Steendrolletjes

Er is hier een zwarte eekhoorn. Buurman Klaus ziet hem ook regelmatig. ‘Maar die wordt in het voorjaar vast weer rood,’ zei ik. Volgens hem niet. Volgens hem is het een échte zwarte eekhoorn. Net liep hij langs het vogelvoederstation – als ik hem was, zou ik er eens ín klimmen – en hipte hij via de oude perenboom weg. Het is -11, de drolletjes van hondje Bas worden in een kwartier tijd keiharde steentjes. Die drolletjes liggen in de tuin, hij heeft niet geleerd dat de tuin eigenlijk nog niet echt ‘buiten’ is. Buiten is alles voorbij het hek. Voor dat doel ligt er een oude troffel op de afgezaagde sierkers. Teckel Jet van Tuinmaat Han en Trijntje poept ook altijd in de tuin. Als het hier Friesland was geweest, hadden we allang een Elfstedentocht gehad. Er is hier wel water, voornamelijk visvijvers, maar dat water is altijd in beroering, nergens een betrouwbare ijsvloer.

Ik heb erg veel zin om vanaf vanmiddag het EK allround en -sprint te kijken. Maar dat zal niet gaan. VaBo Elektrotechnik te Waxweiler houdt zich nog steeds doodstil. Inmiddels ben ik zo ver dat ik er gewoon iemand anders bijhaal en de eventuele rekening van de VaBo betaal ik ook niet. Buurman Klaus zei het al: ‘Dat is helemaal niks, je moet dat bedrijf uit Bitburg hebben.’ Maar goed, iedereen zegt weer iets anders, deze vindt dat bedrijf top, een ander zweert bij dit bedrijf. Mijn keukenleverancier wordt ook door iedereen als viel zu teuer aangemerkt. Maar ja: de goedkopere Kücheplus is domweg nooit doorgekomen met een offerte. Eergisteren had ik een onverwacht voordeeltje: ik was tegels voor de vloer en de keuken aan het bestellen. De tegels voor de keuken waren uitgezocht, maar net op tijd zinde het me niet. ‘Wacht even,’ zei ik tegen buurman Klaus en Frau Horn van Baustoffenzuntrum Henrich. Ik vroeg om een iets andere kleur groen. Nu heb ik een restpartijtje van vier meter, waarvan Klaus bij thuiskomst zei dat die oorspronkelijk twee keer zo duur waren als de eerder uitgezochte tegel.

Het is zes januari, Driekoningen. Ik wilde vandaag de Lichtschlauch van het vogelvoederstation verwijderen, maar met deze temperaturen kijk ik wel lekker uit. Ik zal de stekker uit het stopcontact halen. De Sternsinger zouden moeten komen, maar het is vrijdag, waarschijnlijk komen ze pas zondag, na de kerkdienst. Zondag ben ik hier niet, wat betekent dat het huis ongezegend blijft. Of, anders gezegd, dat het huis nog een jaartje door moet op C*M*B 2016. Als ze heel welwillend zijn, zouden ze het huis zelfs zonder mijn euro’s voor een goed doel in Afrika kunnen zegenen.

Ik heb zin in voorjaar. In de tuin.

Insgelijks!

Regen in plaats van sneeuw. Gisteravond werd het wit, terwijl het al dagenlang wit was van de rijp, maar in de loop van de nacht is de temperatuur gestegen. Takkeweer. Koud, nat, grijs. In mijzelf is het ook koud en grijs. Nat niet, voor zover ik na kan gaan. Ik heb al twee maanden abonnement betaald aan Canal Digitaal, maar nog steeds zie ik geen 1, 2 of 3, of RTL of SBS. Er zijn twee jongens geweest uit Waxweiler om iets te doen aan de schotel, maar dat is mislukt en nu komen ze niet meer en als ik opbel, krijg ik geen antwoord. Eén ding dat ik wel geleerd heb hier: als je niet opbelt, gebeurt er domweg niks meer, laten ze je zitten. De mensen die een grote bek opzetten worden dus geholpen, zij die rustig afwachten laten ze zitten. Is dat Duits? Ik dacht toch altijd van niet. Misschien is het typisch Eifelisch. Het is zelfs zo dat ik in de stemming ben om hier weg te lopen en nooit meer terug te komen. Zoals ik vroeger fietsen in de sloot kon smijten. Mijn eigen fiets, welteverstaan, en dan grimmig verder lopen, weglopen. Zo! denken. Waarmee je natuurlijk alleen jezelf te pakken hebt. Ik pas op een hondje dat ik niet velen kan, omdat ik op de plek waar hij ligt nog steeds een veel grotere hond zie liggen. Ik heb even helemaal geen zin in 2017, rot op met je 2017. Maar dan komt buurman Klaus en die zegt dat we vanmiddag naar Baustoffenzentrum Henrich in Gerolstein rijden om tegels te bestellen. Nou ja, vooruit dan maar. Kan mij het schelen, bestellen kan altijd. En dan weglopen als ze geleverd worden. Zoek het maar uit met dat huis. Niet mijn probleem.

Met het wegvallen van de Citalopram is er van alles veranderd. Eén belangrijk ding is dit: ineens kijk ik weer vooruit, kan ik denken ‘wat moet ik nu doen?’ Nu, maar bijvoorbeeld ook over een paar maanden, of vier jaar. Het min of meer tevreden dag bij dag leven is omgeslagen in oude onrust, een beetje woede zo nu en dan, niet bij mensen langsgaan omdat die – net als buurvrouw Weiers ooit, waarna ik domweg NOOIT meer bij haar langsging – zijn begonnen ‘Zo, zien we jou ook weer eens’ of ‘Waarom was je er gisteren niet?’ te zeggen. Ook dat kan ik niet velen. Omdat ik er geen goed antwoord op heb en niet keihard ‘Ik ben aan niemand iets verplicht’ wil zeggen. Omdat ik even in mezelf aan het kruipen ben en daar kan ik geen onderbrekingen bij gebruiken, dat moet ik alleen en ongestoord doen. Daar past ook het oppashondje niet in (het gevoel dat ik heb als ik ’s avonds in het donker het beest nog uit moet laten!), of een telefoontje dat ik plegen moet. Of mensen gelukkig nieuwjaar wensen. Collega Hans Vervoort deelde een anekdote op Facebook, dat hij om dat laatste voor te zijn overal waar hij binnenkwam onmiddellijk ‘Insgelijks!’ riep. Dat snoerde iedereen de mond. Meesterlijk, zou Han Voskuil zeggen.

Verder gaat het goed. Het is hier warm, de kachels staan roodgloeiend en ik eet goed en drink niet te veel, gisteravond dronk ik zelfs een kop gemberthee in plaats van een glas Doppelkorn. Wat er ook gebeurt, je moet altijd goed voor jezelf zorgen. Vanaf zondag een paar weken Nederland. Met afspraken, een lezing in Leeuwarden, een filmpremière, een paar boekpresentaties. Ik geloof dat dat wel goed is.

 

Column Trouw, vandaag

Een krant op 31 december. Een column in die krant. Eindejaarslijstje? Echt niet, het competitieve denken mag wat mij betreft allang weg en bovendien denken mensen bij het lezen van al die lijstjes, ‘O, ja? Nou, mijn nummer 1 is toch echt een heel andere nummer 1.’ Dat schiet niet op, dient geen enkel doel. Al die wedstrijden, houd er toch eens mee op. Winnaar altijd willekeurig, want gekozen door één iemand of een jury. Ik was op de verjaardag van mijn moeder en daar vertelde mijn neef Julius dat zijn baas genomineerd is voor Ondernemer van het Jaar. Van de gemeente dan, hè. Zijn baas heeft een sloopbedrijf. Ik zuchtte diep en dronk nog een glas rode wijn, nam nog een rolletje boterhamworst met augurk van de schaal.

Dit jaar gingen Jasper en dakdekker Rudi en Peter van Straaten dood. Er gingen natuurlijk nog veel meer mensen en dieren dood, maar dat deed me niets omdat ik al die mensen en dieren niet kende. Ook ging Erik Pezarro dood, een man die ik twee of drie dagen gekend heb en toch greep zijn dood me aan. Ik leerde hem kennen toen hij schuin tegenover me op zaal in het OLVG lag. Een waterval van taal kwam uit hem, ik heb voornamelijk naar hem geluisterd. Dorinde van Oord kwam bij hem op bezoek. Dorinde is een schrijfcollega van me bij Uitgeverij Cossee. Zij zei: ‘Wat doe jij hier nou?’ Ik vroeg aan haar: ‘Nee, wat doe jíj hier?’ Ze bleek een ex-vrouw van hem te zijn en na zijn operatie zat ineens Philip Snijder, ook collega-schrijver, naast zijn bed, bleek zijn zwager te zijn. Hij werd omringd door mensen die ik kende. Maar waarom dat geraakt worden? Omdat ikzelf in die tijd ook ‘gewond’ was, rauw vlees was, openstond voor veel meer dan normaal? Dat moet het zijn. Maar het was ook als een daverende relatie van twee dagen met een man of jongen, ik bedoel: zo’n relatie die meer kan betekenen, dieper kan gaan dan drieëntwintig jaar samenzijn. Dat je uitgelachen wordt door vrienden en bekenden die inderdaad al drieëntwintig jaar samen zijn, mensen die niet kunnen begrijpen dat er een soort van openstaan bestaat dat het hebben moet van uren of dagen, juist niet van maanden of jaren. Een ontmoeting die van alles overstijgt, allerlei dagelijkse gewoontes, allerlei oordelen en vooroordelen. Een wezenlijk leren kennen. Dat gebeurt zeer zelden, en meestal is het gissen naar een verklaring.

31 december. In 2000 deed ik mijn laatste Nieuwjaarskaarten op de post. Daar maakte ik altijd veel werk van, met knip- en plakwerk, eigen teksten. Ik verstuurde er altijd minstens twee keer meer dan ik er terugkreeg. Dat werd ik beu. Ik geloof dat ik het zo langzamerhand wel weer aan zou kunnen, ik denk dat het me niks meer kan schelen hoeveel ik er terugkrijg. Het is immers geen wedstrijd. Guten Rutsch allemaal, ingezonden nieuwjaarswensen niet nodig.

 

 

Jooploos

Als ik een hekel aan mezelf heb, is het vrijwel onmogelijk hier iets te schrijven, als ik een hekel aan mezelf heb, ligt alles hier stil. Laatst vroeg iemand op facebook waarom ik zo weinig over Joop schreef. ‘Dat heeft een reden,’ antwoordde ik toen. Als je een hond neemt, heb je voor hem te zorgen, dat heb ik ook wel eens ergens geschreven. Met Jasper was dat zeker zo; ondanks alles zorgde ik voor hem, nam ik van alles op de koop toe. Omdat ik dat besloten had. Dat betekende niet dat dat zonder ergernis, stress en spanningen gebeurde. Ook als iets erg moeilijk is om over te schrijven, kan het hier een tijdje stil zijn. Die ene maand dat Joop er was, schreef ik om hem heen, liet ik hem meelopen zonder verder commentaar.

Was, ja. Gisterochtend vroeg hebben Tuinmaat Han en ik hem teruggebracht. En met hem zijn halsbanden, het fotoboek, een hondenfluitje, zijn paspoort en zijn reuzenkussen. Die laatste dagen waren nogal zwaar, ik kon hem nauwelijks aankijken omdat ik iets wist wat hij nog niet wist: dat dit zijn voorlaatste rondje was, dat dat zijn laatste avondmaal was, dat het leuk maar niet noodzakelijk was hij en tekkel Jet na een dag eindelijk ophielden naar elkaar te grommen en blaffen. Maar vooral ook omdat ik in zo veel dingen zag dat hij een fijne hond was. Speels, aanhankelijk, gehoorzaam, makkelijk.

Naast wat kleine minpuntjes – erf- en huisbetreders keihard aanblaffen, achter vrachtwagens aan willen -, minpintjes die ik genomen zou hebben, was er een groot minpunt: agressie naar kinderen toe. Het is maar net wat je agressie noemt, ik weet het, en de oorzaak ervan kan in veel dingen liggen, maar ik ervoer het als agressie. Er hoefde maar een kind in zijn blikveld te verschijnen of hij begon woedend te blaffen, al zijn haar rechtop, trekkend aan de lijn. Dat ik elke keer blij was dát hij aan die lijn zat, want wat zou er gebeuren als hij los liep? Ik vertrouwde hem niet. En ja, je kunt proberen er iets aan te doen, maar Joop is 14 maanden oud. Hij laat zich veel dingen makkelijk aanleren, maar probeer zo’n hond maar eens iets áf te leren. En hij liep nou juist zo fijn los mee, liet zich zelfs terugroepen als er drie reeën in de verte verdwenen. Maar daar kwam de gevreesde patstelling: hij mág los, maar het kán niet want stel dat er een kind of een eenzame woudloper op zou doemen.

Die patstelling heeft me met Jasper enorm veel spanning opgeleverd: Jasper was oké met andere honden als hij niet was aangelijnd, maar Jasper kon niet van de lijn want dan smeerde hij hem onmiddellijk. Ergo: altijd aan de lijn, altijd het agressieve gedoe met andere honden, gedoe met andere baasjes ook. Altijd spanning.

Ik wilde dat niet. Ik wilde niet wéér een ‘moeilijke’ hond, waarmee je nooit eens ontspannen kunt lopen, ik wilde het ook niet proberen, dat heb ik met Jasper al vruchteloos gedaan. Ik wilde me niet een patstelling op de hals halen. Patstellingen en twijfels, breek me de bek niet open. Ik nam een ferme beslissing: hij gaat terug. Zo was het ook afgesproken: als het niet klappt, dan mag en moet hij terug. Ik zei tegen Tuinmaat Han in de auto dat ik enorm hoopte te zien dat Joop zich weer naadloos in zijn oude situatie zou voegen, dat ik mezelf kon wijsmaken dat hij gewoon een klein maandje bij me gelogeerd had. En dat deed hij: hij kwam binnen in zijn oude huis en gleed onmiddellijk zijn oude leven weer in, met de vier andere honden en de twee volwassen mensen, waarvan de ene hem meteen maar weer ‘Mio’ noemde. Ik heb hem nog een zoen gegeven en we reden verder naar Amsterdam. ‘Valt best mee,’ zei ik tegen Han, toen we in de AC Venray een broodje kroket aten.

Valt best mee. Ja, als ik mijn best doe niet aan hem te denken, als ik faalgedachten wegduw, probeer geen hekel aan mezelf te hebben omdat ik hem ‘in de steek heb gelaten’. Eerst maar weer eens een tijdje gewoon verder leven, dit en dat doen, heen en weer reizen, lezinkje hier, bezoekje daar, de sneeuwklokjes op zien komen, nieuwe keuken, nieuwe tegelvloer. Alles went.

Inzicht

Gisteravond rond half zeven liep ik met de Petzl op mijn voorhoofd en een kleed over mijn schouder naar Feuerscheid. Joop liep naast me, aan de lijn. Het is een wandeling van ongeveer 20 minuten, met een steile afdaling en een steile klim, deels over de weg, deels dwars door het land. Het was pikkedonker. We gingen eten bij Inge Happé en Roelf van der Laan. Er kwamen twee auto’s langs. Ik hou Joop dan in de berm, aai hem en zeg ‘wacht’. Hij heeft de neiging achter auto’s aan te willen en een nóg grotere neiging achter Lastkraftwagen aan te gaan. En ineens zag ik het: ik ben een zonderling mannetje. Zo één zonder rijbewijs, dat bij nacht en ontij met een kleed over zijn schouders langs duistere wegen loopt. Precies zo’n zondering mannetje als die we vroeger in Wieringerwaard hadden. ‘Dronken Droppie’ bijvoorbeeld. Alleen de naam komt naar boven nu, wat hij deed of hoe hij er uitzag weet ik niet meer. Of Piet Kaan, ook altijd op de fiets, wuft zwaaiend, hij dronk wijn, rode wijn, gekker moest het toch niet worden. Ongetrouwd.

Er komt een moment dat je beseft dat je er zelf zo een geworden bent. Altijd in vuile werkkleren, er hoeft hier maar iemand aan de deur te kloppen (ook zoiets: waarom heeft die kerel niet gewoon een bel!), of ik doe open met ongewassen haar, hondenharen op mijn kleren, een sjekkie tussen mijn bruine vingers. Gebrekkig Duits pratend en met een tuin die in niets lijkt op de strakke, koele, makkelijke tuinen in de buurt. Op de fiets naar Schönecken om een paar bolletjes knoflook te halen. Dat je in plaats van een tikje zelfgenoegzaam te denken ‘dat is een aparteling’ naar jezelf moet kijken als aparteling.

Vind ik het erg? Ik geloof het niet. Er zijn zonderlingen en apartelingen nodig, lijkt mij, om alles in evenwicht te houden in een gemeenschap. En daarbij: ik ben toch zeker een kunstenaar, al dan niet met een kapitale K? Hoort het er niet een beetje bij? Ik hoor nog aannemer Markus Michels zeggen: ‘Du hast immer Urlaub oder?’ omdat hij met de beste wil van de wereld niet begreep hoe dat allemaal kon: iemand zonder werk die een peperdure aanbouw zetten laat. Terwijl hij wist dat ik boeken schrijf, maar het schrijven van boeken was zo niet te rijmen met het fysieke werk dat hij dag in dag uit doet om zijn geld te verdienen, dat hij het niet bij elkaar bedacht kreeg.

Ik vind het eigenlijk wel een soort van bevrijding, dit nieuwe inzicht. Als je een zonderling bent, neemt men je de zonderlinge dingen die je doet ook niet kwalijk, glimlacht men erom, zegt men met een beetje geluk ‘ach, hij bedoelt het goed, het is verder een beste kerel’. De dwaas die de prima kunststof ramen en deuren laat vervangen door peperdure houten ramen en deuren! En die de protesten wegwuift door te zeggen: ‘Laat me nou maar, ik ben gek op houtwerk schilderen. Dat deed ik vroeger ook altijd, het liefst met Radio Tour de France op 1.’

Lichtschlauch usw.

Ineens is het december en na een paar dagen bijna strenge vorst is het vandaag vochtig en maar liefst vijf graden. Ik gooide broodkruimels op het vogelvoederstation en lokte daarmee weer de mussen. In de vensterbank ligt een hele Edammer kaas en in de koelkast een enorm stuk oude geitenkaas. Meegebracht door bezoek S. en bedoeld voor buurman Klaus, waar ze bij aankomst op de koffie ging omdat ik nog even een rondje deed met Joop, de deur dus dicht was, en ze Klaus verklapte dat ze die kaas in opdracht van mij voor hem en buurvrouw Monika mee had, met als gevolg dat ik die hele Edammer kaas niet zelf kan houden. Is niet erg.

Elke dag gebruikt een nu bijna zwarte eekhoorn mijn tuin als doortrekgebied en in plaats van één boomkruiper scharrelen er nu twee heen en weer op de stam van de oude perenboom. Op de buitentafel, die ik pal voor het keukenraam heb gezet, arrangeerde ik heel kunstig – al zeg ik het zelf – een soort kerststuk. Drie lantaarns, een paar aardewerken kruiken, een bak met kastanjes, een paar vliertakkenbossen en een kerstboompje in een pot. Een boompje dat ik uit het bos stal. Heel genoeglijk en zeer on-Duits. Er ligt een Lichtschlauch klaar, die is wel erg Duits, ik weet nog niet waar ik die ga draperen. [Een uur of zes later] Inmiddels is de lichtslang langs het vogelvoederstation gedrapeerd. Hij brandt, omdat ik samen met het ding ook een verlengsnoer kocht.

Mag ik iets zeggen over die boekenwedstrijd die de NRC uitgeschreven heeft? Dat is natuurlijk om gek van te worden: wéér een wedstrijd, alsof de literatuur tegenwoordig alleen nog getoetst, gewaardeerd en genoten kan worden als er gouden, zilveren en bronzen medailles uitgereikt worden. Ik schreef er een tijd geleden een stuk over op de website van De Groene Amsterdammer. Ook op persoonlijk vlak kan het gekmakend zijn:  NRC kiest natuurlijk vóór, want wij zijn te onkundig om zelf een boek te kiezen, en dat terwijl in diezelfde krant mooie boeken als Afscheidstournee van Vrouwkje Tuinman twee (2!) sterren krijgt van Sebastiaan Kort, terwijl het een klassieke roman is, een roman zoals elke schrijver die ooit hoopt te schrijven, zo’n fijn boek met een compleet levensverhaal erin. Ik heb het boek hoogstpersoonlijk in de Cossee-stand op de Frankfurter Buchmesse Duitse uitgevers in de handen geduwd. Maar, zoals gezegd, dat is persoonlijk, en zal ook wel weer ‘belangenverstrengeling’ zijn, want Vrouwkje geeft ook uit bij Cossee.

Maar om er nu volstrekt te gaan doorflippen zoals Pieter Waterdrinker doet, dat gaat ook wel weer wat ver. Pieter is dusdanig verrussischt dat hij aan het einde van een ellenlange twittertirade triomfantelijk uitroept ‘Ik ben vrij!’, waarmee hij bedoelt dat hij NRC-boeken dusdanig heeft geschoffeerd dat ze waarschijnlijk nooit meer een boek van hem gaan bespreken. Pieter heeft daar in dat verre Rusland erg last van klassieke verongelijktheid. Zijn boek Poubelle – dat ik ook een klassieke roman zou willen noemen, een prachtige leeservaring vond ik het – staat namelijk niet in de voorgekauwde keuze van NRC. Er zijn naar mijn weten al vijf drukken van verschenen en er komt een druk aan met een geheel nieuw omslag. Het boek doet het dus prima. Ik wissel weleens berichten uit met Pieter, we schrijven heen en weer, ook nadat hij erg boos was dat het boek niet op de longlist van de ECI stond. ‘Doe dat nou toch niet,’ zeg ik dan. Woorden laten vallen als ‘grachtengordel’ enzo, of schrijven dat je nooit meer een letter op papier zult zetten. Natuurlijk heb ik ook weleens een frustratietje, maar beter houd je die aan de etenstafel of in de echtelijke sponde.

Niemand verdient iets. Niemand. Wat gebeurt, gebeurt. Het is echt niet zo dat alle literaire jury’s met opzet zijn boek negeren, er zijn nu eenmaal – in de ogen van diezelfde jury’s – betere boeken. Wat is dat toch? Dat schrijvers menen een meesterwerk geschreven te hebben? Hoe durven ze? Zo’n meesterwerk dat het script ervan als ‘puberaal’ wordt gewaardeerd en de film dus niet doorgaat? Zo’n meesterwerk dat het ontbreken ervan op een longlist als doodsteek wordt ervaren? Misschien is het bij Pieter de afstand, als hij in Putten had gewoond, was hij wellicht niet zo ontploft. Ik gun hem dat niet, dat ontploffen. Pieter, kom naar Putten en neem daar heel bedaard wat op je toe komt.

Over knecht en The Crown

In mijn moeders familie is ‘knecht’ een gebruikelijke koosnaam. Ik hoor het vooral mijn opa en oom Bert nog zeggen, herinner me niet goed of oma het ook zei. Inmiddels – dit even tussendoor – heeft een nicht me gemeld dat de hond van oma Keppel ‘Joekie’ heette, dat was ik vergeten, en kon ik daarom niet in Jasper en zijn knecht opschrijven. Oom Bert zegt het nog steeds. ‘Zo, Knecht.’ De toon van de ontmoeting is daarmee meteen gezet, onaangenaam zal het zeker niet worden. Voor mij was het woord allereerst een koosnaam, pas daarna ging het ‘ondergeschikte’ betekenen en nog weer later kreeg het woord een erotische connotatie, onder andere door Maurice van E.M. Forster. Mijn moeder zegt het ook, voornamelijk tegen de kleinkinderen, maar ook nog wel tegen ons. Ik denk daar nu aan omdat ik een mannetjeshond wilde zodat ik ‘jongen’ tegen hem kan zeggen. ‘Goed zo, jongen!’ Vanochtend riep ik ‘Goed zo, man!’ (nadat hij een mooie drol van stront uit zijn achterste had gebakken). Knecht is trouwens vrijwel identiek aan het Engelse knight, waar het een heel andere betekenis heeft, zelfs het tegenovergestelde betekent. Net als queen, dat etymologisch verwant is met ons ‘kween’, een halfslachtig – en dus onbruikbaar – wezen. Vreemd, die opwaarderingen in de Engelse taal.

En nu we toch in Engeland zitten: is nou werkelijk iedereen daar homo? En dan ook nog op een heel bijzondere manier? Een manier die ertoe leidt dat ze allemaal maar voetbaljongens verkrachten? Victoriaans homo? Het is alsof ze het erom doen, alsof die machtsspelletjes en de geniepigheid integraal deel uitmaken van het wezen van een homo. De Britten zorgen er eigenhandig voor dat het verkeerde maar hardnekkige beeld van de homo als kinderverkrachter in stand blijft. Het is ergens een achterlijk land, een hypocriet land, wat ook al duidelijk wordt door de enorme kloof die er gaapt tussen Gardener’s World en de overgrote meerderheid van de schamele Britse voortuintjes; het gemiddelde pubvoedsel en The Great British Bake Off; de kloof tussen London als één van de belangrijkste modehoofdsteden van de wereld en de kleding die 99% van de Britten draagt; het onuitroeibare idee dat Groot-Brittannië nog steeds een wereldmacht is, terwijl het nauwelijks armoeiiger kan zijn in het grootste deel van het land. Scheef, dat is het: Engeland is een scheef land. En nu we het er over hebben: van kween en knaap queen en knight maken, het zegt allemaal al genoeg: Gezwollen borstjes, gebrekkige zeden. En hoe geweldig ik The Crown als Netflix-serie ook vond, het hardnekkig vasthouden aan de pracht en praal van het koningschap (daar nog steeds met een rechtstreeks lijntje naar God) verraadt de hypocrisie en vooral ook de ouderwetsheid van de Britten. Met alle gevolgen van dien.