Snor en Buster [Trouw, 11 september]

Als ik vlak voor ik ga afwassen met een handvol overgebleven spaghetti sta, mis ik Jasper. Ik gooi de spaghetti of pasta nooit meteen weg, ik kijk even om me heen, in een reflex. Dan verdwijnt het in de vuilnisbak. Ik kan weer zonder al te veel bijgedachten rondjes lopen in de heuvels en door de bossen, langs de Nims. Zelfs alleen. Ik erger me allang niet meer aan honden van vrienden die langskomen, en die vrolijk aan de wandel gaan. Het went snel, geen hond. Zo nu en dan gebeurt er iets waardoor ik aan hem denken moet. Twee weken geleden werd ik na de première van het toneelstuk Juni in Zeeland overvallen door een heel oud gevoel dat maakte dat ik alleen aan een houten picknicktafel zat, met twee glazen champagne voor mijn neus, terwijl alle anderen zich luidruchtig onder de theaterbezoekers mengden. En ineens zag ik Jasper zitten, op de stoep, naast het Lloyd Hotel in Amsterdam. Heel braaf, rillend. Vlak ervoor hadden we een ongeluk veroorzaakt met een scooter. In de commotie die erna ontstond bleef hij steeds maar zitten, iets wat hij nooit deed. En naast mijn eigen heel oude gevoel dat maakte dat ik alleen moest zijn, kreeg ik zo’n medelijden met die hond, dat ik ervan moest slikken. Kort erop botvierde ik mijn oude gevoel op een paar mensen tijdens de borrel na. Terwijl ik donders goed wist dat ik naar bed had moeten gaan om het heel oude gevoel van me af te slapen.

Een paar maanden geleden vond ik op internet de hond Snor. Een heel lief dier, afgaande op de foto. De naam trof me meteen. Snor. Dat moest wel een brave, volgzame, lieverd zijn, een nogal klein uitgevallen mix tussen herdershond en husky. Maar inmiddels is Snor natuurlijk allang verdwenen van het internet, wat meestal betekent dat hij een baasje gevonden heeft. Ik heb vanaf half november niets. In de twee maanden ervoor zal ik door heel Duitsland reizen voor lezingen. Iets wat ik voor het eerst vanuit de Eifel zal doen, ik hoef immers Jasper niet eerst naar Tuinmaat Han of de oppasman in Assendelft te brengen. Half november, ik ben maar steeds bezig met half november. Dan neem ik een nieuwe hond, om samen met hem of haar de Eifelwinter in te gaan. Mensen zeggen me dat ik een pup moet nemen, maar ik wil een vuilnisbak, en het probleem met een vuilnisbakpup is dat je geen idee hebt hoe zo’n beest gaat uitgroeien. Toch maar weer een ‘redhond’ dus. Kun je twee keer achter elkaar de pech hebben een vrijwel onhandelbare hond te treffen? Vast wel. Maar aan de andere kant vast ook niet. We gaan het zien. Tussen het schrijven door zocht ik toch weer op Marktplaats en heb ik Buster gevonden, die woont nu in Ridderkerk (‘Buster is een vrolijke knul!’). Maar dat zal, net als met Snor, net iets te vroeg zijn.

babbeldebabbel

Maandag 12 september. Blijkbaar is de afslag Prüm dicht, want er komen hier aan de lopende band vrachtwagens langs. Mijn L33 is een sluiproute. Tegelijkertijd – niets in de Eifel komt alleen – hebben de waterleidinglui hun werk weer opgepakt. Dat werd ook weleens tijd want in het centrum van Nimshuscheidermühle gaapt al twee weken een enorm vierkant gat in de weg, waaruit een dikke, blauwe buis omhoog steekt. Levensgevaarlijk, met al die 18- tot 23-jarigen die ervan houden met hun eerste auto flink te scheuren. Een uur lang liepen en plauderden verscheidene mannen in de buurt van het punt waar de buis onder de weg door geschoten gaat worden, die plek pal tegenover mijn huis, op minder dan een meter van mijn tuin. Ik ga dat de hele dag scherp in de gaten houden, al weet ik niet of dat enige zin heeft.

Gisteravond – na drie afleveringen Breaking Bad, seizoen 5 – dacht ik dat ik er bijna doorheen was. Blijkt het vijfde seizoen 16 afleveringen lang te zijn! Ik had er geen zin in, vond dat alles wel klaar was toen Gus Fring eraan ging, maar dit vijfde seizoen is geweldig goed. Ik moet zonwering hebben hier in de schrijfkamer, zeker nu de zon steeds lager komt te staan, ik zie steeds mijn eigen armen en handen en kin weerspiegeld in het scherm. Ik lees besprekingen van boeken die net verschenen zijn en dat doet me nou niet echt zin krijgen er zelf nog eens één aan toe te voegen. Gelukkig is er nog een berg werk te verzetten achter het huis. Het is momenteel trouwens het mooiste zomerweer wat ik me kan voorstellen: overdag 30 graden, ’s nachts 10 of 11. Afgelopen nacht las ik de biografie van Hans Lodeizen van Koen Hilberdink uit. Die had beter gekund in mijn ogen: een zo kort leven in zulke clichés en psychologietjes-van-de-koude-grond vangen is best knap, en van enige Lodeizen-poëtica is geen enkele sprake, en de toon waarmee hij het woord ‘homoseksualiteit’ opschrijft getuigt ook niet echt van enige inleving. Vanavond begin ik aan Griet op de Beeck, dat boek kreeg ik van iemand die het niet uit kan staan dat ik altijd zeg dat ik geen vrouwen lees (wat overigens helemaal niet eens waar is: noem mij een man die meer van Iris Murdoch gelezen heeft dan ik en ik trouw ongezien met hem).

Donderdag pas regen

Zondag. 11 september. Niet het eerste waar ik aan dacht waren die vliegtuigen in de VS. Het eerste wat ik dacht was: ‘Wat lig ik lekker, ik blijf nog even liggen’. Daarna stuurde ik een bepaald persoon in Nederland een bericht dat ik een huis gevonden had, een zeer goedkoop huis. Daarin woonden ooit een vader en een moeder en drie kinderen. Er was iets met een kapotte motor, de vader ging de moeder ophalen en tijdens de terugtocht zijn ze verongelukt. De drie kinderen – allemaal onder de 20 – zijn opgevangen door jeugdzorg. Het huis staat al vier jaar leeg. Daarna ging mijn aandacht uit naar mijn onderbuik, daar sluimert iets, ik denk te weten dat het in mijn blaas zit, en ook denk ik dat het iets te maken heeft met die operatie, inmiddels dik twee maanden geleden. Even in de gaten houden. Toen ben ik gaan afwassen en soppen. Tevreden kon ik daarna gaan douchen en de wond erna dik insmeren met Calendulazalf, want nog steeds is het een wond en niet al een litteken, dat duurt allemaal langer dan ik verwachtte. Ik drukte het DB-ticket van Bitburg-Erdorf naar Berlijn af, ik trakteerde mezelf op een 1e klas-kaartje, vooral omdat ik het niet zelf hoeft te betalen. Zo ben ik dan ook wel weer, maar aan de andere kant: een honorarium is er niet bij op de Nederlandse ambassade, want ja: boekpresentatie. Die is op 20 september. Ik ben begonnen te üben, hier in Duitsland verwachten de mensen dat je voorleest, en niet slechts vijf minuten. Ik koos voor het stuk over het middageten bij Beatrix. Er staan veel moeilijke woorden in, bijvoorbeeld Lunch, ik vroeg aan meerdere mensen hoe je zo’n woord in het Duits uitspreekt, en ook vroeg ik me af waarom Andreas Ecke het niet als Mittagessen vertaald had, en vervolgens vroeg ik me af of ik zelf niet ‘lunch’ geschreven had, maar dat lijkt me stug.

Het is een perfecte dag – hoewel (katholiek) zondag – om onkruid te wieden in de moestuin. Dat maakt geen lawaai en het is achter het huis, niemand zal me horen of zien, niemand hoeft er aanstoot aan te nemen. Het is tamelijk warm, maar ook een beetje wazig weer, de zon komt er niet lekker door. De pompoenen groeien als kool. Afgelopen vrijdag was hier een blinde journalist uit Wenen. Hij vroeg me waarom ik hem uitgenodigd had, terwijl ik dat al jaren niet meer doe, journalisten thuis uitnodigen. ‘Nou,’ zei ik, ‘het leek mij makkelijker dan zelf voor twee uurtjes naar Wenen af te reizen’. Ik moest regelmatig zijn koffiekopje en waterglas aan de kant schuiven en de opnameapparatuur lag op een blok hout omdat hij aangegeven had dat hij regelmatig koppen koffie omver stoot. Ondanks zijn blindheid wees ik zo nu en dan op dingen, bijvoorbeeld de nieuwe houten vensters of de urn met Jasper erin. ‘O,’ zei hij dan, ‘ligt de hond daar?’ Vreemd. Toen we klaar waren haalde een vrouw hem op en gingen ze bij Kaj’s Schlemmerstube in Schönecken een schnitzel eten omdat ik daarover geschreven had in Jasper und sein Knecht. In de avond was er nog de verjaardag van Johannes, de jongste zoon van Dakdekker Rudi, en daar dronk ik tot slot vier glaasjes Jägermeister, waarna ik een zeer slechte nacht had. Zondag, morgen maandag en ik hoef helemaal niks, wat nogal lekker is na een maand drukte, mensen, dit & dat en zus & zo, logeren. Pas aanstaande donderdag gaat het regenen.

 

 

Volwassen

Ach, die Zeeuwse knollen. Vooral die bij wie in België de staart nog gecoupeerd is. Die middelgrijze, massieve, dampende, onwezenlijk lekker ruikende werktuigen. Er waren er twee die heetten Rita en Petra, die staan hierboven op de foto. Een stukje verderop stonden oude trekkertjes klaar, en nog weer een stukje verderop de gloednieuwe trekkers. Allemaal met een ploeg erachter. Die ouwe trekkertjes waren mooi, van allerlei merken, Hanomag, Fordson, Porsche, Deutz natuurlijk, ik ken ze wel, van de Bulldogclub van Dakdekker Rudi, van die trekkertjes die óók lekker ruiken, naar smeer en diesel en ouderdom. De nieuwe trekkers, daar vind ik niks aan, ze worden steeds groter, monsters zijn het, vooral als ze je op die smalle Zeeuwse weggetjes tegemoet komen rijden, bijna net zo hard als een auto. Maar de paarden. Dat ene paard dat naast een paardenwagen stond en niet ingezet werd, keihard hinnikte, scheet en piste, en even rustig werd als je hem op de flank sloeg of in zijn neusgaten aaide. De boerenzoons die rustig nog even een snee brood stonden te eten voor de ploegwedstrijd begon, gesponsord door de Rabobank, een handjevol publiek, het is vooral iets voor de trekkerrijders onderling, het gesprek tussen boer Kodde en één van de paardenmenners, in dialect, over dit en dat en zus en zo, nergens ging het over, maar zo hoort het ook geloof ik, mijn leren schoenen die ik voorgoed verpest heb door kriskras over het strostoppelland te lopen, de vaststelling dat het niet zozeer ging om een kaarsrechte voor, maar om de gelijkmatigheid in de diepte van de voren, waardoor het egaliseerwerk in het voorjaar makkelijker verloopt.

En toen moesten we er weg, want om 13:00 uur zou er een middageten zijn met alle acteurs in Middelburg, waar ik natuurlijk tegenover Warre Borgmans kwam te zitten en twee glazen witte wijn dronk – ja, precies goed – en ik had mijn handen gewassen en rook dus niet langer naar paard, wat ik ergens wel jammer vond en ’s avonds de laatste voorstelling, die de allerbeste was, zó goed dat ik nogal aangedaan raakte, het waaide heel hard buiten en toen aan het einde de grote mendeuren opengegooid werden, kolkten de wind en de kou naar binnen, wat goed te zien was omdat op de strozolder de rookmachine aanstond, en Jonas en Bram en Hylke en Fabian zongen buiten het koraal zo hartverscheurend mooi terwijl Ilse een paar meter hoger lag te sterven en daarna mijn eigen stem op band, de laatste tekst die traag, steeds trager, over het grote gele achtervlak omhoog schoof, over houtwormen en boktorren en Moriaantjes en stoofpeertjes in juni en “alle dode mensen voorbij”.

Er waren vrienden en we zaten tot diep in de nacht, in de regen, achter het toiletgebouwtje van de minicamping wijn te drinken en te schreeuwen en kaas te eten bij een houtvuur, maar de volgende ochtend was het zondag en werd alles al afgebroken; de hoogwerker met de blauwe lampen werd weggereden, de tribune werd afgebroken, de regisseuse stopte dingen in grote kartonnen dozen, de een na de ander reed weg, iedereen weer terug naar zijn of haar eigen huis en eigen leven, de zwarte schapen en ganzen bleven achter, en de vier geitjes naast de schapenboet, een enkele campinggast, de kippetjes en de twee jonge katjes, de vijgenboom vol vijgen, het veldje met pompoenen, bijna rijp, bijna klaar voor een herfstige pompoensoep.

En natuurlijk was er melancholie en verlatingsangst, maar niet zo als vroeger, toen ik me zonder remming veel te veel aan alles en iedereen hechtte waardoor ik bijna in paniek raakte als de groep uit elkaar ging, niet begreep hoe iedereen zo maar weg kon lopen en verder kon leven alsof er niets gebeurd was en ik totaal ontredderd achterbleef. Ik geloof dat ik eindelijk eens volwassen geworden ben.

Met Warre Borgmans op de plee

Iemand – het zal vanuit de uitgeverij gekomen zijn – had me verteld dat Andrea Maier een fragment uit Boven is het stil zou laten zien. Daarom heb ik de godganse uitzending van Zomergasten bekeken. Ik ben wel in slaap gevallen zo her en der, en neef Casper lag vrijwel de hele uitzending te maffen. Hij vond haar een ‘suffe vrouw’. ‘Nou, nou,’ zei ik. ‘Ja, anders was ik toch wel wakker gebleven!’ zei hij. En het werd steeds later en ik zag maar steeds andere fragmenten. Dus om kwart over elf zei ik ‘Pffff,’ en ging ik maar naar bed.

Dat ik in slaap viel was niet raar, de afgelopen tweeënhalve week waren best intensief, vooral het elke avond maar weer ‘nadrinken’. En steeds maar naar het strand, in Groot-Valkenisse, op Neeltje Jans of in Domburg. Ik was in jaren niet op het strand geweest, verbrandde dan ook prompt. Ik kan al een beetje Zeeuws praten, dat is helemaal niet zo moeilijk: je zegt gewoon achter elke tweede zin ‘Eéj?’ En gistermiddag nog even opgetreden op de Uitmarkt, met erna signeren, tussen Roos van Rijswijk, Willem Nijholt, Margriet van der Linden en Hans Dorrestijn, wéér met witte wijn. ‘Twee glazen, hè,’ zei een gisse boekenkoopster. Er komt trouwens een 3e druk van Jasper. Al die beroemde mensen, dat vreet ook aan je. Op vrijdagavond liep ik vlak voor Maat voor Maat van Shakespeare zou beginnen op de plee in de grote kerk van Veere Warre Borgmans tegen het lijf. ‘Warre Borgmans!’ riep ik. ‘Gerbrand Bakker!’ riep hij. Hij had het interview in De Volkskrant gelezen, blijkbaar lezen Belgen die krant ook. De rest van de avond liep ik tegen iedereen te roepen dat ik Warre Borgmans gesproken had, net zoals ik weken geleden – nou, om eerlijk te zijn: tot op de dag van vandaag – iedereen gretig vroeg – vraag – of ze mijn wond wilden – willen – zien, puur ter verwerking van het één en ander.

Kester Freriks schreef een voor mij zeer verwarrende bespreking van Juni in NRC. Het stuk had hem niet erg bekoord, het ‘koppige’ greep hem niet, iedereen schreeuwde te veel, vond hij. En dit was de laatste zin van zijn stuk: “Het is pijnlijk, maar de mooiste passages zijn die waarin Bakker zelf zijn tekst voorleest: secuur, perfect van intonatie.” Wat moet je daar nou mee? Het is gemeen van Kester om ons zo tegen elkaar uit te spelen.

Nu een paar dagen Amsterdam, terwijl het in Schwarbach maar bokheet en erg droog blijft en ik steeds de door mij zelf gescheurde en geplante grasjes en zenegroen voor me zie, en buurman Klaus geen antwoord geeft als ik hem vraag die even te bewateren (‘Schlauch liegt da oben, sehr wenig Arbeit’). Dat doet hij wel vaker, geen antwoord geven, en dan geeft hij toch die tere plantjes water. Maar ik weet dat niet, en daar word ik onrustig van. Ik heb zin er weer heen te gaan, zeker nu ik een mailtje kreeg van Netflix, dat vanaf 4 september in Duitsland eindelijk deel 4 van House of Cards beschikbaar is.

een zwart plaatje

Rondom de Chapelle Ste-Croix in Esch-sur-Sûre ligt een oud kerkhof. Er staat een oeroude lindeboom en in het kerkje, dat op slot was, hangt Jezus levensgroot tussen de twee anderen die ooit samen met hem gekruisigd zouden zijn. Het ligt hoog, boven het dorp, het uitzicht is prachtig. Ik dwaal graag over begraafplaatsen, dat is altijd al zo geweest. Ik lees en reken, steeds maar weer reken ik leeftijden uit en via de grafopschriften probeer ik uit te maken hoe iemand geweest is, wat mogelijk de doodsoorzaak was. Zelden maak ik foto’s. Tot ik de bovenstaande steen zag. Ik keek er heel lang naar.

Het kán zijn dat Anne Esch, geboren Decker, nog leeft. Dat zou betekenen dat ze nu zo’n 112 jaar oud en al 44 jaar weduwe is. Maar waarom dan dat zwarte plaatje? Dit is een boek, als ik een ander soort schrijver was geweest, zou dit een boek kunnen zijn. Ik heb niet de tijd genomen de godganse begraafplaats af te lopen om te zien of Anne ergens anders ligt, mogelijk is hertrouwd en dus niet meer bij die dode man wilde liggen. Ze lag in ieder geval niet in de onmiddellijke omgeving, dat zou in dat geval ook niet erg kies geweest zijn. Dat zwarte plaatje, geen enkel opschrift. Twee namen, drie datums.

een beetje ontheemd

Ik ben een nacht in Amsterdam, maar het enige waar ik mee bezig ben is de boel bij elkaar houden. Vorige week nog was ik op vakantie, soort van vakantie, naar Luxemburg en Verdun en in één ruk door ben ik doorgereisd naar Zeeland, met twee tassen vol met spullen. In de boerderij in de Oranjepolder zijn spullen, hier in Amsterdam zijn spullen en in de Eifel zijn nog meer spullen. Raar was het niet dat ik gisterochtend in de trein zat en tot de ontdekking kwam dat ik de sleutels van het Amsterdamse huis vergeten was. Ik weet niet meer wat waar is, wat ik straks – weer naar Zeeland – mee moet nemen of niet.

Het was een medisch dagje gisteren. De tandarts vulde een kies opnieuw; de enorme vulling beet ik er op een cornetto uit tijdens mijn revalidatie in Wieringerwaard. ‘Dit is eigenlijk een kroon, Gerbrand,’ zei hij. Dat snapte ik ook wel, maar een kroon is veel werk, met meerdere afspraken. De tandarts was erg tevreden met Jasper en zijn knecht. Hij zei: ‘Dit lezen mensen over honderd jaar nog.’ Hij was zich van zijn eigen (on)sterfelijkheid bewust geworden. Daarna controle in het OLVG. Zoals ik al verwachtte, duurde het gesprek met de chirurg die me zes weken geleden opereerde niet lang. Ik herkende hem niet. Nu weet ik wat hij precies gedaan heeft, en dat was toch weer ietsje anders dan ik dacht, er was in elk geval ook nog enig ‘inwendig naaiwerk’ aan te pas gekomen. En hij vertelde me dat het op het nippertje was geweest, dat een darm binnen enkele uren zwart kan worden en afsterven. ‘Hartelijk bedankt,’ zei ik dus tegen hem. Hij was erg tevreden over de wond, litteken inmiddels. Geen verdere afspraken. ‘Als er iets is, dan weet je ons te vinden,’ zei hij.

Eigenlijk had ik daarna ook nog bloed moeten laten prikken, maar dat doe ik zo nog even, voordat ik weer de lange reis naar station Arnemuiden onderneem. Juni. Het blijft magisch, het levend worden van een boek, zeker op de plek waar dat gaat gebeuren: een 70 meter lange monumentale schuur aan de Veerseweg, ooit eigendom van koningin Juliana. Ik slaap er bij de oom en tante van de regisseuse, in een bedstee. Elke dag komt er een cateraar om ons van warm eten (geen wijn, maar ik ken de geheime koelkast in het toiletgebouw van de minicamping) te voorzien. Mijn rol is nog onduidelijk. Levend of op film en band. Die film en geluidsband zijn afgelopen maandag opgenomen (zie afbeelding), gisteravond hebben ze een doorloop gedaan met die opnames, eergisteravond zat en lag ik anderhalf uur te midden van de spelers en het licht en het geluid. Dat was best uit te houden.