Buitenland

Ik zit in een huis in een vreemd land waar ik niet veel te zoeken heb. M. is weg, heeft dingen te doen, dingen af te sluiten. Floris zit op mijn schoot, die begrijpt het allemaal ook niet zo goed, geloof ik. Een plek in de Eifel, een plek in een drukke stad met veel lawaai en andere honden en nu een derde plek die ze mogelijk nog kent van meer dan een jaar geleden. Dat is niet helemaal duidelijk. Het waait heel erg hard. Gisteren en eergisteren waren we op pad, zwommen we in het Kanaal, liepen we op een eilandje dat vier uur later onbereikbaar was geworden door zeven (7!) meter getijdeverschil. Ook zagen we tientallen enorme beelden in La Vallée des Saints, wat een rare naam is, want die gigantische beelden stonden allemaal bovenop een heuvel. We zagen het slot dat de Duitse komiek Dieter Hallervorden in 1988 kocht als tweede huisje aan de Côte de Granit Rose. Het huis uit de eerste zin staat in een dorpje, pal tegenover de kerk. Het huis is alleen het huis: alles buiten hoort er niet bij, als je de voordeur uitstapt, stap je gemeente-eigendom op. Ik vind het een nogal stom huis en het dorp is eenzamer dan eenzaam. Eigenlijk is alles buiten de kust nogal eenzaam en verlaten hier. In de opengewerkte kerktoren – alle kerken hier lijken op elkaar – nestelen kauwen. Alle mensen praten Frans, wat dan weer niet raar is, want Bretagne ligt in Frankrijk.

Ik ga zo maar even een rondje lopen met Floris. Om de hoek, achter een hek, woont een grote herder die uitsluitend tegen Floris niet blaft. Het dier stond onlangs in stille verbijstering naar Floris te kijken. Leef jij nog? Floris leek onverschillig, was zijn vriend wellicht glad vergeten, en begon op een bepaald moment tegen de herder te blaffen. Twee erven verderop ligt een jonge labrador aan de ketting, het dier springt zichzelf een nekhernia als je er langs loopt. Op een buitenweg lopen een stuk of vier boerderijhonden los: woest blaffen, maar niks doen. Mensen wonen hier in bizar kleine huisjes. Er staan veel eeuwenoude ceders. Het lijkt hier op Engeland. Floris vindt het hondenvoer dat we kochten smerig. Aan de kust staan enorm veel pannenkoekenhuisjes. Langs weilanden geen hekken of hagen maar aarden wallen. Die roze granietkust, trouwens, is erg mooi. Het levert mooie Instagramfoto’s op.

Ik kijk zoveel mogelijk naar de Tour. Maar ook dat is zo anders dan anders, dat het alleen maar bijdraagt aan het ontheemde gevoel. De schaduwen zijn er veel te lang, daar klopt iets niet. Morgen weer naar huis. Duizend kilometer naar het Oosten.

Een waterspreeuw! [Bijlage Groene Amsterdammer]

‘Ha, de pimpelmezen zijn er weer,’ zeggen we. Dat is goed en wel, en we zijn echt verheugd, maar het grote sterven in de bossen rondom is ons volkomen ontgaan. Het echte drama hebben we niet meegekregen. Weinig dingen zijn zo sneu om aan te zien als een bol, verfomfaaid vogeltje, dat niet eens een poging doet weg te vliegen als er gevaar dreigt. Maar goed, ze zijn er weer en ze zien er slank en lenig en glad uit. Op het vogelvoederstation delven ze nog wel steeds het onderspit: de koolmezen zijn ze de baas. Waarom zou dat toch komen? Dat zo’n fraaie pimpelmees het idee heeft dat-ie lager in de pikorde staat dan zo’n ordinaire koolmees? 

Vroeger deden vogels me niets. Waren het domweg diertjes die voorbij vlogen. Maar zoals ik me nu nauwelijks meer voor kan stellen dat ik vroeger struiken en vaste planten vernietigde omdat ze mijn schildersladder hinderlijk in de weg stonden, kan ik me nu nauwelijks meer voorstellen dat ik ooit vogels niet zag vliegen. ‘Volgens mij komt dat met de leeftijd,’ zei onlangs een jong persoon tegen mij, waardoor ik maar weer eens besefte dat ik inderdaad een oude man begin te worden. Of al ben. Ik verander langzamerhand in Hans Dorrestijn of Nico de Haan.

Nu windt ik me op over de lage bezettingsgraad van de pakweg tien voornamelijk keramieken nestkastjes aan en om het huis. Waarom gaan die vogeltjes niet daarin broeden? Prachtige bouwwerkjes zijn het, allemaal liefdevol vervaardigd door Tuinmaat Han. Eén houten kastje heb ik, met een dakje dat open kan, zodat je erin kan kijken als er een vogel in broedt. Maar dat hebben de boomklevers die het het afgelopen voorjaar bewoonden verhinderd. Ze zijn weken bezig geweest de ingang rijkelijk te verfraaien met prut, waardoor het dakje muurvast kwam te zitten. Moordenaars zijn het, de klevers. Ik vond dode mussen en geelgorzen op de tegels onder het nestkastje. Maar dat was ergens hun eigen schuld, ze wilden de eieren van de klevers roven, vooral de mussen konden treiterend op de balkonleuning vlak onder het nestkastje zitten schreeuwen. 

Jaloezie komt er ook bij kijken. Buurman Rinus en buurvrouw Lien hebben voor én achter het huis een torenvalknest hoog in een sparren. Bijna elke dag zit er minstens één torenvalk op een electriciteitspaal een muis of mus op te peuzelen. Heel rustig en kalm doen ze dat, het is mooi te zien met de verrekijker. Ik zou ook wel een broedend valkje willen hebben. Aan de andere kant: zij hadden dan weer niet het goudvinkenpaartje dat vanuit een conifeer in de tuin van buurman Klaus bij mij kwam foerageren. Grappige vogeltjes zijn dat, vooral het vrouwtje kan minutenlang doodstil, suffig, zonder te vreten pontificaal midden op het vogelvoederstation zitten, daarmee elke andere vogel de toegang ontzeggend. Een koninginnetje. Zelf ontzeg ik gaaien de toegang. Door een hangend hekje van schapengaas en dunne takken. Best mooie vogels hoor, maar ze hinderen de kleine vogeltjes en blijkbaar heb ik die het liefst. Maar het hoort niet, voel ik diep van binnen, de ene vogel voortrekken boven een andere.

Dit voorjaar kwam er ‘s ochtends een middelste bonte specht ontbijten. Dat was nogal een belevenis, die zag ik nooit eerder. Op een bepaald moment zei mijn vriend dat hij – nóg vroeger op een ochtend – een kleine bonte specht had gezien, terwijl hij nauwelijks iets van vogels af weet. ‘Je liegt,’ zei ik, jaloers. ‘Helemaal niet,’ antwoordde hij sluw. ‘Ik heb hem opgezocht in Petersons Vogelgids.’ Tot op de dag van vandaag geloof ik hem niet. Eerst zelf zien. Rode wouwen zijn hier even talrijk als mussen en zwarte ooievaars landen graag op het weiland van voormalig Ortsburgermeister Ernst Görgen. Als ik met hondje Floris langs de Nims loop, vliegen ijsvogels gezellig mee en één keer heb ik een waterspreeuw onder water zien duiken. Een waterspreeuw! Dipper, in het Engels. Wasseramsel in het Duits. Trouwens, die wouwen zijn zo groot en imposant, dat we hondje Floris altijd waarschuwen als er een rondcirkelt. Voor je het weet denkt zo’n beest dat Floris een sappig lammetje is. 

Ons huis ligt precies onder de trekroute van de kraanvogels. Duizenden vliegen er over, in maart en in november. Een paar weken geleden zag ik er in de buurt van Prüm een in een weiland lopen. Dat vond ik heel vreemd. Midden in de zomer. Terwijl hij of zij nu ergens in het hoge Noorden hoort te broeden. En: één. Niet twee of honderddertien. Ik kreeg een beetje medelijden met het dier. Lost in Prüm, of all places. Maar daar moet je natuurlijk niet aan beginnen, medelijden hebben met vogels. Dan heb je geen leven meer. 

Tegen de avond komen zwermen huiszwaluwen vanuit het naburige Nimshuscheidermühle boven ons huis insecten uit de lucht pikken. Zij insecten, wij een gin-tonic. Ze ruziën met een van de valkjes van buurman Rinus en buurvrouw Lien. De gierzwaluwen zijn, zoals gebruikelijk onopgemerkt, alweer verdwenen naar het diepe zuiden. Binnenkort worden de gin-tonics ingewisseld voor een glaasjes whisky en zal ik vele tonnetjes vogelvoer inslaan voor de herfst en de winter.

Woest tandenpoetsen

Gisteravond kwam er op tv weer eens een vrouw uit bed die deed alsof wij meekeken. Ze had net lekker – neem ik aan – liggen  seksen met de een of andere vent en trok het dekbed met zich mee en vouwde dat decent rondom haar borsten. Dat kan niet. Dat klopt niet. Dat veronderstelt dat ze weet dat wij meekijken, terwijl het nu juist een ongeschreven wet is dat wij er níet zijn. Wij zitten onzichtbaar weggestopt achter de vierde wand. Al die vrouwen met complete dekbedden achter zich aan halen me hinderlijk uit de fictie, zonder woorden zeggen ze tegen me: wij spelen hier maar een toneelstukje. Het was Katrine, de journaliste uit Borgen, dat wij – jaren nadat anderen die serie al zagen – nu aan het bekijken zijn. Ik berichtte mijn halfdeense vriend Jens dat ik de hele tijd het woord træbeskyttelse in mijn hoofd heb als we ernaar kijken. ‘Goh,’ schreef hij terug, ‘denk je dan ook aan het woord brombærrød?’ Deens is en blijft een bizarre taal. Nog iets wat het onbekommerd kijken naar de serie niet ten goede komt.(Zelden, trouwens, slaat een naakte man het dekbed om zich heen. Mannen glijden terwijl ze van achter gefilmd worden uit bed en trekken snel een broek aan.)

Nog zo iets in films en tv-series: het poetsen van de tanden. Ik heb van mijn tandarts geleerd geen druk te geven. Gewoon de tandenborstel – ouderwets of elektrisch – het werk laten doen. Maar acteurs en actrices raggen de altijd ouderwetse tandenborstels door hun mond alsof ze verf aan het afkrabben zijn. Ik heb nog NOOIT een acteur zijn/haar tanden met een elektrische tandenborstel zien poetsen. Het kan zijn dat ik de verkeerde films zie en dat ik hieronder wel te lezen krijg in welke films er wel met een elektrische tandenborstel gepoetst wordt, maar dat is toch bizar? Of bestaan in andere landen geen elektrische tandenborstels? Dat gerag met tandenborstels doet gewoon zeer als ik ernaar kijk en bevordert, net als dat gesleep met dekbedden rond blote borsten, niet de geloofwaardigheid van wat ik zie.

Of wacht eens even. Is het de bedoeling dat het eveneens een ongeschreven wet is dat ik als kijker begrijp en accepteer dat actrices handdoeken of dekbedden gebruiken om hun naaktheid te bedekken? Dat er een stil verbond is tussen acteurs en kijkers die beide kanten opgaan kan? Dat ik me juist gestreeld moet voelen wanneer ik dat begrijp als ik naar een film zit te kijken? Hm. Maar dat woeste tandenpoetsen, dat kan echt niet. Dat geeft het verkeerde voorbeeld.

Dammetjes bouwen

Ik ben 58 en ik heb een nieuwe hobby. Ik bouw dammetjes in stromend water. Eerst een beetje aarzelend, vooral als ik met Floris onder de brug in de L5 met een bal aan het gooien was omdat daar aan de Nims Michael plus vrouw en kinderen wonen en ik bang was dat zij ineens van bovenaf naar mij zouden staan kijken. Maar diezelfde Michael was er een keer aan het bosmaaien, zo’n twee meter boven me, en hij zág me niet eens. Dus daarna werd ik driester en voor ik het wist was het een uur later. Want dat is wat dammetjes bouwen doet: je verliest jezelf. Floris blaft zo nu en dan schel om me eraan te herinneren dat zij er ook nog is. Wel moet altijd nog die hond erbij zijn: ik wil niet betrapt worden als ik ergens in de Nims in mijn eentje het water sta tegen te houden. IJsvogeltjes vliegen heen en weer alsof zij het ook wel gezellig vinden dat ik daar stenen sta te rapen en opnieuw elders deponeer. Eergisteren, in de Johannesbach, een onaanzienlijk beekje, blokkeerde ik de hele stroom, waardoor er een stuwmeer ontstond. Dat was heel erg bevredigend. Floris blafte me overeind en verder, anders had ik daar nog wel even gezeten.

Storm Francis reikte zelfs tot hier, maar dan in uitgedoofde vorm. Corona houden we in onze dorpjes nog steeds buiten de deur. De Globus verkoopt nog steeds hout en verf en vogelvoer, en harde witte bolletjes en Zitronesahnerolletjes. Ik bouw een boekenkast, want ook hier groeit de stapel boeken, ik schilder de nieuwe tuinmuur (nu aan de buurkant, en elektricien Lothar kwam daar en hij zei, zoals bijna iedereen hier zegt als je buiten bezig bent: ‘Schon wieder fleissig?’ Dat moest ik toegeven, maar ik zei ook: ‘Aber ohne Lust, weil das hier ist nicht meine Seite.’ Dat begreep hij.) en ik verfraai de tuin, nog steeds. Ik bood aan Christa van voorheen dakdekker Rudi te komen helpen schilderen. Tegen de voorkant van haar gigantische huis, met daarin zes appartementen voor de verhuur, is een steiger opgebouwd. Het wordt een tikje herfstig, het is bijna tijd de gin-tonic te vervangen door whisky en Herr Arnoldy te bellen voor acht kuub winterhout.

Tussen ontelbare debuten door heb ik nu op één hoofdstuk na een boek uit dat zó goed is dat het niet eens in me opkomt jaloers te zijn dat ik het zelf niet geschreven heb. Het is een zogenaamd vooruitleesexemplaar van Ruimte, de nieuwe Walter van den Berg. Ik zal Jann Ruyters van Trouw vragen of ik er een recensie over mag schrijven. Jammer dat Trouw niet aan ballen of sterren doet. De ballenbak van IKEA is er nauwelijks groot genoeg voor.

Vakantie [Trouw, 15 augustus]

We vierden vakantie in eigen land. Heel verantwoord. Maar het was te warm. We zouden dit en dat en naar Trier, en naar Vianden (Luxemburg), en wijn proeven aan de Moezel, maar het was echt te warm. Hondje Floris was blij, ze kreeg heel veel aandacht, want er waren twee extra mensen die met stokken of de rubberen bal konden gooien. Ze heeft ontdekt dat water niet eng is, ze is niet uit de Kyll of de Nims te slaan als we er met de eerder genoemde, paarse, rubberen bal spelen. Ze steekt haar hele kop onder water om de bal, die zinkt, naar boven te halen. Ze heeft zelfs echt leren zwemmen, weliswaar ietwat paniekerig, maar ze zinkt niet. Drie dagen waren er nóg eens drie extra mensen, twee daarvan hebben we collectief uitgefoeterd omdat ze net terug waren uit Portugal, waar ze met een vliegmachine heen gevlogen waren. En ook weer terug. Lissabon nota bene. ‘Weg!’ riepen we. ‘Weg van ons!’ Voor je het weet, ben je ziek. ‘Zijn jullie gek geworden, jezelf op laten proppen in zo’n vliegtuig?!’ Wij deden alles met de auto, of te voet, soms ook met de fiets. We bespraken de toestand van de wereld, dronken gin-tonics, lazen boeken, aten veel ijs, speelden Keezbord, sprongen in en uit riviertjes, gingen een paar keer uit eten.

Ondertussen, als niemand het zag, zorgde ik stiekem toch voor de tuin, die kent geen vakantie. Die kun je met zulk weer niet aan zijn lot overlaten. ‘Ho, ho,’ zei één van de gasten, die onverwacht opdook. ‘Er wordt hier niet gemetseld!’ Hij had gelijk, dat muurtjesmetselen was niet werkelijk nodig, dat was niet noodzakelijk voor het voortbestaan van de tuin. Maar ik had het even nodig. Ik moest even aarden. Vakantie vieren is moeilijk, zeker in je eigen, vertrouwde omgeving, met anderen er steeds bij. Zondag 9 augustus, vandaag, is de laatste dag van onze vakantie. Het is bewolkt, het rommelt, maar zoals gebruikelijk glijden eventuele donderbuien in een volgend dal voorbij. Het is schwül. Niet te verwarren met schwul. Ik heb hier al ettelijke malen ‘Wat een homoweer, niet?’ gezegd.

Morgen, 10 augustus, is het geen vakantie meer. De grote weersomslag is pas voor vrijdag opgegeven. Nog een dag of vijf doorbijten. Dat heb ik van mijn grootvader. Die had ook een enorme hekel aan heet weer. Maar hij bleef rustig en ging onder de berk achter het huis zitten, met een kruiswoordraadsel. De witte pauwstaarten koerden loom in de volière. Toen oma nog leefde, zaten ze er samen en dronken ze potten vol thee. In de wazige verte lag de West-Friese Dijk, en achter die dijk woonden wij. Ik stond op een hoge ladder in het dorp van opa en oma het huis van slager Louw te schilderen. Mijn schouders verbrandden en ik at altijd mijn meegebrachte brood bij opa en oma. Dan zat ik ook onder de berk, en keek uit op de West-Friese Dijk. We zeiden weinig. We luisterden naar de duiven en stilletjes hoopten opa en ik dat dat vreselijke warme weer eens over zou gaan in een donderbui. Als ik na een paar weken klaar was met schilderen, gaf ik oma een doos bonbons om haar te bedanken. Die smeet ze me bijna in het gezicht. Of ik gek geworden was?! Ja, dat was een aparte. Ik geloof dat ik dat dan weer van háár heb. Ik kijk nogal uit naar 29 augustus. Vanaf die dag zal de wereld weer min of meer zijn zoals hij was en neem ik opnieuw vakantie. Drie weken lang. Op de bank.

Klaterend water

Gregor Verwijmeren schrijft in De vorm van geluid: ‘Wat horen we wanneer de door een commerciële machinerie voortgestuwde violiste Janine Jansen zich half overspannen door Bachs chaconne worstelt? De piep, vaste tool van iedere geluidseditor.’ Daarvoor heeft hij andere voorbeelden gegeven van het gebruik van een doordringende piep in films. ‘Jaaaa!’ roep ik tegen de tv als de een of ander een hersenbloeding krijgt die blijkbaar uitsluitend aan de kijkers kan worden overgebracht met een piep. Was je net even je eigen geluid – Verwijmeren noemt het T – ‘vergeten’,  word je er door zo’n blijkbaar niet aan T lijdende geluidseditor wel weer op gewezen. ‘Genoeg!’ moet ik er vaak nog achteraan roepen, want een korte piep volstaat niet, het liefst is het een aanzwellend en wegstervend geluid dat net zo lang duurt als de scène duurt, of nog langer: in een volgende scène klinkt vaak nog een echo. O, wat erg allemaal. Inderdaad.

Ik wil het boek helemaal niet lezen. De roman is als die filmpiep van een geluidseditor. Maar het is een debuut. En debuten dingen mee naar de Anton Wachterprijs. Ik zit in de jury van de Anton Wachterprijs. Ik heb net als Verwijmeren last van T. Hoe erg het is, weet ik niet, ik kan niet in de gehoorgangen van anderen kijken. Wel weet ik dat ik er liever niet aan herinnerd word. In Knecht, alleen schrijf ik: ‘Het punt van die piep in je oor is dat je er van wegrennen wilt. Je wilt eraan ontsnappen. Dat kan niet. Je kunt hem niet achterlaten in de woonkamer als je naar de keuken loopt. Hij is er voortdurend. En tóch wil je eraan ontsnappen. Dat geeft onrust. Het beste is je eraan over te geven. Juist niet negeren. Voor mij is pianomuziek het ergste. Je zou denken dat (luide) pianomuziek de piep tijdelijk verdrijft, maar het begint daardoor juist rond te zingen in mijn hoofd: de piep begint te golven, verplaatst zich soms zelfs naar mijn rechteroor. Pianomuziek is voor mij onverdraaglijk gepingel.’

Keiharde wind in mijn oren is lekker. Takkengeraas. Onweer. Een trekker met strobalen die langsrijdt. Een bijeenkomst met veel mensen maar zonder muziek. Klaterend water, waterval, stroomversnelling. Ik ben bezig in het boek, heb het nog niet uit. Misschien komt er iets waar ik iets aan heb, waar Verwijmeren iets aan gehad heeft. Hoe dan ook: hij schrijft het allemaal verdomd mooi en goed op.

Op de afbeelding gedicht IX uit een cyclus die uiteindelijk 24 gedichten zal omvatten van Anton Dautzenberg, stadsdichter van Tilburg.

Huilen om Confettiregen [Trouw, 18 juli]

Ik heb de hele tijd een man van 54 jaar in gedachten. Ik kan hem niet vergeten. En daarom heeft deze column – hoewel ik deze zomer ‘losgelaten’ word, en mag schrijven waarover ik schrijven wil – toch nog ‘het literaire leven’ als onderwerp. De man van 54 zag ik op tv, in het programma M. Margriet was die avond niet de talkshowhost maar een lesbische vrouw. Naast haar zat Splinter Chabot, niet de voormalig voorzitter van de JOVD, niet de zoon van de bekende Haagse BN’er Bart Chabot, niet de broer van de debutant Sebastiaan Chabot, maar de homo Splinter Chabot. Confettiregen, het boek van Chabot, was onderwerp van gesprek. Een jongen en een meisje maakten de club van vijf compleet.

Ik kreeg het onlangs in handen. Ik begon te lezen en ontdekte dat het een soort kinderboek is. Het is nogal krukkig geschreven en het is nogal saai. O, ja, de lagere school en dan die ene speciale jongen, en daarna nog driehonderd bladzijden. Maar vooral, en dat dacht ik al voordat ik het boek onder ogen kreeg, dacht ik: ‘Niet zeiken Splinter, ga toch gewoon leven, jongen!’ Dat denk ik wel vaker, over allerlei mensen die allerlei ‘problemen’ hebben en daarover op de televisie praten. Iedereen heeft problemen, wordt niet gezien, wordt niet met respect behandeld. Maar ook: waar bemoei ik me mee? Als die jongen zo’n boek wil schrijven, laat hem het schrijven. Als mensen er op de tv over willen praten, laat ze praten.

Maar we leven, let wel, in het jaar 2020. In 1946 werd de Shakespeareclub opgericht, de voorloper van het COC. Al 74 jaar aandacht en advies en belangenbehartiging voor ‘homoseksuelen’. Duizenden en duizenden boeken, films, toneelstukken, balletten over gelijkgeslachtelijke liefde. Albert Mol, Henk Molenberg, Jos Brink, Benno Premsela, Gordon, Gerard Joling, wacht, ik moet er nu nog even minstens één vrouw tussen frommelen, Gerda Verburg, Kajsa Ollongren. Allemaal wegbereiders, rolmodellen (al dan niet positief), mensen die er open over waren of zijn. En dan komt Splinter nog eens aankakken en schrijft een boek over zijn ‘worsteling’, terwijl zijn ouders en omgeving nergens last van hebben. Zou dat behulpzaam zijn? Lijkt mij niet. Homoseksualiteit als thema van een boek máákt het een thema. En dat is juist wat het niet zou moeten zijn. Iedereen is gelijk, toch? Door er een kwartier over te praten in een talkshow, denken al die hetero’s thuis op de bank dat het iets aparts, iets anders, iets speciaals is. Maar het is niet speciaal, toch? Het is er. Misschien dacht Splinter dat hij iets goeds gedaan had, het leek wel alsof er een taboe werd besproken. Dat hij, Splinter Chabot, de boel opengegooide, dat erover gediscussieerd werd, dat (jonge) mensen zich erin konden herkennen. Maar dat konden ze allang in De dagen van de bluegrassliefde van Edward van de Vendel, om maar eens één boek van de duizenden te noemen.

En daar zat dan die man van 54 bij. Ach, zo herkenbaar, hij moest huilen toen hij het boek uit had. Het herinnerde hem aan zijn ‘eigen wond’ en o ja, hij vond het boek ‘heel goed geschreven’, hij wilde er graag reclame voor maken. Ik wist niet wat ik zag of hoorde. Heeft die vent onder een steen geleefd? Heeft hij nooit L’homme blessé van Patrice Cheréau (1983) [zie afbeelding] gezien, om maar eens één film te noemen? Sowieso zat iedereen daar aan die tafel alsof het wiel werd uitgevonden, maar het zij de rest vergeven want ze waren jong en Margriet was de talkshowhost. Een man van 54 die huilt om Confettiregen. Zo blijft homoseksualiteit wel een ‘probleem’, ja.

Sparrenhaag op poten

Schwarzbach, half juli. Ouderwets weer, zoals het hoort in de Eifel. Zo nu en dan nattigheid, onbestendig, zeker geen 30 graden of meer. Zo nu en dan zon. Er wordt gewerkt aan een tweede tuinmuur, nu tussen mijn tuin en het huis waar buurvrouw Weiers woonde. Daar stond een sparrenhaag, die ik in 8 jaar tijd zelf tot haag maakte, maar omdat buurman Herbert – die inmiddels verhuisd is, waardoor het huis leegstaat – tegen de andere kant van de haag een schuurtje bouwde, is die kant helemaal afgestorven. En zoals dat gaat met sparren: wat dood is, blijft dood, nooit zullen ze opnieuw uitlopen. Die haag is niet helemaal weg, hij staat nu op poten. Ik zaagde alle onderste takken weg. Het is een rechthoekige parasol geworden en ineens lijkt een deel van mijn tuin ergens aan de Middellandse Zee te liggen. Achter die haag op poten komt de muur, slechts 80 cm hoog. En een ander deel – 4 meter lang – wordt een meter hoger. Zaterdag zal het, dv, klaar zijn. Dan kan ik ‘m gaan schilderen, gebroken wit.

Er was hier een jongen van Trouw om een interview af te nemen. Hij bleef eten. Hij vond het eten lekker en zei dat zoiets niet vaak gebeurde, dat hij mocht blijven eten bij de geïnterviewde. We dronken een lekkere Italiaanse witte wijn, die hij meegebracht had. Ik gaf hem een pot rabarber-gemberjam en zei daarbij dat hij dat natuurlijk wel in het interview moest vermelden. Aanstaande zondag komt de fotograaf. Gisteren kreeg ik een mailtje van Kunststof, of ik daar de 22e in wilde. Jazeker, mailde ik terug. Twee maanden na het uitkomen van Knecht, alleen. Ik vind het prima. Beter de aandacht een beetje gespreid dan alles in één klap. Gijs Groenteman. Ik keek of de treinen alweer een beetje normaal rijden, maar dat doen ze nog steeds niet. Daarom gaan we met de auto naar Amsterdam en zullen daar dan een paar dagen blijven omdat ik ook daar aan het renoveren en opnieuw inrichten ben. Schilderen, nieuwe eettafel, nieuw leesbankje, alle boekenkasten wit in plaats van petrolblauw, plafond wit, glazen tussenwand verwijderd. Altijd alles maar omgooien, uitbreiden, vernieuwen. ‘Man muss beschaftigt bleiben,’ zei gisteren de verwarmingsmonteur van Buderus die centrale verwarming aanlegt in het Weiers-huis. ‘Sicher,’ zei ik.

Ja, ouderwets weer. Zoals het hoort. Af en toe heb ik plotseling een enorm heimwee naar het noorden van Sjælland, naar Rågeleje, waarvan ik jaren geleden tegen mijn vriend Jens zei dat ik er nooit meer heen wilde, en nu kan ik er niet meer heen want het huis dat daar staat, ooit eigendom van Jens en zijn Deense moeder, is allang verkocht. Vreemd. Ik zou ook graag naar Engeland gaan, maar dat doen we maar even niet, als het sowieso al mogelijk zou zijn. Of Wales, Mount Snowdon. Ouderwetse plekken, plekken die je al heel lang kent, waar alles altijd hetzelfde blijft.

Gekrakeel [Trouw, 4 juli]

[Dienstmededeling: dit was de laatste reguliere column over ‘de literaire wereld’ in Trouw. Ik schrijf de zomer nog vol met wat ik maar wil en dan is het met het eerste nummer van Tijdgeest, eind augustus, voorbij.]

Een schandaal was het. Een grof schandaal. Op een bepaald moment waren de woorden op en plaatsten voornamelijk vrouwelijke schrijvers als statement uitsluitend het omslag van het boek van Manon Uphoff op Twitter of Instagram. (Wat er op Facebook gebeurde weet ik niet, want ik ben al lang van dat verderfelijke medium weg). Maar ook mannenschrijvers uitten hun ongenoegen op Twitter, Jamal Ouariachi zei dat het inmiddels zo ver was gekomen dat een clown met een hondje de belangrijkste literatuurprijs kon winnen. Doelend op het, vond ik, uiterst vermakelijke filmpje dat getoond werd van Sander Kollaard in de uitzending van Nieuwsuur waarin de bekendmaking was. En o ja, alwéér een witte mannelijke schrijver! Kan dat nou niet eens anders? Nou, blijkbaar dit keer niet, terwijl er drie vrouwen in de jury zaten, tegenover twee mannen. Allemaal wit.

Onmiddellijk dezelfde avond begon ik in Vallen is als vliegen, dat had ik al een hele tijd in huis. Drie nachten later had ik het uit. Ik was er letterlijk zo nu en dan niet lekker van geworden, het boek speelde met mijn lichaam. Ik vond het een prachtig boek, erg goed geschreven, maar ik moest ook denken aan zo’n winnende World Press-foto van een gruwelijk oorlogsmoment, en de vraag die dan gesteld wordt of je zoiets eigenlijk wel mooi kán of mág vinden. En ik was bezig met de vraag of je zo’n uiterst particulier incestverhaal voor een roman mythische proporties mee zou moeten geven, en met de vraag of waargebeurd erger is dan verzonnen. Het verwarde me, en dat is goed natuurlijk, als literatuur dat met je kan doen.

En toen dacht ik terug aan Uit het leven van een hond, en het plezier dat ik had beleefd aan het lezen van dat boek. Er gebeurt niks ergs, de dingen gebeuren gewoon, maar ik wandelde heel graag mee met hoofdpersoon Henk. Ik genoot van zijn stijl. In de samenvatting van het boek op Bol.com staat het volgende: ‘Aan het eind van de dag zien we Henk, in helderziende dronkenschap, met zijn hond op de bank. Wat was dit voor een dag? Een reinigende ervaring? Een catharsis? Nee, het was simpelweg een dag, tijd die voorbijging, het leven dat werd geleefd.’ Je zou kunnen zeggen dat de stijl van Kollaards boek in overeenstemming is met dat gegeven en voor de stijl van Uphoffs boek gaat dat eveneens op; het is razende taal voor een razend verhaal.

En daar moet je dan dus uit kiezen, als jury. En niet alleen dat, er waren nog vier boeken, van De Jong, Coster, Te Gussinklo en Schermer. En die kunnen alle vier ook schrijven als de beste. En wij – alle Nederlanders die niet in de betreffende jury zaten – hebben er geen idee van wat er gebeurd is. Misschien ging het wel tussen Saskia de Coster en Sander Kollaard, mogelijk – dat gebeurt vaker dan je denkt – was Uit het leven van een hond de nummer drie, het boek dat er met het been vandoor gaat. Werd er over twee andere boeken zó gestreden dat er alleen over een nummer drie unanimiteit bestond. Want dat is en blijft het wezen van een jury: de leden ervan moeten het eens zien te worden. Dat is geven en nemen, dat is verhit argumenteren, dat is gaan voor een bepaalde stijl, dat is elke keer weer uit zien te vinden wat literatuur ís, en uiteindelijk tot een door iedereen gesteunde winnaar komen. Dus ondanks geklaag en verwensingen op Twitter zit Sander Kollaard als een prins een paar weken op Zweedse wolken want hij won. Hij en niemand anders.

Black-out [Trouw, 20 juni]

Bij de ingang van het NPO-gebouw op het mediapark in Hilversum trof ik collega Jan Siebelink. Of eerder: hij trof mij, ik was al doorgedrongen tot de hal, hij kwam binnenlopen. Hij bleef even staan, keek me aandachtig aan en zei toen: ‘Nu zie ik het.’ Aan de balie boog hij zich iets te vertrouwelijk over naar de baliemedewerkster, die daarop iets terugdeinsde. We kregen allebei een badge en konden het gebouw in. Ik kijk elke keer als ik daar ben mijn ogen uit. Daar komt Dione de Graaff gewoon aanlopen en ze zegt ‘Hallo’ tegen me! Dolf Jansen sloft voorbij en zegt nonchalant ‘Goedemorgen’. De medewerker van De Taalstaat nam de trap, Jan en ik gingen samen, te dicht op elkaar waarschijnlijk, met de lift. Boven gingen we bij elkaar zitten en we namen eens even goed de literaire wereld door. Ik vroeg hem – wat ik eerder in de week anderen al gevraagd had, wat kon omdat ik de hele week in Amsterdam was omdat ik mógelijk bij M kon aanschuiven – of hij een idee had hoe het mogelijk was dat een boek – Suikerbastaard – van een schrijver – Jaap Scholten – vanuit het niets, zonder één bespreking en zonder media-aandacht op plek 38 in de CPNB Top60 terecht kon komen. Jan zijn verstand stond er bij stil. Het mijne ook. We kwamen er niet achter. ‘Het is en blijft een bizarre en moeilijke wereld,’ verzuchtte Jan, die onlangs een aantal niet al te malse kritieken te verstouwen had gekregen.

Frits Spits stak zijn hoofd door de deur. ‘Goedemorgen, mannen!’ zei hij. ‘Fijn dat jullie er zijn.’ Jan Siebelink dacht even na en zei toen: ‘Ja, en dat we er überhaupt nog zijn.’ Dat vond ik wel erg diep gaan voor iets voor elven op een zaterdagochtend, maar Frits glimlachte en toen zei Jan: ‘Goed, daar hebben we het straks nog over.’ Daarna mocht ik en toen ik klaar was, werd Jan binnengebracht. ‘Veel plezier!’ zei ik. Iets later zat ik alweer in de taxi die me terug naar Amsterdam zou vervoeren. De ruiten hadden prachtig getint glas, waardoor het Hollandse landschap dat ik al drie maanden niet gezien had op magistrale wijze langs me heen trok. De chauffeur had de radio aanstaan. Radio 1. De Taalstaat. Dat vind ik altijd prettig, dat zo’n programma – net als Met het oog op morgen – gewoon doorgaat terwijl je zelf net geweest bent en er onthecht naar kan luisteren.

Jan las iets voor uit Knielen op een bed violen en toen hij klaar was, vroeg Frits: ‘Ja, en wat dééd die vader toen, Jan?’ Het bleef stil. Het bleef heel lang stil. Jan zei: ‘Ja, wat dééd die vader…’ Frits nam het over, die moest Jan vertellen wat de vader in het boek toen deed. Ondertussen had ik al een paar keer luid vanaf de achterbank geroepen: ‘Jan! Zeg iets!’ Soms vergeten mensen die op de radio zijn dat ze op de radio zijn. ‘Kom, Jan! Iets!’ Radio bestaat bij geluid. Op tv kunnen mensen best lang hun mond houden omdat er altijd nog beeld is om de tijd te vullen. Jan had een black-out. En niet vanwege zijn leeftijd, maar gewoon van de spanning of wat dan ook. Ik heb ook weleens een black-out en inmiddels heb ik geleerd om dan zo snel mogelijk domweg ‘Dat weet ik niet, hoor’ te zeggen, want dan kan in elk geval het programma gewoon door. En het is helemaal niet erg dingen niet te weten. Zoals ik hier al vaker schreef: iedereen is een sukkel en we doen allemaal maar ons best. Zo’n heerlijk rustgevende gedachte.