een zwart plaatje

Rondom de Chapelle Ste-Croix in Esch-sur-Sûre ligt een oud kerkhof. Er staat een oeroude lindeboom en in het kerkje, dat op slot was, hangt Jezus levensgroot tussen de twee anderen die ooit samen met hem gekruisigd zouden zijn. Het ligt hoog, boven het dorp, het uitzicht is prachtig. Ik dwaal graag over begraafplaatsen, dat is altijd al zo geweest. Ik lees en reken, steeds maar weer reken ik leeftijden uit en via de grafopschriften probeer ik uit te maken hoe iemand geweest is, wat mogelijk de doodsoorzaak was. Zelden maak ik foto’s. Tot ik de bovenstaande steen zag. Ik keek er heel lang naar.

Het kán zijn dat Anne Esch, geboren Decker, nog leeft. Dat zou betekenen dat ze nu zo’n 112 jaar oud en al 44 jaar weduwe is. Maar waarom dan dat zwarte plaatje? Dit is een boek, als ik een ander soort schrijver was geweest, zou dit een boek kunnen zijn. Ik heb niet de tijd genomen de godganse begraafplaats af te lopen om te zien of Anne ergens anders ligt, mogelijk is hertrouwd en dus niet meer bij die dode man wilde liggen. Ze lag in ieder geval niet in de onmiddellijke omgeving, dat zou in dat geval ook niet erg kies geweest zijn. Dat zwarte plaatje, geen enkel opschrift. Twee namen, drie datums.

een beetje ontheemd

Ik ben een nacht in Amsterdam, maar het enige waar ik mee bezig ben is de boel bij elkaar houden. Vorige week nog was ik op vakantie, soort van vakantie, naar Luxemburg en Verdun en in één ruk door ben ik doorgereisd naar Zeeland, met twee tassen vol met spullen. In de boerderij in de Oranjepolder zijn spullen, hier in Amsterdam zijn spullen en in de Eifel zijn nog meer spullen. Raar was het niet dat ik gisterochtend in de trein zat en tot de ontdekking kwam dat ik de sleutels van het Amsterdamse huis vergeten was. Ik weet niet meer wat waar is, wat ik straks – weer naar Zeeland – mee moet nemen of niet.

Het was een medisch dagje gisteren. De tandarts vulde een kies opnieuw; de enorme vulling beet ik er op een cornetto uit tijdens mijn revalidatie in Wieringerwaard. ‘Dit is eigenlijk een kroon, Gerbrand,’ zei hij. Dat snapte ik ook wel, maar een kroon is veel werk, met meerdere afspraken. De tandarts was erg tevreden met Jasper en zijn knecht. Hij zei: ‘Dit lezen mensen over honderd jaar nog.’ Hij was zich van zijn eigen (on)sterfelijkheid bewust geworden. Daarna controle in het OLVG. Zoals ik al verwachtte, duurde het gesprek met de chirurg die me zes weken geleden opereerde niet lang. Ik herkende hem niet. Nu weet ik wat hij precies gedaan heeft, en dat was toch weer ietsje anders dan ik dacht, er was in elk geval ook nog enig ‘inwendig naaiwerk’ aan te pas gekomen. En hij vertelde me dat het op het nippertje was geweest, dat een darm binnen enkele uren zwart kan worden en afsterven. ‘Hartelijk bedankt,’ zei ik dus tegen hem. Hij was erg tevreden over de wond, litteken inmiddels. Geen verdere afspraken. ‘Als er iets is, dan weet je ons te vinden,’ zei hij.

Eigenlijk had ik daarna ook nog bloed moeten laten prikken, maar dat doe ik zo nog even, voordat ik weer de lange reis naar station Arnemuiden onderneem. Juni. Het blijft magisch, het levend worden van een boek, zeker op de plek waar dat gaat gebeuren: een 70 meter lange monumentale schuur aan de Veerseweg, ooit eigendom van koningin Juliana. Ik slaap er bij de oom en tante van de regisseuse, in een bedstee. Elke dag komt er een cateraar om ons van warm eten (geen wijn, maar ik ken de geheime koelkast in het toiletgebouw van de minicamping) te voorzien. Mijn rol is nog onduidelijk. Levend of op film en band. Die film en geluidsband zijn afgelopen maandag opgenomen (zie afbeelding), gisteravond hebben ze een doorloop gedaan met die opnames, eergisteravond zat en lag ik anderhalf uur te midden van de spelers en het licht en het geluid. Dat was best uit te houden.

dubbelgestreepte zandpad en andere dieren

Pagina 121 van Teletekst was vandaag erg boeiend. Er staan twee berichten op. De eerste is dat er op de Maasvlakte een scholekster gespot is die minstens 46 jaar oud is. Stel je dat eens voor: 46 jaar lang alles overleefd, storm en hagel, hitte en strenge vorst, jaar in jaar uit kleine scholekstertjes uitbroeden en grootbrengen, maar vooral ook 46 jaar uit de klauwen van buizerds en andere gemene roofvogels blijven. Ik hoop dat dit vanavond de opening van het NOS Journaal is. Dit is nou eens echt nieuws waar de mensen op zitten te wachten.

Het bericht eronder is van heel andere orde. De gemeente Ede heeft na klachten de homo-ontmoetingsplaats op de Ginkelse Heide langs de A12 gesloten. “Wandelaars klaagden over overlast en voor dieren werd de doorgang naar een ecoduct gehinderd.” Die wandelaars, nou ja, dat zijn burgertrutten die niet weten dat je ook genot kunt putten uit de aanblik van blote mannen die het met elkaar doen, dat is jammer voor ze. Maar overlast kun je zoiets natuurlijk niet noemen; het is iets wat ze niet willen zien. Ik wil ook weleens iets niet zien en dan kijk ik domweg niet. Het tweede punt boeit me meer. Dieren worden gehinderd op hun doortocht naar een ecoduct. Ik weet niet precies hoe de situatie ter plekke is, maar ik kan me niet voorstellen dat een hert of een vos of een rietkip zich een zier aantrekt van die andere dieren die er aan het paren zijn. Ze staan er niet met een schietgeweer, strikken of klemmen en ik kan me ook niet voorstellen dat alle mannen op een rij staan of liggen en zodoende de toegang tot het ecoduct versperren. Als ik een boommarter was en de keuze had me tussen blote mannen te begeven of toch maar overreden te worden op de A12, dan wist ik het wel. Het is de schuld van die dieren zelf! Laat die zich eens een beetje aanpassen en normaal doen en niet zo homofoob! Suffe dieren met hun ecoduct. Waar moeten nu al die getrouwde mannen heen met hun gevoelens en lusten? Er hoeft in Nederland maar een dubbelgestreepte zandpad zich een beetje niet lekker te voelen of gehinderd te worden of alles wordt stopgezet, afgesloten en verboden. Toestanden.

de sleuf

Dag twee van het Grosse Schlitzgraben. Vorige week al werd het graafmachientje afgezet, op het stukje gemeentegrond dat buurman Max altijd met grote zorg maait, waar het bord staat met Wanderwege. Dat was natuurlijk meteen geruïneerd, buurman Max kwam al zijn beklag doen. Iedereen komt de hele tijd kijken en mijn poort is daarbij het verzamelpunt, waar iedereen kalm en bedaard zijn onderarmen op laat leunen. Ik heb er maar een kleed overheen gehangen, dat leunt lekkerder. Er wordt precies tegenover mijn huis gegraven. In de sleuf komt een nieuwe waterleiding voor de mensen in Nimshuscheidermühle. Blijkbaar hadden die tot nu geen goede watervoorziening. De sleuf is aan de andere kant van de weg, maar de waterleiding – de goeie – loopt aan míjn kant van de weg. Dat betekent dat ze gaan ‘schiessen’: van mijn kant, onder de weg door, een Rohr naar de andere kant. Vanochtend vroeg ik de man op het happertje of mijn tuin daarbij gespaard gaat blijven. ‘We doen ons best,’ zei hij. Hij lachte erbij, een tandenloze lach, Eifelaars houden niet zo van de tandarts, Christa denkt er zelfs over haar tanden onder algehele narcose te laten trekken.

Gistermorgen stonden ze een uur lang bij mijn hek, met één of ander meetapparaat, en zo nu en dan stak de chef dat meetapparaat óver het hek heen, mijn tuin in. Ik weet dat hij de chef is omdat hij het meest rookt en het meest aan het woord is. Dan is er een onderknuppel met een blauwe broek, ik heb nog niet door wat die eigenlijk doet, en er is ook nog een of ander joch. Dat verveelt zich stierlijk, ik vermoed dat hij een Praktikant is, die in zijn zomervakantie stage moet lopen. Vandaag lopen ze in regenpakken rond, het regent nogal. Ook maken ze natuurlijk veel lawaai. Maar dat lawaai stoort me niet, het is vooral de vrees voor mijn tuin. En ik vraag me als oprechte Hollander af of ik ze niet af en toe koffie moet brengen. ‘Nichts kein Kaffee!’ zei buurman Klaus gisteren. Oké. Geen koffie. Dan schrijf ik er maar over.

bezoek

Hertenjager Ewald zette zijn groene jeep-achtige auto stil voor de poort. Ik had hem een tijd niet gezien. Hij kwam de tuin in lopen en vroeg wat er met de hond was. ‘Was ist mit deinem Hund?’ zei hij. Ik wees naar de sparrenhaag. ‘Daar staat hij,’ zei ik. Het duurde even voor hij begreep dat ik naar de urn wees. ‘Er ist tot,’ zei hij. Zonder vraagteken. Want hertenjager Ewald had van een Nederlandse jachtvriend zo’n beetje gehoord wat er was gebeurd. Die Nederlandse jachtvriend had Jasper en zijn knecht gelezen. Ik vertelde het hele verhaal, liet hem toen mijn litteken zien en daarna spraken we een tijdje over de voor- en nadelen van narcose of plaatselijke verdoving. Of het boek ook in het Duits zou verschijnen? Jazeker, zei ik. ‘In September.’ Of ik hem zo’n boek kon bezorgen? Jazeker, zei ik. ‘Du bist auch drin,’ zei ik. Dat wist hij natuurlijk ook al. ‘Alleen goeie dingen?’ vroeg hij. Ik dacht een tijdje na. ‘Ja,’ zei ik, hoewel ik voorzie dat als hier een nieuwe hond is, hertenjager Ewald me nooit meer pens en hart komt brengen. Hij vertrok, wilde geen koffie, want hij had net bloed gegeven en dan werd hij duizelig van koffie. In de Prümer Wochenspiegel stond van de week een oproep voor bloed. In de zomer heerst hier in de Eifel een tekort aan bloed, ik denk omdat mensen op vakantie gaan.

Alles komt bij je terug, als een boemerang. Hoe klein het gehucht ook is waar je je verstopt hebt, iedereen kent altijd wel iemand, die op zijn beurt weer iemand kent. Dat is weleens vermoeiend, maar juist daardoor kan het me ook allemaal niks meer schelen. Het is nu eenmaal zo. Hoe dan ook: het is zondag vandaag. Straks komen Pauline Slot en Pieter de Rijk me ophalen. We gaan naar Lambertsberg, daar is een Trödel en Antik Markt. Vorig jaar was dat nogal een succesvol uitje. Misschien wordt het dat dit jaar weer. Ik heb baar geld in de knip. Misschien lopen er wel bekenden rond aan wie ik ook mijn litteken kan laten zien. Dat is kinderachtig, ik weet het, maar blijkbaar is het noodzakelijk voor de verwerking van het een en ander.

Ik schreef afgelopen week een sportcolumn voor de Groene Amsterdammer, die is hier na te lezen. Voor de mensen die in deze twee ijzig sportloze weken daaraan behoefte hebben.

Hooi zul je bedoelen

Er is een boek Boeren. Avonturen op het land. Was een tentoonstelling in het Fotomuseum in Den Haag. Ik heb het, ik weet niet meer hoe ik eraan kom. Ik snap wel dat ik het heb want er staan twee teksten van mij in. Ik kan me niet heugen of daar toestemming voor gevraagd is, en of ik er geld voor gekregen heb. Ik zie in het colofon dat Kees ’t Hart verantwoordelijk is voor de tekstfragmenten. Toen ik net een update aan het installeren was, zag ik het liggen, en pakte het erbij, zulke updates duren altijd langer dan je wilt. Een fragment: “De stier is nog niet weg, zonder het beest zou het hier doods zijn. Hij kost niks: een paar handen hoor, zo nu en dan een paar scheppen krachtvoer, een emmer water.” Een paar handen hoor? Hooi, zullen ze bedoelen, er is iets misgegaan tijdens het overtikken van de tekst. In allerlei voorwoorden en inleidingen wordt iedereen omstandig bedankt. Behalve de schrijvers van wie tekst gebruikt is. En dan ook nog ‘hoor’ schrijven in plaats van ‘hooi’, terwijl dat in het boek Juni prima en correct geschreven staat.

Het is een nogal fout boek. Het zijn boeren en boerinnen die je in Man bijt hond zag of heel vroeger in een programma als Paradijsvogels. Boeren om te lachen en meewarig over te doen. Nostalgie, heimwee, verleden tijd, voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. Fout. Verkeerd. Ophouden daarmee. Het is vast een heel duur boek want het staat dus vol met foto’s, ook kleurenfoto’s. En teksten van Chris Stoop, Franca Treur, Jan van Mersbergen, Geert Mak, Frank Westerman, Hylke Speerstra, Johan Andreas dèr Mouw, Hendrik Marsman. Alleen de dierenfoto’s zijn mooi, prachtig soms, er staat bijvoorbeeld een foto in van een schaap van Hans van der Meer. Maar koeien, paarden of schapen zijn geen boeren die avonturen beleven op het land. Dieren zijn dieren, die zijn altijd hetzelfde, in 1921, 1954 en in 2015. Die hebben geen last van heimwee, nostalgie of voorgoed voorbij. Godnogaantoe, altijd die ouwe, gegroefde boerenkoppen, de boerin die met haar klompen aan een tukje doet bij de geit, de foto die daarvan gemaakt is, heeft als titel “Rust”. En ja hoor: blauwe overalls aan de waslijn, opbollend in de wind (op de afbeelding een detail daaruit, gemaakt door Ed van der Elsken). Nee, nee, nee. Ophouden daarmee, maak eens een fotoboek van jonge boeren op een enorme John Deere of Deutz, moderne boeren die midden in het leven staan, die gewoon hun vak uitoefenen. Dit fotoboek – inclusief de teksten – is een belediging voor alle boeren in Nederland.

waar zijn de vogels?

Gelukkig schreef ik op 30 juni dat ik bijna iets zou opeten als Fred uit Rotterdam het buurhuis niet zou kopen. Daarom hoef ik nu namelijk niets op te eten. Fred uit Rotterdam heeft contact gehad met de oudste zoon van buurvrouw Weiers en deelde hem mee dat ‘de buurman’ gezegd had dat de prijs nog wel iets gedrukt kon worden. Die buurman ben ik natuurlijk en nu gaat de koop niet door en is Willi best pissig op mij. Waarom zegt Fred uit Rotterdam nou zoiets? Wat een lummel.

De rust is weergekeerd in het stille Eifeldorp. Vriend Henk en hondje Bas zijn weer naar Amsterdam en ik ben achtergebleven. Gisteravond dronken buurman Klaus en buurvrouw Monika gin-tonics op het terras voor het keukenraam. Er vielen een paar dikke druppels en we gingen uit elkaar in de hoop dat het ’s nachts los zou barsten, maar dat is helaas niet gebeurd. Ik werd niet wakker van onweer maar van buikpijn en toen sloeg de schrik me flink om het hart, ik begon er zelfs van te zweten en zag al allerlei Bitburgse of Prümer ziekenhuistoestanden voor me. Ik at twee paracetamollen en sliep weer in. Vandaag is het oké. Misschien ben ik gisteren iets te druistig in de weer geweest in de tuin. Misschien had ik niet drie gin-tonics moeten drinken.

Het is hier kurkdroog. Er moet regen komen. Al vind ik het helemaal niet erg de boel te bewateren. Heerlijk is dat, om een uur of half negen in de avond sproeien: de wind is dan helemaal weggevallen, de zon is verdwenen achter het al eerder genoemde huis van buurvrouw Weiers en de vogels laten zich nauwelijks meer horen. Die laten zich sowieso deze tijd van het jaar nauwelijks horen en nooit heb ik begrepen waarom niet en waar ze zich dan ophouden. Doen ze een zomerslaapje? Hebben ze rust na al dat gefluit om een partner en eieren leggen en kleintjes grootbrengen? Wie het weet mag het zeggen.

Ik heb De moeder van Ikabod uit. Dat is jammer. Ik ben begonnen in A Moveable Feast van Hemmingway. Dat is niet jammer.