In het kielzog van “The Crown”

 

Nadat ik de aflevering van The Crown had gezien waarin Margaret en Anthony Armstrong-Jones elkaar beter leren kennen en uiteindelijk trouwen, herinnerde ik me een etentje. Afgelopen zomer was dat, op Plas Dinas. Augustus. Wandelmaat Henk en ik waren er op uit gestuurd door Jen, de cheffin van Victoria House B&B in Caernarfon. ‘Go and have dinner there, please. I need to know what it’s like, for my guests’ Oké. Plas betekent ‘plaats’, in de zin van ‘groot huis plus landerijen’. We gingen er per taxi heen, helemaal naast de deur was het niet. Plas Dinas was het buitenverblijf van de Armstrong-Jones’jes. Prinses Margaret bracht er tijdens haar huwelijk met Armstrong-Jones – die vanwege hun eerste kind Earl of Snowdon werd, aangezien een lid van het koninklijk huis niet zonder titel kon zijn – nogal wat weekenden door. Tegen die tijd was Lord Snowdons vader al voor de derde keer getrouwd en op z’n 61e nog vader geworden van Peregrine Armstrong-Jones. Peregrine hangt er ook, in de lounge. Een kereltje met fraaie, blonde krullen. Ik kan me zo voorstellen dat Lord Snowdon er liever niet kwam, vanwege die dertig (30) jaar jongere, ongetwijfeld verwende, halfbroer en bovendien was Plas Dinas de plek waar hij op z’n zestiende polio opliep. Hij lag een half jaar in het ziekenhuis in Liverpool en noch vader noch moeder kwam hem daar opzoeken. Dat moet hem voor het leven getekend hebben.

Mooie plek. Mooie schilderijen. Bekende koppen. Je komt eerst in de lounge, waar je dure gin-tonics drinkt en het eten bestelt. Wij liepen nog een rondje door de tuin, gingen op een bankje zitten met uitzicht op de Menai Strait. Het water fonkelde, er scheen een fijne avondzon. Prinses Margaret had daar ongetwijfeld ook gezeten. Snowdon ligt begraven op het kerkhofje van Llanfaglan, anderhalve kilometer verderop, bijna zichtbaar ook vanaf dat bankje. Het eten viel een beetje tegen, hoewel ze erg hun best deden er een posh gebeuren van te maken. Gelukkig voor mij betaalde Wandelmaat Henk, want hij was jarig. We rapporteerden onze bevindingen, een beetje in veel-geschreeuw-weinig-wol-termen. ‘Oh, well,’ zei Jen. ‘I guess it will have to be The Black Boy Inn then. Nothing wrong with that.’

Op de afbeelding acteur Matthew Goode, die in The Crown de rol van Armstrong-Jones speelt.

Hondje Benni, dood

Ik lees momenteel een – om met de grote Mart Smeets te spreken – knotsgek boek. Geschreven door Tilmann Lahme, een biografie van een complete familie. De Manns. Het begin is al apart: het begint plompverloren in 1922, als Thomas Mann de 50 nadert, en na een paar bladzijden duizelt het je. Wie zijn al die mensen? Iedereen is homo. En als ze niet homo zijn, zijn ze wel lesbisch. En iedereen heeft geld tekort. Ze zijn allemaal stontverwend. Bevalt het niet in Parijs? Ach, dan verhuizen we toch even snel naar Praag of Wenen en Amerika, dat is ook best een leuk land. Iedereen schrijft de vreselijkste dingen over elkaar en dan vooral over zus Monika, die vanwege haar zwaarmoedigheid zo lastig is, zo niet gezellig. Iedereen liegt en bedriegt en iedereen is depressief. Als moeder Katia één van de kinderen schrijft dat ze eens zou moeten gaan nadenken over een baan, reageert de betreffende dochter ontsteld. Jongste zoon Michael vermoordt zijn hondje Billi. Waarom weet niemand en hij kan het zelf ook niet uitleggen. De bladzijde voor die achteloze en daardoor nóg vreselijker mededeling een foto van Michael, plus hond, en het onderschrift De hondenvriend Michael Mann. Het is vooral een ‘knotsgek’ boek vanwege de toon van de biograaf, die wordt geïllustreerd door dat onderschrift. De manier waarop hij bijvoorbeeld de ontvangst van Klaus Manns boeken beschrijft is hilarisch en je zou denken dat elk boek weinig meer is dan pulp. Klaus Mann deed zijn uiterste best elk jaar twee romans uit te brengen. Lahne heeft geen enkel respect voor deze wereldvreemde, losgeslagen, arrogante en door en door verwende familie. Nooit eerder las ik een biografie waarin de schrijver zo losjes, zo onbevangen, zo droogkomisch, zo vernietigend over zijn onderwerp schrijft. Prachtig is het. Ik zit nu in het tijdvak 1937 – 1939. Nog lang niet uit.

Einde mededeling. Non-fictie is fijn. Dat merkte ik ook maar weer aan Motel Songs van Auke Hulst, dat ik hiervoor las. Prima boek. Waar gebeurd. Je hebt er iets aan. Hierna ga ik de nieuwe dichtbundel van Jan Glas lezen, hoewel ik dat wellicht tegelijkertijd moet doen. Ik kreeg de bundel thuisgestuurd door de uitgeverij, met een begeleidende brief die als aanhef ‘Beste recensent’ had. Dat was iets nieuws. Ik weet al dat ik die gedichten prachtig vind, ik was – dagen nadat ik die brief kreeg – op de presentatie en Jan las er een paar voor. Maar daar heb ik hier al over geschreven. Is dit dan een recensie? “De gedichten van Jan Glas zijn prachtig?” Tja, waarom niet eigenlijk.

 

Klaar, dus verstrooiing

Ik raakte vanochtend verzeild in allerlei filmpjes op Youtube over de film Boven is het stil. Eigenlijk was ik op zoek naar een trailer van de nieuwe film van Nanouk Leopold, Cobain. Die is er nog niet, maar rechts krijg je dan allerlei suggesties en daarom begon ik met de trailer van Boven en daarna The making of en daarna nog weer andere dingen. Vijf jaar geleden. Nee, vijfenhalf. Gisteren was de vijfde sterfdag van Jeroen Willems, en gisteren ook kreeg ik een berichtje van zijn biografe, Mieke Koenen. Of we eens konden praten. Ik stuurde haar vast de korte tekst die ik schreef voor het Nederlands Film Festival 2013. Het was de bedoeling dat ik die op de openingsavond zou voorlezen, maar dat is om de één of andere reden niet doorgegaan.

Vreemd, zomaar al weer twee dagen daarmee bezig. Herinneringen; de gedachte zelfs: ‘Zal ik de film weer eens bekijken?’; zien dat ergens onder één van die Boven-filmpjes op Youtube iemand gereageerd heeft: ‘Nederlanders zijn flikkers en pedo’s’ (zie dat nog maar eens bewezen te krijgen, dacht ik); maar vooral ook die prachtige maart van het jaar 2012 (áls het in de film al regent, is dat nepregen), de filmset, het eten, de ezels, Wim Opbrouck; de ongelofelijke hoeveelheid mensen die bezig zijn met het maken van een film, het Auping-bed dat Marc van Uchelen en ik naar binnen moesten dragen zonder enige regie-aanwijzing; Zeeland. Ik kreeg erg veel zin in nog een keer zo’n gebeuren. Het maken van de film De omweg vordert. Langzaam gaat het, zoals gebruikelijk bij het maken van een Nederlandse film, maar het gaat. Zo nu en dan worden we op de hoogte gebracht. Ik doe er verder niets aan, maar dat ene piepkleine rolletje laat ik me niet graag ontnemen. Daarvoor zal ik af moeten reizen naar Wales of mogelijk Ierland, want Ierland heeft fijne belastingregels, zo is me verteld.

Ik begrijp wel waarom ik verzeild raak in het bovenstaande. Rotgrond bestaat niet is klaar. Uitgedraaid en wel, ik ben speciaal vanmiddag in de waterkou naar Schönecken gefietst om printpapier te kopen. De winkel met het ingebouwde postkantoor was dicht. Natuurlijk. Gelukkig lag er bij de Edeka ook printpapier. En klaar, klaar… Met non-fictie is dat erg moeilijk te bepalen, misschien zelfs wel onmogelijk, en toch wist ik eergisteren na het tikken van een laatste, heel korte alinea, dat het rond was. En wat eerst een boekje-voor-naast-de-kassa leek te worden, is uitgegroeid tot een volwaardig boek, wat misschien wel als een soort vervolg op Jasper en zijn knecht gezien kan worden. Maar dan anders natuurlijk. [Op de afbeelding Martijn Lakemeier als Henk]

Zwemmen in duister water

Ik moet steeds denken aan een bericht van afgelopen zaterdag op Teletekst. Over een vrouw van 80 die door haar eigen man van 82 is doodgereden. In het bericht stonden de twee volgende zinnen achter elkaar: Dat gebeurde toen zij aanwijzingen gaf bij het parkeren van de auto. De man zag haar over het hoofd. Na zaterdag niets meer over gehoord. Blijkbaar vind niemand die opeenvolging van zinnen apart, ook de politie niet. Hoe kun je nou iemand die aanwijzingen geeft bij het inparkeren over het hoofd zien? Je volledige aandacht is dan toch bij degene die die aanwijzingen geeft? Zelfs als het gesproken aanwijzingen zijn: wie kan een auto inparkeren – ik neem aan achteruit – uitsluitend op gesproken aanwijzingen? Heeft de man dat gedaan? Met zijn ogen dicht uiterst goed luisteren naar het ‘links!’ of ‘stop!’ van zijn vrouw? Ik vind het een van de bizarste dingen die ik de laatste tijd las.

Er ligt hier sneeuw. Gisteren gevallen. Het was vijf graden en toch bleef de sneeuw liggen. Nog zoiets waar ik niets van begrijp. Het leven zit vol van onbegrijpelijke dingen. Nu is het ook volop boven nul en nog steeds ligt die sneeuw daar. Het roodborstje steekt er mooi tegen af. Het roodborstje, alsof het elk jaar hetzelfde roodborstje is. Wat trouwens best zou kunnen, roodborsten kunnen wel 13 jaar oud worden. Koolmezen en pimpelmezen halen 10 jaar, en ook boomklevers kunnen een jaar of 13 worden. Alle vogels op mijn vogelvoederstation zouden steeds dezelfde kunnen zijn. Dat vind ik een mooi idee. Al merk ik niks van eventuele herkenning of gewenning van hun kant. Nooit zal er eens een koolmees dankbaar op mijn duim komen zitten, nimmer een matkopje tevreden op mijn kop . Wel komen vooral de pimpelmezen regelmatig voor het keukenraam zitten om naar binnen te kijken. Waarom ze dat doen, weet ik niet.

Een Groenlandse haai kan wel 400 jaar oud worden. Dat hebben Deense onderzoekers onlangs met behulp van koolstofdatering ontdekt. Vierhonderd jaar! Het schijnt dat de wijfjes pas vanaf hun 150e geslachtsrijp zijn. Waarschijnlijk halen ze die leeftijden omdat ze in diepe, koude wateren zwemmen. Des te kouder, des te trager de stofwisseling. Zou dat ook voor ons gelden? Dat als we op de noordpool gaan wonen en onze iglootjes niet te warm stoken, we ouder worden dan normaal? Ik denk het niet, ik heb nog nooit ergens gelezen dat Inuit beduidend ouder worden dan, zeg, Nederlanders. Daarom het woord waarschijnlijk, een paar zinnen terug. En nog iets: 400 jaar lang een beetje rondzwemmen in saai, diep water. Het is maar goed dat die dieren niet nadenken kunnen. Correctie: niet nadenken kunnen zoals wij mensen denken.

De Dublin Affaire

Ik vloog naar Dublin in het donker. Boven de Ierse Zee begon het te regenen. Dat kon ik goed zien omdat ik zicht had op de vleugel. Dat was alles: een vleugel, een wolk, lichten die aan en uit gingen en de regen die horizontaal langs die vleugel trok. Een soort niemandsland, niemandslucht; je bent honderd meter boven de grond of je bent tien kilometer boven de grond, je bent vlakbij Dublin of je bent in de buurt van Boston, alles kan. Pas vlak voor de landing brak het vliegtuig door de wolk heen. Ik kwam dus aan in Dublin zonder te weten waar ik was. Ik nam een taxi, er is geen trein naar Dublin. Vanaf het moment dat ik instapte, praatte de taxichauffeur. Eerst was hij nieuwsgierig, maar al snel hoorde ik van de afgelopen twee slechte jaren en zijn bekering tot het katholicisme. Op een bepaald moment keek hij me doordringend aan via de achteruitkijkspiegel. ‘I see a lot of darkness around you,’ zei hij.

Ik liet dat eerst, hij ratelde maar door over Jezus en dat schrijvers toch ook weleens iets lichts of opbeurends konden schrijven en dat er redding was voor iedereen. Toen vroeg ik: ‘This darkness, you don’t mean anything evil, right?’ Weer keek hij me aan in de achteruitkijkspiegel. Nou, dat wist hij nog niet. Ik voelde me inmiddels helemaal zwart en grauw van binnen, probeerde het niet te zwaar te laten worden. ‘I am depressed,’ zei ik, hoewel ik met twee oxazapammetjes in mijn lijf op de achterbank zat. Aha, en daar was Jezus nou voor! Geef jezelf over. Laat hem je leiden. Daar is het licht! Ik wil nooit tegen zulke mensen in gaan. Ik kan het wel en ik durf het ook, maar ik wil het niet. Wel hoopte ik dat de auto’s voor ons eens een beetje doorreden. Ik zat opgesloten, hij had me in zijn greep. Eigenlijk was het een smerige rotstreek. Wist zijn chef van deze zendingsactiviteiten? ‘A lot of darkness,’ zei hij nog maar eens.

Gelukkig zei de beroemde Noord-Ierse dichter de volgende dag na de beraadslagingen dat hij erg blij was met mijn refreshing and honest opinions. Ik dankte hem daarvoor, hoewel ik inmiddels wel weet dat zo’n uitspraak eigenlijk betekent dat hij vond dat ik weinig had bijgedragen, dat mijn meningen gebaseerd zijn op intuïtie en andere moeilijk te achterhalen overwegingen en niet op helder geformuleerde intellectuele motieven. We waren tamelijk snel klaar, ik had tijd om naar het Museum of Natural History te gaan. Dat klinkt grand, maar het is gewoon een hal van twee verdiepingen vol opgezette dode dieren. Ik nam een foto van een zee-otter en plaatste die op Instagram. Stuffed Sea Otter and some of his friends schreef ik erbij. Het leverde me 28 likes op. Ik voelde me volkomen verloren in de Ierse hoofdstad, en dat ging pas over na het nuttigen van de nodige drank tijdens de feestelijke avondmaaltijd. Iedereen was in een opperbeste stemming, er was een belangrijke taak volbracht. Ik dronk vier glazen port bij het kaasplankje. Daarna ging ik naar bed en pakte The Sparsholt Affair erbij. Ik pakte de draad op – ik was halverwege het tweede deel – en vond nog sterker dan de dagen ervoor dat Alan Hollinghurst een ongelofelijk weeë en overschatte schrijver is. Wat een tuthola is die vent. Ik probeerde te achterhalen hoe hij daarmee wegkomt. Waarbij ik me schuldig voelde. Wie dacht ik, met mijn zwarte ziel, wel niet dat ik was om aan zo’n groot schrijver te twijfelen?

De volgende ochtend vroeg vloog ik terug. Blauwe luchten, prachtig uitzicht, al miste ik Mount Snowdon. Maar misschien vliegt Ryanair een andere route dan Aer Lingus. Of ik zat aan de verkeerde kant van het gangpad. Dat kan ook.

het waaide er

Onderweg van Heerenveen in bus 324 naar Groningen kwam ik door Drachten. In die ene zin zitten de twee in mijn ogen naargeestigste plaatsen van Friesland. Zeker op een druilerige dag, gisteren was het. Regen, grauw. Maar Drachten heeft dan wel weer één van de mooiste busstations van heel Friesland. Kort daarop zat ik in een mudvolle kroeg in de Groninger binnenstad. Er was een dichtbundelpresentatie. De bundel heet Het waaide er. Prachtige titel, ongeveer van hetzelfde kaliber als mijn fictieve bundel Het was nacht en er waren matrassen. Ik vond nog een plek aan het biljart. Naast me zat een vrouw die het na een kwartiertje aandurfde. Ze boog opzij en fluisterde tegen me: ‘Jij lijkt zo vreselijk op Gerbrand Bakker.’ Ik moest een beetje lachen en door dat lachen kon ik niet meer zeggen dat Gerbrand Bakker mijn broer is, maar ik wist ook niet meer wat ik dan wél kon zeggen. Ik wees op Jan Glas, de dichter, want om hem ging het. Het was er razend gezellig, bier om vier uur ’s middags en bitterballen en ik heb heel veel gezoend, vooral met mannen.

Vervolgens moest ik snel naar de trein, richting Leeuwarden. Toen ik het witte huis op de hoek, schuin tegenover het station daar, in het zicht kreeg, raakte ik gespannen. Het eerste wat ik door de ramen – nooit de gordijnen dicht – zag, was een man languit op de bank. Dat klopte niet. Hier hoort een wat gezette vrouw in het zwart te wonen. Een halve meter verder kreeg ik de salontafel in beeld. Ja! De fles ketchup stond er! Al een jaar of vijftien staat er in dat witte huis op de hoek, schuin tegenover het station, een fles ketchup op tafel. Zo’n lange, slanke plastic fles, ik weet het merk niet omdat ik zelf nooit ketchup eet. En gelukkig zat op een stoel tegenover de bank met de man de vrouw in het zwart. Alles was goed. Alles was zoals het hoorde. Nou ja, behalve die man dan. Was die nieuw? Heeft de vrouw ‘het geluk gevonden’? Of heb ik hem de afgelopen vijftien jaar domweg niet gezien?

’s Avonds keken we The Sacrifice van Tarkovski. Daar had mijn gastvrouw nou echt zin in. Ik ook wel. Er zitten veel minder gierzwaluwen in dan ik me herinnerde. Hij duurde bijna tweeënhalf uur. We namen twee pauzes om te roken. Ik geloof dat ik er iets meer van begreep dan dertig jaar geleden. Iets. De film heet eigenlijk Offret, want het is een Zweedse film met vooral Zweedse acteurs, opgenomen op Gotland. De film heeft me in ieder geval, zo besefte ik gisteravond, de liefde bijgebracht voor in- en uitwaaiende vitrage of heel dunne gordijnen. Het liefst op een zoel zomerbriesje en met het geluid van de al eerder genoemde gierzwaluwen op de achtergrond. Een geit aan een zeel, een stukje verderop, zou het beeld helemaal volmaakt maken.

Hischseber

Ik ben een fan van sense8, een serie van Netflix. Of moet je schrijven ‘was’ als je de twee seizoenen die er tot nu toe verschenen zijn bekeken hebt? Een vreemde serie over een groep mensen die telepathisch met elkaar verknoopt raakt, waar ook ter wereld. Het moet een hel geweest zijn de serie te maken, want Daryl Hannah werd bijvoorbeeld voor enkele seconden tv-beeld in Mumbai en Nairobi en Berlijn en Seoel gefilmd. Een productietechnische hel. Het is een heel opwindende serie, met veel seks, vooral ook volstrekt vanzelfsprekende homo- en lesbische seks. Allerlei grenzen vervagen, soms kan het niet gek genoeg. Prachtige beelden, fijne muziek.

Toen ik de laatste aflevering van jaargang twee had bekeken, begreep ik dat er nog een derde jaargang komen moest want er was niets opgelost. De grote ontknoping moest nog volgen. Dat is een tijdje niet fijn, want je wilt door in zo’n verhaal, maar na dat tijdje vergeet je het weer en ga je bijvoorbeeld naar Please like me kijken.

Afgelopen week was ik in Berlijn. In een hotel. De ellende van een hotel – zeker als je op de tiende verdieping slaapt – is dat je om te roken altijd maar er voor de deur moet staan, in de kou en regen en wind. Op een ochtend kwam er een Indische man door de draaideuren. Hij liep langzaam naar een zwart bestelbusje en klom erin. Ik dacht dat ik die man kende, maar waarvan ken ik nou een Indische man? Kort daarop stapt Brian J. Smith naar buiten. Die speelt Will Gorski in de serie. Eerst deed ik net alsof ik hem niet zag. Lastig, want in het echt is hij nóg knapper dan in de serie. Ook hij liep naar het busje, en toen weer terug. Ik dacht: ‘kan mij het schelen’. Dus ik spreek hem aan. En dat vond hij leuk. En ja, de hele cast sliep in mijn hotel. En ja, ze waren aan het filmen, maar niet een derde seizoen, want dat vond Netflix te duur. Daarom komt er een twee uur durende film om het verhaal mee af te ronden. Bijna klaar, de Berlijnse opnames zijn de laatste. Een keurig opgevoede, hoffelijke jongen die oprecht zei dat hij het fijn vond dat ik zo genoot van hun serie.

Daarna was ik enorm eenzaam. Ik ging voor een tweede keer naar de Zoo. Alleen, de dag ervoor was ik er met Gustaaf Peek de hele dag geweest. Ik schreef erover, vandaar dat ik nog eens heen wilde. Ik kon Will Gorski niet van me afschudden. Figuurlijk. Wat is dat? Ik vind het vrijwel niet te doen zo’n jongen die ik ken van de tv in mijn échte leven te zien. Film is film, het échte leven is het échte leven. Die horen gescheiden te zijn. Als zo’n filmster mijn leven binnenloopt, opent zich een gapend gat aan mogelijkheden, toekomstbeelden, flarden uit het verleden, of eigenlijk: een alternatieve wereld waaraan ik natuurlijk geen deel heb. Zo’n soort eenzaamheid. Terwijl ik de hertenzwijntjes stond te bekijken, waren zij misschien wel aan het filmen ergens. En het regende ook nog. Het was triestig in de Zoo.

Noot: jammer dat seizoen 7 van House of Cards niet nét iets eerder is geschrapt. Had Netflix het bespaarde geld in een derde seizoen sense8 kunnen stoppen.