Overleven

Overleven. Dat is wat Elvis en ik doen. Nadat twee mensen me gezegd hadden dat ik die hond nog eens doodloop (één in het Nederlands en de ander in het Duits), dacht ik: ja, ik moet Elvis tegen zichzelf beschermen. Dat betekent: ’s ochtends een klein half uurtje, ergens rond 13:00 uur hooguit een half uurtje en om een uur of acht ’s avonds een uur. Altijd langs water, maar hoe ik hem ook smeek, hoe vaak ik het ook voordoe: het beest vertikt het natte poten te halen. (Is dat laatste nou een germanisme?) De temperatuur haalt hier makkelijk 36 à 37 graden, en de zon brandt meedogenloos. Voordeel van de Eifel – vooral veroorzaakt door de Nims – is wel dat het ’s nachts aanzienlijk afkoelt, het is dan al snel 20 graden koeler.

‘Nog twee dagen,’ zei ik vanochtend in de auto tegen buurman Klaus. ‘Dan is het zaterdag en mijn weer-app zegt dat het dan tien graden koeler is en dat het flink gaat onweren.’ Daar leef ik naar toe. Ik heb een gruwelijke hekel aan warm weer. Mijn lichaam kan dat niet aan. Ik voel me slap, mijn hart gaat tekeer, ik kan er angstig van worden. Het idee dat het voortaan altijd zo zal zijn is niet te bevatten. Ik vraag me af waar ik dan heen kan, waar op de wereld het nog een beetje koud is. ‘Reken er maar niet op,’ antwoordde buurman Klaus. En later, nadat Frau Horn van Baustoffenzentrum Henrich in Gerolstein uitgerekend had hoeveel geld ik terugkreeg voor de pallets en de overgebleven zakken cement, zei zij: ‘Het blijft de hele maand augustus ook nog zo.’ ‘Nein, Frau Horn!’ schreeuwde ik toen door de winkel. ‘Dann bin ich weg!’ Maar ja, zoals hierboven geschreven: waarheen in godsnaam? En zo droog, ik word er echt ziek van, als één van je levenstaken een tuin is geworden. Ik heb medelijden met de tuin maar ik kan ‘m ook niet meer zien. Ik ben echt in staat domweg te vertrekken en de boel te laten verrekken. Maar dan zit je in Amsterdam in de hitte. En met een hond van 55 kilo. Bij een benzinepomp kocht ik voor buurman Klaus en mezelf een cornetto, die hadden we wel verdiend.

De muur staat dus. En na vanochtend is die ook nog eens 200 euro goedkoper uitgevallen, aangezien buurman Klaus en ik Frau Horn kennen, en die heeft haar uiterste best gedaan niets af te trekken, niet bijvoorbeeld de 20% standaardaftrek bij Zurückgabe te berekenen. De reacties zijn voornamelijk negatief. Iedereen denkt dat die muur er staat omdat ik me erachter terug wil trekken. Dat ik alles en iedereen buiten de deur wil houden. Voormalig Ortsbürgermeister Ernst Görgen zei: ‘Ik vind er niks aan, want nu kan ik je niet meer zien zitten.’ Om al die mensen te plezieren heb ik de kornoeljeheg met de helft omlaag gebracht, zodat ik weer te zien ben. Ik ben erg verguld met het ‘raam’ voor die ene dikke hulststam. Nu nog pleisteren, wit schilderen en twee buitenlampen er in. En een tweede 4 uit hout zagen en aan de buitenkant bevestigen, zodat de mensen weten dat het hier nummer 4 is, en niet 3 of 5.

Er is iets aan me voorbij gegaan

Als je, zoals ik, pas ziet wat er eigenlijk in de mode is als je eens goed om je heen kijkt of na maanden uit de Eifel in een bewoonde wereld komt, of naar een tv-programma kijkt waarin een aantal vrijwel identieke mannen zitten, is dat vaak nogal schrikken. Ik heb misschien anderhalve aflevering van het praatprogramma rondom het WK Voetbal gezien, ik weet niet eens hoe het programma heette. Ik zag vier mannetjes zitten en al die mannetjes hadden een been over het andere been geslagen. De mannelijksten de enkel op de knie, de wat zachtere mannen de knie over de knie. Die leuke Oekraïner zat er tussen, hij had heel moeilijke kleren aan, kleren die maken dat je enorm moet zweten, al was het alleen maar vanwege de modieusheid ervan. Tenminste: ik zou enorm zitten zweten, de Oekraïense ex-voetballer die met Victoria Koblenko getrouwd is niet. Maar daar gaat het hier niet over. Het gaat hier over de sokloosheid. Geen van de vier mannen droeg sokken. En geen van de vier droeg teenslippers of gympen. Nee, ze hadden allemaal dure, modieuze schoenen aan, van leer. En dan geen sokken. Ik moest lachen. Heel hard. Die mannetjes die over voetbal praten en dan allemaal geen sokken aan, ze zagen zelf denk ik niet hoe belachelijk, hoe kinderachtig dat was. Hoe conformerend, hoe niet eigen. Niemand lachte, ze waren allemaal serieus. ‘Zal wel iets van de voetbalwereld zijn,’ dacht ik nog.

Maar wacht eens, een tijdje geleden zag ik Jord Kelder de Plantage Middenlaan oversteken, in die vertrouwde kleding van hem: overhemdje, broek met bretels, pijpen veel te kort. Hij droeg geen sokken. Hele dure, lederen schoenen. Hij was aan het telefoneren, natuurlijk. Dus geen typisch voetbalmannendingetje? Zojuist keek ik de eerste aflevering van De slimste mens. Er deden bekende Nederlanders aan mee, en één daarvan was Jan Blokhuijsen. Leuk! dacht ik. Tot ik zag wat hij droeg. Of beter: niet droeg. Jan Blokhuijsen zat op de tv zonder sokken! Ik moest niet lachen. Ik besefte dat ik een modetrend die waarschijnlijk al maanden gaande is vol-le-dig gemist heb. Gelukkig zal ik er morgen – mocht ik kijken – niet mee geconfronteerd worden, Jan vloog er namelijk meteen uit. Ik ga straks eens oefenen, ik heb mijn dure, lederen schoenen hier. Volgens mij krijg je er enorme blaren van. (Op de afbeelding de onderbenen van Jan. Geen sokken in zijn schaatsen. Dat is normaal.)

Muur en hond

Er is hier weer eens een project gaande, een project dat allang klaar had moeten zijn. Nee, beter gezegd: een project dat door iemand anders uitgevoerd zou worden, maar die heeft nooit meer iets van zich laten horen, maandenlang niet. Zo gaat dat in de Eifel. Nu doet iemand anders het en ineens gaat alles in een razende vaart. Zo’n vaart dat ik er scheel van ga kijken en buikpijn van heb. Waarom? Waarom moet ik zo nodig een muur om mijn tuin heen? Wie heeft dat verzonnen? Ja, ik, dat lijkt me duidelijk, maar waarom houdt niemand me tegen? Fase 1 is gedaan, een sleuf. De sleuf is klaar, nu moet die berg aarde met stenen nog weg. Dat moet ik doen natuurlijk. Die muur komt in een hoek: negen meter langs de weg, zes meter langs de oprit. En het moet klaar voor Elvis hier de 20e juli verschijnt. Ik kan hier niet met een Deense dog zitten terwijl de route naar de weg wijd open ligt. Dat gaat lukken, is me verzekerd.

Waar we (de bouwer van de muur en ik) geen rekening mee hadden gehouden is dat de tuin schuin naar beneden afloopt, dus de oude betonnen fundering die er heel handig al ligt, langs de weg, loopt schuin mee. En ik wil een rechte muur, waterpas. Dat betekent, om het in lekentermen te schrijven, dat er over een lengte van 9 meter een gigantische, smalle wig moet komen. Of misschien twee afzonderlijke wiggen, even afhankelijk van hoe veel graden die betonrand afloopt. Brede planken zijn nodig, om een kistwerk te maken, waarin beton gestort zal worden. Die brede planken heb ik niet besteld natuurlijk, ik heb alleen stenen, ijzer, cement en kiezels besteld. En Deense dog Elvis is dus de spil waar alles omheen draait. Ik zeg steeds: ‘als je denkt dat het niet gaat lukken, vind ik het helemaal niet erg als je begint (of het afmaakt) wanneer Elvis weer weg is.’ Nee, het gaat lukken.

Nu er dus twee mannen in de tuin aan het graven waren met een pikhouweel, kwamen weer herinneringen aan eerdere projecten naar boven, en het besef dat wat ik het allerergste vind, domweg is dat er de hele tijd mensen in de tuin, of in het huis, zijn. Je kunt geen kant meer op. Je bent gevangen in het werkschema van die mannen. Ik wil uit het zicht blijven, ik wil me verstoppen, maar hoelang hou je dat vol? Want ik wil me verstoppen met de mogelijkheid iets te doen. Gisteren lukte dat aardig, ik maakte de eerste zes potten zwarte bessenjam, en maakte vooral veel werk van het schoonmaken en opruimen. Daarna was de geleisuiker op, dus ging ik een potje tennis op Wimbledon kijken, al viel dat niet mee: ik languit op de bank, die mannen werkend en zwetend in de tuin (ik hóórde de steel van de pikhouweel breken). Dat ligt niet lekker. Ik kan me nu dan ook al niet meer herinneren tussen welke twee tennissers dat potje ging.

Loslaten maar weer. Altijd alles maar loslaten, en die berg grond met stenen zien als iets wat niet in één klap weg hoeft. Misschien moet ik het zeven, de stenen afvoeren en de grond verdelen over het gras, dat stuk van het gazon ligt dieper dan de rest. Prima, maar ook dat hoeft niet in één dag klaar, en ik zou het bezoek – dat in deze tijd van het jaar nogal talrijk is – kennis kunnen laten maken met het edele vak van tuinieren. Met andere woorden: wil je een lekker bedje en een warme hap met alcoholische versnaperingen? Dan de handen uit de mouwen.

 

Dierenleed

Omdat de tweede boot maar niet terugkwam uit de Broads (later bleek dat-ie vastgelopen was in het riet) wilde ik wel even naar het rescue centre dat vlakbij het bezoekerscentrum van het natuurgebied was. Ezels, schapen, kippen. En honden. Ik besefte dat ik nog nooit eerder in een hondenasiel was geweest, nooit eerder had ik die blikken hoeven verduren. Er was er één, een slanke zwarte, die steeds bij het hek opsprong om bij me in de buurt te komen. Snel liep ik door naar de schapen, die wat dommig liepen te grazen. Toen ik vertrok, moest ik huilen. Ik barstte zomaar in tranen uit. Om die zwarte hond, maar waarschijnlijk ook om Jasper, zulke dingen komen samen. Met natte ogen zag ik de opvarende schrijvers van de weer losgekomen boot aankomen. Dat was Norwich.

Drie dagen later ging ik langs bij Jan in Caernarfon. Ik kon dan wel niet in haar B&B terecht, maar ze had gevraagd of ik toch even langskwam. Ze sleepte me meteen mee naar de overkant van Church Street. ‘Kijk dan!’ riep ze. Op de stoep van de overburen stond een jonge zilvermeeuw. Hij had een gebroken vleugel. Van het dak gevallen. Een andere buurvrouw, Caroline, hing er ook rond. Er was al gebeld met dierenartsen en de RSPCA. Niemand wilde het dier hebben of helpen. ‘En nu?’ vroeg Jan. Ik had geen idee, ik wilde er eigenlijk helemaal niks mee te maken hebben, maar Jan had mij bij het probleem willen betrekken om dat probleem kleiner te maken, te verdelen over zoveel mogelijk mensen, zeg maar. Inmiddels was het jonge dier gaan liggen, tegen de drempel aan. Ik probeerde hem op te pakken, hij verzette zich niet. ‘Nu komt de ouder niet meer terug!’ zei Jan. We wisten niet wat te doen, we liepen allemaal weg, de één naar huis, de ander ook en ik terug naar het hotel. De volgende dag was hij weg.

Overdag was ik van Holyhead naar South Stack gelopen, langs het Anglesey Coast Path. Op het terrein van de vuurtoren scharrelden tientallen jonge zilvermeeuwen rond. Helemaal niet bang, en de ouders niet agressief. Ik maakte foto’s, zie hierboven. Pluizige bollen, lichtgrijs met zwarte vlekken, het was moeilijk te onderscheiden waar de oogjes zaten. Vreemd genoeg had dat van het dak gekukelde meeuwtje precies dezelfde blik in z’n ogen als de wilde meeuwen; tevreden, berustend. Stomme beesten: jongen ter wereld brengen op een schoorsteen in een stad. ‘I hate this time of year,’ had Caroline gezegd. De meeuwtjes vallen bij bosjes van de daken af, met een beetje ongeluk op je kop.

De natuur en dat soort dingen moeten gewoon in z’n werk gaan, asielen moeten bestaan zonder dat je er ooit een voet zet (nee: asielen zouden helemaal niet moeten bestaan), maar soms wordt je er als mens met je neus bovenop gedrukt. Moet je ingrijpen. Ik had die hond mee moeten nemen, ik had dat meeuwtje dood moeten maken, maar ik deed het niet en ik kon het niet, en toen hij de volgende dag verdwenen bleek (ik ging ale drinken met Jan en haar nieuwe vlam), besloten de nieuwe vlam en ik dat hij gered was. Dat hij op miraculeuze wijze weer boven op die schoorsteen beland was. Twee laffe mannetjes met een lachwekkend groot glas bier in hun handen.

The chimney has to smoke

Een dag of tien geen vogels op Twitter. Want ik ben weg. Naar het Verenigd Koninkrijk. Eerst naar Norwich en daarna naar Caernarfon, dat laatste vooral uit sentimentele overwegingen, want in de buurt is Mount Snowdon en ik heb ooit gezegd dat ik die berg elk jaar beklim, en dat ga ik dus doen. Norwich ken ik niet, ben benieuwd, we verblijven er in het oudste hotel van Engeland. Ik schrijf ‘we’, want ik ben in Norwich niet alleen, er zijn nog zo’n twintig andere schrijvers en vertalers. In Noord-Wales ben ik wel alleen en voor het eerst slaap ik er niet in een B&B maar in een hotel, het Celtic Royal. Uit nood, want om de een of andere mij onbekende reden is het er stikdruk, terwijl tien jaar geleden niemand dood gevonden wilde worden in Caernarfon. En ik ga iets doen wat ik nooit eerder deed.

Vanuit Caernarfon rijdt een ouwe stoomtrein naar Porthmadog. Prachtig ding, prachtige route, hier een fragment uit een documentaire die ooit door de NCRV gemaakt is over De omweg. (Dan wordt ook de afbeelding bij dit dingetje duidelijk.) En om dat boek draait het. Er is een winkel aan het beginpunt van het spoor. Daar kan je van alles kopen, koffiemokken, ballonnen, snoep, kaarten, asbakken, stuiterballen, hondensnoepjes, sleutelhangers. En boeken. Dat weet ik, want ik was er vaker. En elke keer draaide ik de boekenmolen rond en rond en rond op zoek naar The Detour. In dat boek komt de trein voor en Mount Snowdon en de plek van handeling is hemelsbreed zes kilometer verderop. Het is de perfecte plek om het boek te verkopen. Maar ze doen het niet. Ik denk dat dat komt omdat ze van het bestaan ervan niet weten. Daar ga ik verandering in brengen. Ik stop er één in mijn tas en zal het een winkelmedewerker overhandigen. ‘Please read this,’ zal ik zeggen. ‘And then decide whether you want to sell it here or not.’ Ze gaan me vreemd aankijken, dat weet ik nu al. Kan me niks schelen. The chimney has to smoke and on the board there has to be bread (and preferably a drop of white wine).

Witte geit, Mike en veel bier

Buurvrouw Hannelore stond in haar elektrische rolstoel bij de poort. ‘U heeft ook geen bel,’ zei ze. ‘Nee,’ zei ik, ‘bij mij moet je aankloppen.’ Maar zij haalt mijn voordeur niet, want het gras ligt tien centimeter hoger dan de oprit. Of ik niet weer eens een hond had? Nee, zei ik, nog steeds geen nieuwe hond. ‘De buren hebben twee honden.’ Ja, dat wist ze, en daarom zei ze dat ik óók geen bel had, want de buren hebben ook geen bel en twee uur eerder had ze voor hun – dichte – poort staan schreeuwen omdat ze niet opendeden. Ik hoorde dat en keek vanuit de boventuin toe, en toen zei buurvrouw Hannelore dat de buren niet opendeden. Niet mijn probleem, dacht ik toen nog en ging door met het onkruidvrij maken van het hoge terras. Goed, de kwestie was, ze had een dode geit. De nacht ervoor verstikt omdat een andere geit met hoorns één van die hoorns onder de halsband van de nu dode geit had gestoken, waarschijnlijk vanwege schrik voor het onweer. ‘Heeft het geonweerd?’ vroeg ik. ‘U heeft vast geslapen,’ zei buurvrouw Hannelore. Hoe dan ook, ze probeerde die dode geit te slijten aan mensen met een hond of honden. Dat die honden lekker wekenlang stukken geitenvlees kunnen eten. Dat doet ze omdat ze anders de geit moet laten ophalen en dat kost geld. En alles wat geld kost, dat heeft buurvrouw Hannelore liever niet. Het is niet gelukt. Niemand met honden wil een dode geit, want die moet je dan eerst nog in stukken snijden.

Het definitieve Mike-nieuws, vernomen uit betrouwbare bron. Mike is inderdaad uit zijn hok gedreven, domweg opgetild door het wassende water. Vervolgens is hij in een boom geklommen die over de rivier hangt. Of in elk geval op de plek waar op dat moment de rivier vermoed kon worden. Omdat hij in die boom zat, moest hij wel doodgeschoten worden. Want als hij uit de boom gevallen was, had het razende water hem meegevoerd en wie weet waar hij dan was terechtgekomen. Verdoven ging niet, want als Mike bewusteloos in de rivier zou vallen, zou hij sowieso verdrinken. Er bleef dus maar één mogelijkheid over. De betrouwbare bron is de brandweer, de vrijwillige brandweer uit Lünebach.

Een andere afdeling van de vrijwillige brandweer, die van Nimshuscheid, vierde afgelopen weekend z’n 90-jarig bestaan. Gisteren om half één begon het blaasorkest uit Bleialf aan een optreden. Om kwart voor één dronk ik mijn eerste biertje en om half acht het laatste. Hoe het kan dat ik niet ben omgevallen is me een raadsel. Vanaf een uur of zes barstte het gebruikelijke onweer los met bijpassende hoosbuien, maar dat kon ons allemaal niks schelen. Vandaag drink ik alleen water.

Water, onverklaard

Toen ik hier afgelopen vrijdag aankwam, bleek hoe heftig het noodweer geweest was. De keuken stond blank. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Het was half tien ’s avonds, er was bezoek meegekomen. Dat heb ik op het terras voor de keuken neergezet met gin-tonics en ik ben gaan dweilen. Later pas – inmiddels wisten we dat we geen angst hoefden te hebben voor tijgers of leeuwen die uit het bos zouden opduiken omdat die beesten nooit hun kooi uit geweest waren – vroeg ik me af hoe precies het water in de keuken terechtgekomen was. Ik zag aan modder dat het onder de voordeur doorgelopen was, maar de keukenvloer ligt hoger dan de gangvloer. Was het met zoveel geweld binnengekomen dat het omhóóg gestroomd was? ‘Het is door de muren gekomen,’ zei buurman Klaus. Maar die muren zijn een meter dik! Dat kan toch zeker niet? Bovendien vind ik dat een rotidee, water door de muren, het moet niet gekker worden. Inmiddels is het bijna een week verder, maar onder het keukenblok blijft het nat. Wat op zich niet vreemd is, dat gebeurt eigenlijk altijd wel als het buiten erg warm en broeierig is. Binnen wordt het nooit warmer dan 20 graden en het huis gaat dan ‘zweten’. Na verloop van tijd droogt de boel weer op en in de tussentijd veeg ik steeds de boel droog met handdoeken. En ondanks de warmte brandt de kachel, terwijl het raam wijd open staat.

Hier gebeuren trouwens wel vaker raadselachtige dingen met water. Achter in de tuin – half ingegraven in de heuvel – staat een half wijnvat met een metselkuip erin. Dat is een vijver. Er staat een pot met Snoekkruid of Moerashyacint (Pontederia cordata) in. Onlangs vulde ik de kuip met de waterslang bij. Toen ik twintig minuten later boven kwam, was de hele kuip leeg. Ik begreep er niks van, maar hing wéér de slang erin. Kuip vol, en hij bleef vol. Was er in de tussentijd een koppel herten komen drinken, of een roedel everzwijnen? Had iemand me een loer gedraaid? Maar wie dan? Rondom het wijnvat was alles droog. Bizar, want er was negentig liter water weggestroomd. Onverklaarbaar. Een week later gebeurde precies hetzelfde met een ingegraven kuip. Ik haalde er een pot uit omdat ik wilde kijken of het riet dat er in stond nog leefde en zette die terug. Kort daarop hele kuip leeg. Kuip weer vol laten lopen. Bleef vol. En dat is maar goed ook, want om hem uit te graven en er een nieuwe in te zetten zou een enorme klus zijn omdat dat deel van de tuin al zo, hoe noem je dat – de Britten zeggen established – is. ‘Volgroeid’ is misschien de juiste vertaling, het goede woord, alles op de geëigende plek, niks meer aan doen. Maar dan moet dus niet de ingegraven kuip lek raken…

Op de afbeelding een deel van de overstroomde Eifelzoo. Moeilijk te zien, maar op het dakje rechts zitten twee ganzen. Die zijn niet goed, want watervogels lijken mij nou de láátste om een veilig en droog heenkomen te zoeken. En het zijn ook nog eens Nijlganzen, die zijn toch wel wat gewend zou je denken.