Chinezen [Trouw, 27 april]

Aangezien ik een manuscript klaar en doorgemaild had en niet in een door mij verwacht zwart gat viel, maar juist ongedurig en plezierig gespannen afwacht wat de ontvanger er na lezing van zal vinden, bezocht ik tijdens de paasdagen twee musea. Dag één: het Kröller-Müller Museum. We waren met z’n vijven. Eerst een hoogtepunt: het werk Kijk Uit Attention van Krijn Giezen was eindelijk weer eens open. Tamelijk kort na de openstelling van de steile trap van 300 treden viel er een tiener vanaf en vanaf dat moment is het kunstwerk tien jaar niet toegankelijk geweest. Nu is het af en toe open. We hadden geluk. Het was er rustig, niet iedereen klimt voor de lol 53 meter. En vooral: er was geen buitenlander te bekennen, nou ja vooruit: een enkele Belg.

Daarna verplaatste ons gezelschap zich naar binnen. Vlak nadat ik door een Chinees echtpaar dat uitsluitend oor had voor hun audiotour omver gelopen was, liep ik mijn zwager tegen het lijf. We waren vijf minuten binnen. ‘Ik ga eruit,’ zei hij. ‘Dit hou ik niet vol.’ Met ‘dit’ doelde hij op de Chinezen. Ja, dit gaat misschien wel een nogal foute column worden. Ze worden waarschijnlijk met bussen aangevoerd en moeten dan in een beperkte tijd het museum bekijken. Voor de beeldentuin is geen tijd, vandaar die rust bij Kijk Uit Attention. ‘Ach,’ zei ik toen nog vergoelijkend, ‘ik sluit me er gewoon van af.’ Dat bleek nog eens vijf minuten later niet mogelijk. Ze lopen overal dwars doorheen – als de kleine binnentuin niet afgesloten zou zijn, zouden ze daar net als op De Keukenhof alle tulpen vertrappeld hebben -, kijken je nooit aan en bewegen zich in het algemeen door de ruimte alsof er verder niemand is. Ze gedragen zich alsof zo’n museum er speciaal voor hen neergezet is, en alsof ze alleen hebben te letten op de andere Chinezen die in dezelfde bus zaten. En toen begon ik me ook een tikje op te winden. Die mond en neus bedekkende kapjes, waarom is dat? De lentelucht op de Veluwe zal toch zuiver en fris zijn? Ik voelde me ineens een stinkende kaaskop en zag in al die gezichtsbedekkende kapjes om me heen een uiting van afkeer van mijn lichaamsgeur en aanstellerij. Opvallend genoeg zag ik in de uithoeken van het museum – bij Richard Long en Gilbert & George – geen enkele Chinees. Waarom niet? Draait het voor Chinezen allemaal om de uitgekauwde kunstenaar Vincent van Gogh? Mijn schoonzus vertelde dat ze op een gegeven moment: ‘Ga allemaal eens aan de kant! Ik wil erdoor!’ had geroepen, maar dat niemand dat helaas had verstaan. Eenmaal weer buiten, op witte fietsjes door stuifduinen onderweg naar de parkeerplaats, waren alle Chinezen op slag verdwenen.

Dag twee, in een ander gezelschap, naar het Singer Museum in Laren. In sfeer zeer vergelijkbaar met het Kröller-Müller. Terwijl ik werken van Max Beckmann en Paula Modersohn-Becker aan het bestuderen was, dacht ik steeds: Wat is hier toch aan de hand? Om me heen uitsluitend keurige, chique Larense mensen. Aha! dacht ik toen. Ik sprak een suppoost aan. ‘Er zijn hier helemaal geen Chinezen,’ zei ik. ‘Nee,’ zei hij, ‘Chinezen hebben we hier niet veel.’ Ik keek tevreden om me heen, maar kort erop – buiten inmiddels, rokend, pratend – zei iemand: ‘Zielig, hoor. Zij zijn ook mensen, op vakantie, in een bus die steeds maar verder jakkert, in een cultuur die ze niet begrijpen’ en toen kreeg ik last van medelijden. Vandaar dat dit toch geen anti-Chinezen-column is geworden. Was het mogelijk een paastest voor mijn verdraagzaamheid?

Onzuiverheden [Trouw, 13.4]

Onlangs zag ik in deze krant een paginagrote advertentie met daarop het omslag van Wees onzichtbaar van Murat Isik. Murat zelf stond ook op de foto. ‘Lees de prachtige romans van Murat Isik’, stond er, maar mijn aandacht ging meer uit naar de volgende tekst: ‘De meest bekroonde roman van Nederland.’ O, ja? dacht ik toen en liet het er verder bij zitten. Gelukkig maakte ik er een schermafbeelding van en kan ik nu precies citeren. Het is een leugen, een paginagrote leugen. Als ik aan het tellen sla, kom ik tot vier prijzen, en daarbij moet ‘prijs’ met een korrel zout genomen worden, want sinds wanneer wordt NRC Boek van het Jaar als bekroning gezien? Is NRC dé literatuurgraadmeter? Nee, NRC is een krant, zoals Trouw dat ook is, met als voornaamste verschil dat NRC zichzelf graag groot maakt. En, wacht, nu maak ik te grote sprongen: er staat ‘bekroond’ en ik maak daar automatisch ‘prijs’ van. Misschien gebruikt de uitgever het woord om bij eventuele kritiek – zoals hier, nu – er een andere uitleg aan te geven, waardoor de advertentie geen leugen meer is. Boven is het stil heeft acht prijzen toegekend gekregen, waarvan de meeste in het buitenland. Ik gebruik dat boek omdat ik daarvan wéét dat het zo is. Ik kan me voorstellen dat er andere Nederlandse boeken zijn die eveneens net zo vaak of vaker bekroond zijn dan Wees onzichtbaar. Als ik fout zit, hoor ik het wel van Ambo|Anthos.

Ik ga verder met dingen waar je als argeloze (advertentie)lezer nooit zo bij stil staat. Van die kleine advertentietjes: ‘Nu al vierde druk!’ Goh, denk je dan, dat moet wel een goed boek zijn, als er herdruk op herdruk volgt. Maar: het zegt niets. Een leugen is het niet, misleidend is het wel. Een druk is zo groot als een uitgever hem op laat leggen. Een druk kan bestaan uit driehonderd exemplaren, maar ook uit 50.000 exemplaren. Als we die getallen aanhouden, kunnen vier drukken in totaal 1200 of 200.000 exemplaren omvatten. Dat scheelt nogal. Om bij de bron te blijven: het levert de betreffende schrijver grofweg 2400 euro of 400.000 euro aan royalty’s op. Dat is brood met iets erop of een tweede huis.

Daarnaast is er het vernuftig citeren uit recensies. Een recensent vindt onder andere dit: ‘De auteur heeft overduidelijk krampachtige en opzichtige pogingen gedaan een briljant boek te schrijven, maar helaas is zij voor deze meesterproef dik gezakt.’ De uitgever zit niet bij de pakken neer, troost zijn schrijfster en laat unverfroren ‘Briljant boek’ en ‘Meesterproef’ opnemen in een advertentie om reclame te maken voor het boek, al dan niet met zelfverzonnen uitroeptekens. Tja, het stáát in de bespreking.

Het melden van de verkoop van filmrechten is ook een promotiemiddel. Goh, denk je dan, er wordt een film van gemaakt, dat moet wel een goed boek zijn. Nog even los van de constatering dat van de tien plannen een boek te verfilmen er misschien twee daadwerkelijk plaatsvinden, is het woord ‘verkoop’ misleidend. Hier geen Hollywoodbedragen, hier in Nederland is sprake van een optie op de rechten: een productiemaatschappij claimt de rechten van een boek met als doel dat uitsluitend zij er eventueel een film van kunnen maken. Die bedragen zijn verwaarloosbaar, een jaarlijks bedrag tot de film gemaakt wordt of tot de productiemaatschappij er geen zin meer in heeft. Als de film gemaakt wordt, krijg je als schrijver – al naar gelang de inhoud van het contract – een deel van de productiekosten. Dat levert geen tweede huis op, maar wellicht een jaar lang kaviaar op je brood, maar niet de duurste…

Namenlijst [Trouw, 30.3]

Anja Sicking. Anne-Gine Goemans. Ricus van de Coevering. Anne Eekhout. Gerard van Emmerik. Beitske Bouwman. Nico Dros. Marieke Groen. Anjet Daanje. Hermine de Graaf. Renske Jonkman. Astrid Harrewijn. Co Woudsma. Martin Gijzemijter. Sanneke van Hassel. Jente Jong. Thomas van Aalten. Hans Dekkers. Threes Anna. Inge Bak. Anne Borsboom. Niels Carels. Herman Franke (†). Karin Giphart. Rob Waumans. Ivo Victoria. Miquel Bulnes. Aukelien Weverling. Jannah Loontjes. Jente Posthuma. Roos Verlinden. Jos Versteegen. Ellen Heijmerikx. Fleur Bourgonje. Mariët Meester. Vincent van Meenen. Maarten Inghels. A. Marja (†). Herien Wensink. Renske Hillen. Russell Artus. Louis van Dievel. Ariella Kornmehl. Frank Noë. Rashid Novaire. Max Niematz. Jowi Schmitz. Roos van Rijswijk. Basje Boer. Arthur Umbgrove. Willem van Toorn. Allard Schröder. Pieter Toussaint. Yolanda Entius. Bregje Hofstede. Dola de Jong (†). Adriaan Jaeggi (†). Otto de Kat. Emily Kocken. Marga Kool. Louis Stiller. Doeke Sijens. Lilian Blom. Jan van Loy. Willem Melchior. Dorinde van Oord. Suzanne Peters. Femke Schavemaker. Astrid Panis. Sandra Heerma van Voss. Kristien Dieltens. Hans Veeken. Lieke Kézér. Onno te Rijdt. Walter van den Berg. Aliefka Bijlsma. Cindy Hoetmer (gepensioneerd).

Zeventig namen. [Het waren er 87, maar die pasten niet in de twee kolommen, GB] Als ik tijd en zin zou hebben, zouden het er tweehonderd kunnen zijn. Wat verbindt deze namen? Wie zijn het? Wat doen ze? Er zullen lezers zijn die zo her en der een naam herkennen, en die weten dat het achtentachtig schrijversnamen zijn. Niemand zal alle namen kennen, en toch zitten er schrijvers tussen die prijzen gewonnen hebben, die aan literaire diners gezeten hebben, die beurzen hebben ontvangen van het Letterenfonds, die herdrukken hebben beleefd. Dode schrijvers zitten er ook tussen. Nooit meer een boek. Steeds minder boeken in antiquariaten. Ooit geschreven, gedreven en ambitieus, hoopvol, omring door vrienden en familie die de poging steunden, boekpresentaties met witte wijn en stukjes kaas als kroon op het werk, terwijl de tocht van een boek pas ná de presentatie begint. Boze schrijvers, blije schrijvers, miskende schrijvers, verdrietige schrijvers, cynische schrijvers, schrijvers die zich nu afvragen waarom in godsnaam hun naam hier niet tussen staat, mogelijk te scharen onder miskende schrijvers, schrijvers die er net van kunnen leven, schrijvers die de afgelopen Boekenweek nergens in het land te zien zijn geweest, niet starnakeldronken zijn geworden op het Boekenbal, schrijvers die zich nu afvragen waarom zij wél in deze lijst zijn opgenomen (‘Ik ben toch zeker wel een béétje bekend?’), mogelijk te scharen onder boze schrijvers. (‘En, nog eens iets, waarom staat de naam van die Bakker zelf er niet tussen?!’)

Wat ze eveneens verbindt, is dat ze nooit – zoals dat heet in literaire kringen – zijn doorgebroken, dat ze geen Pfeijffer- of Buwalda- of Wieringastatus hebben verkregen, soms na een tamelijk succesvol debuut, wat ertoe kán leiden dat zoiets wel gebeurt. Maar die status kan niet iedereen bereiken; niet iedereen kan op de hoogste tree van het ereschavot staan want daar is domweg te weinig plek, al bungelen er altijd wel een paar – zich vastgrijpend aan de broekspijpen van de grote drie – in de buurt van de één na laagste en laagste tree van datzelfde ereschavot. Maar ze schrijven allemaal. Ze doen allemaal hun best en ze maken er het beste van. Soms omdat het móet, soms omdat ze beroemd willen worden, sommigen omdat ze gedreven zijn door woede of afgunst of liefde of allerlei andere emoties. De boeken zijn geschreven, ze liggen in de boekhandels, ze zijn te koop. Voor iedereen. Alles kan.

Prijs of geen prijs [Trouw, 16.3]

Ik wil het hebben over De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Dat boek is uitgekomen in januari 2018. Het is dus meer dan een jaar oud. Er zijn er, zeker voor een debuut, enorm veel van verkocht en de recensenten buitelden over elkaar heen in het uitdelen van loftuitingen en sterren en ballen. Het boek heeft van Rijneveld een bekende Nederlander gemaakt, ze is regelmatig tafelmens bij DWDD, en dat doet ze erg goed, blijkbaar veel beter dan Jaap Robben, die ongeveer gelijk met haar eerste optreden daar één keer tafelheer was, maar die we nooit meer terug hebben gezien. Daar wil ik het nu niet over hebben, dat zijn randverschijnselen. Blijkbaar is Rijneveld veel ‘mediagenieker’ dan Robben.

Je zou verwachten dat een boek dat zó goed ontvangen is en zo veel aandacht gekregen heeft wel een literaire prijs zou kunnen winnen, of minstens een hele trits nominaties. Met haar debuut, de dichtbundel Kalfsvlies, won ze de Cees Buddingh’-prijs. Nu is het idiote dat ze afgelopen jaar slechts één nominatie heeft gekregen: het boek stond op de longlist van de Jan Wolkersprijs. De shortlist haalde het niet. Het boek stond niet eens op de longlist van de Bookspot Literatuurprijs, voorheen de ECI Literatuurprijs, voorheen de AKO Literatuurprijs. Het boek heeft geen enkele debutantenprijs gewonnen. (Je zult het zien: net nu ik dit schrijf komt het nieuws door dat de roman op de longlist van de ANV Debutantenprijs staat.) In elk geval staat De avond is ongemak wél op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Er zijn dus nog kansen voor Rijneveld om eventueel een literaire prijs binnen te slepen. De shortlist van de Libris wordt aanstaande maandag bekendgemaakt. Er is dus nog een kans, maar ik vrees dat het de shortlist niet haalt. Ik voorspel niets, ik schrijf ‘vrees’.

Hoe kan dat? Hoe werken jury’s? Wat is hier aan de hand? Hoe kan een groep van gemiddeld vijf mensen zo anders oordelen dan het gros van de recensenten? Ik denk dat ik het weet. Ten eerste denk ik dat er onder recensenten (zelf zullen ze het ten stelligste ontkennen) soms een onbewuste consensus ontstaat, waarmee ik bedoel te zeggen: als de eerste bespreking laaiend enthousiast is, is het soms lastig een volstrekt andere mening erop na te houden. Misschien is er zoiets gebeurd bij het verschijnen van De avond is ongemak. Wat zou betekenen dat de ontvangst van het boek een tikje vertekend is. Zo vind ik het boek – ja, nu komt het er uit – niet goed. Die stortvloed aan beelden en metaforen slaat alles dood, het kan me werkelijk geen zier schelen wat er met de personages gebeurt. ‘Ja, ja,’ is alles wat ik kan denken als ik het lees, ‘kom maar op, kan het nóg akeliger?’ Het kan inderdaad nóg akeliger. En dan ook nog eens dat gereformeerde, alwéér dat gereformeerde.

Het boek roept dus tegenstrijdige gevoelens en oordelen op. En dat is waarschijnlijk wat er gebeurt in een jury, welke jury dan ook. Er zullen er misschien twee zijn die er dezelfde mening als ik op na houden. Dat is genoeg. Eén dwarsligger kan al genoeg zijn. Dan krijg je een strijd. En ik weet uit eigen ondervinding hoe fel en vinnig die strijd kan zijn. De dwarsliggers houden hun poot stijf en als de voorstanders ook hun poot stijf houden, gaat een derde er met het been vandoor. Soms overleeft een boek een eerste strijd, komt het in elk geval nog op een shortlist terecht. De controverse rond dit boek lijkt te groot. We gaan het zien, nog twee nachtjes slapen.

Verwijderde tekst:

Ik krijg een bericht van Aussiebum: “G’day Gerbrand, we miss you mate at aussiebum.com and here’s an exclusive gift for you. Use promo code ‘SALE25’ & get 25% OFF storewide including all Sale items.” Aussiebum maakt onderbroeken, ik schreef erover in Jasper en zijn knecht. (“Interessiert mich, dass er seine Unterhosen übers Internet in Australien bestellt?!” (Dat vond Andreas Gebbink in zijn bespreking van het boek in de Neue Rhein Zeitung)) Een lezer raakte toen nogal opgewonden nadat hij las dat ik altijd maat L bestel. Dat zegt niks natuurlijk, waarschijnlijk hanteren die Australiërs andere maten. Het probleem met die onderbroeken is dat ze veel te goed zijn. Ik bedoel: ze gaan niet kapot. Zelfs de inmiddels wat goedkopere exemplaren blijven prima in orde. Ik heb er zeker dertig, waaronder nog de allereerste, die ik kocht in een warenhuis in Kopenhagen, dat zal zo’n twintig jaar geleden zijn geweest. Property of Denmark staat er op het brede elastiek. Dat vond ik leuk, toen. Doen alsof ik een Deen was. Dertig onderbroeken lijkt me wel genoeg, ik grijp nooit mis als ik de onderbroekenla opentrek. Moet ik ze een bericht terug sturen? “It’s your own fault that I never visit aussiebum.com any more! Please try to make them as one makes modern day iPhones or Levi’s trousers: they wear like crazy!”

 

Titels [Trouw, 2.3]

Boven is het stil heette jarenlang Henk. Ik wist niet beter of dat zou de titel worden, als het boek eenmaal eindelijk uitgegeven zou worden. Ik had beter moeten weten, want in 1999 was Perenbomen bloeien wit verschenen en dat boek heette in mijn computer Zwart, naar de titel van het eerste hoofdstuk. Dat kon niet. Nooit een omslag maken dat zwart is en ook geen titel met die kleur erin, en al helemaal niet als die titel maar uit één woord bestaat. Want dan verkoopt het boek niet; mensen vinden dat veel te negatief klinken. Dat zei mijn toenmalige uitgeefster. Inmiddels heb ik al heel wat zwarte omslagen gezien – nu net weer Zout van Marc Reugenbrink – en ik ken ook best veel titels waar het woord zwart in voorkomt, denk bijvoorbeeld aan Vogels met zwarte poten kun je niet vreten van Anton Dautzenberg. Ik weet niet hoe goed die boeken verkochten of verkopen en ik weet ook niet of dat afhankelijk is van omslag of titel.

Maar goed, ik leverde Henk in bij uitgeverij Cossee. De toenmalige redacteur liet Oek de Jong het manuscript lezen. Die was er wel tevreden over, maar zei ook: ‘Goed debuut hoor, maar je kunt dit niet Henk noemen.’ Waarom hij dat zei weet ik niet of ben ik vergeten, hoe dan ook zou het die titel niet worden. ‘Is het een christelijk boek ofzo?’ vroeg mijn moeder me toen ze de definitieve titel hoorde. ‘Nee moeder,’ zei ik, ‘ik doe niet aan geloof.’ Ik bedoel: de titel zette mijn moeder op het verkeerde been, en als iets mijn moeder op het verkeerde been zet, zal dat zeker bij meerdere mensen gebeuren.

De strijd die aan Rotgrond bestaat niet voorafgegaan is! Zelden zo gesteggeld over een titel. Bij een vooraanbieding aan boekhandelaren was terugbericht dat ze dat een ‘negatieve titel’ vonden. Nu zou je je, als het aan mij ligt, nooit iets aan moeten trekken van boekhandelaren, maar toch leverde het een tweede ronde in de titelstrijd op. Die ik uiteindelijk gewonnen heb, zij het met een beetje water bij de wijn: er kwam een ondertitel waarin niet ‘en het naaktzwijn Wilma’ voorkwam, want dat was te grappig. Het werd ‘Over natuur en cultuurlandschap’, wat ik dan weer te serieus vond voor iemand als ik. Opvallend is dat de Duitse titel, zonder dat daar vooraf overleg over is geweest, één van de Nederlandse alternatieven was: Echte Bäume weinen nicht. Klagen doe ik daar dus niet over.

De titel is net als het omslag vaak iets voor de allerlaatste fase. En dan kan het dus gebeuren dat een titel waar de schrijver al heel lang mee leeft in één klap verdwijnt en vervangen wordt, wat een tijdlang een verweesd gevoel geven kan. Dat je boek in de winkel ligt en je je afvraagt: ‘Wie zou dat boek geschreven hebben?’ Het kan ook zo zijn, en dat merk ik nu, dat een titel richting geeft aan wat je schrijft. Dat de titel bepaalt wat de inhoud van een boek wordt. Bij zo’n titel is het helemaal onvoorstelbaar dat een redacteur die zou willen wijzigen. Titels met een komma hebben mijn voorkeur. Ik ben gek op komma’s, maar op een omslag zie je ze bijna nooit. Uitgevers zijn heel huiverig voor een komma op een omslag. Iets scherps, een priem van Gerard van Emmerik. Prachtig, nog los van de inhoud.

Al heel lang heb ik een titel waar nog eens een boek aan vastgeknoopt zou kunnen worden. Het was nacht en er waren matrassen. Geen idee hoe de honderden pagina’s gevuld moeten worden, maar die titel staat.

Omslagen [Trouw 16.2]

Het maken van een boek bestaat uit een aantal fasen. De belangrijkste is natuurlijk de fase van het schrijven, door de schrijver. Als een schrijver niets schrijft, komt er ook geen boek. Vervolgens, of in sommige gevallen tussentijds, gaat een redacteur naar de tekst kijken. Dit kan anders, dat kan beter, waarom heb je hier dit en waarom heb je daar niet dat. Dan volgt de drukproef. Liefst verander je daar niets meer aan, met een beetje geluk is alles wat gladgestreken moest worden in die fase voltooid. Altijd, altijd vind je dan nog spelfouten. Dat is akelig. En zelfs dan zijn ze er nog niet uit: meestal al bij het eerste doorbladeren van het voltooide boek zie je een vreselijke fout. Meestal blader ik een halve minuut en dan leg ik het verse boek aan de kant. Eventueel later nog eens naar kijken, maar nu is het een straf. Wacht, ik ga te snel, nu is er al een gedrukt boek, met een titel en een omslag en een isbn-nummer.

Ik wilde het hebben over het omslag. Vaak wordt daar in de fase van het redigeren al aan gewerkt, want het boek, of beter: een afbeelding van het boek, moet in de prospectus van de uitgeverij. De titel laat ik even voor wat die is, daar is een aparte column voor nodig. Ik houd erg van de omslagfase. Alles is min of meer klaar, de strijd om de titel is gestreden, nu rest nog een zo mooi mogelijk omslag. Mooi en toepasselijk. Of juist niet toepasselijk? Dat kan namelijk ook. Is het nodig, een toepasselijk omslag? Tja. Ik betrap me erop dat ik tijdens het lezen, soms pas na vier of vijf dagen, het boek dichtklap en eens kijk wat er eigenlijk op het omslag staat. Ben ik het al tegengekomen? Begrijp ik het of wordt er een spelletje met me gespeeld? Een uitgever bepaalt het omslagbeeld niet alleen. In elk geval in mijn geval wordt er overleg gepleegd. Er komen meerdere voorstellen. Welke vind jij de mooiste? En kun je dat ook uitleggen? Mijn mooiste omslagen vind ik de omslagen die ik zelf gemaakt heb, tot nu toe is dat in twee gevallen zo geweest. Met Gras, om languit op te liggen en Rotgrond bestaat niet. En met gemaakt bedoel ik: waarvoor ik het beeld heb geleverd; het maken van een omslag, daar komt natuurlijk veel meer bij kijken. Ik vind het mooi, eigen omslagen, omdat ik dan veel meer het gevoel heb dat het míjn boek is. Niet alleen de woorden, óók het beeld. Bijna een Gesamtkunstwerk.

Als een boek vertaald wordt, ligt dat ineens heel anders. De meeste buitenlandse uitgevers overleggen niet over een omslag. Soms krijg ik het boek vlak voor het uitkomt te zien, er is dan al niets meer aan te veranderen, vaker krijg ik niets te zien en is het een ‘verrassing’. De kroon hierin spant mijn Catalaanse en Spaanse uitgever. Die maakt zulke afzichtelijke omslagen dat ik het opgegeven heb. Ik kán opgeven omdat Laura Huerga, de uitgeefster, mij namelijk wél mee laat beslissen. Min of meer. Ze is een Catalaanse, ze laat zich niet zomaar omver lullen. Ze stuurde me mogelijke omslagen voor het boek Juny. Ik bekijk de tekeningen, wacht even met mijn antwoord en zeg dan: ‘Nou ja, Laura, zoals je zult begrijpen vind ik ze allemaal afzichtelijk, maar ik weet ook dat ik niet weet wat Catalanen en Spanjaarden mooie omslagen vinden. Ga je gang. Ik vind nummer 4 de “mooiste”.’ Kort erop volgden nog ingekleurde omslagen. ‘Prima,’ schrijf ik. De enige troost is dat er tientallen gierzwaluwen op staan, héél in de verte.