Hurenpflanze [Trouw, 25 mei]

Een maand geleden reisde ik af naar Baden-Baden. Dat is een nog steeds mondaine stad in Zuidwest-Duitsland waar dames in bontmantels rondlopen en echtparen precies dezelfde Dolce & Gabbana-schoenen dragen tijdens de avondwandeling. In de 19e eeuw was het de zomerhoofdstad van Europa, allerlei rijke en beroemde mensen kwamen er op af, onder andere koningin Victoria. Iwan Toergenjev heeft er een tijd gewoond en vele andere schrijvers verbleven er. Lesenswert, het literatuurprogramma van de SWR, werd er opgenomen. De opnames verliepen naar tevredenheid. Ze vonden tot mijn verbazing buiten plaats, in het park van een groot buitenhuis. Het eerste programma-onderdeel was een wandelingetje van Denis Scheck, de presentator, en mij naar een omgezaagde mammoetboom. Wat of ik daar nou van vond? wilde Scheck weten. ‘Ach,’ zei ik, ‘hier kan ik niet om huilen hoor, ik heb deze boom niet gekend.’ De opnames duurden ongeveer een uur en ze verliepen in de geest van de eerste opmerking die ik maakte.

Afgelopen week werd het programma uitgezonden. Er was me verteld dat ik de hoofdgast zou zijn, en het programma zou een uur duren. Even speelde ik met de gedachte helemaal niet te gaan kijken, dat doe ik wel vaker, maar toen whatsappte ik Christa in Nimshuscheidermühle met de vraag of zij kijken ging. Ik kan die verschillende Duitse zenders niet meer ontvangen sinds mijn schotel scheef gewaaid is tijdens de laatste storm. Ja, Christa ging kijken en ik was van harte welkom. Met een biertje in de hand ging ik zitten in de stoel van haar overleden man dakdekker Rudi. Eerst kwam er een kwartier een gesprek tussen Scheck en een critica waarin ze drie boeken bespraken. ‘Nu is mijn bier al op!’ zei ik tegen Christa. ‘En kan die mevrouw niet eens iets anders gaan doen?’ Christa haalde een tweede Bitburger voor me en toen kwam ik. Er was enorm geknipt in de opnames, maar – zo zei Christa – ik zag er keurig uit in mijn mooie blauwe overhemd en grijze jasje. Alleen mijn hardloopschoenen detoneerden nogal, ik was er vanuit gegaan dat die onder een tafel verstopt zouden zijn. ‘Hahahaha,’ deed Christa toen ik, nadat ik bij de keuze tussen een roos of een orchidee onmiddellijk voor de roos had gekozen, uitlegde dat ik de orchidee een ‘Hurenpflanze’ vind. ‘Nou,’ vond Christa, ‘jij gaat flink wat extra boeken verkopen.’

En toen verscheen er onderin beeld dit: gerbrand bakker. schriftsteller und naturschützer. Wat? dacht ik. Mijn naam klopte (het is heel makkelijk de eerste r in mijn voornaam over het hoofd te zien), en ‘schrijver’, ach ja, waarom niet, maar ‘natuurbeschermer’? Wie had dat nou weer bedacht? Ik in elk geval niet. Tienduizenden mensen konden het lezen en als iets op tv verkondigd is, is het waar. ‘Goh, ik ben een natuurbeschermer,’ zei ik tegen Christa. ‘Wist jij dat?’ Nee, dat wist Christa tot op dat moment ook niet. Het slot was wel weer goed: Denis Scheck raadde mensen aan mijn nieuwe boek te lezen want dan zouden ze leren hoe de dingen werkelijk in elkaar staken. Vervolgens ging hij zelf op een stoel zitten om Die Verwandlung van Kafka te bespreken, want het was Week van de Insecten. Uit onze opnamen was nu juist het hele gesprek over insecten weggeknipt. Tien minuten had het geduurd. Ik slokte het laatste bier naar binnen en vertrok naar huis. Drie dagen later kreeg ik 400 euro op mijn bankrekening gestort, dat was een aangename verrassing want niemand had iets gezegd over een honorarium. Maar goed, als ze mij een nieuwe betrekking in de schoenen schuiven, mag daar ook wel wat tegenover staan.

Deens koffiebroodje

Gisteren was ik voor het eerst van mijn leven bij een Duitse tandarts. Huseman heet hij en hij woont in Schönecken. Ik belde in de ochtend op en kon om 14:00 uur komen. Dat verbaasde me want hij schijnt een tandarts te zijn die rabiaat géén nieuwe klanten wil. Maar: ik was een noodgeval. Zaterdag zat ik gedachteloos met een softgum tussen mijn voortanden te poeren en toen viel één van die voortanden eruit. Op zich niet raar, ik herinner me nog – vreemd hoe zulke dingen werken, welke onbeduidende dingen je je herinnert van vroeger – dat Dennis (de tandarts die van een berg in Nepal viel) zei: ‘Ik zet ze vast met tijdelijk cement.’ Tijdelijk cement houdt het dus ook zo’n 25 jaar uit. De opbouw was heel erg fragiel dus ik wilde die kroon er zo snel mogelijk weer in.

Ik heb een half uur op een knalroze stoel gezeten in een kamertje met nephouten deuren en zoete schilderijtjes van meisjes met lammetjes aan de muur en kastjes met groene deurtjes. Papieren slabbetje al om. In een belendende ruimte werd iets gedaan met een stokoude man die tegelijk met mij was binnengekomen. Ik wist niet wat, wel hoorde ik hem op een bepaald moment luidkeels kokhalzen. Ik dacht dat hij aan het stikken was. ‘Door de neus ademhalen!’ riep de tandarts. Kort daarop kwam Huseman door mijn kamertje lopen – zonder me aan te kijken – met een afdruk van gummi. In het kamertje rechts van me was ook iemand aan het werk, een tandtechnieker neem ik aan. Ja, zulke enorme dingen in je bek, ik snap niet hoe die oude man het voor elkaar gekregen had evengoed door zijn mond te ademen. Nu hij van dat rotding verlost was, hoorde ik hem keihard zijn neus snuiten.

Toen was ik aan de beurt. Ik kreeg een hand, maar Huseman – enorme vent, buikje, nors – zei verder niets. Ik moest mijn mond opendoen en hij begon meteen mijn hele gebit te controleren. Dat ergerde me. Ik heb zelf een tandarts, alstublieft, dankuwel. Daar op dat tafeltje voor me ligt mijn door een tandtechnieker schoongemaakte kroon. Of ik al heel lang niet bij de tandarts geweest was? vroeg Herr Huseman. ‘Twee weken geleden nog!’ zei ik. Tandartsen onderling, dat is vaak een toestand. Hij zuchtte en zette de kroon erin. Ik wilde meteen betalen, kon dat met een Karte? Nee, helaas. Het bleek 40,20 te kosten. Dat had ik precies nog in mijn knip zitten. Ik stapte op de fiets en kocht bij de Nah und Gut Bonefas een Deens koffiebroodje. Daar heb ik, thuisgekomen, eens flink mijn voortanden in gezet.

Kramsvogels [Trouw, 11 mei]

Zondagochtend. Het is of het sneeuwt, maar het zijn de kleine blaadjes van de perenbloesem die, nu het afgelopen nacht weer eens gevroren heeft, besluiten dat het genoeg is geweest. De tulpen, tot gisteren nog fier recht overeind, hangen krom, ook zij buigen het hoofd voor de temperatuur. Twee kramsvogels maken ruzie met een ekster: de kramsvogels nestelen in de tuin of in elk geval vlak in de buurt en die ekster moet weg. Keer op keer maken ze duikvluchten. De gaaien heb ik al even niet gezien, waarschijnlijk zijn die al eerder door de kramsvogels verjaagd. Zondagochtend in de Eifel, alles is ver weg. Op Tzum lees ik een bespreking van Hooiberg, de laatste Koos van Zomeren. Coen Peppelenbos omschrijft zijn stijl als ‘precies’, en zo heb ik het ook benoemd in een brief aan Koos. Ik ben niet van de straat, ik zou zo recensent kunnen worden. Maar dat wil ik niet.

Dat wil ik niet omdat ik, soms met moeite, schrijven en iets vinden van iets gescheiden wil houden. De enige recensenten met wie ik op Facebook bevriend ben zijn Arie Storm en de al eerder genoemde Coen Peppelenbos. Alle anderen houd ik bij me weg. Ik wens geen welwillende bespreking van mijn werk, ik heb geen zin in vriendjespolitiek. Ik zie op Facebook trouwens ook een aanstaand boek van Arie langskomen: Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Dat gaat me wat worden: ‘Dit boek biedt een beeld van de literatuur dat in elk opzicht eerlijk en onthullend is. Het horrortheater van de Nederlandse literatuur is een hartstochtelijk, vaak geestig maar soms ook woedend essay in de vorm van een gloedvolle roman. Scherp, geniaal en scandaleus.’ Het zal een van de laatste dingen zijn die ik zie op Facebook. Alles ergert me mateloos, iedereen ergert me, elke dag hetzelfde, en het komt me voor dat als ik me erger aan anderen, anderen zich vast ook aan mij ergeren.

Ik lees raar momenteel. De ene avond vind ik het lezen van het nieuwe boek van Eva Meijer een saaie bedoening, de avond erop zie ik ineens dat ze mooi schrijft en wil ik verder, wil ik weten waar het allemaal naartoe gaat. Wat kan er dan in de dag die daartussen zat gebeurd zijn? Ik lees veel vrouwen, na Eva komt een oud boek van Saskia de Coster en ergens in mijn Eifelhuis slingert de nieuwe Manon Uphoff rond. Daarvoor ben ik een beetje huiverig omdat ik op Twitter zo veel goeds en jubelends langs zie komen dat het is alsof er iets anders achter zit dan alleen positieve lezersreacties. (Mede gevoed door het feit dat ik het boek ongevraagd thuisgestuurd kreeg door de betreffende uitgever.) Ook dat doen Facebook en Twitter: eens lekker onbekommerd en onbevooroordeeld ergens aan beginnen is er niet meer bij, en ondertussen worden dingen in mij gevoed waarvan ik dacht geen last te hebben. Complottheorieën, bijvoorbeeld.

Ach, het literaire leven. Dit en dat en die en die en zus en zo. Nog iets van de sociale media: als je collega’s volgt, virtueel bevriend bent met schrijvers, heffen alle vijfsterrenrecensies elkaar op: het zijn er zó veel dat je denkt: ‘Allemaal gefeliciteerd met je vijf sterren, maar ik weet niet wat te kiezen en morgen worden er virtuele vissen in verpakt.’ En dan kies je in plaats van Manon Uphoff voor de vierde keer voor Het bureau, en ben je maanden onder de pannen met het lezen van een overleden schrijver die nooit meer roeptoeteren zal.

Ondertussen zijn de geelgorzen neergestreken onder het vogelvoederstation en is de rust weergekeerd. Ze kunnen goed samen met de vinkjes en de ene roodborst.

 

Chinezen [Trouw, 27 april]

Aangezien ik een manuscript klaar en doorgemaild had en niet in een door mij verwacht zwart gat viel, maar juist ongedurig en plezierig gespannen afwacht wat de ontvanger er na lezing van zal vinden, bezocht ik tijdens de paasdagen twee musea. Dag één: het Kröller-Müller Museum. We waren met z’n vijven. Eerst een hoogtepunt: het werk Kijk Uit Attention van Krijn Giezen was eindelijk weer eens open. Tamelijk kort na de openstelling van de steile trap van 300 treden viel er een tiener vanaf en vanaf dat moment is het kunstwerk tien jaar niet toegankelijk geweest. Nu is het af en toe open. We hadden geluk. Het was er rustig, niet iedereen klimt voor de lol 53 meter. En vooral: er was geen buitenlander te bekennen, nou ja vooruit: een enkele Belg.

Daarna verplaatste ons gezelschap zich naar binnen. Vlak nadat ik door een Chinees echtpaar dat uitsluitend oor had voor hun audiotour omver gelopen was, liep ik mijn zwager tegen het lijf. We waren vijf minuten binnen. ‘Ik ga eruit,’ zei hij. ‘Dit hou ik niet vol.’ Met ‘dit’ doelde hij op de Chinezen. Ja, dit gaat misschien wel een nogal foute column worden. Ze worden waarschijnlijk met bussen aangevoerd en moeten dan in een beperkte tijd het museum bekijken. Voor de beeldentuin is geen tijd, vandaar die rust bij Kijk Uit Attention. ‘Ach,’ zei ik toen nog vergoelijkend, ‘ik sluit me er gewoon van af.’ Dat bleek nog eens vijf minuten later niet mogelijk. Ze lopen overal dwars doorheen – als de kleine binnentuin niet afgesloten zou zijn, zouden ze daar net als op De Keukenhof alle tulpen vertrappeld hebben -, kijken je nooit aan en bewegen zich in het algemeen door de ruimte alsof er verder niemand is. Ze gedragen zich alsof zo’n museum er speciaal voor hen neergezet is, en alsof ze alleen hebben te letten op de andere Chinezen die in dezelfde bus zaten. En toen begon ik me ook een tikje op te winden. Die mond en neus bedekkende kapjes, waarom is dat? De lentelucht op de Veluwe zal toch zuiver en fris zijn? Ik voelde me ineens een stinkende kaaskop en zag in al die gezichtsbedekkende kapjes om me heen een uiting van afkeer van mijn lichaamsgeur en aanstellerij. Opvallend genoeg zag ik in de uithoeken van het museum – bij Richard Long en Gilbert & George – geen enkele Chinees. Waarom niet? Draait het voor Chinezen allemaal om de uitgekauwde kunstenaar Vincent van Gogh? Mijn schoonzus vertelde dat ze op een gegeven moment: ‘Ga allemaal eens aan de kant! Ik wil erdoor!’ had geroepen, maar dat niemand dat helaas had verstaan. Eenmaal weer buiten, op witte fietsjes door stuifduinen onderweg naar de parkeerplaats, waren alle Chinezen op slag verdwenen.

Dag twee, in een ander gezelschap, naar het Singer Museum in Laren. In sfeer zeer vergelijkbaar met het Kröller-Müller. Terwijl ik werken van Max Beckmann en Paula Modersohn-Becker aan het bestuderen was, dacht ik steeds: Wat is hier toch aan de hand? Om me heen uitsluitend keurige, chique Larense mensen. Aha! dacht ik toen. Ik sprak een suppoost aan. ‘Er zijn hier helemaal geen Chinezen,’ zei ik. ‘Nee,’ zei hij, ‘Chinezen hebben we hier niet veel.’ Ik keek tevreden om me heen, maar kort erop – buiten inmiddels, rokend, pratend – zei iemand: ‘Zielig, hoor. Zij zijn ook mensen, op vakantie, in een bus die steeds maar verder jakkert, in een cultuur die ze niet begrijpen’ en toen kreeg ik last van medelijden. Vandaar dat dit toch geen anti-Chinezen-column is geworden. Was het mogelijk een paastest voor mijn verdraagzaamheid?

Onzuiverheden [Trouw, 13.4]

Onlangs zag ik in deze krant een paginagrote advertentie met daarop het omslag van Wees onzichtbaar van Murat Isik. Murat zelf stond ook op de foto. ‘Lees de prachtige romans van Murat Isik’, stond er, maar mijn aandacht ging meer uit naar de volgende tekst: ‘De meest bekroonde roman van Nederland.’ O, ja? dacht ik toen en liet het er verder bij zitten. Gelukkig maakte ik er een schermafbeelding van en kan ik nu precies citeren. Het is een leugen, een paginagrote leugen. Als ik aan het tellen sla, kom ik tot vier prijzen, en daarbij moet ‘prijs’ met een korrel zout genomen worden, want sinds wanneer wordt NRC Boek van het Jaar als bekroning gezien? Is NRC dé literatuurgraadmeter? Nee, NRC is een krant, zoals Trouw dat ook is, met als voornaamste verschil dat NRC zichzelf graag groot maakt. En, wacht, nu maak ik te grote sprongen: er staat ‘bekroond’ en ik maak daar automatisch ‘prijs’ van. Misschien gebruikt de uitgever het woord om bij eventuele kritiek – zoals hier, nu – er een andere uitleg aan te geven, waardoor de advertentie geen leugen meer is. Boven is het stil heeft acht prijzen toegekend gekregen, waarvan de meeste in het buitenland. Ik gebruik dat boek omdat ik daarvan wéét dat het zo is. Ik kan me voorstellen dat er andere Nederlandse boeken zijn die eveneens net zo vaak of vaker bekroond zijn dan Wees onzichtbaar. Als ik fout zit, hoor ik het wel van Ambo|Anthos.

Ik ga verder met dingen waar je als argeloze (advertentie)lezer nooit zo bij stil staat. Van die kleine advertentietjes: ‘Nu al vierde druk!’ Goh, denk je dan, dat moet wel een goed boek zijn, als er herdruk op herdruk volgt. Maar: het zegt niets. Een leugen is het niet, misleidend is het wel. Een druk is zo groot als een uitgever hem op laat leggen. Een druk kan bestaan uit driehonderd exemplaren, maar ook uit 50.000 exemplaren. Als we die getallen aanhouden, kunnen vier drukken in totaal 1200 of 200.000 exemplaren omvatten. Dat scheelt nogal. Om bij de bron te blijven: het levert de betreffende schrijver grofweg 2400 euro of 400.000 euro aan royalty’s op. Dat is brood met iets erop of een tweede huis.

Daarnaast is er het vernuftig citeren uit recensies. Een recensent vindt onder andere dit: ‘De auteur heeft overduidelijk krampachtige en opzichtige pogingen gedaan een briljant boek te schrijven, maar helaas is zij voor deze meesterproef dik gezakt.’ De uitgever zit niet bij de pakken neer, troost zijn schrijfster en laat unverfroren ‘Briljant boek’ en ‘Meesterproef’ opnemen in een advertentie om reclame te maken voor het boek, al dan niet met zelfverzonnen uitroeptekens. Tja, het stáát in de bespreking.

Het melden van de verkoop van filmrechten is ook een promotiemiddel. Goh, denk je dan, er wordt een film van gemaakt, dat moet wel een goed boek zijn. Nog even los van de constatering dat van de tien plannen een boek te verfilmen er misschien twee daadwerkelijk plaatsvinden, is het woord ‘verkoop’ misleidend. Hier geen Hollywoodbedragen, hier in Nederland is sprake van een optie op de rechten: een productiemaatschappij claimt de rechten van een boek met als doel dat uitsluitend zij er eventueel een film van kunnen maken. Die bedragen zijn verwaarloosbaar, een jaarlijks bedrag tot de film gemaakt wordt of tot de productiemaatschappij er geen zin meer in heeft. Als de film gemaakt wordt, krijg je als schrijver – al naar gelang de inhoud van het contract – een deel van de productiekosten. Dat levert geen tweede huis op, maar wellicht een jaar lang kaviaar op je brood, maar niet de duurste…

Namenlijst [Trouw, 30.3]

Anja Sicking. Anne-Gine Goemans. Ricus van de Coevering. Anne Eekhout. Gerard van Emmerik. Beitske Bouwman. Nico Dros. Marieke Groen. Anjet Daanje. Hermine de Graaf. Renske Jonkman. Astrid Harrewijn. Co Woudsma. Martin Gijzemijter. Sanneke van Hassel. Jente Jong. Thomas van Aalten. Hans Dekkers. Threes Anna. Inge Bak. Anne Borsboom. Niels Carels. Herman Franke (†). Karin Giphart. Rob Waumans. Ivo Victoria. Miquel Bulnes. Aukelien Weverling. Jannah Loontjes. Jente Posthuma. Roos Verlinden. Jos Versteegen. Ellen Heijmerikx. Fleur Bourgonje. Mariët Meester. Vincent van Meenen. Maarten Inghels. A. Marja (†). Herien Wensink. Renske Hillen. Russell Artus. Louis van Dievel. Ariella Kornmehl. Frank Noë. Rashid Novaire. Max Niematz. Jowi Schmitz. Roos van Rijswijk. Basje Boer. Arthur Umbgrove. Willem van Toorn. Allard Schröder. Pieter Toussaint. Yolanda Entius. Bregje Hofstede. Dola de Jong (†). Adriaan Jaeggi (†). Otto de Kat. Emily Kocken. Marga Kool. Louis Stiller. Doeke Sijens. Lilian Blom. Jan van Loy. Willem Melchior. Dorinde van Oord. Suzanne Peters. Femke Schavemaker. Astrid Panis. Sandra Heerma van Voss. Kristien Dieltens. Hans Veeken. Lieke Kézér. Onno te Rijdt. Walter van den Berg. Aliefka Bijlsma. Cindy Hoetmer (gepensioneerd).

Zeventig namen. [Het waren er 87, maar die pasten niet in de twee kolommen, GB] Als ik tijd en zin zou hebben, zouden het er tweehonderd kunnen zijn. Wat verbindt deze namen? Wie zijn het? Wat doen ze? Er zullen lezers zijn die zo her en der een naam herkennen, en die weten dat het achtentachtig schrijversnamen zijn. Niemand zal alle namen kennen, en toch zitten er schrijvers tussen die prijzen gewonnen hebben, die aan literaire diners gezeten hebben, die beurzen hebben ontvangen van het Letterenfonds, die herdrukken hebben beleefd. Dode schrijvers zitten er ook tussen. Nooit meer een boek. Steeds minder boeken in antiquariaten. Ooit geschreven, gedreven en ambitieus, hoopvol, omring door vrienden en familie die de poging steunden, boekpresentaties met witte wijn en stukjes kaas als kroon op het werk, terwijl de tocht van een boek pas ná de presentatie begint. Boze schrijvers, blije schrijvers, miskende schrijvers, verdrietige schrijvers, cynische schrijvers, schrijvers die zich nu afvragen waarom in godsnaam hun naam hier niet tussen staat, mogelijk te scharen onder miskende schrijvers, schrijvers die er net van kunnen leven, schrijvers die de afgelopen Boekenweek nergens in het land te zien zijn geweest, niet starnakeldronken zijn geworden op het Boekenbal, schrijvers die zich nu afvragen waarom zij wél in deze lijst zijn opgenomen (‘Ik ben toch zeker wel een béétje bekend?’), mogelijk te scharen onder boze schrijvers. (‘En, nog eens iets, waarom staat de naam van die Bakker zelf er niet tussen?!’)

Wat ze eveneens verbindt, is dat ze nooit – zoals dat heet in literaire kringen – zijn doorgebroken, dat ze geen Pfeijffer- of Buwalda- of Wieringastatus hebben verkregen, soms na een tamelijk succesvol debuut, wat ertoe kán leiden dat zoiets wel gebeurt. Maar die status kan niet iedereen bereiken; niet iedereen kan op de hoogste tree van het ereschavot staan want daar is domweg te weinig plek, al bungelen er altijd wel een paar – zich vastgrijpend aan de broekspijpen van de grote drie – in de buurt van de één na laagste en laagste tree van datzelfde ereschavot. Maar ze schrijven allemaal. Ze doen allemaal hun best en ze maken er het beste van. Soms omdat het móet, soms omdat ze beroemd willen worden, sommigen omdat ze gedreven zijn door woede of afgunst of liefde of allerlei andere emoties. De boeken zijn geschreven, ze liggen in de boekhandels, ze zijn te koop. Voor iedereen. Alles kan.

Prijs of geen prijs [Trouw, 16.3]

Ik wil het hebben over De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Dat boek is uitgekomen in januari 2018. Het is dus meer dan een jaar oud. Er zijn er, zeker voor een debuut, enorm veel van verkocht en de recensenten buitelden over elkaar heen in het uitdelen van loftuitingen en sterren en ballen. Het boek heeft van Rijneveld een bekende Nederlander gemaakt, ze is regelmatig tafelmens bij DWDD, en dat doet ze erg goed, blijkbaar veel beter dan Jaap Robben, die ongeveer gelijk met haar eerste optreden daar één keer tafelheer was, maar die we nooit meer terug hebben gezien. Daar wil ik het nu niet over hebben, dat zijn randverschijnselen. Blijkbaar is Rijneveld veel ‘mediagenieker’ dan Robben.

Je zou verwachten dat een boek dat zó goed ontvangen is en zo veel aandacht gekregen heeft wel een literaire prijs zou kunnen winnen, of minstens een hele trits nominaties. Met haar debuut, de dichtbundel Kalfsvlies, won ze de Cees Buddingh’-prijs. Nu is het idiote dat ze afgelopen jaar slechts één nominatie heeft gekregen: het boek stond op de longlist van de Jan Wolkersprijs. De shortlist haalde het niet. Het boek stond niet eens op de longlist van de Bookspot Literatuurprijs, voorheen de ECI Literatuurprijs, voorheen de AKO Literatuurprijs. Het boek heeft geen enkele debutantenprijs gewonnen. (Je zult het zien: net nu ik dit schrijf komt het nieuws door dat de roman op de longlist van de ANV Debutantenprijs staat.) In elk geval staat De avond is ongemak wél op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Er zijn dus nog kansen voor Rijneveld om eventueel een literaire prijs binnen te slepen. De shortlist van de Libris wordt aanstaande maandag bekendgemaakt. Er is dus nog een kans, maar ik vrees dat het de shortlist niet haalt. Ik voorspel niets, ik schrijf ‘vrees’.

Hoe kan dat? Hoe werken jury’s? Wat is hier aan de hand? Hoe kan een groep van gemiddeld vijf mensen zo anders oordelen dan het gros van de recensenten? Ik denk dat ik het weet. Ten eerste denk ik dat er onder recensenten (zelf zullen ze het ten stelligste ontkennen) soms een onbewuste consensus ontstaat, waarmee ik bedoel te zeggen: als de eerste bespreking laaiend enthousiast is, is het soms lastig een volstrekt andere mening erop na te houden. Misschien is er zoiets gebeurd bij het verschijnen van De avond is ongemak. Wat zou betekenen dat de ontvangst van het boek een tikje vertekend is. Zo vind ik het boek – ja, nu komt het er uit – niet goed. Die stortvloed aan beelden en metaforen slaat alles dood, het kan me werkelijk geen zier schelen wat er met de personages gebeurt. ‘Ja, ja,’ is alles wat ik kan denken als ik het lees, ‘kom maar op, kan het nóg akeliger?’ Het kan inderdaad nóg akeliger. En dan ook nog eens dat gereformeerde, alwéér dat gereformeerde.

Het boek roept dus tegenstrijdige gevoelens en oordelen op. En dat is waarschijnlijk wat er gebeurt in een jury, welke jury dan ook. Er zullen er misschien twee zijn die er dezelfde mening als ik op na houden. Dat is genoeg. Eén dwarsligger kan al genoeg zijn. Dan krijg je een strijd. En ik weet uit eigen ondervinding hoe fel en vinnig die strijd kan zijn. De dwarsliggers houden hun poot stijf en als de voorstanders ook hun poot stijf houden, gaat een derde er met het been vandoor. Soms overleeft een boek een eerste strijd, komt het in elk geval nog op een shortlist terecht. De controverse rond dit boek lijkt te groot. We gaan het zien, nog twee nachtjes slapen.