hem op te pakken, hij verzette zich niet. ‘Nu komt de ouder niet meer terug!’ zei Jan. We wisten niet wat te doen, we liepen allemaal weg, de één naar huis, de ander ook en ik terug naar het hotel. De volgende dag was hij weg.

Overdag was ik van Holyhead naar South Stack gelopen, langs het Anglesey Coast Path. Op het terrein van de vuurtoren scharrelden tientallen jonge zilvermeeuwen rond. Helemaal niet bang, en de ouders niet agressief. Ik maakte foto’s, zie hierboven. Pluizige bollen, lichtgrijs met zwarte vlekken, het was moeilijk te onderscheiden waar de oogjes zaten. Vreemd genoeg had dat van het dak gekukelde meeuwtje precies dezelfde blik in z’n ogen als de wilde meeuwen; tevreden, berustend. Stomme beesten: jongen ter wereld brengen op een schoorsteen in een stad. ‘I hate this time of year,’ had Caroline gezegd. De meeuwtjes vallen bij bosjes van de daken af, met een beetje ongeluk op je kop.

De natuur en dat soort dingen moeten gewoon in z’n werk gaan, asielen moeten bestaan zonder dat je er ooit een voet zet (nee: asielen zouden helemaal niet moeten bestaan), maar soms wordt je er als mens met je neus bovenop gedrukt. Moet je ingrijpen. Ik had die hond mee moeten nemen, ik had dat meeuwtje dood moeten maken, maar ik deed het niet en ik kon het niet, en toen hij de volgende dag verdwenen bleek (ik ging ale drinken met Jan en haar nieuwe vlam), besloten de nieuwe vlam en ik dat hij gered was. Dat hij op miraculeuze wijze weer boven op die schoorsteen beland was. Twee laffe mannetjes met een lachwekkend groot glas bier in hun handen.