Aantekeningen van een amateur-schilder

Dit blijkt een zomer van schilderen te zijn. Al mijn nieuwe houten ramen werden inclusief verf geleverd. Dat moet hier in Duitsland. Ongeverfd hout, nee, dat is werkelijk onmogelijk. Probleem is – in mijn ogen – dat die verf waterverf is, want verf op oliebasis is natuurlijk milieuonvriendelijk. Bijkomend probleem is dat die verf nooit ofte nimmer zal glimmen, het is immers water. Dat blief ik niet, matte ramen en deuren. Dus in Nederland kocht ik halfglans antiekgroene Wijzonol. Kozijn voor kozijn, deur voor deur begint mijn huis te glimmen, in een veel mooiere kleur dan die geleverd werd, dat groen was, eh, nou ja waterig, onbestemd. Antiekgroen is bij een bepaald licht bijna zwart. Samen met een witte gevel en een zwarte sokkel en een bak met rode geraniums op een vensterbank ziet mijn huis er nu uit als een dure villa in het Gooi.

Ik ben zelfs begonnen de houten oversteek van het dak te schilderen. Die was gebeitst, lang geleden. Schuren, schoonmaken, schilderen. Ladder geleend van buurman Klaus, buurman Rinus kwam langs op de elektrische fiets van zijn vrouw en vertelde me dat ik goed bezig was. Ik mis Radio Tour. Er is niet veel fijner in het leven dan een huis opknappen terwijl je urenlang naar een touretappe luistert. Jarenlang heb ik dat gedaan, vroeger. Het zwarte gat waarin je dondert als de Tour voorbij is! Vreselijk. En iets anders: het regent. Best veel. Zeurde ik onlangs over de vreselijke droogte hier, nu wil ik dat het eindelijk droog wordt, dan kan ik verder. De tweede pot begint trouwens beangstigend leeg te raken, misschien vriend Henk lief vragen of hij even bij de Praxis langs wil om een derde pot mee te halen.

En eindelijk is er tv-gewijs iets gelukt. Dat hele Canal Digitaal wordt niks, ik heb het opgegeven, maar nu kocht ik een Supersportticket bij Sky Deutschland, want aanstaand weekend is hier niet alleen vriend Henk, ook Pieter de Rijk is er – een stuk verderop – en hij wil erg graag de finale op Wimbledon zien. Ik ontdekte dat geen enkele Duitse zender Wimbledon uitzendt. Het duurde anderhalve dag voordat de website me eindelijk accepteerde en nu zelfs hartelijk welkom heet – ik had ook dit al opgegeven, en ik maakte niet eens dingen stuk uit woede – maar nu is er tennis. Vanmiddag Murray-Querry. Tenminste: als het blijft regenen. Bij droogte klim ik de ladder op. Ik kan een woonkamerraam openzetten en de laptop in de vensterbank zetten, dan is het bijna als Radio Tour, vroeger, toen alles beter en mooier was. Bijna, tv-kijken is natuurlijk niet erg handig bij het schilderen.

Het is op het vogelvoederstation alsof er een Turkse bruiloft gaande is. Alles en iedereen blijft deze zomer hangen, er hipten zelfs twee groenlingen aan de voet, en die vogels hebben heel veel geluk: afgelopen weekend vond ik in de Globus in Wittlich grote plastic emmers vol vierseizoenenvoer en mezenbollen. We kunnen nog weken voort, de vogels en ik.

Aantekeningen van een amateur-bioloog

Een dag nadat de jonge boomklever tegen het raam van de schrijfkamer was gevlogen – aan de binnenkant, mogelijk via de wijd openstaande kleine ramen op de noordkant naar binnen gekomen – en op zijn ruggetje op de laptop lag, vlogen de koolmezen uit. Een tweede leg. Uitvliegen, maar dat gaat zomaar niet: ze hippen het nestkastje uit en komen op de grond terecht, waar ze dan een beetje gaan rondscharrelen en proeffladderen. Ik zag er één en wist dat ik wel even bezig zou zijn, aangezien Felix, de kat van buurman Klaus, graag bij mij in de buurt is als ik in de tuin bezig ben. Op een bepaald moment had ik die kleine koolmees bijna zo ver dat hij/zij op mijn uitgestoken wijsvinger hipte. Ik heb Het vogelhuis van Eva Meijer gelezen, vandaar. Ik wilde hem/haar halftam maken, zodat hij/zij volgend jaar vertrouwelijk met me om zou gaan. Hij/zij en hem/haar, want ‘geslachten gelijk’ zegt Petersons Vogelgids.

Hij klom/fladderde omhoog via de terrastuin aan de zijkant van het huis. Ik vond het vreemd dat de beide ouders niet zenuwachtig heen en weer vlogen, tot ik doorkreeg dat ze met een ander jong bezig waren achter het huis, in het bos. Misschien hadden ze gezien dat ik me bezighield met dit jong; zoals al gezegd, ik las Het vogelhuis. Op het moment dat ik merkte dat de ouders hem in de gaten kregen (ik dacht de hele tijd: ‘ga nou toch eens roepen, dom dier!’), vertrok ik naar de bocht in de Nims om er mooie, rond afgesleten rivierstenen te gaan halen.

’s Avonds zaten ze met z’n allen op het vogelvoederstation, één van de jongen hing heel brutaal steeds op een mezenbol, liet zich zelfs door een boomklever of een matkopje niet wegjagen. Het waren er vier of vijf, ze deden zo druk dat ik het niet duidelijk kon zien. Ik ging ervan uit dat ‘mijn’ koolmeesje er één van was. Die vogeltjes leren in heel korte tijd heel veel, binnen een paar uur vreten ze zelf. Onhandig vliegen deden ze nog steeds, dat en hun vale kleur maakte dat ik ze als jongen herkende. De rijst die ik in het vogelvoederstation kiepte bliefden ze niet, misschien is die te kleverig. Binnen twee uur waren twee mezenbollen op. Vanochtend zag ik dat het eksterpaar van de rijst eet.

Ik ga er ook vanuit dat de jonge boomklever het overleefd heeft. Die vloog na een minuut of tien van mijn hand naar een tak in de eik. Maar zeker weet je zoiets nooit: het ree dat Jasper ooit greep, ontkwam, maar best vaak gaan ze later alsnog dood vanwege stress of een shock. Gevoelige dieren. Veel gevoeliger dan slakken, ik zeg maar iets, of mieren en zeker dan teken, die moet je echt met een scherp voorwerp doodmaken of in het vuur gooien, die zijn ongelofelijk taai. Ik denk dat teken de wereld gaan overnemen. Het duurt misschien nog even, maar ooit zal een laatste mens zich proberen te verschansen in zijn of haar huis. Ik begrijp werkelijk niet waarom daar in Hollywood niet al een film over gemaakt is. Een rampenfilm.

 

Je maakt iets en beseft dat je nog veel meer moet maken

Gisteren mdf laten zagen bij de Globus, vandaag de nieuwe boekenkast in elkaar gezet en – nadat ik hem weggehaald had van de afbeelding – al één keer in de verf gezet. Terwijl er bezoek was, en straks weer bezoek komt. Die nieuwe boekenkast was nodig omdat de bestaande (links op de foto) te klein geworden was voor eigen werk. Ja, inderdaad, ik heb een boekenkast vol eigen werk, in het Nederlands en allerlei andere talen. Daar schaam ik me helemaal niet voor, ik vergeet steeds wie ik ben, en die tastbare boeken herinneren me eraan dat ik dat allemaal ooit bij elkaar geschreven heb (en nogal wat  vertalers vertaalden minstens vijf planken bij elkaar). Er lagen boeken plat bovenop staande boeken en dat stond me niet aan, dat vond ik rommelig. Maar nu is er iets wat me ook niet aanstaat: er is tweeënhalve plank onbezet.

Punt is natuurlijk dat er in die kast geen Dautzenberg, McEwan, De Nooy, Zsófia Bán, Barry (Sebastian én Kevin), Anne Enright, Roos van Rijswijk, John McGahern, Andrew Miller, Oek de Jong, Kim Leine, Siegfried Lenz, Juli Zeh. R.J. Peskens, Austin Duffy of Koos van Zomeren mogen staan. Geen sprake van, die staan elders, voornamelijk in Amsterdam. Dus zal ik zelf aan de bak moeten. Nog tweeënhalve plank. Ik moet onmiddellijk beginnen. Maar eerst een gin-tonic, bij een aangename temperatuur van 26 graden, een tikje fris. Maar met citroen, limoen of komkommer?

Zwarte zaterdag

Gisteren was een zwarte dag. Het begon al vroeg en het hield niet meer op. Duizenden motorrijders, voornamelijk uit België. Van de A60 naar beneden en dan vlak na mijn huis naar rechts. ’s Avonds hoorde ik dat ze vervolgens meteen weer naar links gingen en met z’n allen door Nimshuscheid reden. Niemand wist waar ze heen reden, iemand had het over de Nürburgring die 90 jaar bestond, maar dan zou je oude auto’s verwachten. Tegen de tijd dat de heenstroom een beetje begon uit te dunnen, reden de eersten alweer terug. Vandaag is het rustig, het normale aantal komt voorbij, altijd in groepen, motorrijders kunnen of durven niet alleen op pad. De Eifel schijnt een walhalla te zijn voor motorrijders. Ik heb een gruwelijke hekel aan motoren. Gelukkig voor mij was de mis in Lasel, precies de andere kant op. Geen enkele motorrijder reed me van mijn fiets af. De mis begon om half zes en was om half zeven klaar. De pastoor had er zin in, hij maakte voortdurend grapjes. Ik begin al een beetje te wennen, zit niet meer zwetend op een harde houten bank. Het was de eerste Jahresgedächtnis voor dakdekker Rudi, en een aantal anderen. Na de mis liepen er nogal wat mensen van de kerk naar de begraafplaats. Het was prachtig weer, na een bewolkte dag trok de hemel open. Ik liep erheen met Walter en Elisabeth Graf, die in de kerk naast me gezeten hadden, Walter zuchtte telkens als hij op moest staan. ‘Wir sind nicht katholisch mehr,’ fluisterde Elisabeth. Aansluitend was er een Grillen bij Christa en Johannes. De Ortsburgemeister van Nimshuscheid vertelde me over de Nürburgring. Sacha de broodbakker liet me foto’s zien van twee Appenzellerpups. Helmut haalde uit zijn appartement een pakje vloeitjes voor me. Ik dronk te veel bier, maar was rond twaalven nog bij te pinken genoeg om te vertrekken. Kan je zeggen dat een barbecue ter ere van de sterfdag van dakdekker Rudi gezellig was? Ja, dat kan en dat was het. Eerder in de week was er al de verjaardag van buurvrouw Monika. Ik heb voor weken genoeg vlees gegeten.

Ik las laatst iets over het afsluiten van een stuk dijk langs de IJssel, vanwege overlast door motoren. Daar was ik het hartgrondig mee eens. Zo’n fijn huis, op zo’n fijne plek, weg van grote steden en dan razen er het hele weekend lang motorrijders langs. Je reinste overlast, waar ze zelf niks van merken want zij zijn het die razen en genieten van het ‘bropbropbrop’ dat hun machine voortbrengt, zij zitten niet in de tuin. Buurman Klaus en ik zagen gisteren ineens een vlag wapperen in de tuin van de nieuwe buren uit de buurt van Aken. ‘Wat is dat nou weer voor vlag?’ vroeg ik. ‘Een Harley-Davidsonvlag,’ zei Klaus. ‘Godsamme!’ zei ik. Het zou verboden moeten worden, of beperkt tot vijf dagen per jaar, en dan voor alle motorrijders uit alle landen dezelfde dagen, anders schieten aanwonenden er nog niks mee op natuurlijk.

Poging tot filmbespreking

Gisteravond naar de film. In Studio K, eten & film voor 21 euro. De film die om half tien draaide was The Circle. Ik had daar niets over gelezen, wist eerlijk gezegd niet eens dat die roman al verfilmd was. Eten was goed, Grüner Veltliner erbij. Alle deuren stonden open, er waaide een verkoelend briesje het restaurant in. ‘Ik hou niet van Tom Hanks,’ zei vriend H. ‘Ik wel,’ zei ik. We namen een sticky toffee puddin’ toe, best lekker, maar een sticky toffee puddin’ was het niet. We hadden tijd nog even te roken. En toen begon de film.

Zelden een slechtere film gezien. Het begon al helemaal verkeerd, heel Amerikaans ofzo, met zieke vader, hysterische vriendin, allemaal mensen die veel te snel praten, de nogal miscastte Emma Watson (dat is toch een probleem: wat ze ook doet, ik zie Hermelien), alles net ernaast, cliché, voorspelbaar. En dan begint het verhaal: steeds meer wordt ons onze privacy afgepakt, alles gericht op het beter maken van de mens, de wereld, volledige transparantie. Niet origineel, feitelijk gebeurt dat al natuurlijk, in de werkelijke wereld. Iemand – de oprichter van The Circle – ziet dat het misloopt, wil er iets aan doen. Tom Hanks als de bad guy. Ik keek ernaar en dacht: het zal allemaal wel. Die film weet niet wat hij wil. Moeten we erom lachen? Kan niet, want alles zit er nét naast, het is pijnlijk, als het grappig had moeten zijn. Moeten we bang worden? Lukt niet, want er zit geen originele gedachte achter en de film zwalkt op meerdere gedachten. Moeten onze ogen geopend worden voor een toekomst zoals we die ons nog nooit voorgesteld hadden? Lukt ook niet, want we hebben het ons al voorgesteld, gezien in andere films, gelezen in boeken of essays.

Ik probeerde erachter te komen waaróm mij zo’n film dan zo ergert. Waarom vind ik hem zo tenenkrommend slecht? Ik denk dat het is omdat ik als bioscoopbezoeker niet serieus genomen word. Er wordt mij iets door de strot geduwd waar ik geen zin in heb, waarin ik niet geloof. Voorbeeldje: Emma Watson doet op een bepaald moment een cameraatje op en kan 24 uur per dag gevolgd worden. Daar reageren mensen op en die reacties zweven door het beeld. Geen enkele keer heb ik ‘Cunt!’ voorbij zien komen, of ‘I’m coming over to kill you!’ Wat is dat dan voor wereld waarin Emma en de mensen van The Circle leven? Terwijl wij in het dagelijkse leven elke dag overspoeld worden op twitter en facebook of waar dan ook met scheld- en haattirades? Het is een zoetelijke film, terwijl dat niet de bedoeling is. Ik neem aan dat hij ‘beklemmend’ had moeten zijn. De film weet niet wat hij wil. Misschien zijn alle films die niet weten wat ze willen slecht. Overbodig is hij ook. Nu ga ik het boek zeker niet lezen, als dit is waarom die Dave Eggers zo geprezen wordt, dan begrijp ik er weinig meer van.

 

Limburg

Eén keer eerder in mijn leven heb ik een lezing gehouden in Limburg. Nee, ik meen dat er ook een lezing geweest is in Noord-Limburg en die werd wel aardig bezocht. Eén keer eerder in Maastricht. In die Dominicanerkerk. Er stond een enorme geluidsinstallatie klaar. Er kwamen twee dames op af. De rest van het winkelende publiek keek me aan alsof ik, ja, dat weet ik niet goed, wat was. Gisteravond gesprek onder leiding van Erik Lindner, met Roos van Rijswijk en mij. Op de Van Eyck Academie. Er waren zeven (7) bezoekers. Limburg. Moeilijke provincie. Altijd maar schreeuwen tegen westerlingen, tegen de randstad, altijd en eeuwig dat misplaatste minderwaardigheidsgevoel. Maar als er dan een westerling, wat zeg ik: drie (3) westerlingen, afzakt/afzakken, komen ze niet. Misschien omdát het westerlingen zijn, misschien omdat ze daarmee willen aangeven: jullie interesseren ons niet. Er was geen voetbal op de tv en ook geen songfestival.

Erik zei tijdens de borrel na – met zeven mensen, er waren tijdens de lezing ongeveer net zoveel ‘eigen mensen’ als bezoekers – dat als die-en-die dichter op kwam treden (ik kende zijn naam niet, hij is een Limburger) of Emma Crebolder, dat er dan zo honderd (100) mensen op af komen. Eigen volk. In Brabant, zoals bekend ook een zuidelijke provincie, komt altijd nogal wat volk naar lezingen. Misschien dat dat verklaart waarom die Noord-Limburgse lezing goed bezocht werd. Het zit ‘m dus niet in ‘de provincie’. Het zit ‘m in Limburg. De woede-uitbarsting van de uitbater van het restaurant van het Derlon Theater heb ik altijd nog scherp in mijn herinnering. Ik zei, nietsvermoedend, mogelijk typisch Hollands of zelfs Amsterdams, tegen hem: ‘Ik heb gehoord dat je hier best lekker kunt eten.’ Dat ik er überhaupt nog heb gegeten die avond mag een wonder heten. Waarom? Hoe komt dat? Willen Limburgers eigenlijk geen Nederlanders zijn? Ik snap het echt niet. Weet Chrétien Breukers hoe zoiets zit?

En, tussendoor, het gaat niet om mij, u kunt zich troostende woorden of opbeuringen besparen, ik voelde me niet persoonlijk ergens in aangetast en Roos en Erik ook niet. Wij hadden het wel gezellig en over een tijdje krijg ik mijn honorarium op mijn rekening gestort. Er kwam eens een beroemde Italiaanse acteur een monoloog spelen op diezelfde Van Eyck Academie. Daar kwamen nul (0) mensen. Hij speelde zijn monoloog evengoed, inclusief betekenisvolle pauzes.

Vanmiddag spoorde ik terug. Vanaf Eindhoven (Noord-Brabant) stroomden er Ajaxsupporters de trein in. Bij elk station kwamen er meer binnen. De trein kon nauwelijks nog rijden. In de buurt van Amsterdam gingen ze allemaal samen zingen en met de opklaptafeltjes slaan. De meesten waren al dronken, het was rond drieën. Het was vreselijk. Ik geloof dat ik daarom voetbal haat. Het maakt het slechtste in mensen los. Alleen voetbal doet dat. Niet fietsen, schaatsen of zelfs ijshockey. Het dwingende ervan, je móet meedoen, ook als je als argeloze reiziger in de trein van Maastricht naar Amsterdam zit. Als je stoïcijns of, god verhoede, kwaad kijkt, kun je een blikje Heineken naar je kop krijgen. Gelukkig reed mijn tram naar het oosten en niet naar het zuiden, David Pefko stapte in met zijn fiets. ‘Hé David,’ zei ik. ‘Hé, Gerbrand,’ zei hij. Straks, zo hoor ik achter me, komt André Rieu op de tv, vanaf het Vrijthof. Tienduizend mensen zitten daar dan, geen idee wanneer dat opgenomen is. Eigen volk. Gezellig.

Tuinleed

Dit is zo’n dag, zo’n wat-doe-ik-en-hé-is-het-toch-al-half-twee-dag? Ik heb de buxusboom fors gesnoeid. Die staat aan de zijkant van het huis, ik heb onlangs zijn stamdiameter gemeten en die boom is meer dan 100 jaar oud. Dus niet zo’n strakgeknipt heggetje, nee, een boom, immer grün. Bovenin zitten dooie takken, is hij geel en kaal. Eigenlijk wil ik hem écht snoeien, met een zaag, maar dat durf ik niet. Ik wacht nog even deskundig advies af. Ik weet niet wat er gebeurt met een buxus van meer dan 100 jaar oud als je die rigoureus aanpakt. Daarna schepte ik afleggers van de Kerria japonica uit de grond en knipte de wortels door. Die heb ik in de heuvel op de plek gezet waar ik ooit een stuk of zes sparretjes gezet had. Die zijn allemaal doodgegaan. Het is gerommel in de marge, heen en weer lopen, snoeischaar vergeten beneden, ophalen, weer omhoog, weer naar beneden om de kraan open te draaien, weer omhoog om die verse ranonkels te bewateren. En steeds maar omhoog kijken. Voor vandaag is regen voorspeld. Echte regen, met onweer en alles (‘alles’ betekent hier dan meestal scherpe windstoten). Maar alle pikzwarte wolken drijven in de verte voorbij. Ik wacht. Ik wacht.

Ik wacht. Het gebrek aan water is hier een probleem aan het worden. Vorig jaar was ook al zo’n rotjaar. Toen ik hier ging wonen verklaarden mensen me voor gek omdat het in de Eifel altijd zou regenen. Dat is mooi, dacht ik, dat zal mijn tuin in wording goed doen. Nu staan de Hereford-stiertjes in de Nims, het water komt tot net boven hun hoeven. Mijn waterrekening zal torenhoog zijn, want niet alleen alle planten in potten moeten elke dag water hebben, ook die ranonkelstekken, en de Sorbus aria ‘Majestica’ die ik gisteren in Mürlenbach uit het bos jatte en alle plekken waar ik bloemenzaad gestrooid heb en het liefst besproeide ik ook nog het gazon, dat er nu al schamel en geel bij ligt, en het is pas half mei. En als je aan het wachten bent, zo is mijn ondervinding, heb je niet het idee dat je echt iets aan het doen bent; alles wat je doet staat in het teken van dat wachten, het is tijdspassering, het télt niet. Het werk bevredigt niet.

Punt is: als ik hier ben, kan ik er iets aan doen. Ik kan bewateren. Maar bewateren stelt zo weinig voor, alleen regen maakt dat de grond écht vochtig wordt, ik denk dat dat komt omdat regen zo gelijkmatig valt, waardoor de grond verzadigd kan raken. Een gieter vol met leidingwater is water naar de zee dragen. Straks ben ik hier twee weken niet en dat is waar ik me zorgen om maak. En de moestuin! De uitjes en radijzen komen net de grond uit! De snijbiet en wortels zijn afgelopen zondag gezaaid! Nee, ik begrijp wel waarom Maarten ’t Hart het liefst zijn erf nooit verlaat: als je alles goed wilt doen, kan dat domweg niet. Ik ga naar boven, ik zoek een zender die de Giro uitstraalt, dan doe ik nog iets nuttigs tijdens het wachten.