NL dagboek in Dld

Problemen bij Suhrkamp in Berlijn. Problemen voor mij vooral ook. Lang nadat Andreas Ecke Jasper und sein Knecht vertaald had, stond iemand op de Duitse uitgeverij er eens goed bij stil. Wacht eens even, mag je in Duitsland eigenlijk wel… Nee, dat mag je niet. Je mag over niemand schrijven zonder toestemming. ‘Ach, even een belletje of een mailtje,’ zei iemand. Er staan ontstellend veel namen in het boek! Zo gaat dat met dagboeken, je schrijft over alles en iedereen. Bovendien: weet ik veel wat het telefoonnummer of emailadres van Margreet van der Voet is? Want: zelfs de Nederlandse namen zouden veranderd moeten worden. Toestemming of naamswijziging. Morgen overleg met Eva Cossee, die de buitenlandse rechten van het boek doet. Het moet half september uitkomen, dat is over tweeënhalve maand. Maar: namen van Nederlandse schrijvers? Die kan ik niet veranderen, die zijn onlosmakelijk verbonden aan de boeken die ze schrijven, of aan wat ik over ze schrijf, al dan niet bekend of vertaald in Duitsland of het Duits.

Er zijn al heel wat stukken – vanwege té Nederlands – verdwenen uit het boek, en dan ging het vooral om de columns die ik voor de website van de De Groene schreef. Daar kan ik me wel in vinden, dat vond ik niet erg. Hoewel ik het ook niet erg gevonden had als ze er in gebleven waren. Ik lees ook weleens over een Duitser die ik niet ken, die me niets zegt, maar het gaat om hoe en wat er over die Duitser geschreven wordt, en als het geschrevene boeiend genoeg is, maakt het mij helemaal niet uit dat ik die Duitser niet ken, want na over hem – of haar natuurlijk – gelezen te hebben, ken ik hem immers wel. Daarnaast waren er nog zo een aantal ‘dingetjes’, meldde de Duitse redactrice. Bijna denk ik: blijft er nog wel iets van over? En: wordt het zo niet steeds meer een roman? Met fictieve namen, geredigeerd, een tikje gladgestreken misschien wel?

Ik meen zelfs te weten dat ‘Genehmigung‘ betekent dat er een ondertekend formulier aangeleverd dient te worden. Ik zie buurman Max en buurvrouw Margret al over zo’n formulier gebogen zitten, of Peter und Maria, of Ernst Görgen, Tierarzt Kuntze. Terwijl ik die namen hier zonder enig probleem op kan tikken. Wacht eens, Tierarzt Kuntze, over hem staat wel – weliswaar opgetekend uit de mond van Anton Dautzenberg – dat hij een ‘knollige Nase‘ heeft. Dat kan weleens tot een rechtszaak leiden, ja.

 

Buurman Fred

Ochtend. Buurman Klaus roept. Hij heeft een sleutel in zijn hand en vraagt me naar het huis van buurvrouw Weiers te gaan, want daar zijn kijkers. Nederlanders. Klaus zelf moet dringend weg en de Maklerin is te laat. Ik loop erheen en tref drie mensen aan, de deur staat open. Rotterdammers. Ik ga met ze het huis in, maar al snel komt de Vlaamse makelaar (v) aan. Daarna laat ik het, maar ik zeg wel dat ze van harte op de koffie uitgenodigd zijn na de bezichtiging. Dat doen ze.

Fred, zijn ex-vrouw en zijn jongste zoon. De namen van de ex-vrouw en de jongste zoon ben ik vergeten. Dat geeft niet want het huis is bedoeld voor Fred. Een potig ventje met een bril, hij draagt een strak hemd. Ik schat hem een jaar of 65. Ze praten alle drie sappig Rotterdams en het gesprek gaat over oom Henk waar ‘iets mee is gebeurd’, garageboxen en het oorverdovende lawaai in Rotterdam. Fred was vooral erg gecharmeerd van de schuur, daar zag hij zijn ‘werkplaats’ al voor zich, en in een hoek stond al zijn Harley-Davidson. Hij bleef hardnekkig ‘u’ tegen me zeggen. Hij zit boordevol vragen en ze willen erg graag ook even de tuin zien. Zelfs achter het huis, waar ik bezig ben de boel te fatsoeneren, gaan zijn gedachten alle kanten op, nu over de achterkant van wat zijn huis moet worden. Hij zou het ook kunnen afvlakken, flink wat bomen weg. Fred en zoon zijn kettingrokers. Ze willen alle drie suiker en melk in de koffie. Fred is aardig, misschien was hij havenarbeider, dat heb ik niet gevraagd. Ze hadden meteen gehoord dat ik uit Amsterdam kwam. ‘Nou, Amsterdam,’ zeg ik, en daar laat ik het bij. De ex-vrouw wil naar de wc, of dat mag? Natuurlijk mag dat. ‘Dat is een fijne badkamer, zeg!’ roept ze als ze weer naar buiten komt. Dan is het tijd te vertrekken. Fred heeft heel wat te overdenken op de terugweg, zegt zijn jongste zoon.

Later zei ik tegen buurman Klaus dat ik bíjna mijn hoed op zou eten als Fred het huis niet koopt. Bíjna, maar niet helemaal, want de verkoop van het huis van buurvrouw Weiers is al vaker afgeketst. Fred. Ik zag hem wel zitten als buurman. Hij had zin in alles. In vogelgekwetter in de ochtend, in het opknappen van de oude gebinten, de heg voor het huis had hij al voor de helft weggedacht en voor de lekke schoorstenen had hij ook al een oplossing. Buurman Fred. Voor een volgend Privédomein-deel. Een enorm voordeel: ik hoef zijn Duitse uitspraken niet op correctheid te laten controleren.

Op de afbeelding overigens Jasper die in een veel te kleine kartonnen doos gekropen is. Dat was de eerste dag hier in de Eifel. Hij was blijkbaar zo geschrokken wat hem allemaal overkwam, dat hij dacht: die doos daar, daar moet ik in, dan kan niemand me wat maken.

kultuurlandschap IV

Gisteren bezochten vriend Henk, hondje Bas en ik Pauline Slot, Pieter de Rijk en hondje Saar. Thee, rabarbercrumble. Ik had tegen Henk gezegd dat ik al wist hoe we terug zouden rijden: langs Weiβenseifen, daar waar al die kunsthippies zitten. Toen Pauline en Pieter dat hoorden, wilden ze ook mee. Het was zondag en het was er tamelijk druk. Het is de enige dag waarop het Waldcafé open is. Er was een tentoonstelling, houtsnedes van Joachim Mennicken. Een struise mevrouw in een pak had toezicht. Buiten stonden kunstwerken van hout, die had zij gemaakt. Er hing een tamelijk grote meerkleuren houtsnede met als titel Kulturlanschaft IV. Ik liep er een paar keer langs, luisterde niet naar wat de anderen bespraken of zeiden. Dan weet ik al hoe laat het is: Bakker gaat kunst kopen. Vooral de horizon van de houtsnede vond ik mooi, of beter: wat er áchter die horizon zou kunnen zijn. Een kluitje gebouwen in de verte. In de schrijfkamer zouden uitsluitend schuren komen te hangen. Inmiddels hangen er ook drie vogels. Het was dus hoog tijd om het originele idee in ere te herstellen, en ik zag in de gebouwen schuren (zie afbeelding). Ik mocht van de struise mevrouw zelf een rood stickertje op het Schildchen plakken. 50 euro aanbetalen en na 17 juli op te halen of eventueel langs laten brengen.

Later, we moesten een stuk terug lopen naar de auto’s, geeuwde ik overdreven. ‘O jee,’ zei ik, ‘deze kunstaankoop is me niet in de koude kleren gaan zitten.’ Kunst kopen blijft iets geweldigs, het gevoel dat je ervan krijgt. Wat heb ik gedaan? denk je. Ik word er altijd zenuwachtig van, als de koop al gesloten is. Niet vervelend zenuwachtig, misschien is opgewonden een beter woord. Vandaar dat gapen. Gapen als Shani Davis voor een 1000 meter. Gapen om de spanning te verdrijven. Later op de avond, België speelde tegen Hongarije, de glazen gin-tonic met komkommer op tafel, vroeg Henk of ik nog steeds tevreden was met mijn aankoop. ‘Welke aankoop?’ zei ik.

Quercus frainetto

Vandaag wordt het 32 graden. De zon schijnt. Het is hier vreselijk weer geweest, steeds maar regen en regen, de leemgrond in de tuin is vet en taai, geen land mee te bezeilen. Koud was het ook, vooral ’s nachts. Maar nu dus warm. En meteen begint het huis te zweten. Dat vind ik wel iets hebben. In Amsterdam merk je er niets van, het verschil tussen vorst en 25 graden. Hier wel: het huis reageert op allerlei weersgesteldheden. Zelfs het betonnen plafond van de Hauswirtschaftsraum is vochtig. Net zoals vroeger het betonnen trapje naar het melklokaal vochtig werd met broeierig weer. Meestal betekende een vochtig trapje regen.

Gisteren ben ik erg dronken geraakt. Dat schijnt vaker voor te komen tijdens Duitse begrafenissen. Toen ik om half elf ’s avonds thuiskwam, zag ik de eerste vuurvlieg van dit seizoen door de voortuin zweven. Ik herinnerde me dat ik tijdens het drinken door een raam keek van Gasthaus Zur Post en dat ik dacht: ik wil hier niet zitten drinken, ik wil nu met Jasper gaan lopen. Buurman Max is het gras dat hij gisteren gemaaid heeft met de hand aan het keren. Door het openstaande raam klinkt een of ander mechanisch tuingereedschap. Zomer. De eerste zomerdag hier. En het is 23 juni. Morgen schijnt het alweer te gaan onweren, zaterdag grijs en regen. Of ik ergens in november of december gastschrijver wilde zijn aan de universiteit in Berlijn? Ik heb de mail drie dagen onbeantwoord gelaten, schreef toen ontkennend terug. Twee weken in een grote stad, nee, daar word ik niet blij van. Een herfststad, ook dat nog. En bovendien, zo zei ik, ben ik van plan in november hier een nieuwe hond te hebben. Dan kun je niet weg.

Straks komen Pauline Slot en Pieter de Rijk langs. Dat is gezellig. Ik zal de lichtgroene tuinstoelen op het verhoogde terras zetten, daar is schaduw van de Hongaarse eik. Lommerrijke schaduw, die voelt heel anders dan een grote parasol boven je kop.

geen bramen meer

In de loop van de zomer, meer naar het einde dan in het midden, hadden Dakdekker Rudi en ik een soort competitie. Waarbij ik de nieuweling, de indringer was. Hij wist al jaren waar je in één klap de meeste en beste bramen kon halen. Ik ontdekte dat een keer toen ik met Jasper over het doodlopende weggetje langs de begraafplaats in Nimshuscheid liep. Het is een kwestie van afwachten, van je tijd kiezen: wanneer zijn de meeste rijp, wanneer sla ik toe. Vorig jaar was ik te laat. Ik was uitgerukt met een plukploeg, Tuinmaat Han en vriendin Syberthe en Jasper. ‘Godsamme,’ zei ik toen we er aankwamen, ‘hier hangt bijna niks meer!’ Uiteindelijk bleek het genoeg voor zes of zeven potten jam. Ik vertelde Rudi en Christa erover. Rudi glimlachte wat voor zich uit. ‘Wat?’ zei ik. Toen bleek dat hij degene was geweest die de bramen voor mijn neus had weggekaapt.

Een onschuldige competitie. Maar wel één die ik dit jaar best weer had willen aangaan. Want we hadden er lol om. Het hoeft en kan niet meer. Rudi hield trouwens het meest van rabarberjam, meen ik te weten. En die kon hij gratis en voor niets bij bossenvol uit mijn tuin halen.

Verder was ik gisteren zó gay, dat ik de arm van Guus Bauer heb afgelikt, terwijl ik hem alleen maar iets op de kaart wilde laten zien. Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos. ’s Avonds toen we Frankrijk – Zwitserland keken had ik uitsluitend oog voor konten, benen en goedgecoiffeerde koppies. ‘Jezus, wat voel ik me gay!’ riep ik. ‘Allemaal de schuld van Coen Peppelenbos!’ riep Guus Bauer, die wat angstig op de bank zat, uit vrees dat ik hem weer zou gaan aflikken, in opdracht van Coen Peppelenbos. ‘Zal ik het allemaal ook maar opschrijven?’ vroeg ik Guus. ‘Ja, natuurlijk, dat is je taak!’ zei Guus. ‘Het moet immers van Coen Peppelenbos!’

Dat Coen het nog heeft over ‘uit de kast komen’ en ‘gay‘ mag hij natuurlijk op geen enkele manier op mij projecteren, alstublieft, dankuwel. Ik ben ik. Coen is Coen. Niets van wat ik ben of wat mij vormt verplicht me om een ‘standpunt’ in te nemen, ‘op de barricades te gaan staan’ of om me te conformeren aan een groep, aan welke groep dan ook. Misschien had Coen de mail die ik hem stuurde, waarin ik meldde dat ik vanwege te veel werk eraan niet mee wilde denken aan zijn lijst van ‘gay literatuur’, nog iets te vers in zijn hoofd toen hij zijn column schreef, en daarom dacht: ik ga zijn (mijn) naam erin zetten! Nee Coen, zo gaat dat niet.

 

voetbal

Dinsdag. Regen. Morgen ook regen. Elke dag regen. ’s Nachts is het 8 of 9 graden. De (wilde) katten in de buurt gaan in die nachten tekeer, zo nu en dan haalt een vos uit. Ik maak elke ochtend de kachel aan, de vier kuub hout die Herr Arnoldy bracht zijn al bijna geslonken naar twee. Elke dag loop ik over de brug naar Nimshuscheidermühle, elke dag denk ik dat de laatste dag zal zijn. Maar dakdekker Rudi is taai. Hij ligt in een bed in de woonkamer, soms op zijn rug, soms op zijn zij. Hij slaapt met open mond. Zijn gezicht is grauw, gelig, maar zijn ogen gaan af en toe open, zijn hand gaat omhoog. Het is of hij een jongen van twintig is geworden. Op de tv bij zijn voeten is voetbal te zien en te horen. Ik vertelde Christa dat ik – mocht ik er ooit zo bij komen te liggen – eindeloos voetbalwedstrijden zou willen zien waarbij Hugo Walker het commentaar levert. Heracles – NEC, 1-1. En dat dan alles goed zou zijn, goed zou komen vooral. Zo zijn de EK-wedstrijden misschien nu ook voor Rudi; een vertrouwd achtergrondgeluid, samen met alle andere geluiden in huis die gewoon doorgaan: de stemmen van de zonen in de Kneipe, het geluid van pannen in de keuken, het openwippen van een flesje bier, de zachte plof- en handenstrijkgeluiden wanneer Christa de droge handdoeken opvouwt.

Ik vind dat er iets te veel wezens uit het boek dat net uit is doodgaan, hoewel daar tegenover staat dat buurvrouw Weiers onverdroten verder leeft, een kilometer of acht verderop. En weer eens merk ik het egoïstische van de omstanders, ik merk het aan mezelf: ik lig niet op sterven, ik kan struiken planten, de kachel aanmaken om het warm te krijgen, voetbal kijken en luidop commentaar leveren, ondanks mezelf diep de frisse lentelucht inademen als ik terugloop over de brug. Of is dat leven? Geen egoïsme, maar domweg leven? En er dan ook nog over schrijven, hier. Gisteravond – ik ging net weg – kwam de vrouw die Christa helpt Rudi voor de nacht klaar te maken. Ze dook op hem. Rudi deed zijn ogen open, het gezicht van de vrouw was heel dichtbij en hij begon stralend te kijken. Toen werd hij van een 20-jarige ineens nog veel jonger. Dat iemand dat kan, dat iemand die doodgaat, zo belangeloos en argeloos blij kan zijn. Het tekende voor mij maar weer eens wat een enorme lieverd die man is.

Nieuw

Alles wat nieuw is, is niet leuk. Ik wil het liefst altijd alles bij het oude houden. Maar de server van de oude website is niet langer beschikbaar. Als het goed is – met hulp van trouwe webmeester Richard de Waard – komt hier later alsnog het archief van gerbrandsdingetje.nl onder te hangen. Als het niet goed is, niet. Misschien moet ik dat dan zien als een fysieke verhuizing: een ideaal moment om dingen weg te gooien, vers en fris te beginnen. Als afbeelding heb ik nu – dat kan iedereen zien – mijzelf in mijn blote kont gezet. In een Deense zee. Ik hoor het wel als mensen zich daaraan storen. Er is van alles te schrijven, veel te veel, ik heb met Richard vele e-mails gewisseld, dat ik zin had een ei kwijt te raken en hij wees me op het gemak voor zo’n wordpress-weblog. Nu eerst dit maar, eens zien of ik er een afbeelding bij kan plakken. Zonder afbeelding vind ik het maar niks, dan hoeft het van mij niet, dat is iets té nieuw, té anders.