Quercus frainetto

Vandaag wordt het 32 graden. De zon schijnt. Het is hier vreselijk weer geweest, steeds maar regen en regen, de leemgrond in de tuin is vet en taai, geen land mee te bezeilen. Koud was het ook, vooral ’s nachts. Maar nu dus warm. En meteen begint het huis te zweten. Dat vind ik wel iets hebben. In Amsterdam merk je er niets van, het verschil tussen vorst en 25 graden. Hier wel: het huis reageert op allerlei weersgesteldheden. Zelfs het betonnen plafond van de Hauswirtschaftsraum is vochtig. Net zoals vroeger het betonnen trapje naar het melklokaal vochtig werd met broeierig weer. Meestal betekende een vochtig trapje regen.

Gisteren ben ik erg dronken geraakt. Dat schijnt vaker voor te komen tijdens Duitse begrafenissen. Toen ik om half elf ’s avonds thuiskwam, zag ik de eerste vuurvlieg van dit seizoen door de voortuin zweven. Ik herinnerde me dat ik tijdens het drinken door een raam keek van Gasthaus Zur Post en dat ik dacht: ik wil hier niet zitten drinken, ik wil nu met Jasper gaan lopen. Buurman Max is het gras dat hij gisteren gemaaid heeft met de hand aan het keren. Door het openstaande raam klinkt een of ander mechanisch tuingereedschap. Zomer. De eerste zomerdag hier. En het is 23 juni. Morgen schijnt het alweer te gaan onweren, zaterdag grijs en regen. Of ik ergens in november of december gastschrijver wilde zijn aan de universiteit in Berlijn? Ik heb de mail drie dagen onbeantwoord gelaten, schreef toen ontkennend terug. Twee weken in een grote stad, nee, daar word ik niet blij van. Een herfststad, ook dat nog. En bovendien, zo zei ik, ben ik van plan in november hier een nieuwe hond te hebben. Dan kun je niet weg.

Straks komen Pauline Slot en Pieter de Rijk langs. Dat is gezellig. Ik zal de lichtgroene tuinstoelen op het verhoogde terras zetten, daar is schaduw van de Hongaarse eik. Lommerrijke schaduw, die voelt heel anders dan een grote parasol boven je kop.

geen bramen meer

In de loop van de zomer, meer naar het einde dan in het midden, hadden Dakdekker Rudi en ik een soort competitie. Waarbij ik de nieuweling, de indringer was. Hij wist al jaren waar je in één klap de meeste en beste bramen kon halen. Ik ontdekte dat een keer toen ik met Jasper over het doodlopende weggetje langs de begraafplaats in Nimshuscheid liep. Het is een kwestie van afwachten, van je tijd kiezen: wanneer zijn de meeste rijp, wanneer sla ik toe. Vorig jaar was ik te laat. Ik was uitgerukt met een plukploeg, Tuinmaat Han en vriendin Syberthe en Jasper. ‘Godsamme,’ zei ik toen we er aankwamen, ‘hier hangt bijna niks meer!’ Uiteindelijk bleek het genoeg voor zes of zeven potten jam. Ik vertelde Rudi en Christa erover. Rudi glimlachte wat voor zich uit. ‘Wat?’ zei ik. Toen bleek dat hij degene was geweest die de bramen voor mijn neus had weggekaapt.

Een onschuldige competitie. Maar wel één die ik dit jaar best weer had willen aangaan. Want we hadden er lol om. Het hoeft en kan niet meer. Rudi hield trouwens het meest van rabarberjam, meen ik te weten. En die kon hij gratis en voor niets bij bossenvol uit mijn tuin halen.

Verder was ik gisteren zó gay, dat ik de arm van Guus Bauer heb afgelikt, terwijl ik hem alleen maar iets op de kaart wilde laten zien. Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos. ’s Avonds toen we Frankrijk – Zwitserland keken had ik uitsluitend oog voor konten, benen en goedgecoiffeerde koppies. ‘Jezus, wat voel ik me gay!’ riep ik. ‘Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos!’ riep Guus Bauer, die wat angstig op de bank zat, uit vrees dat ik hem weer zou gaan aflikken, in opdracht van Coen Peppelenbos. ‘Zal ik het allemaal ook maar opschrijven?’ vroeg ik Guus. ‘Ja, natuurlijk, dat is je taak!’ zei Guus. ‘Het moet immers van Coen Peppelenbos!’

Dat Coen het nog heeft over ‘uit de kast komen’ en ‘gay‘ mag hij natuurlijk op geen enkele manier op mij projecteren, alstublieft, dankuwel. Ik ben ik. Coen is Coen. Niets van wat ik ben of wat mij vormt verplicht me om een ‘standpunt’ in te nemen, ‘op de barricades te gaan staan’ of om me te conformeren aan een groep, aan welke groep dan ook. Misschien had Coen de mail die ik hem stuurde, waarin ik meldde dat ik vanwege te veel werk eraan niet mee wilde denken aan zijn lijst van ‘gay literatuur’, nog iets te vers in zijn hoofd toen hij zijn column schreef, en daarom dacht: ik ga zijn (mijn) naam erin zetten! Nee Coen, zo gaat dat niet.

 

voetbal

Dinsdag. Regen. Morgen ook regen. Elke dag regen. ’s Nachts is het 8 of 9 graden. De (wilde) katten in de buurt gaan in die nachten tekeer, zo nu en dan haalt een vos uit. Ik maak elke ochtend de kachel aan, de vier kuub hout die Herr Arnoldy bracht zijn al bijna geslonken naar twee. Elke dag loop ik over de brug naar Nimshuscheidermühle, elke dag denk ik dat de laatste dag zal zijn. Maar dakdekker Rudi is taai. Hij ligt in een bed in de woonkamer, soms op zijn rug, soms op zijn zij. Hij slaapt met open mond. Zijn gezicht is grauw, gelig, maar zijn ogen gaan af en toe open, zijn hand gaat omhoog. Het is of hij een jongen van twintig is geworden. Op de tv bij zijn voeten is voetbal te zien en te horen. Ik vertelde Christa dat ik – mocht ik er ooit zo bij komen te liggen – eindeloos voetbalwedstrijden zou willen zien waarbij Hugo Walker het commentaar levert. Heracles – NEC, 1-1. En dat dan alles goed zou zijn, goed zou komen vooral. Zo zijn de EK-wedstrijden misschien nu ook voor Rudi; een vertrouwd achtergrondgeluid, samen met alle andere geluiden in huis die gewoon doorgaan: de stemmen van de zonen in de Kneipe, het geluid van pannen in de keuken, het openwippen van een flesje bier, de zachte plof- en handenstrijkgeluiden wanneer Christa de droge handdoeken opvouwt.

Ik vind dat er iets te veel wezens uit het boek dat net uit is doodgaan, hoewel daar tegenover staat dat buurvrouw Weiers onverdroten verder leeft, een kilometer of acht verderop. En weer eens merk ik het egoïstische van de omstanders, ik merk het aan mezelf: ik lig niet op sterven, ik kan struiken planten, de kachel aanmaken om het warm te krijgen, voetbal kijken en luidop commentaar leveren, ondanks mezelf diep de frisse lentelucht inademen als ik terugloop over de brug. Of is dat leven? Geen egoïsme, maar domweg leven? En er dan ook nog over schrijven, hier. Gisteravond – ik ging net weg – kwam de vrouw die Christa helpt Rudi voor de nacht klaar te maken. Ze dook op hem. Rudi deed zijn ogen open, het gezicht van de vrouw was heel dichtbij en hij begon stralend te kijken. Toen werd hij van een 20-jarige ineens nog veel jonger. Dat iemand dat kan, dat iemand die doodgaat, zo belangeloos en argeloos blij kan zijn. Het tekende voor mij maar weer eens wat een enorme lieverd die man is.

Nieuw

Alles wat nieuw is, is niet leuk. Ik wil het liefst altijd alles bij het oude houden. Maar de server van de oude website is niet langer beschikbaar. Als het goed is – met hulp van trouwe webmeester Richard de Waard – komt hier later alsnog het archief van gerbrandsdingetje.nl onder te hangen. Als het niet goed is, niet. Misschien moet ik dat dan zien als een fysieke verhuizing: een ideaal moment om dingen weg te gooien, vers en fris te beginnen. Als afbeelding heb ik nu – dat kan iedereen zien – mijzelf in mijn blote kont gezet. In een Deense zee. Ik hoor het wel als mensen zich daaraan storen. Er is van alles te schrijven, veel te veel, ik heb met Richard vele e-mails gewisseld, dat ik zin had een ei kwijt te raken en hij wees me op het gemak voor zo’n wordpress-weblog. Nu eerst dit maar, eens zien of ik er een afbeelding bij kan plakken. Zonder afbeelding vind ik het maar niks, dan hoeft het van mij niet, dat is iets té nieuw, té anders.