Tuinleed

Dit is zo’n dag, zo’n wat-doe-ik-en-hé-is-het-toch-al-half-twee-dag? Ik heb de buxusboom fors gesnoeid. Die staat aan de zijkant van het huis, ik heb onlangs zijn stamdiameter gemeten en die boom is meer dan 100 jaar oud. Dus niet zo’n strakgeknipt heggetje, nee, een boom, immer grün. Bovenin zitten dooie takken, is hij geel en kaal. Eigenlijk wil ik hem écht snoeien, met een zaag, maar dat durf ik niet. Ik wacht nog even deskundig advies af. Ik weet niet wat er gebeurt met een buxus van meer dan 100 jaar oud als je die rigoureus aanpakt. Daarna schepte ik afleggers van de Kerria japonica uit de grond en knipte de wortels door. Die heb ik in de heuvel op de plek gezet waar ik ooit een stuk of zes sparretjes gezet had. Die zijn allemaal doodgegaan. Het is gerommel in de marge, heen en weer lopen, snoeischaar vergeten beneden, ophalen, weer omhoog, weer naar beneden om de kraan open te draaien, weer omhoog om die verse ranonkels te bewateren. En steeds maar omhoog kijken. Voor vandaag is regen voorspeld. Echte regen, met onweer en alles (‘alles’ betekent hier dan meestal scherpe windstoten). Maar alle pikzwarte wolken drijven in de verte voorbij. Ik wacht. Ik wacht.

Ik wacht. Het gebrek aan water is hier een probleem aan het worden. Vorig jaar was ook al zo’n rotjaar. Toen ik hier ging wonen verklaarden mensen me voor gek omdat het in de Eifel altijd zou regenen. Dat is mooi, dacht ik, dat zal mijn tuin in wording goed doen. Nu staan de Hereford-stiertjes in de Nims, het water komt tot net boven hun hoeven. Mijn waterrekening zal torenhoog zijn, want niet alleen alle planten in potten moeten elke dag water hebben, ook die ranonkelstekken, en de Sorbus aria ‘Majestica’ die ik gisteren in Mürlenbach uit het bos jatte en alle plekken waar ik bloemenzaad gestrooid heb en het liefst besproeide ik ook nog het gazon, dat er nu al schamel en geel bij ligt, en het is pas half mei. En als je aan het wachten bent, zo is mijn ondervinding, heb je niet het idee dat je echt iets aan het doen bent; alles wat je doet staat in het teken van dat wachten, het is tijdspassering, het télt niet. Het werk bevredigt niet.

Punt is: als ik hier ben, kan ik er iets aan doen. Ik kan bewateren. Maar bewateren stelt zo weinig voor, alleen regen maakt dat de grond écht vochtig wordt, ik denk dat dat komt omdat regen zo gelijkmatig valt, waardoor de grond verzadigd kan raken. Een gieter vol met leidingwater is water naar de zee dragen. Straks ben ik hier twee weken niet en dat is waar ik me zorgen om maak. En de moestuin! De uitjes en radijzen komen net de grond uit! De snijbiet en wortels zijn afgelopen zondag gezaaid! Nee, ik begrijp wel waarom Maarten ’t Hart het liefst zijn erf nooit verlaat: als je alles goed wilt doen, kan dat domweg niet. Ik ga naar boven, ik zoek een zender die de Giro uitstraalt, dan doe ik nog iets nuttigs tijdens het wachten.

Amor pelos dois/liefde voor allebei

Gisteravond keek ik het Eurovisie Songfestival. Na een heel drukke dag. Boodschappen gedaan in Bitburg, de nieuwe buurman (Axel) geholpen een hondenhek te maken, zodat de hondjes Nikita, Karlotta, Zoey, Benni, Gizmo en Mia drie keer zo veel bewegingsruimte zouden krijgen, courgetteplantjes planten, biertjes drinken bij Christa en toekijken hoe buurman Klaus en buurvrouw Monika hun eenjarigen in de betonnen bakken zetten. Ik was net als vroeger onder de douche geweest, er was wijn en chips. Zaterdagavond. Ik werd helemaal gek van Jan Smit met zijn gezeur over ‘ernaast zitten’. Zoiets hoor ik helemaal niet, val me er dan niet mee lastig. Ook wilde ik naar Olexandr (midden) en Volodimir (links) luisteren en als je je best doet, lukt dat, kan je Maas en Smit volstrekt wegfilteren. Naar Timoer (rechts) wilde ik niet luisteren, want die was überhaupt niet te verstaan. Ik vond de Nederlandse inzending niet veel aan. En dan dat met die zieke moeder, mensenlief, iedereen heeft weleens een zieke moeder (of vader, broer, zus, hond, kat, paard). Eigenlijk had ik geen echte voorkeur, dat doet er ook niet toe, en nog nooit heeft een lied dat ik het mooiste vond gewonnen. Ik dronk witte wijn en at sour cream-chips. Ik zag een Australiër in zijn blote reet rond zangeres Jamala lopen (dat vond Jan Smit helemaal niet leuk) en ik hoorde regendruppels op het dakraam vallen. Daar was ik erg blij mee, de droogte hier wordt zo langzamerhand problematisch.

Het werd tijd eens een tweetje de wereld in te sturen, maar ik wist niks te schrijven. Tot ik deze bedacht: IEDEREEN DIE OP ZWEDEN GAAT STEMMEN, ZAL DOOR MIJ ONTVOLGD WORDEN. Daarna het ellenlange stemmen (Douwe Bob met zijn hondje Tammy!) en toen won Portugal. Vooruit, dat kan, en het is best een fijn luisterliedje. Die Salvador Sobral ergerde me een beetje. Hoe hij zich gedroeg. Wilde hij nou wel of niet meedoen? Maar hij dééd mee, dus waarom zat hij er steeds zo raar bij? Met zijn ‘uitwendige pacemaker’ en zijn zus. Op het grote toneel mocht hij iets zeggen, rond hem liep geen Australiër in zijn blote reet. En wat hij zei, daarover dacht ik later: is dat niet precies hetzelfde als wat Trump deed tijdens zijn inauguratiespeech? Dat hij in één klap zijn mededeelnemers diskwalificeerde, zoals Trump Obama – en andere ex-presidenten – schoffeerde? Door te zeggen dat muziek gevoel is en geen vuurwerk en dat hij hoopte dat dat nu eens goed tot iedereen zou doordringen? Aha, Sobral was een activist! Saudade enzo en hartelijk obrigado. Vandaar die halfslachtigheid, het niet écht meedoen, de rare koppen. En iedereen vond het goed en lief en aandoenlijk, niemand vergeleek hem met Trump. Tja. ‘We gaan naar Lissabon!’ riep Jan Smit. Inmiddels was het kwart voor één geworden, terwijl ik normaal gesproken rond elven naar bed ga. Er stond nog een half glas lauwe Grauburgunder op tafel, het tikken op het dakraam was opgehouden.

En nog eens iets: waarom kreeg Duitsland maar 6 punten? Zes! Vakjury en televoting bij elkaar opgeteld! Zo slecht was dat toch niet? Maar goed, voor de eerste keer in jaren niet op de laatste plek, die rode lantaarn was voor de Spanjaarden. Volledig verdiend. Wat een flapdrollen waren dat, met hun gitaartjes en hun hawaïhemden. Vanavond ga ik naar mezelf kijken op SWR. Dan is er een documentaire over het 70-jarig bestaan van Rheinland-Pfalz, waarin ik aan het slot figureer als Einwanderer. Ik ben erg benieuwd wat ik ga zeggen, en of ik morgen de buren nog onder ogen kan komen. Mijn Duits zal waarschijnlijk klinken als het Engels van Timoer.

Elvis, mest en regen

Hoe blij een mens kan zijn met regen. Gisteren ging ik lopen met Elvis en juist op dat moment werd het heel donker en in de verte rommelde het. Onweer! We liepen in het bos en even vroeg ik me af of dat wel goed ging, maar toen ik naar de honderden bomen om me heen keek, besefte ik dat de kans dat we door bliksem geraakt zouden worden erg klein was. Met genoegen heb ik me laten natregenen. Elvis vindt het hier geloof ik wel fijn. Hij was niet bang van het onweer. Soms gooi ik met een stok, maar daar vindt-ie niet veel aan. Grote honden, zoals zwarte labrador Ben van Peter, worden naast Elvis schoothondjes en kleine honden, zoals cocker-spaniël Saar van Pauline Slot, veranderen in muizen. Morgen wordt Elvis trouwens alweer opgehaald, dan gaat-ie terug naar Amsterdam. Als ik hier zo met hem loop, hij los, door de bossen en over de velden, vraag ik me af hoe zijn baasje hem eigenlijk uitlaat, daar in die grote, drukke stad. Nu ik dit tik, eet hij een varkensoor en dat maakt nogal wat lawaai.

Voor het huis zijn minstens vier, maar soms ook wel zes, mannen van het waterleidingbedrijf bezig een hydrant uit te graven die ze maanden geleden nieuw aangelegd hebben. Ik geloof omdat het ding te diep zat, maar helemaal duidelijk is het me niet geworden. Eén van de mannen zei dat het een toestand is, dat het allemaal scheppen geld kost. Tja. Ik heb dus de hele dag geen water. Er wordt vooral veel gebeld en veel gerookt en af en toe schreeuwen ze, wat Elvis dan weer noopt te gaan blaffen, wat toch grappig is: dit is die hond zijn huis en erf niet en toch doet hij waaks. Het varkensoor is op, hij laat een boer en zucht diep.

Vanochtend was een jonge boer met grijze ogen uit Limburg stalmest aan het uitrijden op land van boer Antony, die dat land verpacht heeft aan een Nederlandse boer, voor wie de genoemde jonge boer werkt. In de cabine zat zijn schoonmoeder. Van de week worden er 250 (!) Hereford-koeien hierheen gebracht, hoe, mag god weten. Elvis vond die jonge boer uit Limburg wel een geschikt persoon om bij op te rijden. ‘Is niet erg,’ zei hij. ‘Is wel erg,’ zei ik, ‘dat mag niet.’ Elvis vond die mest net als ik erg lekker ruiken. Ik ken van vroeger mestkarren met horizontale verspreiders (een zogenaamde dubbele molen), deze had verticale verspreiders met grote schotten aan weerszijden, waardoor de mest over een veel groter oppervlakte verspreid wordt. ‘We zien mekaar nog weleens!’ zei hij. Zijn schoonmoeder woof vanuit de cabine en de trekker reed richting Nimsreuland.

Blij met regen, want de afgelopen maanden was het hier erg droog. Zó droog (en ’s nachts nog vrieskoud) dat het uitbotten van bomen en struiken tot stilstand was gekomen. Nu kan de lente echt beginnen. De kriek begint eindelijk te bloeien.

 

Archief

Ik maak me een beetje zorgen. Dat komt door Marcel Möring, een schrijver die in mijn ogen nogal onterecht niet zo veel meer gelezen wordt. Ik ken hem vooral vanwege een toertje dat we maakten in 2007, omdat onze boeken in dat jaar op de longlist van de Libris stonden. Maar daar gaat het niet om, het gaat hier over een archief. Möring heeft zijn archief overgedragen aan het Drents Archief. Daar was nogal wat gedoe om, zo liet Aad Meinderts van het Letterkundig Museum weten teleurgesteld te zijn en riep Möring Drentse collega’s als Mariët Meester op hetzelfde te doen als hij had gedaan. Maar ook daar gaat het niet om. Waar gaat het dan wel om?

Ik heb helemaal geen archief! Hoe moet dat? Waarom heb ik geen archief? Wat is eigenlijk een archief? In den beginne knipte ik alles uit en stopte dat in mappen. Met ‘alles’ bedoel ik besprekingen en interviews in kranten en tijdschriften. Later hield ik daarmee op. Ik vond het te veel gedoe en ik besefte dat ik dat allemaal toch niet nog eens na zou gaan lezen. Ook dacht ik: dit zijn dingen voor andere mensen, lezers misschien, maar niet voor mij. Is dat mijn archief? Ouwe recensies? Of bestaat mijn archief uit versies van de boeken die ik schreef? Daar zijn er niet zo veel van want – misschien vinden mensen dit opschepperig – wat ik inleverde was altijd nogal klaar. Ik deed nooit aan tussenversies en van enig voortgangsgesprek tussen mij en de uitgever was evenmin sprake. Wat is dan mijn archief? Ik schrijf noch schreef brieven aan collega’s (dit lieg ik, momenteel is er correspondentie met Koos van Zomeren en Anton Dautzenberg, maar dat is geheim) en wat ik schrijf of schreef dat op de een of andere manier met ‘de literatuur’ te maken heeft, staat op mijn weblog. Maar dat is er gewoon, dat kan ik niet overdragen en bovendien is het archief van het oude weblog als sneeuw voor de zon verdwenen.

Wat is mijn archief? Ik heb geen archief! Maar hoe moet dat dan? Ben ik nu al een vergeten schrijver? Een schrijver van wie geen snippertje papier, waar dan ook, opgeslagen is? Godsamme. Ik moet iets verzinnen. Dat deed ik zojuist. Mocht ik komen te overlijden dan stel ik dit huis hier in de Eifel ter beschikking aan ‘de literatuur’. Eén of andere stichting moet dat dan maar regelen. Of moet ik die stichting dan zelf oprichten? Een soort Roland Holst Huis, maar dan 350 kilometer verderop, zodat Sjoerd Kuyper of Rita Verschuur (die wonen in Bergen) niet de hele tijd langskomen (hoewel dat erg gezellig is). Je kunt hier heerlijk gin-tonics drinken, met uitzicht op het vogelvoederstation. Wel jammer voor al mijn neven en nichten, die dan geen vakantiehuisje meer hebben.

Ik wil geen windmolen!

Vaak als Jamal Ouariachi ergens iets schrijft (op zijn blog, sinds kort in VN, een tweet, iets of Facebook) denk ik: jongen, jongen. Jamal is in wezen zachtmoedig en aardig (dat weet ik uit persoonlijke observatie), maar naar de buitenwereld toe stelt hij zich op als een querulant, een zuiger, een ruziezoeker, ik neem aan uit commerciële overwegingen. Maar verdomd, ineens schreef hij iets waaronder ik hartjes en duimpjes aanklikte. Dat was dit. Ik ben het zo vreselijk grondig met hem eens. Ik maakte het zelf afgelopen weekend weer eens mee. We zaten met alle Bakkertjes (en dat zijn er inmiddels best veel en lang niet iedereen heet Bakker) in een enorme huifkar. Zó groot was die huifkar, dat hij door een trekker getrokken werd en niet door een paard. We kregen het over de panda’s. Ik vind dat leuk, die twee panda’s.

Nou, de huifkar was te klein. ‘Wat kost dat allemaal wel niet?!’ ‘Wat een ophef, wat een gekte, en waarvoor?!’ Mijn weerwoord is altijd heel simpel: ‘Eet je er zelf een snee brood minder om?’ Nee, dat niet natuurlijk, maar kan dat geld niet besteed worden aan iets beters? De zorg, of minder belastingen of betere wegen? Punt is dat niemand precies weet wie die panda’s betaalt, en ja, het zal wat gekost hebben, dat begreep ik wel uit een documentaire die ik er zondagavond over zag. Alleen al de bouw van het pandaverblijf, de 35 Chinese werklui die er wekenlang aan werkten, en de panda’s kosten per jaar 1 miljoen euro. Ik neem aan dat de overheid, naast jarenlange diplomatie, ook wel iets bijgedragen heeft. In elk geval gaat de entreeprijs van Ouwehands Dierenpark omhoog. Ik heb het gecheckt: met 0,50 cent. Ze verwachten 10.000 bezoekers per dag, dat betekent in een jaar grofweg 3,5 miljoen mensen, x 0,50 = 1.750.000 euro. Maar zelfs zonder dat geld: worden wij er armer van?

En daar wordt Jamals punt duidelijk. Niemand in de huifkar – die overigens over Wieringen reed en een gids had met een microfoon en de gids deed niets liever dan verhalen over zichzelf te vertellen, maar daar wond op dat moment zich grappig genoeg dan weer niemand over op – heeft er zelf iets aan, aan Wu Wen en Xing Ya. ‘Maar het is toch leuk?’ zei ik. ‘Panda’s! In Rhenen! Je kunt er zo heen, je hoeft niet urenlang in een vliegtuig te zitten!’ Nee. Vrijwel niemand vond het leuk. Bijna niemand vindt tegenwoordig meer iets leuk. Iedereen wil protesteren tegen alles, de gaskraan moet dicht, maar als er dan een windmolen op de dijk achter het huis komt, mag dat ook niet. Dat gaat niet, het is of het één of het ander. Iedereen is boos, iedereen heeft recht op van alles. Het stuk van Jamal viel ongeveer samen met dit stuk van Dieuwertje Kuijpers. Heeft er ook van alles mee van doen. Zulke stukken vind ik fijn, ook dat van Jamal, ik kan zoiets nooit onder woorden brengen, terwijl ik wel aan mijn water voel dat er iets misgaat.

Tot slot, en ook hiermee samenhangend: ik vind dat Donald Trump verboden moet worden te twitteren. Dat mag niet, dat kan niet, dat ondermijnt alles. Wat je ook van hem vindt, hij is de president van de Verenigde Staten, hij is niet een mannetje dat je kent van Twitter. Zijn werk is niet hetzelfde als dat van de slager op de hoek of de weervrouw van RTL4. Zijn werk is, jazeker, belangrijker. Maar dat schijnt hij zelf ook niet te begrijpen en daarom twittert hij zichzelf gelijkwaardig aan iedereen die zijn tweets maar lezen wil.

Later, tijdens de nabespreking van het 60-jarig huwelijksfeest, vond trouwens iedereen dat de gids in de huifkar zijn werk niet goed gedaan had. Niets bijvoorbeeld vertelde hij over het spoortracé dat altijd nog duidelijk te zien is in het Wieringer landschap. Maar nooit heeft er een trein over de Afsluitdijk gereden.

Einwanderer (Trouw, 8 april)

Ik kwam op zondag aan en fietste maandag naar Schönecken, want er was nauwelijks iets in huis. Bleek de Edeka te worden verbouwd. Een typisch norse Eifeler die iets met elektriciteit aan het doen was, keek me onbegrijpend aan. Tja, zei ik, nu ben ik op de fiets naar hier gekomen om boodschappen te doen. Wat nu? Hij bleef me aankijken, met een blik alsof ik krankzinnig was. Ik snapte ook wel dat hij er niets aan kon doen, hij deed gewoon zijn werk, maar een klein beetje medeleven zou fijn geweest zijn. Hij begreep het niet. ‘Wat moet ik nu?’ vroeg ik. ‘Fiets maar door naar Prüm,’ zei hij. Van die mensen die nooit op een fiets gezeten hebben, niet beseffen dat je op een stadsfiets niet zomaar naar Prüm fietsen kan, nog eens twaalf kilometer verderop, met minstens 800 hoogtemeters, omhoog en omlaag ‘Hartelijk dank,’ zei ik. Hufter, dacht ik, met je fijne, snelle auto en een vrouw die inkopen doet en voor je kookt.

Geen auto. Soms is het ineens een groot probleem. Gelukkig is er een bakker in Schönecken. Thuis had ik jam (in overvloed) en sesampasta. Ik slaagde erin met wat er in de vrieskist en de voorraadlade lag en een verse paprika eten te maken voor twee dagen. De derde dag – over een uur of zes – zal ik in Luxemburg zijn voor een lezing. Daar is een restaurant, kan ik gratis eten wat ik wil. Soms is het ontberen van iets prima, kun je des te meer genieten van wat erna komt. Maar eerst is er een cameraploeg, er wordt een documentaire over 70 jaar Rheinland-Pfalz gemaakt. Ik zit dit te tikken terwijl zij buiten op het balkon staan en de cameraman me door de ruit heen filmt. Schrijver aan de arbeid. Wat de geluidsman er te zoeken heeft weet ik niet, het geluid van het tikken zal niet op het balkon te horen zijn. Misschien vinden ze het ronken van voorbij rijdende auto’s boeiend, of de vogeltjes die vrolijk fluiten. Het is echte arbeid, ik hoef niet iets na te spelen. Als ik moet doen alsof, weet ik nooit wat voor kop ik trekken moet. Ik ben een Einwanderer. Ik speel een Einwanderer. Tot nu toe hebben ze een cactus omgestoten en dus kapotgemaakt en de uitbottende bieslook – buiten – geplet met een camerastatief.

Die jam, trouwens, staat inmiddels in een speciaal daarvoor gemaakte buffetkast. Daar ben ik twee dagen mee bezig geweest. Piet Hein Eek, natuurlijk, wat ben ik die man dankbaar. Alles wat ik maak en er een tikje sjofel uitziet, is Piet Hein Eek. Ik vind dat gezellig, zichtbare potten jam. De helft van het buffetkast bestaat uit smalle planken. Dicht bij de grond, daar is het koel, dat heb je met een houtkachel. De andere helft is voor de drankflessen. Ook dat vind ik gezellig, dat je de drankflessen kunt zien staan, vooral ook voor de gasten, die meestal graag drank drinken.

Mededogen

Vanmiddag heb ik de la van de oude kast opengetrokken en alle enveloppen met foto’s eruit gehaald. Nooit heb ik foto’s ingeplakt. Soms staat er iets specifieks op, zoals Portugal 1983 of Iran 2004, maar vaker dingen als foto’s divers, soms met een uitweiding, meestal niet. Ik deed dat niet omdat ik zin had mijn hele leven nog eens in beeld te laten voorbij komen, ik deed dat omdat een Duits tv-programma om foto’s van vroeger had gevraagd en ook om schaatsfoto’s. Na een paar uur was ik helemaal murw en moest ik hard mijn hoofd schudden. Maar ook had ik een nieuwe mate van mededogen met mijzelf en met mijn leven gekregen. Onlangs schreef iemand hier in een reactie dat hij vermoedde dat ik vroeger ‘bloedmooi’ was geweest en dat hij het erg jammer vond dat hij zomaar aan me voorbij was gelopen. Het klopt. Ik was vroeger bloedmooi. Dat had ik nooit eerder gezien. Vroeger zijn er ook veel foto’s gemaakt van mij in zwem- dan wel onderbroek, of in sportbroekjes aan het schilderen op een ladder. (Door andere mensen dus, vroeger was er nog geen iPhone, bestond een selfie uit de camera opstellen en rennen maar. Blijkbaar vonden ze dat leuk, mij fotograferen met zo weinig mogelijk kleren aan.) Verveloze huizen, hoogzomer, bruine rug. Jong, hoopvol zonder gerichte hoop, verlegen ook, nooit zou ik toen van mezelf gezegd hebben dat ik bloedmooi was. Nu wel, en ik schrijf er niet eens bij: ‘Al zeg ik het zelf’.

Het idiote aan die foto’s is dat ik die jongen erop wel herken, maar ook weer helemaal niet. Heel, heel zelden kwam er een werkelijk herinnerd beeld omhoog, een gevoel, een ‘aha’. Het zijn foto’s. Toen was ik daar, toen daar en toen weer daar en inmiddels zijn we vier jaar verder in de tijd of juist zeven jaar terug, want ik plakte niet alleen nooit foto’s in, alle enveloppen liggen door elkaar, niets is chronologisch. Als ik al iets zie aan die veranderende kop van me, het veranderende lijf, is het iemand die maar wat doet, die zomaar ergens zit, die waarschijnlijk zijn best wel doet, maar die niet weet waarvoor dan wel. Vandaar dat mededogen, na die uren van fotokijken. Neef Casper kwam thuis, ik liet hem zo af en toe foto’s zien waarop hij zelf stond, een half jaar oud, vier jaar oud, of een foto van zijn vader met een permanentje, een vreemd meisje naast hem. Die foto hield hij heel lang vast, hij keek er een beetje vreemd bij. ‘Hoe kan dat?’ vroeg hij. ‘Tja,’ zei ik. ‘Maar dit is hem toch?’ Ja, dat was hem toch.

Mijn vader, mijn moeder, jonger dan ik, dezelfde leeftijd als ik en ook met hen heb ik mededogen. Opa Bakker, op bijna elke foto die ik van hem heb met iets in zijn mond. Als het even kon, at hij iets. Oma Bakker met haar streng opgeheven vinger, ik daarnaast, aan een touw, een jaar of twee oud. Ik heb eigenlijk al dagenlang last van mededogen. Overal. Op straat voor andere fietsers, in het theater voor de actrices, zelfs voor de hond Eppi die afgelopen zondag ruwhaarteckel Jet vreselijk te pakken nam. De ogen van die hond, het onbegrip en het onvermogen, terwijl zijn baas vol op hem lag en hem stomp na stomp op zijn snuit toediende. Dat is mooi, en goed, mededogen met anderen, maar het is geloof ik het allerbeste als je mededogen met jezelf kunt hebben.

De foto is een uitsnede van een foto die Joke Oosterbaan maakte, in Schagen. Ik zal daar een jaar of 19 zijn. 1981.