warme dagen

Aangezien het aan de overkant van de Atlantische Oceaan zo verduiveld koud is, is het hier dus warm. Dat is altijd zo. Op de een of andere manier moet er blijkbaar altijd een evenwicht zijn. Nooit eens is het overal ter wereld verduiveld koud. Of bokheet. Hier in de Eifel waait het ook nog eens niet en de vogeltjes laten al voorzichtig hun voorjaarszang horen. Naar voer op het vogelvoederstation talen ze nauwelijks. Vorige week woensdag – neem ik aan – heeft het hier óók keihard gewaaid, overal in het bos liggen groepen sparren om. Elvis weet soms niet hoe hij die nemen moet. Kan hij er onderdoor of moet hij helemaal omlopen? Soms moet ik het voordoen en dan zakt hij ook iets door zijn enorme poten en komt zuchtend achter me aan. Buiten dat danst hij door het bos, het is machtig mooi om te zien hoe soepel en gracieus het enorme beest lopen kan. Hij houdt me goed bezig. Rond half negen lopen we het ochtendrondje en daarna moet hij eten. Pas daarna ga ik eten en de kachel aanmaken. Om twaalf uur de grote ronde en dan iets na vieren de laatste grote ronde van de dag. Dan komen we meestal in de schemering thuis. Soms brandt de kerstverlichting al. Die mag ik er nog niet afhalen van buurvrouw Monika. Want het ziet er zo gezellig uit. Het lichtsnoer zit aan een tijdklok, dus zelfs als ik hier niet ben, floept het ding elke dag om 17:00 uur aan.

Morgen komt het baasje van Elvis hem op de terugweg van de beurs in Frankfurt weer ophalen. En mij ook. Ideaal is dat. Het weekend in Amsterdam en dan aanstaande maandag weer hierheen, als het meezit met een manuscript vol op- en aanmerkingen. Dan heb ik daar werk aan. Zomaar hier zitten is lastig geworden. Waarom dat veranderd is, snap ik niet precies, al besef ik inmiddels wel dat een dode Jasper er mee te maken heeft. Met een hond is de helft van de dag gevuld. Vorige week heb ik de trap bij vrienden geschilderd, in twee dagen tijd. Dat was ook een prima tijdspassering. Tijd moet gevuld worden. Lege ruimte. Komt dat nou echt door het stoppen met Citalopram? Ik móet bewegen, letterlijk en figuurlijk. Ik vraag me af hoe ik dat twee, drie jaar geleden deed. Ik kan me uit die tijd helemaal niet heugen dat ik zo nodig bezig moest zijn. Dat ik aan het begin van een dag dacht: ‘Hoe kom ik hier met goed fatsoen doorheen?’ Nog iets van een hond: het is genoeg om op de grond te zitten of te liggen en de kop van een hond op je schoot of je borst te hebben. Merken dat dat beest dan intens tevreden is. Dat is dus óók iets doen, bezig zijn. Vredig samen zijn. Maar dan moet je wel van de betreffende hond houden. Met een hond die ik stom vind, gaat dat niet.

Een koninklijke kerst

In de winkel van Paleis het Loo kocht ik afgelopen woensdag een boek voor 3,50. Juliana in beeld, ‘traditie en vernieuwing in de Nederlandse portretkunst van de twintigste eeuw’. Een boek vol schilderijen en foto’s van mijn geliefde vorstin, inclusief een schilderij van Antoon van Welie (1866 – 1956) uit 1951 dat al heel lang in het depot van het Schiedams Museum staat. Het hing in de raadzaal, maar verhuisde al snel naar de burgemeesterskamer, waar een bezoeker de betreffende burgemeester ooit vroeg: ‘Is dat uw vrouw?’ Als verontschuldiging voor het inderdaad nogal slechte schilderij voerde de Schiedamse gemeenteraad aan dat de ‘bejaarde societyschilder’ zijn oude vorm niet had teruggevonden sinds de verwoesting van zijn huis aan het Haagse Bezuidenhout tijdens het bombardement in 1945.

Eerder al keken we – ik voor het eerst van mijn leven – naar de kersttoespraak van Willem-Alexander. ‘Goed gesproken,’ mompelde mijn zwager, maar ik kan het hem niet meer zien zonder de stem van Sander van de Pavert er onder te horen, en precies dat gebeurde ook toen ik op Het Loo een filmpje zag van de ‘verjaardag met burgers die ook op 27 april jarig zijn’, vorig jaar in het Paleis op de Dam, op 28 april. Het heeft altijd iets lacherigs en natuurlijk kwamen op twitter en facebook al snel gemanipuleerde foto’s langs waarin grapjassen het witte schilderij dat in de kersttoespraak te zien was kunstzinnig hadden ingevuld.

Mijn vader kwam aanzetten met een brief die hij ooit van prins Bernhard gekregen had. Een brief van prins Bernhard! Tevredenheidsbetuiging, was het onderwerp. Maar eigenlijk was het een doekje voor het bloeden. Alle militairen die betrokken waren bij de nasleep van de watersnoodramp hadden een onderscheiding gekregen. Behalve het regiment waar mijn vader onderdeel van was. Het 411 Garde Bataljon Fuseliers Prinses Irene. Dat was om de een of andere reden over het hoofd gezien. Hij ontving de brief op 20 maart 1953 en veel later hebben alle betrokkenen nog eens een onderscheiding gekregen, ook mijn vader. Hij wilde er nooit iets over vertellen, over het zoeken naar, en wanneer mogelijk identificeren van lichamen. En nu kwam hij ineens aan met deze brief.

Niet alleen dat, hij had nog iets moois: een Vrijstelling vordering van rijwielen. Op 14 augustus 1942 door de burgemeester van Barsingerhorn uitgereikt aan mijn grootvader Jan Bakker Czn. Hij had een Veeno, nr. 09164, met een reminrichting van Torpedo en een jasbeschermer en een kettingkast. Voor zover ik weet is hij de hele oorlog op die Veeno blijven fietsen. Die moet hij vóór de oorlog al gekocht hebben, in de oorlog was het voor het fietsenbedrijf uit Bedum onmogelijk rijwielen te bouwen omdat de Duitsers al het staal vorderden. Inclusief de fiets van mijn moeder, die in de Wieringermeer woonde, zo’n 23 kilometer van Barsingerhorn verwijderd. Zij had geen Vrijstelling vordering van rijwielen. Het arme kind was nauwelijks tien jaar oud. Er zal dus een Duitser voor gek gereden hebben. Of die fiets is omgesmolten.

‘Met wie spreek ik?’

Ik werd vanochtend om 08:01 uur wakker gebeld. Ik zei ‘Hallo’ en aan de andere kant zei een vrouw: ‘Med hvem taler jeg?’ Ik noemde mijn naam. Zij mompelde nog zoiets als ‘Forbundet forkert’ en hing op. Wakker gebeld worden door een Deense. Dat is niet wat je verwacht om acht uur in de ochtend. Ik verwacht sowieso geen telefoon om acht uur in de ochtend. Ja, met slecht nieuws. En zij wilde weten met wie ze sprak terwijl ze mij toch opgebeld had. Vreemd. Kort daarop kreeg ik twee whatsappjes uit de Eifel, die met luid geluid binnenkwamen, aangezien ik vergeten was de iPhone op stil te zetten. Ik gaf het op en ging uit bed.

Vervolgens kreeg ik een mail van een Trouw-lezeres. Ze bedankte me voor de fijne, innemende miniatuurtjes die ik schets van mijn leven in de Eifel, ontdaan van alle hectiek van het dagelijkse bestaan. ‘En wat een heerlijke droge humor!’ Zo nu en dan krijg ik zulke mailtjes of (ingezonden) brieven. Dat is niet verkeerd, je vraagt je toch weleens af of je goed bezig bent, zeker omdat het inderdaad veel meer ‘miniatuurtjes’ zijn dan een keiharde column, waarop columnisten altijd – omdat ze nogal tekeer kunnen gaan – wel reacties krijgen op Twitter. Maar zelfs mijn ‘miniatuurtjes’ krijgen weleens commentaar. Trouw had een tijd terug een link naar een column doorgeplaatst waarin ik me afvroeg of ik meer medelijden had met de buurvrouw of met haar zieke hond en daarop reageerde een vrouw met: ‘Medelijden is een zelfgerichte activiteit.’ Ik dacht daar even over na en vroeg haar toen: ‘Und?” Nooit meer iets op gehoord. Mensen willen nu eenmaal ergens op reageren, móeten op dingen reageren, zelfs als er van pure onschuldigheid niks te reageren valt.

Dus als je medelijden hebt met iemand, heb je dat eigenlijk met jezelf? Moet ik het zo begrijpen? Of is het als met woede: dat je negen van de tien keer als je woedend bent op een ander, je het eigenlijk op jezelf bent? Zou je geen medelijden moeten voelen omdat je dan – in weerwil van hoe het lijkt – meer met jezelf dan met de ander bezig bent? Ingewikkeld hoor. Ik heb best vaak medelijden met mensen of dieren. Nooit met bomen. Wat zegt dat dan over mij?

Een genoeglijk avondje

Gisteravond woonde ik het GeenStijl Nationaal Dictee bij. In Amsterdam-West. Ik kwam daar omdat een vriendin van me, die zich in de laatste jaren ontwikkeld heeft tot iemand die Geenstijl wel fijn vindt en alle mensen er omheen kent van Twitter, het niet aandurfde er alleen heen te gaan. Ik was dus nodig als chaperonne. Nou, het was wel een gezellige en vooral chaotische boel. Het zou via YouTube uitgezonden worden, maar daar liep de livestream zo nu en dan vast. Vriendin zei op een bepaald moment: ‘Er kijken nog maar dertig mensen’. Ik was benieuwd. Wat is dat voor volk? Nou, eigenlijk gewoon doorsnee-mensen. Heel gewone, rustige mensen. Als ik niet geweten had waar ik terechtgekomen was, had ik niet 123 kunnen zeggen dat ik bij een club zat die ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’ is. De vriendelijke Theodor Holman en Vic van de Reijt vormden de jury, Kim Holland las voor (ze begreep denk ik niet alles  wat ze voorlas) en er waren zo’n 30 deelnemers, waaronder trendwatcher Adjiedj Bakas, Ebru Umar, Bert Bakker (van D’66! Hij werd 2e), Martin Bosma en Eddy Terstall. Alle drank was gratis. Er sneuvelde één bierflesje. Ik vond het allemaal erg verwarrend. ‘Is GeenStijl vóór Zwarte Piet?’ vroeg ik vriendin. ‘Nou…’ zei ze. De mevrouw die laatst bij Pauw was omdat zij de zwartepietendemonstratie in Dokkum had voorkomen door bij Joure een blokkade op te richten was namelijk één van de deelnemers. Tegen Vic van de Reijt zei ik dat ik niet begreep waarom Arthur van Amerongen (één van de opstellers van het dictee) een column in De Volkskrant heeft. ‘Die is toch hartstikke rechts?’ vroeg ik. Vic zei dat hij het ook verwarrend vond.

“Schrijf iets over dat die stoerpraters eigenlijk schatjes zijn” laat vriendin me net per Whatsapp weten. Ja, ik geloof dat ik dat hierboven al heb gedaan. Het was een avond van ‘onder elkaar’ zijn, er viel niets te verhapstukken met andersdenkenden. Ook Jan Zandbergen was er, die was ooit – misschien nog steeds wel – literatuurrecensent. Die deed ooit De Literaire Pikorde in HP/De Tijd. Heel vilein. Hij heeft iets heel lelijks over mij geschreven, maar ik kan me niet meer herinneren wat. Was het een heel slechte bespreking van Boven is het stil? ‘Bah, Jan Zandbergen,’ zei ik daarom. Maar dat is dan ook gewoon een mannetje in een jasje met een katoenen tasje waarin hij zijn pen en wat andere spulletjes vervoert, die her en der wat babbelt en dan weer een stukje loopt, en nog eens wat babbelt. Alleen Hans Teeuwen was erg geagiteerd, maar ik geloof dat die altijd nogal geagiteerd is, dat zal zijn aard wel wezen. Ik verliet het pand om kwart over 11. En zag aansluitend bij de vpro de film 38 Témoins. Heel verantwoord, een Franse arthousefilm.

In het kielzog van “The Crown”

 

Nadat ik de aflevering van The Crown had gezien waarin Margaret en Anthony Armstrong-Jones elkaar beter leren kennen en uiteindelijk trouwen, herinnerde ik me een etentje. Afgelopen zomer was dat, op Plas Dinas. Augustus. Wandelmaat Henk en ik waren er op uit gestuurd door Jen, de cheffin van Victoria House B&B in Caernarfon. ‘Go and have dinner there, please. I need to know what it’s like, for my guests’ Oké. Plas betekent ‘plaats’, in de zin van ‘groot huis plus landerijen’. We gingen er per taxi heen, helemaal naast de deur was het niet. Plas Dinas was het buitenverblijf van de Armstrong-Jones’jes. Prinses Margaret bracht er tijdens haar huwelijk met Armstrong-Jones – die vanwege hun eerste kind Earl of Snowdon werd, aangezien een lid van het koninklijk huis niet zonder titel kon zijn – nogal wat weekenden door. Tegen die tijd was Lord Snowdons vader al voor de derde keer getrouwd en op z’n 61e nog vader geworden van Peregrine Armstrong-Jones. Peregrine hangt er ook, in de lounge. Een kereltje met fraaie, blonde krullen. Ik kan me zo voorstellen dat Lord Snowdon er liever niet kwam, vanwege die dertig (30) jaar jongere, ongetwijfeld verwende, halfbroer en bovendien was Plas Dinas de plek waar hij op z’n zestiende polio opliep. Hij lag een half jaar in het ziekenhuis in Liverpool en noch vader noch moeder kwam hem daar opzoeken. Dat moet hem voor het leven getekend hebben.

Mooie plek. Mooie schilderijen. Bekende koppen. Je komt eerst in de lounge, waar je dure gin-tonics drinkt en het eten bestelt. Wij liepen nog een rondje door de tuin, gingen op een bankje zitten met uitzicht op de Menai Strait. Het water fonkelde, er scheen een fijne avondzon. Prinses Margaret had daar ongetwijfeld ook gezeten. Snowdon ligt begraven op het kerkhofje van Llanfaglan, anderhalve kilometer verderop, bijna zichtbaar ook vanaf dat bankje. Het eten viel een beetje tegen, hoewel ze erg hun best deden er een posh gebeuren van te maken. Gelukkig voor mij betaalde Wandelmaat Henk, want hij was jarig. We rapporteerden onze bevindingen, een beetje in veel-geschreeuw-weinig-wol-termen. ‘Oh, well,’ zei Jen. ‘I guess it will have to be The Black Boy Inn then. Nothing wrong with that.’

Op de afbeelding acteur Matthew Goode, die in The Crown de rol van Armstrong-Jones speelt.

Hondje Benni, dood

Ik lees momenteel een – om met de grote Mart Smeets te spreken – knotsgek boek. Geschreven door Tilmann Lahme, een biografie van een complete familie. De Manns. Het begin is al apart: het begint plompverloren in 1922, als Thomas Mann de 50 nadert, en na een paar bladzijden duizelt het je. Wie zijn al die mensen? Iedereen is homo. En als ze niet homo zijn, zijn ze wel lesbisch. En iedereen heeft geld tekort. Ze zijn allemaal stontverwend. Bevalt het niet in Parijs? Ach, dan verhuizen we toch even snel naar Praag of Wenen en Amerika, dat is ook best een leuk land. Iedereen schrijft de vreselijkste dingen over elkaar en dan vooral over zus Monika, die vanwege haar zwaarmoedigheid zo lastig is, zo niet gezellig. Iedereen liegt en bedriegt en iedereen is depressief. Als moeder Katia één van de kinderen schrijft dat ze eens zou moeten gaan nadenken over een baan, reageert de betreffende dochter ontsteld. Jongste zoon Michael vermoordt zijn hondje Billi. Waarom weet niemand en hij kan het zelf ook niet uitleggen. De bladzijde voor die achteloze en daardoor nóg vreselijker mededeling een foto van Michael, plus hond, en het onderschrift De hondenvriend Michael Mann. Het is vooral een ‘knotsgek’ boek vanwege de toon van de biograaf, die wordt geïllustreerd door dat onderschrift. De manier waarop hij bijvoorbeeld de ontvangst van Klaus Manns boeken beschrijft is hilarisch en je zou denken dat elk boek weinig meer is dan pulp. Klaus Mann deed zijn uiterste best elk jaar twee romans uit te brengen. Lahne heeft geen enkel respect voor deze wereldvreemde, losgeslagen, arrogante en door en door verwende familie. Nooit eerder las ik een biografie waarin de schrijver zo losjes, zo onbevangen, zo droogkomisch, zo vernietigend over zijn onderwerp schrijft. Prachtig is het. Ik zit nu in het tijdvak 1937 – 1939. Nog lang niet uit.

Einde mededeling. Non-fictie is fijn. Dat merkte ik ook maar weer aan Motel Songs van Auke Hulst, dat ik hiervoor las. Prima boek. Waar gebeurd. Je hebt er iets aan. Hierna ga ik de nieuwe dichtbundel van Jan Glas lezen, hoewel ik dat wellicht tegelijkertijd moet doen. Ik kreeg de bundel thuisgestuurd door de uitgeverij, met een begeleidende brief die als aanhef ‘Beste recensent’ had. Dat was iets nieuws. Ik weet al dat ik die gedichten prachtig vind, ik was – dagen nadat ik die brief kreeg – op de presentatie en Jan las er een paar voor. Maar daar heb ik hier al over geschreven. Is dit dan een recensie? “De gedichten van Jan Glas zijn prachtig?” Tja, waarom niet eigenlijk.

 

Klaar, dus verstrooiing

Ik raakte vanochtend verzeild in allerlei filmpjes op Youtube over de film Boven is het stil. Eigenlijk was ik op zoek naar een trailer van de nieuwe film van Nanouk Leopold, Cobain. Die is er nog niet, maar rechts krijg je dan allerlei suggesties en daarom begon ik met de trailer van Boven en daarna The making of en daarna nog weer andere dingen. Vijf jaar geleden. Nee, vijfenhalf. Gisteren was de vijfde sterfdag van Jeroen Willems, en gisteren ook kreeg ik een berichtje van zijn biografe, Mieke Koenen. Of we eens konden praten. Ik stuurde haar vast de korte tekst die ik schreef voor het Nederlands Film Festival 2013. Het was de bedoeling dat ik die op de openingsavond zou voorlezen, maar dat is om de één of andere reden niet doorgegaan.

Vreemd, zomaar al weer twee dagen daarmee bezig. Herinneringen; de gedachte zelfs: ‘Zal ik de film weer eens bekijken?’; zien dat ergens onder één van die Boven-filmpjes op Youtube iemand gereageerd heeft: ‘Nederlanders zijn flikkers en pedo’s’ (zie dat nog maar eens bewezen te krijgen, dacht ik); maar vooral ook die prachtige maart van het jaar 2012 (áls het in de film al regent, is dat nepregen), de filmset, het eten, de ezels, Wim Opbrouck; de ongelofelijke hoeveelheid mensen die bezig zijn met het maken van een film, het Auping-bed dat Marc van Uchelen en ik naar binnen moesten dragen zonder enige regie-aanwijzing; Zeeland. Ik kreeg erg veel zin in nog een keer zo’n gebeuren. Het maken van de film De omweg vordert. Langzaam gaat het, zoals gebruikelijk bij het maken van een Nederlandse film, maar het gaat. Zo nu en dan worden we op de hoogte gebracht. Ik doe er verder niets aan, maar dat ene piepkleine rolletje laat ik me niet graag ontnemen. Daarvoor zal ik af moeten reizen naar Wales of mogelijk Ierland, want Ierland heeft fijne belastingregels, zo is me verteld.

Ik begrijp wel waarom ik verzeild raak in het bovenstaande. Rotgrond bestaat niet is klaar. Uitgedraaid en wel, ik ben speciaal vanmiddag in de waterkou naar Schönecken gefietst om printpapier te kopen. De winkel met het ingebouwde postkantoor was dicht. Natuurlijk. Gelukkig lag er bij de Edeka ook printpapier. En klaar, klaar… Met non-fictie is dat erg moeilijk te bepalen, misschien zelfs wel onmogelijk, en toch wist ik eergisteren na het tikken van een laatste, heel korte alinea, dat het rond was. En wat eerst een boekje-voor-naast-de-kassa leek te worden, is uitgegroeid tot een volwaardig boek, wat misschien wel als een soort vervolg op Jasper en zijn knecht gezien kan worden. Maar dan anders natuurlijk. [Op de afbeelding Martijn Lakemeier als Henk]