Klinkt als…

Ik stond zojuist bij de kassa van de plaatselijke Bruna Bij twijfel hard zingen en het Literair Juweeltje van Gerda Blees af te rekenen toen bij de tweede kassa een mevrouw een vraag stelde. Ze vroeg naar het laatste boek van die schrijfster van Het zoutpad omdat ze ‘veel te benauwd’ was om zelf op zoek te gaan. Ze liep achter een rollator. Pal achter mij – het is bij onze Bruna altijd nogal vol en druk – stond een medewerkster tussen kartonnen dozen dingen uit te pakken. ‘Landmijnen!’ riep ze. ‘Nee, joh,’ zei ik. ‘Landlijnen.’ Ze keek me kort aan om te zien met wie ze te maken had en zei toen: ‘Nou, ja, klinkt als…’ Waarop ik weer zei: ‘Nou ja, met jouw titel waren we er wel meteen vanaf.’ Die uitspraak trok dan weer de aandacht van de jongen achter de toonbank die mijn boeken aan het inpakken was (Francis van Broekhuizen is voor M., die vindt haar erg leuk). ‘Is het uitmelken?’ vroeg hij. ‘Nogal,’ zei ik.

Deel 1 vond ik prima, al was de premisse niet uitgekomen, die man van haar leefde nog steeds. Nou, hop, een tweede deel, weer over die nog steeds doodzieke man. Wegens succes verlengd. Wéér niet dood. En bovendien: het succes was haar dusdanig naar het hoofd gestegendat ze in het tweede boek nogal wat wat goeroe-achtige trekjes vertoonde op niks af. Landmijnen laat ik dus maar aan me voorbijgaan, want in dat deel ondernemen ze de langste tocht ooit, ziek als die man is. Ik geloof er allemaal helemaal niks meer van.

Deze wereld gaat eraan

Omdat we weer eens in de wagen zaten, kregen we een eindeloze reeks reclames te verwerken. Eén sprong eruit, vanwege doorgeschoten gekkigheid. De Primera Keuze Cadeaukaart. Vroeger, toen alles beter was, kon je een specifieke cadeaubon kopen. Als je even niet wist wat je iemand voor een blijde gebeurtenis kon geven, koos je daarvoor. Een boekenbon is ook een cadeaubon. Je weet niet met welk boek je de jarige blij kan maken (Waterdrinker of Weiers, Wieringa of Welagen, Geurts of Gerlach) dus kies je voor een boekenbon, dan mag de jarige het zelf uitzoeken. Nu dachten ze bij de Primera: ‘Wacht eens even, het kan natuurlijk nóg een stapje verder, voor de mensen die het écht niet meer weten!’ De Primera Keuze Cadeaukaart: daarmee heb je als ontvanger de keuze uit zo’n 100 cadeaubonnen! Die je dan vervolgens weer moet gaan inruilen voor een echt cadeau bij de HEMA, Intratuin, Zalando, Rituals of Ici Paris. Aan de cadeaukaart zelf heb je niets, daar kun je niets mee aanschaffen.

Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar wij houden zo zoetjesaan op met het heen en weer geven van dingen. Wij nemen een fles wijn mee naar vrienden waar we gaan eten, de vrienden nemen een fles wijn mee als ze bij ons komen eten. Regelmatig gaat dezelfde fles een paar keer heen en weer. Dat kun je dus net zo goed afschaffen. Voor verjaarscadeaus geldt hetzelfde, zeker als de ontvangers steeds maar ouder worden. Binnen de familie is dit zeker lekker rustig: nooit hoef je je hoofd meer te breken over een leuk of geschikt cadeau.

En o ja: wisten jullie dat het vandaag (en vorige week en komende dinsdag) Black Friday is? Dat is iets wat uit de Verenigde Staten is overgewaaid en het, dus, hier erg goed doet, net als McDonalds, Halloween of Mickey Mouse. Je kunt dan, als ik de tsunami aan reclames mag geloven, goedkoop spulletjes kopen. Het is de eerste dag na Thanksgiving en op die dag schijnen Amerikanen met hun kerstinkopen te beginnen. Maar wij vieren hier (nog) geen Thanksgiving (hoewel onze blinde overneemdrift voor alles wat Amerikaans is daar nog wel voor zal zorgen), dus die Black Friday slaat ook nergens op.

Grus grus/Quercus frainetto

Gisteren was hier een topdag voor wat betreft de kraanvogels. Ik maakte me al een beetje zorgen nadat iemand me vroeg dat het momenteel zeker weer trektijd was? Verrek, dacht ik toen, ik heb nog helemaal geen gekrijs gehoord. Maar goed, het zal daar in Siberië of bovenin Noorwegen ook vast nog lekker warm geweest zijn. Hoe dan ook: gisteren, de hele dag door, enorme V’s. Wel rommelig, dat moet gezegd; ganzen doen dat toch veel netter en zoals gebruikelijk pal boven ons dorp altijd die twijfel. Groepen die in tegengestelde richtingen vliegen, V-formaties die niet in stand blijven omdat alle individuele vogels zomaar wat doen. En wat mij altijd zo verbaast is dat die beesten nooit eens tien kilometer verderop langskomen. Dan zouden wij er niets van merken. Maar nee: altijd precies hier. Heel geruststellend. Doen wat je hoort te doen en al die mensjes daar beneden een gevoel van geruststelling geven. Nu ik er eens bij stilsta: waarschijnlijk komen ze tien kilometer verderop óók altijd langs: het zal een brede band zijn. Misschien moet ik schrijven: nooit eens vijftig kilometer verderop. En dan vandaag weer niets. Tot op heden (12:33 uur) geen kraanvogel gezien of gehoord.

In plaats daarvan voor het eerst in tijden weer eens de grote bonte specht op het vogelvoederstation. En de kuifmezen die aanvankelijk nogal bedeesd waren, hebben daar helemaal geen last meer van. Het is alsof ze de koppen geteld hebben en concludeerden dat ze de overhand hadden. Dan kan je gezamenlijk zelfs de boomklevers aan. Het is hier een natte november. Nat en zacht. Het grasveld is een modderpoel en dat is de schuld van Floris, die bij welk weer dan ook graag achter de blauwe stuiterbal aanrent en vanwege het natte gras telkens uitglijdt. Het grasveld is ook een broedplaats van ontluikende Hongaarse eikjes. Vrijwel elke eikel (en er zijn er duizenden omlaag gekomen, die ik lang niet allemaal heb kunnen verwijderen) loopt uit, ik vermoed ook vanwege het milde weer. Ik houd mijn hart vast voor komend jaar. Of misschien moet ik dat helemaal niet doen en domweg een Hongaarse eikenkwekerij beginnen! Die kan je namelijk lang niet overal kopen. Dan worden we schathemeltjerijk (M. gaat natuurlijk ook meewerken op de kwekerij en Floris kan mooi plantgaten graven) en doen we qua natuur en CO2 enzo ook nog eens heel goed werk. Een bord aan de weg: ‘Hier kauft man günstig Ungarische Eiche (Quercus frainetto)’. En mogen we best één of twee keer per jaar ergens heen vliegen zonder schaamte. 

Plastic hond, onder andere

Eergisteren hadden we in Feuerscheid de traditionele Sint Maartensoptocht. Waarom die op 12 november in plaats van 11 november is, weet ik niet. Misschien domweg omdat na zaterdag zondag komt en mensen die te veel gedronken hebben dan rustigjes hun kater kunnen verwerken. Wij stonden al klaar bij de brandstapel – die dit jaar naast de begraafplaats opgeworpen was – terwijl verderop in het dorp de plaatselijke fanfare steeds luider klonk. Bij de brandstapel stond ook een groepje kinderen dat niet meeliep in de lampionnenoptocht en zij hielden het niet langer: ze gooiden hun fakkels op de stapel, waardoor die al volop in lichterlaaie stond toen de optocht met de andere kinderen aankwam. Dat was niet de bedoeling. Langzaam verplaatste het hele gezelschap zich naar de brandweerkazerne. Ook dat was anders dan anders: omdat het gemeentehuis verbouwd wordt, kon de trekking van de loterij daar niet plaatsvinden. Zo’n beetje de voltallige vrijwillige brandweer was op de been. Zij spelen altijd een grote rol tijdens deze avond.

Op het moment dat iedereen op het plein voor de kazerne aangekomen was, en de fanfare nog een deuntje speelde, ging het brandalarm. Zo’n dramatische wending had niemand voorzien en er heerste dan ook even verwarring. Alle brandweerlui verdwenen, de brandweerwagens ook. Daarna ging dan toch de trekking van de loterij van start. Nog nooit heb ik iets gewonnen in die jaarlijkse loterij, terwijl ik altijd tien lootjes koop (als je dat doet, krijg je er twee gratis bij). Achter de lange tafels die in de schuifdeuren van de kazerne geplaatst waren, stonden zo’n vijftien kinderen die helemaal gek werden van de trekking. Als er iets opgenoemd werd wat ze graag wilden hebben, gilden ze. Als één van de vriendjes een barbiepop won, lachten ze die luid uit. Ineens werd mijn naam genoemd! Ik had een doosje playmobil gewonnen! ‘Hahaha,’ deed Doris, één van de vrouwen van wie ik de lootjes gekocht had en wier kleinkinderen (nogal verdacht) de ene na de andere prijs ophaalden. ‘Je kunt het aan iemand geven,’ zei ze. ‘O, ja,’ zei ik, en voor ik na had kunnen denken had ze de playmobil al uit mijn handen gegrist. ‘Für mein Enkelkind,’ zei ze. Ondertussen waren de brandweerlieden elders in het dorp bezig een schoorsteenbrand te blussen. Ik dronk glühwein en maakte een praatje met de Ortsburgermeister. Dat kan nooit kwaad. Suzanne, bij wie we na afloop zouden eten, won een sokkenpakket en Rinus en Lien, die er niet waren, wonnen gebreide handschoenen. Florian, de man van Suzanne, lid van de vrijwillige brandweer, was elders bezig met een kettingzaag het plafond van het huisje open te zagen. Hij zou het eten klaarmaken. Gelukkig wist ik ook hoe je lasagne maakt. Om kwart over tien aten we. ‘Dat vinden jullie lekker, hè,’ zei ik tegen Florian. ‘De boel kapotmaken als de brand geblust is.’ Ik treurde in stilte nog een beetje om mijn doosje Playmobil. Het was, had ik in de gauwigheid gezien, een verzameling dieren, waaronder een lichtbruine hond.

Lezing in wolvengebied

Na Weer eens een lezing volgden er nog drie. In Heerlen, Rotterdam en – gisteravond – Eerbeek. Meestal ben ik kapot na zo’n rijtje, maar ik voel me welgemoed. Heerlen was alleen al leuk omdat het samen met Anton Dautzenberg was, en de moeder van Anton, en twee zeer oude buurvrouwen van de moeder van Anton. Ik geloof niet dat de mevrouw die achter de kassa stond bij Van der Velden Van Dam wist wie ik was, want toen ik haar een hand wilde geven, vroeg ze: ‘Kan ik u helpen?’ In de trein terug bekokstoofden Anton en ik een snood plan: wij wilden de plek van Brommer op Zee innemen. Helaas stond er de volgende dag al op Tzum dat Eus dat ging doen. 

Ik was rond half negen thuis, lag na het eten van een bord mosselen een twee uurtjes op de bank en toen reden we in de auto naar Rotterdam. Ik dacht dat het een radio-interview zou zijn, maar toen ik binnenkwam in de zaal (zo’n halfonttakelde fabrieksachtige ruimte) bleek er zeer hip publiek te zijn en kreeg ik te horen dat het interview in het Engels zou zijn. Het was de Extra Extra Live Radio Night, maar dan niet op de radio, maar via internet. Extra Extra is een erotisch magazine. De interviewer en ik werden het erover eens dat erotiek veel beter en leuker is dan seks. Hij dacht trouwens dat ík een zoon van een kapper was. ‘No!’ riep ik. ‘I’m a farmers son!’ Het was wel aardig om weer eens middenin een grootsteeds uitgaansgebied te zijn, met allerlei mensen om je heen die daar rondlopen. We waren rond half drie ‘s nachts thuis.

Gisteravond reden we naar Eerbeek, Floris mocht mee, maar die lieten we wel in de auto toen we gingen eten bij de Stuyv Inn, want die hond is lastig te handhaven in een restaurant (en bovendien ligt Eerbeek op de Veluwe en op de Veluwe wonen wolven!). Er was een wachtlijst, want uitverkocht. Uiteindelijk mocht iedereen naar binnen. Zelden zo’n meewerkend en open publiek gehad, ik kan collega’s sterk aanraden daar ook eens een lezing te gaan doen. Opvallend veel mannen. Floris is een ideale lezingenhond. Ze blaft niet, scharrelt een beetje rond en komt uiteindelijk óf op mijn schoot terecht óf, zoals gisteravond, ze gaat pal voor me op de grond zitten en kijkt me een half uur lang ononderbroken aan. ‘Die hond is helemaal verliefd op je!’ zei Carmen, de enige bezoeker van Spaanse afkomst. Ze beloofde me in de pauze géen boek van me te kopen omdat ze gratis al Mevrouw mijn moeder van Yvonne Keuls gekregen had en ze wat ik uit De 3 bestaat niet voorgelezen had nogal stom vond. Maar zelfs Carmen vertrok uiteindelijk met een De Kapperszoon. Ze wilde wel nog even kwijt dat de foto op het achterplat erg lelijk was en dat ik er in het echt stukken leuker uitzag. Onderweg naar huis slaagden we erin twee zakken winegums te bemachtigen. Joost Vullings presenteerde Met het oog op morgen. Rond twaalven thuis. Gin-tonic.

Weer eens een lezing

We gingen naar Huijbergen. Terwijl we onderweg waren, groeide de avondspits van 200 kilometer uit naar duizend (1000!) kilometer file, zo’n beetje overal waar wij reden. We hadden geen winegums. Aangekomen in het dorp dat tegen de Belgische grens aan ligt, bleek eetcafé De Kroon dicht, terwijl dat op de website niet was aangegeven. Ik googelde naar iets anders, maar dat andere bleek gewoon een kroeg te zijn, waar twee mannen aan de bar een biertje stonden te drinken en de mevrouw achter de bar klaagde over personeelsgebrek. Ze hadden wel een tip, Cuisine in Wouwse Plantage, een dorp dat een kilometer of zes terug was. Wij verstonden Cuisine, maar het bleek Kwizien te heten. ‘Heeft u gereserveerd?’ werd ons bij binnenkomst gevraagd. Van die vraag gaan mijn haren meteen recht overeind staan, omdat na het ontkennende antwoord vaak volgt: ‘We zijn helaas volgeboekt.’ Ik ontneem die lui dan vaak hun ’sorry’ omdat ik dan al zonder een woord rechtsomkeert gemaakt heb. Nu echter was er wel een plekje. We bestelden vis, en zeiden dat we ‘een beetje haast hadden’.

Het echtpaar aan het tafeltje naast ons, dat daar al eerder zat, had nog niet eens een menukaart. ‘Maar ja,’ zei de vrouw, ‘jullie zeiden dat jullie haast hadden.’ Ze dronken een biertje. Wat wij daar te zoeken hadden? ‘Ik heb zo een lezing,’ zei ik. ‘Waarover?’ vroeg de vrouw. ‘Over een boek,’ zei ik. Aha, op die manier. De vis was prima en we konden min of meer op tijd vertrekken. ‘Succes hoor!’ zei de vrouw aan het aanpalende tafeltje. ‘Dat gaat wel lukken,’ zei ik, ‘ik heb tenslotte al twee wijntjes op.’ In de auto op weg van Wouwse Plantage naar Huijbergen ging de telefoon. Waar ik bleef? ‘We zijn er bijna,’ zei ik. De lezing was gelukkig verplaatst van de bibliotheek (dat zijn vaak ongezellige, tl-verlichte ruimtes) naar een houten gebouwtje achter molen Johanna, dat afgelopen mei geopend was. De man achter de kassa verwelkomde me hartelijk. Hij had een leuk interview met mij gelezen in Autoweek, met die mooie camper op de foto. ‘Goh,’ zei ik, ‘dat vind ik knap, aangezien ik camper noch rijbewijs heb.’

De lezing verliep zeer geanimeerd, zoals dat heet. Ze moesten even loskomen, maar nadat ik mijn afkeer van carnaval geventileerd had, werd het gezellig rumoerig. ‘Jullie moeten Jan van Mersbergen uitnodigen,’ zei ik. ‘Die komt binnenkort met een dik boek over carnaval.’ Maar toen ze hoorden dat hij uit Almkerk kwam, betrokken de gezichten al iets. Lezingen – ik werd in dit geval geïnterviewd door Joop de Krom, gepensioneerd leraar Nederlands – waarbij de bezoekers zich er al dan niet luidkeels mee bemoeien zijn toch altijd de leukste. Er werden heel veel boeken verkocht. De terugreis verliep anderhalf uur sneller dan de heenreis en onderweg slaagde ik erin twee zakken winegums te kopen. Wilfried de Jong presenteerde Het Oog en keiharde regen sloeg tegen de voorruit. Gezellig.

Riamant rijmt op diamant

Wij luisteren alleen als we in de auto zitten naar Radio1. Dat is voldoende. Vaak zitten we urenlang in de auto, vandaar dat het voldoende is. Je krijgt dan heel vaak dezelfde reclame te horen en het is vooral die reclame die ons doet lachen. Dat en dat collega-presentatoren Natasja Gibbs steevast Natasja Kips noemen, waardoor wij dus dachten dat zij daadwerkelijk Natasja Kips heette. Ook vinden wij de reclame van Schoonmaakbedrijf Raggers erg komisch. Er is nu iets met een ‘hygiënebox’ die Riamant heet, nogal onbegrijpelijk. Een vrouwenstem leest de reclame voor en vaak rijmt de tekst. Maar wellicht is die reclame juist heel doeltreffend: eenvoudig, je onthoudt dingen vanwege het rijm en die hygiënebox (‘De diamant onder de hygiëneboxen’) zal vast iets met het damestoilet te maken hebben (zo concludeerden wij nadat we de reclame al ettelijke malen voorbij hadden horen komen).

Ook reclame op tv is vaak (onbedoeld) lachwekkend, of ergerlijk. Wij praten graag tegen de tv, soms is het schreeuwen. Nu is er een reclame van Alzheimer Nederland. Ik neem aan, maar dat weet je nooit zeker, met échte mensen. Dus niet met acteurs. Hier is er één van te zien, ik meen dat er meerdere varianten zijn. Kijk er eerst even rustig naar. Een Limburgs gezin: oma, moeder en zoon. Oma kreeg Alzheimer en nu treft de moeder hetzelfde lot. Hebben jullie gekeken? Gehoord waar wij – ongepast als dat wellicht is, en in de wetenschap dat het natuurlijk een vreselijke aandoening is – hard om hebben moeten lachen? ‘We gebruiken de tijd om nog zo veel mogelijk herinneringen te maken’, zegt de zoon. Nog even los van die afgrijselijk lelijke moderne constructie die in meerdere reclames opduikt (je moet tegenwoordig op vakantie om ‘herinneringen te maken’ bijvoorbeeld, en niet meer om gewoon lekker ontspannen op vakantie te gaan) klinkt dat natuurlijk nogal apart in relatie tot de ziekte waar de reclame op inspeelt. Alzheimer draait nu juist om het verlies van herinneringen en geheugen. Wat heeft het voor nut om dan herinneringen te gaan maken die binnen de kortste tijd weer verdwenen zullen zijn? Wat de zoon bedoelt, denk ik dan maar, is dat hij zijn moeder nog zo veel mogelijk plezier wil laten hebben nu het nog kan.

Zoals altijd is de vraag die dan opduikt: heeft werkelijk niemand die betrokken was bij het maken van deze reclame (en dat zijn vaak veel meer mensen dan je denkt) dit gezien of gehoord? Is er bij niemand een belletje gaan rinkelen? Heeft iedereen al veel te veel reclames gezien waarin dat ‘herinneringen maken’ (zelfs als je een nieuwe keuken neemt) centraal staat, dat het een soort verplichting is geworden om het op alles toe te passen? ‘Het leven vieren’ en daarbij onophoudelijk ‘herinneringen maken’, dat is waar wij tegenwoordig toe veroordeeld zijn.

Eikelovervloed

Wat een eikels! Tientallen kilo’s eikels, als het niet meer is. Emmers vol heb ik al uit het gazon geharkt, en daarna nog eens emmers vol. Niet alleen mijn Hongaarse eik (Quercus frainetto) geeft zoveel eikels, álle eiken, ook de ordinaire zomereiken in het bos. Ze lopen ook al uit: zo’n teer geelgroen sprietje dat graag zelf ook een Hongaarse eik worden wil. Ik houd m’n hart vast. In de tien jaar dat ik hier in de Eifel zit heb ik dit nog nooit meegemaakt. Volgens mij is het dus een goed zogenaamd mastjaar, of geldt dat alleen voor beukennootjes? En juist nu laten de eekhoorns het afweten. Suffe beesten.

Afgelopen zaterdag waren we ook in het bos. Bij Gerolstein. Daar is een zogenaamd Waldfriedhof. Je kunt je er, als je dood bent, in een urn in de grond laten zakken, bij een boom met een nummer. Vaak zitten er op die bomen ook plaatjes met namen. Vijf jaar geleden werd de oude buurvrouw Trappen er ter aarde besteld. (Ik houd hier de naam aan die in de in het Duits vertaalde Privé-domeinen staat.) Nu kwam haar zoon erbij. Die was nog maar 64, maar hij had er geen zin meer in, of hij kon het allemaal niet meer aan, of de duizelingen die hem overvielen na een beroerte afgelopen juli werden hem te veel. We laten je in liefde gaan, maar ‘wir werden es nie verstehen’ stond er in de overlijdensadvertentie. Je hoeft het ook niet te verstehen, is mijn bescheiden mening. De een gaat dood aan ouderdom, een ander aan een verkeersongeval, een derde aan een hartaanval, of kanker. Het doet er, ergens, niet zo veel toe. Ik persoonlijk begrijp ook die acties van bijvoorbeeld SIRE niet zo goed om mensen af te houden van zelfmoord. De enigen die je daarmee van dienst bent zijn de nabestaanden. Maar goed, dat is een heel andere discussie, waar het hier niet om gaat.

Het was magistraal weer voor een urnbijzetting. Vochtig, de wind ruiste in de boomtoppen waardoor er tijdens de hele dienst herfstblaadjes naar beneden dwarrelden. Het seizoen werkte goed mee. Normaal gesproken wordt hier katholiek begraven. Dat wil zeggen: minstens een uur in de kerk, alles volgens het boekje, geen persoonlijke anekdotes. Een beetje kil, zou je kunnen zeggen. Daar in het bos was natuurlijk geen kerk. En de ‘dienst’ was juist wel een tikje persoonlijk, er werd zelfs op een bepaald moment gezegd dat bepaalde mensen niet geloofden, dus iedereen moest maar zien wat hij of zij deed bij het gat. Een kruisje slaan, een buxustakje in water dopen en afschudden, rozenblaadjes in het gat strooien. Midden in het bos stonden twee luidsprekers waaruit mooie muziek kwam. Er waren erg veel mensen, de zoon van buurvrouw Trappen had veel collega’s waarvan enkelen moesten huilen.

De zoon was gescheiden, lang geleden al. Hij hield van oude auto’s. Twee zoons, een paar kleinkinderen. Een aantal jaar geleden, in de tijd dat we regelmatig bij buurvrouw Trappen zaten op zaterdagavond in haar oververhitte keuken, zat er ineens een joch bij dat ik niet kende. Dat waren wisselende gezelschappen, de dochter van buurvrouw Trappen was er ook vaak, en haar ex-man. Er werd veel gedronken. Ik kookte soms. De zoon, toen ook al dik in de vijftig, straalde. Iedereen deed alsof er niets aan de hand was. Ik ook niet. Het magische woord ‘internet’ viel, in relatie tot het joch. De zoon stootte me aan. ‘Ich bin wie Du,’ zei hij. Dat was enorm ontroerend.

… deel 2

4X-AXG – (1992) de enige passagier aan boord, Anat Solomon, reisde naar Tel Aviv om er een dag later haar 24everjaardag te vieren. Haar verloofde, Itzik Levi, een beveiligingsbeambte van El-Al, zou later volgen. Hun huwelijk stond gepland voor januari 1993. Op de grond (flats Klein-Kruitberg en Groeneveen in De Bijlmer) stierven 39 mensen en raakten er 26 gewond. Iets wat mensen en wellicht ook ‘De Boom die Alles Zag’, tot op de dag van vandaag verbaast.

5A-ONG  – (2010) er waren 71 Nederlanders aan boord van vlucht 771 van Afriqiyah Airways, waarvan er één overleefde, de negenjarige Ruben uit Tilburg. Hij werd, ingesnoerd in zijn stoel, gewond, maar niet levensgevaarlijk, op 300 meter van het staartstuk aangetroffen. Sindsdien wordt de jongen angstvallig bij de pers weggehouden. Het toestel was in Johannesburg opgestegen en stortte ongeveer 1200 meter voor de landingsbaan in Tripoli neer, met een snelheid van ongeveer 450 kilometer per uur. Op begraafplaats Noordeveld in Nieuwegein is een monument opgericht ter nagedachtenis aan deze vliegramp.

9M-MRO – (2014) misschien wel de meest mysterieuze verdwijning ooit. Kort na vertrek uit Kuala Lumpur (40 minuten) werd het normale contact verbroken. Het toestel heeft daarna nog zeven à acht uur doorgevlogen. In de nacht. Zelfs tot na de geplande aankomsttijd zijn zogenaamde ‘pingsignalen’ opgevangen. De kans is groot dat de passagiers lange tijd niet vermoed hebben dat er iets ongewoons aan de hand was. Dachten ze gewoon onderweg te zijn naar Peking. Begin 2017 werd, na bijna drie jaar, de zoektocht opgegeven. Er was één Nederlander aan boord.

9M-MRD – (2014) naast 283 passagiers en vijftien bemanningsleden kwamen er op 17 juli 2014 ook twee honden en een aantal vogels om. Bloemisten Cor Schilder (33), bijgenaamd ‘Pan’ en Neeltje Tol (30) zaten op vlucht MH17. Schilder was drummer en zanger van de Volendamse band Vast Countenance. Vlak voor het boarden plaatste Schilder een foto van de Boeing 777-200ER op Facebook, met de tekst: ‘Mocht hij verdwijnen, zo ziet hij d’r uit’, doelend op het een paar maanden eerder verdwenen toestel van Malaysia Airlines. In een artikel op nieuw-volendam.nl vertelt zijn moeder over een bezoek dat ze brachten aan het gereconstrueerde toestel: ‘Toen ik het vliegtuig ‘binnenliep’, dat was heel hard. In de cockpit hadden ze de twee zwaar beschadigde stoelen van de piloten teruggezet. De rechercheur vertelde dat de raket aan de voorkant, bij de cockpit is ingeslagen. Dat deel is eerst afgebroken en naderhand is de staart afgebroken. En dat het achterste deel ook een wending heeft gemaakt, waarna ze er aan de achterkant uitgeschoven zijn…’ Cor en Neeltje zijn ‘intact’ teruggevonden in de Oekraïnse weilanden, de staart lag op tien kilometer afstand van de andere brokstukken. Cors broer Dennis draagt nu zijn Rado-horloge. Vele andere persoonlijke zaken zijn in de uren en dagen na het neerhalen van het toestel van de rampplek gestolen. Er was ook een schrijver aan boord, de Australiër Liam Davidson. Hij schreef onder andere The Betrayal en The Florilegium. Liam en zijn vrouw Francesca hebben in Vijfhuizen boom nummer 1 en 2. Beide een Crataegus secculenta ‘Jubilee’, een uit Amerika ingevoerde meidoornsoort.

Geschrapt werk

In De Kapperszoon was oorspronkelijk een appendix gepland. Uiteindelijk heeft die het boek niet gehaald, na verhitte discussies uiteraard. Vliegtuigongelukken waarbij Nederland of Nederlanders betrokken waren. Hieronder een selectie uit die appendix:

Als er iets gebeurt met een vliegtuig, iets onherstelbaars, wat wil zeggen dat het niet afgedankt en gesloopt wordt maar verloren gaat, wordt het registratienummer in het luchtvaartuigregister doorgehaald. Het komt te vervallen. Dat specifieke nummer verdwijnt voorgoed, mag nooit opnieuw gebruikt worden. De ironie wil natuurlijk dat juist die registratienummers onthouden worden, vanwege de vliegramp die eraan verbonden is. Al zal het in de meeste gevallen het vluchtnummer zijn dat er een herinnering aan oproept. PH-BUF en N736PA (de Nederlandse en Amerikaanse Boeings van Tenerife) zijn dus doorgehaald, net als (onder andere) de volgende registratienummers:

N1809E ‘Anthony Nesty’ – (1989) negen mensen en een hond overleefden de ramp op het Johan Adolf Pengel International Airport in Zanderij. De politie gaf de hond de naam ‘Lucky’. Gezagvoerder Rogers had niet mogen vliegen omdat hij geschorst was (onder andere vanwege het landen op een verkeerde baan) en de copiloot vloog onder een valse naam en met vervalste papieren. De gezagvoerder brak drie landingen af en tijdens de vierde, fatale, landing negeerde hij de automatische waarschuwing die aangaf dat het toestel te laag vloog. Een groot deel van het zogenaamde Kleurrijk Elftal kwam om het leven evenals de leden van de Draver Boys, die tijdens de geplande voetbalwedstrijd de muziek zouden verzorgen.

PH-MBN ‘Anthony Ruys’ – (1992) passagier Elisa van den Berg zei, toen het vliegtuig doormidden was gebroken en in brand vloog, tegen haar man, die er zo snel mogelijk uit wilde: ‘Laat mij hier maar zitten.’ Later scheidden ze omdat ze er niet in slaagden samen het ongeluk te verwerken. Ze verhuisde, alleen, naar Portugal omdat ze, zoals ze zelf zegt ‘daar tegen de aarde gesmeten was’. Bij deze vliegramp in Faro kwamen 56 mensen om het leven, 284 mensen overleefden. Er gaat een gerucht dat één van de passagiers haar angst om te vliegen overwon door haar vliegbrevet te halen en daadwerkelijk commerciële vluchten heeft uitgevoerd.

VN-A449 – (1992) alleen de Nederlandse Annette Herfkens overleefde deze crash in het Vietnamese oerwoud. Ze schreef er een boek over: Turbulentie. Uit een interview in het tijdschrift Mijn geheim: ‘Toen ik wakker werd, zag ik dat mijn vriend Pasje dood was. Hij lag aan de andere kant van het gangpad en had een lief glimlachje om zijn lippen. Zelf lag ik klem onder een stoel, met daarin een dood lichaam. Ik moet in shock uit de cabine geklommen zijn, want het volgende dat ik me herinner is dat ik buiten het vliegtuig op de grond lag, midden in de jungle. Sommige mensen leefden nog, maar na een dag was iedereen dood. Het was alsof ik in de hel was beland, maar ik liet mijn emoties niet de overhand krijgen. Niet huilen en niet aan Pasje denken, zei ik steeds tegen mezelf. Acht dagen heb ik daar gelegen, met pijn en zonder eten. De geur van de doden was verschrikkelijk. Ik had me nog nooit zo van God en alleman verlaten gevoeld. Toch was ik niet bang en ik vroeg me af waarom niet.’