Ossen en wilgenbloesem

De jonge boer met de grijze ogen stond langs de L5 naar het weiland te kijken waarin zijn Hereford-stiertjes lopen. Ik kon hem helpen, ik was er eerder op de dag bij geweest, ik begreep waarom er ineens vijf vreemde koeien tussen liepen. Ik stak de L5 over met Elvis. ‘Whoa,’ zei hij. ‘Dat is een grote hond.’ Elvis negeerde de jonge boer met de grijze ogen, hij richtte zich op de onrustige koeien. ‘Er was hier vanochtend een file,’ zei ik. ‘Die vijf koeien kwamen vanuit Lasel over de weg deze kant op.’ De buschauffeuse had gefoeterd, ze had allang in Schönecken moeten zijn, maar ze kon niet langs de stilstaande auto’s en de vijf koeien die door bestuurders alle kanten op gedreven werden. Uiteindelijk kregen we ze in het weiland met de Hereford-stiertjes, waarbij één autorijder schok op schok kreeg bij het vrijmaken van een opening. Hij keek alsof hij nog nooit schrikdraad had gezien, laat staan gevoeld.

‘Zijn ze van Blum?’ vroeg de jonge boer met de grijze ogen. ‘Volgens mij niet,’ zei ik, ‘want ze kwamen vanaf Lasel.’ Er kwam een landrover aanrijden. ‘Kijk, daar komt al iemand,’ zei ik. ‘Nee, dat is mijn vriendin,’ zei de jonge boer met de grijze ogen. ‘Het zijn stiertjes, toch?’ vroeg ik. ‘Nee, ossen, zei hij. ‘Ze zijn allemaal gecastreerd.’ Uren later liep ik, weer met Elvis, langs het weiland. Boer Blum was met wat buurjongens bezig ze in zo’n rijdende koeienverplaatser te drijven. Mooie dingen zijn dat: vier hekken op wielen, de koeien zitten erin opgesloten en moeten zelf lopen, de trekker kan dus niet te hard rijden, en de boer moet steeds achterom kijken om te zien of het goed gaat. Elvis wilde graag helpen bij het opdrijven van de koeien, maar ik weerhield hem ervan. Iets later zat hij achter een vos aan, de koeien en ossen allang vergeten. Hij had hier een heel goeie week: buiten een paar reeën zat hij vooral veel vossen achterna, die hij tot mijn grote opluchting niet te pakken kreeg. Na de grote rondes lag hij urenlang voor jaffa in de tuin of op zijn reuzenkussen in de keuken. En dan krabbelde hij weer overeind en ging bij me op schoot zitten, wat nog steeds niet goed lukken wil.

Op de dag van de jonge boer met de grijze ogen was ik tegen de avond achter in de tuin bezig. En weer ging het zoals het altijd gaat: je werkt, bent bezig, registreert iets, dat dringt niet meteen door, en pas na een tijdje kijk je op en zie je de eerste drie gierzwaluwen vliegen. Het was 7 mei. Zo’n beetje de normale aankomsttijd hier in de Eifel. Ik zweette. Het leek wel zomer. Of nee, het wás zomer, de gierzwaluwen waren er immers en koeien braken uit (ze waren via een dal vanaf Blums land op de weg naar Lasel terechtgekomen) en buurman Max is volop aan het grasmaaien en het sneeuwt wilgenbloesem en tegen de avond loop ik met de Gartenschlauch door de tuin. En dan te bedenken dat vorige week de net ontloken blaadjes van de rode pruikenboom, de eikenbladhortensia en tamme kastanje nog kapot vroren.

De ontmoeting

Afgelopen zondag wandelde ik met collega Pauline S. en hond S. door Warmond. ‘Kijk,’ zei ze op een bepaald moment. ‘Aan dat weggetje woont Maarten ’t Hart.’ Ik geloof dat ik niet eens iets zei, maar onmiddellijk dat onverharde weggetje op liep. Het viel buiten de ronde die we wilden lopen. We kwamen langs een manege en ik aaide een paar ongeïnteresseerde paarden, en toen kwamen we bij het huis, dat omgeven wordt door bomen, wild struikgewas en ontstellend veel ontluikend fluitenkruid. Pauline liep op de voordeur af. ‘Nee!’ riep ik. ‘Oké,’ zei ze. We liepen terug, weer aaide ik een paar nog steeds ongeïnteresseerde paarden. ‘Kijk,’ zei Pauline een tweede keer. ‘Daar lopen Maarten en Hanneke.’ In de verte kwam een stel onze kant uit lopen. Ik werd een beetje zenuwachtig.

In de loop van de tijd leer je iedereen kennen, van festivals, prijsuitreikingen, boekpresentaties, alles wat maar met de schrijverij te maken heeft. Iedereen, behalve Maarten ’t Hart, domweg omdat hij zich graag afzijdig houdt, al zag ik hem toch echt al een paar keer in DWDD, terwijl hij zelf zegt dat zulke gebeurtenissen heel slecht zijn voor zijn gezondheid.

Op zo’n moment ben ik gewoon een wandelaar die van het rechte pad is afgeraakt, een mogelijk Duitse lezer die met veel moeite de plek heeft gevonden, op zo’n moment heeft de gedachte ‘Wat hij is, ben ik ook, we zijn gelijkwaardig’ niet z’n beoogde effect. Nee, op zo’n moment komt een bewonderd schrijver en mens mijn kant op lopen, op een weggetje dat uitsluitend leidt naar zijn woning, waar ik – wij – eigenlijk niets te zoeken hebben. Pauline loste het op door van verre al ‘Hé, Maarten!’ te roepen. Maarten begroette Pauline en gaf mij daarna een hand en hij zei: ‘Eindelijk.’ Aha, mijn gedachten bleken ook zijn gedachten te zijn, zo gemakkelijk ging het. We stonden in het fijne voorjaarsweer een minuut of vijf gezellig te babbelen, Maarten bewonderde hondje S. en we liepen verder. ‘Goh,’ zei ik. ‘Maarten ’t Hart’.

Anderhalf uur later waren we bijna weer terug op het punt waar we begonnen waren. Daar zagen we P. en een vriend in de auto stappen na een partijtje tennis op de Warmondse tennisbaan. Begroetingen alom, ik gaf de vriend van P. een hand en noemde mijn naam. Hij zei zijn naam niet, misschien vond hij dat iedereen Arend-Jan Boekestein zou moeten kunnen kennen. Ook daar stonden we weer een minuut of wat gezellig te babbelen. Ik had niet de indruk dat Boekenstein wist wie ik was. ’s Avonds stuurde een Twittervolger me een tweet van het oud-VVD-kamerlid door, waarin hij meldde dat hij nog steeds beduusd was van de ontmoeting met een ‘groot schrijver’. Aha, dacht ik toen, wat kan een wandeling zichzelf in zijn eigen staart bijten.

En wat is hiervan nu de les? Geen flauw idee eigenlijk. Ik vond het wel vermakelijk dat dat wat mij overkwam anderhalf uur later iemand anders overkwam en dat dat elkaar op een bepaalde manier ophief. Natuurlijk had iemand de behoefte gevoeld te reageren op Boekensteins tweet. Een groot schrijver, als ik hem maar niet behoef te lezen. Maar goed, die persoon bleek een ‘Inspirator. Denker. Gutmensch. Achiever’ te zijn met toch slechts 160 volgers. Aangezien zijn reactie weinig inspirerend was, trok ik me daar he-le-maal niets van aan.

 

De Taak

Naar aanleiding van de bovenstaande foto het volgende:

6 augustus 2017 [Schwarzbach] […] Ergens in onze mailwisseling schreef ik Rachel Cusk dat ik – als een boek van mij genomineerd is voor een prijs – graag denk, er vanuit ga ook, dat het beste boek – altijd in de ogen van de betreffende jury natuurlijk – wint. En niet een boek dat veronachtzaamd is, of een schrijver die nog nooit iets gewonnen heeft. Eigenlijk, nu ik er over schrijf, had ik toen besloten NOOIT meer in een jury plaats te nemen. Ik lul me er nu uit door dan maar te denken dat het in november een commissie is die de Laureate for Irish Fiction kiest, en dat ik me een reis naar Ierland niet graag laat ontnemen. […]”

Om half zes belde de pakketbezorger aan, en tegelijkertijd kwam de kapper binnen. Ik ging naar beneden en kwam bij de galerijdeur de kapper tegen. ‘Hij komt naar boven, zei hij,’ zei de kapper. En inderdaad kwam de pakketbezorger een minuut of wat later met een steekkarretje aan de deur. Samen droegen we de vier dozen naar binnen. ‘Wat heb je allemaal besteld?!’ vroeg de pakketbezorger. ‘Ik heb helemaal niets besteld,’ zei ik. ‘Die dozen zijn me, helaas niet ongevraagd, toegezonden. Ze zitten vol boeken en die moet ik allemaal lezen.’ Hij keek me aan alsof ik gek geworden was. Wat ik inderdaad was, want waarom had ik toegestemd in het verzoek plaats te nemen in de jury? Ik keek naar de rug van de pakketbezorger en vroeg me – te laat – af of ik hem een fooi had moeten geven en ik stond er niet bij stil dat de kapper in de paar minuten tussen zijn binnenkomst en de aankomst van de pakketbezorger al één streek had gedaan met zijn tondeuse, waardoor ik niet begreep, me niet eens afvroeg, waarom de pakketbezorger me zo bevreemd had aangekeken, nog los van het me aankijken alsof ik gek geworden was.

Ik snap het wel, dat toestemmen. Marja Pruis vroeg me, ze hadden gewoon degene uitgekozen van wie ze wisten dat ik geen nee tegen haar kon zeggen. En, zo had ik gedacht: ‘Jij wilde toch zo graag iets doen? Heb je niet onlangs op internet naar vrijwilligersklusjes in de buurt gezocht? En is dat gelukt? Nee. Dus nu heb je iets te doen!’ Het probleem is dat ik in slaap val als ik overdag boeken lees. Ik kan niet overdag boeken lezen. Bovendien ben ik strontdepressief, vind ik alles stom en pretentieus en mislukt. Zinloos vooral.

Aan de andere kant: ik mag en kan niet in slaap vallen, anders kan ik die boeken niet beoordelen. Nog meer andere kant: ik mag en kan niet strontdepressief zijn, want ik mag en kan geen van de boeken bij voorbaat al stom, zinloos, mislukt of pretentieus vinden. Dit is een taak. Taken zijn fijn, overzichtelijk, en hoe groter/belangrijker de taak, des te harder je jezelf er met de haren (die ik dus sinds vanmiddag nauwelijks meer heb) bij moet slepen. Soms is het niet erg terug te komen op iets wat je, al dan niet jezelf, beloofd hebt. Soms moet je een NOOIT ombuigen in een voorzichtig ‘vooruit’. Gewoon, omdat het beter is.

En ik herinner me nog heel goed het telefoongesprek met Sebastian Barry, in Dublin, afgelopen november. Hoe ontzettend blij en vereerd die man was geweest dat de commissie hem tot Laureate for Irish Fiction had gekozen. Zo blij dat hij zelfs tegen me zei dat hij een fan was van mijn werk. ‘Nou…’ zei ik toen gewoon in het Nederlands en had snel de telefoon overgegeven aan een ander commissielid. Sebastian Barry, van Days without end. In een jury zitten, of in een commissie, heeft ook zijn goede en fijne kanten. Je kunt er mensen, schrijvers in dit geval, blij mee maken. Dus het NOOIT gaat overboord en ik sla het eerste boek open.

 

Mopperdingetje

Ik ben het zo ontstellend beu. Zit ik hier weer in de Eifel, sneeuwt het, en afgelopen nacht vroor het ook. De bedoeling was: hop naar het zuidoosten en aan de slag! Genieten van de sneeuwklokken en narcissen en de irisjes. Nou, de sneeuwklokken hangen erbij alsof ze nergens zin in hebben (die hebben enorme vorst gehad en vervolgens – in mijn afwezigheid – een milde periode, en ze kunnen wel wat hebben, maar nu is het gewoon op, alle bloemetjes verfrommeld) er is geen narcis te zien en de paarse irisjes zijn bedekt door de sneeuw. Ook de winterakonieten zijn nooit mooi geweest (als op de afbeelding) en nu is er helemaal niks meer van over. Ik wilde de tuin voorjaarsklaar maken, troep opruimen, knippen, antivorstblad verwijderen. Ik wil zon, ik wil warmte! Ik kan gewoon niet meer. Ik heb vreselijk zin domweg de hele bliksemse boel te verkopen en opnieuw te beginnen in een milder klimaat. Vuil, smerig, grijs, koud rotweer! De tulpen staan al een maand of anderhalf in precies dezelfde stand! Geen centimeter komt er bij, geen enkele aandrang uit te botten. Natuurlijk hebben ze daar geen zin in! En ik kan er niet eens over schrijven, want overmorgen verschijnt de allerlaatste Eifeltuincolumn in Trouw.

Gisteren scheurde ik op de kont uit mijn favoriete spijkerbroek. In de boemel van Keulen naar Trier, en het kwam omdat ik de veter van mijn rechterschoen opnieuw strikte. Gelukkig heb ik een jas die tamelijk lang is. En gelukkig zat in mijn tas een andere spijkerbroek, die nu dus de enige broek is die ik hier heb. En nog eens iets: waarom duren de winters tegenwoordig zo ellendig lang? Dat was vroeger toch helemaal niet zo? En waarom heb je het, naarmate je ouder wordt, steeds kouder? Is dat waarom al decennialang ouderen in de winter naar zuidelijker streken trekken? Volgende week moet ik naar Dresden. Moet, ja, ooit afgesproken en als het dan eenmaal zo ver is, denk je bij jezelf: ‘waarom in godsnaam?’ Je zal zien – Dresden ligt een enorm eind naar het oosten – dat het daar dan nog Siberisch is, dat je – ik – dus niet eens lekker door zo’n stad gaat flaneren om alle ‘bezienswaardigheden’ te bekijken. In ieder geval kan ik er een nieuwe broek kopen. Maar ik ben mooi wel in totaal zestien (16) uur onderweg. Wat een ellende allemaal, en dan heeft de Duitse Netflix ook nog Hinterland niet en zag ik beide jaargangen van The Crown al twee keer en lees ik De avond is ongemak, wat iedereen zo’n goed boek vind, maar ik vind het ronduit akelig en deprimerend. Dat is een gevoelsoordeel, geen literair oordeel. Kan iemand me een opbeurend, grappig boek aanraden? Dan bestel ik dat wel bij Bol.com, die bezorgen ook vast in Duitsland.

Zo. Nu ga ik de badkamer soppen. Daar is tenminste vloerverwarming. En ik ga er heel lang over doen. Misschien ga ik er wel gewoon liggen.

De radio

Het hondje van Andrea van Pol is 17 jaar oud. Doof en langzaamaan ook wat blind. Het woord ‘dement’ viel. Ik aaide haar, ze zat aan de presentatietafel vastgebonden. Op een bepaald moment beet ze in mijn vinger. Omdat ze dacht dat die iets was om te eten. Het was in De Franse Kamer van VondelCS. Andrea gaf haar vlak voor de uitzending begon twee zoute stengels, die ze verslond. Doof, schrijf ik, maar toen de dames van Duo Delibes live muziek begonnen te maken, op piano en viool, begon het hondje te janken, alsof ze reageerde op de snerpende vioolklanken. Het klonk intens zielig, het was of het hondje, dat steeds meer in zichzelf gekeerd raakt, ineens een uitgang hoorde en ze hield niet op toen de viool al uitgezongen was. Mij was een vraag gesteld, maar Andrea hield zich bezig met het hondje, en de twee productiejongens die er waren zaten ook bij het hondje, de twee Spaanse meisjes van Duo Delibes keken stil toe. Ik zat in het luchtledige te praten. Dat is vreemd, in een luchtledig praten tijdens een radio-uitzending, ik raakte de draad kwijt, wist niet wie ik aan kon kijken. Bijna zei ik: ‘Het hondje van Andrea van Pol heeft het even moeilijk, al onze aandacht is op het dier gericht.’

Ik hou enorm van radio. Ik hou niet van tv, dat kan iedereen die naar de VPRO Boekenweekspecial kijkt aanstaande zondag vast zien. Van pure zenuwen gooide ik er voor aanvang van de opnames tijdens het buffet drie glazen witte wijn in. Het plan was twee, maar die derde had ik blijkbaar ook nog nodig. Als je op de radio bent, ziet niemand je. Je kunt raar kijken, je kunt je vingers opsteken, je kunt proberen een hondje rustig te krijgen zonder dat iemand er iets van merkt. Ik weet ook dat het weinig doet, radio. Dat je niet ineens 200 extra boeken verkoopt door een radio-optreden. Er luisteren niet bijster veel mensen naar de radio, en dan is het ook nog zo dat er programma’s zijn waar bijna uitsluitend diehards naar luisteren. Misschien vind ik het juist daarom wel zo leuk. Je maakt iets ter plekke met heel weinig mensen en wie luisteren wil, luistert.

Alleen als er een dj begint te huilen omdat hij zich zo depressief voelt, haalt de radio de tv en overige media. Waaraan je ook maar weer eens merkt hoe weinig literatuur ertoe doet. De beste schrijvers – Matt Haig, Erik-Jan Harmens, Stephen Fry – kunnen boeken vol schrijven over psychische klachten, het haalt de tv en overige media niet of nauwelijks. Ik dacht stilletjes bij mezelf: ‘het zal wel meevallen met die jonge dj, hij moest huilen, en als je echt depressief bent, is huilen iets wat je niet voor elkaar zult krijgen’. Ik dacht dat met opzet stilletjes, omdat ik weet dat het voor iedereen anders is, ik niet het recht heb zoiets hardop uit te spreken. Bovendien had hij het nadrukkelijk over de eenzaamheid die hij ervoer, en daarmee sloeg hij een algemene spijker op de kop. De eenzaamheid, en niet begrijpen hoe andere mensen erzonder door het leven gaan.

Transfer- en vogelnieuws

Straks nog even de sluitingsceremonie en dan zit het erop. Hier een soort van bespreking, met de aantekening dat ik daar niet inga op de overzichtelijkheid van een winter-OS. Er is een aantal sporten en in al die sporten zijn ik-weet-niet-hoeveel onderdelen. Buurman Klaus zegt steeds tegen me dat wij het makkelijk hebben op de ijsbaan, zó veel onderdelen als er zijn. Ik riposteer dan dat het op het biatlonparcours niet veel anders is en op de skipiste ook niet. Buurman Klaus hoeft niet jaloers te zijn: de Duitsers beleven één van hun beste Spelen ooit met 31 medailles. Die overzichtelijkheid is ook een beperking: ‘zit ik nou alweer naar langlaufen te kijken?’ dacht ik en ja, ik zat alweer naar langlaufen te kijken, maar nu naar de tien kilometer sprintestafette. Ik bedoel: op een bepaald moment heb je het allemaal wel gezien. Ik begreep van Jeroen Stekelenburg dat de schaatsbaan een visafslag wordt. Dat is goed nieuws.

Tijd om de bakens te verzetten. Rotgrond bestaat niet bestaat. Niet dat ik hem al in handen heb gehad – ik zit immers in de Eifel – maar hij is gedrukt. De komende ijzig-russische week (ik zal nu toch echt een deel van de waterleiding moeten afsluiten, in de Hauswirtschaftsraum is het nog maar nét boven nul) ben ik nog in Schwarzbach. In de Boekenweek doe ik heel veel lezingen, zie hiernaast, rechts. Ook tv- en radiodingen. Zoals gebruikelijk sta ik in de destructieve modus, dat lijkt altijd zo te zijn vlak voor er een nieuw boek uitkomt. Het zal wel een verdedigingsmechanisme zijn. Op 6 maart staat in de vpro-gids de jaarlijkse boekenweekquiz. Die heb ik dit jaar in elkaar gedraaid, samen met vriend Wilfred van Buuren. Hij is hondsmoeilijk. En de Eifeltuincolumn houdt op, ergens in maart. Ik maak een transfer naar Letter & Geest, waarin ik om de week een column zal schrijven. Voor Tijd ga ik langere stukken schrijven, over allerhande onderwerpen, mogelijk zo nu en dan een Eifel-update. Dat moet ook wel, want er zijn net nieuwe buren en die hebben twee malamutes. Die enorme honden leven buiten en ’s nachts janken ze, zeker nu de paardrifige vossen aan het roepen zijn. Het is hier momenteel net de Noordpool.

De kuifmezen zijn terug! Die had ik heel lang niet gezien, maar ze vinden het vogelvoederstation onweerstaanbaar. Ze staan zo’n beetje helemaal onderaan de pikorde, maar ze laten zich niet zomaar verjagen door de koolmezen. Al weken geen roodborst gezien. Wel spotte ik eergisteren, toen ik naar de begraafplaats van Nimshuscheid liep, twee groene spechten. Gisteren, onderweg naar de begraafplaats in Lasel, vloog een hazelhoen op. Beide vogelsoorten zag ik nog niet eerder. Ik vraag me af waar de wilde zwijnen van leven momenteel: de grond is stijfbevroren, er valt niets te woelen. En elke dag kijk ik uit naar de eerste wolf, ik zou eens dichter in de buurt van de schemering moeten gaan lopen.

Nog eens: Dominik Paris

Acht jaar geleden schreef ik elke dag een OS-dingetje. Elke dag. Alsof ik niks anders te doen had. Op 22 februari 2010 was dat het volgende: Dominik Paris hing twee jaar geleden zijn ski’s aan de dennenbomen en ging de koeien van zijn vader hoeden op de hoogvlaktes in Alto Adige. Dat is echt waar, Evert ten Napel heeft het gezegd. Hij was het meer dan beu, dat gejakker in de sneeuw. Toch pakte hij die ski’s er weer bij en stond na de afdaling in de combinatie tweede. Drie uur later ging het helemaal mis op de slalom. Misschien houdt hij het nu voorgoed voor gezien en zoekt hij vrede bij zijn koeien op de grazige almen in Südtirol, want zo heet Alto Adige in het Duits. ‘Dominik!’ zal op een dag een fijn meisje roepen. ‘Dominik!!’ Hij zal iets terugroepen en het meisje later vertellen dat hij Dominik Paris is en verrassend tweede stond op de helft van Olympische combinatie in een heel ver land. ‘Das weiss ich doch,’ zal het meisje zeggen. ‘Deswegen bin ich ja hier. Ich liebe dich, Dominik Paris.’

Dus in 2008 hing Dominik Paris al zijn ski’s aan de wilgen. Blijkbaar is dat fijne meisje niet bij hem langsgekomen op die grazige alm, want gisteren werd hij 4e (vierde!) op de afdaling in Pyeongchang. Of dat meisje is wél langsgekomen en is na een tijdje weer verdwenen omdat ze het niet met hem en zijn stinkkoeien uithield, waardoor Dominik bij zichzelf dacht: waarom niet nog eens proberen? Vandaag werd hij 7e op de Super G. Dat is heel goed, al was het alleen maar omdat de nummer 1 de rest van het veld nodig heeft om nummer 1 te kunnen worden. Zonder nummers vier en elf geen gouden medaille. Als iedereen die altijd maar tweede of vijfde wordt het voor gezien houdt, blijft er niets over. Mensen als Dominik Paris (14 april 1989) moeten er zijn. En wie hangt er nou op z’n 19e al zijn ski’s aan de dennenbomen? Dat was veel te vroeg. Hij heeft het nu in elk geval langer volgehouden dan Evert ten Napel.

Tot slot nog de observatie dat het ergens een schande is dat een zachtmoedig mens als Jorrit Bergsma tot twee keer toe de glans van zijn gouden (vier jaar geleden) en zilveren medaille wordt afgenomen omdat iedereen obsessief bezig is met de prestaties van een andere sporter. Aan de andere kant: zeker op de Olympische Spelen is het verhaal regelmatig groter dan de prestatie. Kijk maar eens naar onze vrolijk dansende Nederlands-Amerikaans-Ghanese skeletonner. Die vriend van Mark Tuitert. Nog een observatie: Herman van der Zandt en Bart Veldkamp komen er steeds beter in. Dat programma van zes tot zeven heeft precies de juiste mate van ironie en daardoor bijna onafhankelijkheid.