Voor je het weet is je piemel bevroren

Gisteren deed in bijna een Prince Harry’tje. Zonder er verder over na te denken was ik in mijn pyjamabroek naar buiten gegaan om de bal door de tuin te gooien. Die komt Floris dan terugbrengen. Voor je het weet, sta je best lang in die tuin omdat het wel fijn is om niets anders te doen dan steeds maar weer die bal weg te gooien of te schoppen. Pas binnen voelde ik dat het buiten nogal vroor. Bijna mijn piemel bevroren! Vreemd is dat: aan je handen of je neus of oren voel je prima dat het nogal koud is, maar je piemel vertelt je dat niet. Ik begrijp dus best wat Prince Harry is overkomen. Hij had domweg niks in de gaten tot het (bijna) te laat was.

Ophef in letterenland. Nu had ik het daar anderhalf jaar geleden al over (de AESE), en heeft Jörgen Apperloo een jaar lang als statement uitsluitend Nederlandse literatuur gelezen en besproken, maar nu werd het door de CPNB met cijfers onderbouwd: razendsnelle opmars Engelse literatuur, Nederlandse literatuur in de min. In mijn krant, Trouw, mochten lezers hun mening geven. Zo ook ene Annelies Tielen (58), ‘hobbylezeres’. Wat precies een hobbylezeres is, weet ik niet, maar Annelies heeft een duidelijke mening. ‘Doordat ik Engels heb gestudeerd, lees ik makkelijker in het Engels dan in het Nederlands.’ Dus van een paar jaartjes een studie doen verlies je de feeling met je moedertaal? In Annelies’ huishouden leest iedereen uitsluitend Engels, ook haar echtgenoot en haar twee dochters. Ik vermoed dat die drie geen Engels hebben gestudeerd, maar ze zijn blijkbaar aangestoken door hun echtgenote en moeder. ‘Nederlandse vertalingen zijn vaak zo houterig.’ Nu heb ik net zelf Een tweede leven van R.C. Sherriff uit en mij viel maar weer eens op hoe voortreffelijk de vertaling van Inge Kok was. Gelukkig, zegt Annelies, bieden boekwinkels steeds meer Engelse boeken aan, maar bibliotheken nog niet! ‘Daar kom ik niet meer. Zij mogen die omslag ook wel eens gaan maken.’ Annelies leest niet alleen geen woord Nederlands, ze heeft ook nog eens noten op haar zang.

Nou, met Annelies winnen we in elk geval deze strijd niet. Ook komt Lieke Roovers aan het woord, zij is recensent bij Hebban.nl. Ook zij leest uitsluitend Engels. ‘Eerlijk gezegd vind ik Nederlandse romans vaak ook nogal zwaar. Veel over de Tweede Wereldoorlog en zo. Engelse boeken zijn toch net wat lichter.’ Vandaag in diezelfde Trouw, in de kolom ‘Commentaar’ (‘De mening van de krant, verwoord door leden van de redactie en senior redacteuren’) wordt gesteld dat het allemaal zo erg niet is. Dat het nog veel erger zou kunnen zijn. Geen woord over de schrijvers van Nederlandstalig werk, des te meer over boekhandels en uitgevers. Het is allemaal, zou ik kunnen samenvatten, nogal financieel van aard, dit stuk. En de ‘leden van de redactie en senior redacteuren’ hebben de mening van Annelies en Lieke goed gelezen: ‘[…] Uitgevers moeten kijken naar wat ze aan oorspronkelijk Nederlands werk uitbrengen. Of het goed genoeg is, of de thema’s aanspreken, of het de concurrentie met al dan niet vertaalde buitenlandse auteurs aankan.’ Mensenlief. Ik zou hier een analogie kunnen construeren met wat ik in de eerste alinea schreef, maar dat laat ik. 

Een soort van miskoop

Ik was onlangs bij Gall&Gall omdat ik van mijn ex-schoonzuster had gehoord dat je in plaats van gin-tonic ook prima witte port-tonic kunt drinken. Dat hadden ze onlangs ergens op een drankproeverij gedaan. Ik vond dat wel lollig klinken. Schijfje limoen en een ijsblokje erbij en hóp een nieuw drankje. Ik sprak daarover met de man die daar werkt en die ik inmiddels best goed ken. Aan de kassa, met tussen ons in de fles witte port die ik uit het schap PORT en SHERRY had gehaald. Nou ja, blabladit en blabladat en ik rekende de tien euro af die de fles kostte. Aan het einde van de dag (als je allebei thuis werkt, moet je ergens een grens stellen: nu is de arbeidsdag gedaan en daarom drinken we iets) maakte ik dat nieuwe drankje. Nou, de kop die M. trok was al veelzeggend. Ik vond het nog wel gaan. Een zeer aparte, nogal bittere smaak. Maar het was niet echt voor herhaling vatbaar. ‘Ja, maar nu staat daar die fles witte port voor niks!’ riep ik.

Tot gisteravond. Er waren eters. Eters die best graag het een en ander te drinken lusten ook. Na het eten was de witte wijn echt op, dus ik vroeg: ‘Lekker een glaasje witte port bij de koffie met slagroomtruffels?’ Ja, dat vonden ze een goed idee. M. bliefde niet, ik nam ook een glaasje. Bij de eerste slok snapte ik niet zo goed wat er gebeurde. Wat was dit voor waterige, bittere port? ‘Hé joh, dit is sherry!’ riep het bezoek met verwrongen gezichten. Sherry? Toen pas bekeek ik de fles eens goed. Tio Pepe. ‘Ja maar,’ zei ik, ‘ik heb een hele tijd met die vent over port en tonic staan praten! Waarom heeft hij me niet gezegd dat er een fles sherry op de toonbank stond!’ M. zei dat hij misschien dacht dat ik die sherry wilde hebben en dat dat gepraat over witte port-tonic (‘Ja, de mensen verzinnen de meest idiote mixjes’) zomaar gepraat was. ‘Maar het hele woord sherry is niet gevallen!’ Nou, vond M., wist hij veel dat je meteen die avond witte port-tonic wilde gaan maken? Misschien dacht hij dat je ’s avonds trifle wilde maken ofzo.

Godsamme. Ondertussen had ik mijn glaasje sherry op en schonk ik er nog maar eens één in. Het bezoek kreeg rode port, want die staat hier ook in de drankenkast. Ik kreeg herinneringen van die sherry, uit lang vervlogen tijden waarin goede vrienden nog in een ander huis woonden, met een kelder en in die kelder stonden tientallen flessen sherry. Veel te veel flessen, dus ze deelden er kwistig van uit. Ik was jong en ik dacht dat sherry hip en lekker was. Ik dronk het, thuisgekomen, gewoon allemaal op. Eigenlijk was het dus nog ergens goed voor ook, die miskoop. Een herinnering die ik anders niet gehad zou hebben. Ik moet dus nog eens terug naar Gall&Gall en dan goed kijken voor ik een fles witte port aanschaf. En binnenkort trifle maken.

‘De grootste illusie,’ zei de mol, ‘is dat het leven perfect moet zijn.’

Soms begrijp je bepaalde dingen niet. Zo staat het ene boek weken- of maandenlang in de CPNB Top-60 zonder duidelijke reden, bijvoorbeeld Wat de stilte wil van Arthur Japin. Afgekraakt in de Volkskrant, niet eens besproken in NRC. Een typische Japin, die de kitsch niet schuwt en een boek geschreven heeft uit materiaal dat overal elders al te vinden was. Een beetje als The Magician van Colm Tóibín: best leuk hoor, maar als je de Mann-biografie van Tilmann Lahme gelezen hebt, staat er helemaal niets nieuws in dat boek. Het andere boek, dat werkelijk overal bejubeld wordt, in NRC eigenlijk zes ballen had moeten krijgen volgens recensent Thomas de Veen, dat steeds maar in de aandacht blijft, dat de Boekenbon Literatuurprijs won, jojoot er meer uit dan in. Waarom schuwen lezers dat boek? 

Ik had het er afgelopen zondag over met lezingbezoekers in Stadskanaal. Ik vertelde dat ik altijd korte hoofdstukken schrijf, witregels gebruik, lucht in een tekst pomp. Omdat ik zelf, als lezer, niet goed tegen die massieve blokken tekst op een bladzijde kan. Dat als ik in een boekwinkel sta, op zoek naar iets, en willekeurig een boek opensla en daarin bladzijde na bladzijde tekst zie, zonder dialogen, zonder witregels, ik dat boek onmiddellijk weer op de tafel leg. Opvallend veel bezoekers knikten, sommigen riepen zelfs: ‘Ja, en als er seks is, zijn er zéker witregels!’ Waarop ik weer zei: ‘En des te langer de seks duurt, des te meer witregels!’ Iemand vertrouwde me in de pauze toe dat ze niet door Het lied van ooievaar en dromedaris gekomen was. Dat was de allereerste keer dat ik iemand iets negatiefs over dat boek heb horen zeggen. Misschien is het domweg te dik. We kwamen tot de conclusie dat een roman van 250 tot 300 bladzijden eigenlijk het lekkerst is. En dan het liefst inderdaad met lucht

Het alleronbegrijpelijkst is dat boek dat De jongen, de mol, de vos en het paard heet. Volgens mij staat dat al langer dan een jaar hoog in de Top-60. Rond de kerst was er op de BBC zelfs een film van te zien. Heel zoet. Onlangs bladerde ik er toch eens in. De tekst is handgeschreven. Ik vond hem moeilijk te ontcijferen. Maar wát ik kon ontcijferen bestond uit onbedaarlijke platitudes en clichés. Dingen die je eigenlijk niet kan lezen zonder verbaasd om je heen te kijken: ben ik nou gek geworden? Lezen mensen zo’n boek om in hun dagelijkse leven te leven naar die uitgekauwde platitudes en clichés? Vinden ze de plaatjes mooi? Ik ken iemand die een paar van die plaatjes, plus tekst, aan de muur heeft hangen. Elke keer als ik dat zie, moet ik lachen, waarop die iemand zegt: ‘Ja, ja, kijk er dan ook niet naar!’ En, maar weer eens in het kader van de Actie Eigen Schrijvers Eerst: je kunt Mackesy net zo makkelijk inruilen voor Toon Tellegen, die is oneindig veel subtieler. Vooral de ‘oudere’ Tellegen.

Dode snip en veerpont

In een rozenperkje (waarin de rozen al gesnoeid waren) aan de zijkant van de bibliotheek in Stadskanaal lag een dode snip. Waarschijnlijk tegen het raam gevlogen. Floris vond het erg interessant. Eerst rolde ze er wellustig in rond, daarna nam ze de vogel in haar bek. Onder veel gegrom kreeg ik hem uit die bek. Ik dacht: dit is best mooi om de lezing mee te beginnen. Maar ik vergat die dode vogel en zwatelde over allerlei andere zaken. Het was ‘goor weer’, zoals mijn moeder dat noemt: keiharde wind, regen, waterkoud. Binnen was het warm en erg vol, er moesten wel vijftien stoelen bijgesleept worden. Floris vernielde het herfststukje, dat vol lag met dennenappels. Maar dat was niet erg, vond ik, de tijd van herfststukjes ligt nu toch echt al lange tijd achter ons. Vreemd, die al gesnoeide rozenstruikjes, ons is geleerd dat te doen als de vorst zo’n beetje voorbij is. Begin april. In de auto, op de terugweg, dacht ik pas dat ik wel even had kunnen helpen met het opvegen van alle kapot geknauwde dennenappels. 

Na een jarenlange strijd door de bewoners van Sporenburg, het schiereiland waarop wij wonen, is natuurlijk toch de pontverbinding tussen dit schiereiland en de (toekomstige) Sluisbuurt tot stand gekomen. Als fietser mag je niet door de Piet Heintunnel, wat betekent dat je (zie kaart) een enorm eind om moet fietsen, via de Zuiderzeeweg over de voor fietsers best steile Amsterdamse brug, om op het Zeeburgereiland of IJburg terecht te komen. Vrijwel overal hingen posters achter de ramen met VEERPONT NEE! Want iedereen was bang voor verkeersinfarcten en gevaarlijke situaties, terwijl die pont uitsluitend voor wandelaars en fietsers is. Brommers moeten nog steeds over de brug. Wij zijn altijd voor geweest. Alleen blijkt nu die pont elke twintig minuten te varen en stopt-ie om 19:00 uur en in het weekend vaart hij helemaal niet. Als we bij Andrea en Michiel gaan eten, moeten we dus alsnog op de terugweg over die brug, terwijl de pont ons bij wijze van spreken voor onze deur af zou kunnen zetten. De kapiteins zitten ook vrijwel de hele dag met hun vingers te draaien want de overtocht zal zo’n vier minuten in beslag nemen. Hoe dan ook: Floris en ik gaan zo eens aan de andere kant kijken. De regens zijn eindelijk voorbij, de zon schijnt zelfs en we verwachten daar lekker veel zandvlaktes waar we met de bal kunnen spelen en misschien gaan we ook wel even bij de Oranjesluizen kijken. Die zijn, net als de Piet Heintunnel, al dik een jaar potdicht, waardoor je geen rondje meer kan lopen. 

Iedereen gaat het huisje van de ‘bekende schrijver’Gerbrand Bakker voorbij, behalve de driekoningenzangertjes

Onlangs reageerde ik naar aanleiding van een bericht op Twitter dat Jaap Scholten ergens voor zou gaan lezen uit zijn nieuwe boek dat ik altijd een beetje moet lachen om de omschrijving ‘De bekende schrijver…’ en dan dus in dit geval Jaap Scholten. Omdat daar dan feitelijk het tegendeel staat. Als je écht bekend bent, hoeft dat niet extra benoemd te worden. Je ziet het vaker wel dan niet in streekkranten, alsof de opsteller van het bericht de inwoners van de streek niet helemaal serieus neemt of, erger nog, niet bij de tijd vindt. Nu stond het over mezelf in een streekkrant in Groningen. ‘De bekende schrijver Gerbrand Bakker komt een lezing geven in Stadskanaal.’ En nog steeds kon ik erom gniffelen. Hoe vaak je achterop boeken of in aanbiedingsbrochures van uitgeverijen ook niet leest dat de betreffende schrijver ‘een van de bekendste/toonaangevendste/belangrijkste’ schrijvers van dit land is. Als je al die wervende teksten bij elkaar op zou tellen, blijven er erg weinig onbekende/onbeduidende/onbelangrijke schrijvers over. 

Afgelopen zondag kwamen de Sternesingers langs. Drie kindertjes onder begeleiding van Doris. Het zingen zelf is altijd wat ongemakkelijk, zeker nu ik nog in mijn pyjamabroek en met blote voeten in de deuropening stond. Daarna moet je geld geven en dat geld had ik bij elkaar geschraapt: een verzameling van 50-, 20- en 10-eurocentstukken. Dat moet in een geldkistje, via een gleuf. Het duurde me veel te lang dus ik probeerde, zittend op mijn hurken, in nog steeds die pyjamabroek, het geldkistje open te trekken. Maar dat zat stevig dicht met een tiewrap. Je kunt die lieve kindertjes niet vertrouwen. Dus ik moest muntje voor muntje door die gleuf wurmen. In de tussentijd vroeg ik maar eens voor welk goed doel er dit jaar gezongen werd. Voor de kindertjes in Indonesië, zei Doris. Goh, zei ik, wat leuk, Indonesië was ooit van Nederland. ‘Nee, echt?’ vroeg Doris. Ze plakte het verse 20*C+M+B*23 over het oude 20*C+M+B*22 heen. Daar gaat het natuurlijk om. Christus Mansionem Benedicat. Zelfs als je er niet in gelooft, is het altijd fijn en geruststellend.

Verder zijn alle, en dan bedoel ik ook werkelijk álle, afspraakjes sinds Kerst afgezegd. Met Kerst was de opvallendste wel dat zelfs de tweede keus, de vervangers voor de eerste eetafzeggers, een paar uur voor het feestmaal afzegden. Vervolgens is dat zo gebleven. Iedereen ziek, zwak of misselijk of anderszins niet in staat tot komen en eten. Is dat herkenbaar? Ik bedoel, overkomt jullie dat ook? En: is hiermee de toon voor 2023 gezet?

Chinezen en appelflappen

Vanochtend wilde ik een afspraak maken bij de huisarts. Ik deelde de dienstdoende mevrouw aan de receptie mee waar ik last van had: ‘Algehele belabberdheid.’ Dat leek me wel veelzeggend. Maar dat vond zij niet. Ze vroeg me het nog eens. ‘Algehele belabberdheid,’ zei ik nog maar eens. Nou, daar kwam ik niet mee weg. Aan het einde van het gesprek hing ze nogal geërgerd op. Wat een vermoeiend gesprek, zeg. Waarom zeggen mensen niet gewoon waar ze last van hebben?! Nou, dat snap ik wel: wellicht de meeste mensen die opbellen hebben er geen idee van wat hen scheelt. Ik kon – nadat ik een aantal ‘symptomen’ had verzonnen – trouwens meteen vanmiddag terecht, maar daar moest ik dan weer een stokje voor steken omdat ik me op vier uur autorijden van de praktijk bevond. Nou, dan 4 januari maar. Dat vond ik prima. In het nieuwe jaar. Een nieuw jaar, nieuwe kansen.

Iets heel anders: wat bezielt de Chinese overheid? Jarenlang complete steden – miljoenen mensen – van de buitenwereld afsluiten, dan ineens in één klap alles loslaten waardoor de ziekenhuizen daar overstromen van zieke mensen en meteen ook maar duizenden vliegtuigen vol Chinezen de wereld insturen? Niet eens vanuit immunologisch standpunt vind ik het bijzonder, meer vanuit een gevoelsmatig standpunt. Ik hoorde op het Journaal dat in een vliegtuig dat naar ik meen in Madrid landde 50% van de Chinese inzittenden besmet was. Als ik een complotdenker zou zijn, zou me dit voorkomen als een doelgerichte actie, want niet alleen in Madrid landen vliegtuigen vol Chinezen natuurlijk.

Bij de oliebollenkraam zojuist, net teruggekeerd uit het buitenland, met storm en regen om mijn hoofd, kreeg ik zonder te wachten twaalf appelflappen mee. ‘Ik had verwacht dat het hier veel drukker zou zijn,’ zei ik. ‘Tja, het weer hè.’ Ik mocht ze niet in de koelkast doen. Dat is een tip die ik iedereen hier op de valreep nog even meegeef: stop je appelflappen en oliebollen niet in de koelkast, maar bewaar ze op kamertemperatuur. Bederven zullen ze niet, maar de kou van de koelkast bederft wel enigszins de smaak. ‘Nog iets?’ Ja, zei ik, doe ook nog maar twee krentenbollen. Die hebben we net op. Ze waren erg lekker. Vanavond mogen we uit de Kwalitaria eten, dat is altijd zo als we uit de Eifel terugkomen. Patatje curry en twee vegetarische kroketten.

Ik wens iedereen die dit leest, en ook iedereen die dit niet leest, een fijne overgang en een goed begin van 2023. Het zal mij benieuwen.

Kom maar op met die loden Loekies

In de gebruikelijke jaarlijkse brij van misselijkmakende kerstreclames spannen er wat mij betreft dit jaar twee de kroon. De eerste is van supermarkt Plus. Die heeft te maken met het in ons huishouden ontbreken van kinderen. Daar zijn wij best tevreden over en het maakt dat je over kinderen van alles kunt vinden en zeggen; dingen die – zo denk ik weleens vals – ouders misschien ook best eens zouden willen zeggen of vinden, maar dat niet doen omdat ze daarmee meteen hun eigen kinderen in een kwaad daglicht stellen. Deze speelt in op een eigenschap van kinderen die mij woedend maken kan: alles draait om mij. Een puberzoon komt thuis en ziet zijn moeder met een nieuwe man zoenen. Vader is overleden. Zoon in alle staten. Hij staat in één scène zelfs keihard zijn moeder uit te kafferen. ‘Smerig, vuil, egoïstisch rotkind!’ denk ik dan. Jij hebt je helemaal niet te bemoeien met het liefdesleven van je moeder! Zonder die moeder was jij er niet eens geweest! In films kom je ze ook nogal eens tegen, die pubers die het (liefdes)leven van hun ouders vergallen. Heel vermoeiend allemaal. Vooral ook omdat iedereen zijn of haar uiterste best doet om het goed te maken terwijl je natuurlijk zo’n rotpuber gewoon een paar jaar lang in de stront zou moeten laten zakken. Uiteindelijk komt het in deze Plus-reclame mierzoet goed.

Dan de Lidl. Thomas Acda is vervangen door Alex Klaasen. Die speelt een jonge man uit Drenthe die in het appartement van Thomas Acda is getrokken. ‘Nee, ik ben nog vrij,’ zei hij in het Drents in de Sinterklaasreclame schalks tegen sinterklaas. Maar sinterklaas ging blijkbaar niet in op zijn avances, want nu, een paar weken later, is er ineens sprake van ‘een relatie’ met ene Manuel. Lidl doet overduidelijk zijn best om woke te zijn. ‘Laten wij die arme homo’s eens een steuntje in de rug geven deze kerst,’ hebben ze aan de reclametafel bedacht. Dat Alex Klaasen zich hiervoor leent, vind ik al onbegrijpelijk, maar deze reclame doet echt alles fout wat je fout kunt doen. Die quasi-boze blik van de Drentse vader vlak voordat hij Manuel welkom heet! (Lidl wil dubbel-woke zijn want deze Manuel heeft iets ‘buitenlanderigs’.) Sowieso dat dialect! Provinciaaltjes komen naar de grote stad om kerst te vieren! En dan blijken ze heel ruimdenkend te zijn! Geweldig! Nu leert iedereen in heel Nederland hoe je zo’n uiterst pijnlijke situatie de baas kunt zijn! Mijn zus, zo vertelde ze me gisteren, schreeuwt naar de tv: ‘Praat eens normaal man! Zo praat jij helemaal niet!’ Uiteindelijk komt het neer op mijn aloude punt: zo gauw je homoseksualiteit thematiseert is het een thema. Dat klinkt als een cirkelredenering, ware het niet dat bij thema al snel de notie ‘probleem’ zich aandient. Ook in deze reclame dus. Zet die Manuel gewoon aan de kerstdis en bedenk een ander verhaaltje. Het is geen 1968! Het is 2022. ‘Wij hebb’n ook Instagram.’ Goh mam en pap, doar sta ik noe echt van te kiek’n.

Voor mensen die geen tv hebben: op de youtube-kanalen van Plus en Lidl zijn de reclames te zien. Ik snak inmiddels alweer naar 1 januari.

Een groot ding

Grote dingen komen hier niet tot nauwelijks langs, dat zullen jullie de afgelopen jaren wel gemerkt hebben. Grote dingen houd ik het liefst een beetje bij me weg omdat het enige wat ik kan doen het gratuit ‘vreselijk’ vinden om er vervolgens niets aan te kunnen veranderen. De oorlog in Oekraïne, het nieuwe pensioenplan, het klimaat, de biodiversiteit. Dat soort dingen. Nu merk ik bij mezelf dat ik de toestanden in Iran lastig langs me heen kan laten gaan. Ik vind dat écht heel erg en elke dag word ik eraan herinnerd omdat ik in mijn Twitter-tijdlijn van alles langs zie komen. Die en die opgepakt, die en die opgehangen. Opgehangen, stel je dat toch eens voor, alsof ze daar in de Middeleeuwen zijn blijven steken. En je (ik) kan er niets aan doen.

Ik ben er geweest. Dat betekent niet dat je een land kent, maar ik heb er wel ooit twee weken lang tussen de mensen doorgebracht. Ik was er niet op vakantie, ik was er aan het werk. En ik werkte met allerlei verschillende mensen en kinderen. Ik ontdekte belangrijke dingen, zoals het verschil tussen sjiieten en soennieten, ik begreep ineens die oorlog met Irak (soennieten); in de jaren die volgden hield ik dat een beetje in de gaten en vaker wel dan niet, véél vaker wel dan niet (ja, ik generaliseer), werden de sjiieten aangevallen of opgeblazen door soennieten in allerlei moslimlanden; ik zag dat er wat betreft onvrede en de wens de boel te veranderen niet de gebruikelijke kloof was tussen jong en oud omdat ‘oud’ tot 1979 in een compleet ander land woonde; als ik in het zwembad vertelde dat ik ‘niets’ was, niet eens ‘christelijk’, werden vrolijk schouders opgehaald en werd ik niet – zoals eerder in Marokko gebeurde – bijna gestenigd omdat ik een heidense hond was. Ik zat in taxi’s waarin illegaal bepaalde muziek gedraaid werd, ik werd roekeloos verliefd op twee jongens in de koffieshop waar we elke dag kwamen, maar weerstond de verleiding dat uit de hand te laten lopen (hoewel ik me wel steeds afvroeg: ‘Ze zullen toch geen Hollander ophangen?’); ik kwam er terecht in een beangstigende spontane demonstratie omdat er mensen waren die dachten dat de twaalfde imam die dag vanuit Amerika (nota bene) aan zou komen en ik vluchtte, toen er werkelijk tienduizenden mensen uit alle hoeken en gaten van Teheran tevoorschijn kwamen, een boekwinkel binnen omdat je in een boekwinkel, waar ook ter wereld je bent, veilig bent.

Ik vond de Iraniërs ontzettend fijne mensen en ik zag en voelde in die twee luizige weekjes het enorme verschil tussen het dagelijkse leven en dat wat daarboven gesteld is. Een enorme onderstroom en een heel smalle bovenstroom. Ik begrijp ook wel dat ik heel veel níet gezien heb, maar het gaat hier nu even over mijn gevoel. Ik maakte meerdere keren de bizarre toestand mee dat je achter metershoge diplomatieke muren bevindt, waar iedereen alles van zich afgooit, waar drank geschonken mag worden en waar in zwembaden drijvende kaarsjes dobberen. Waar dat dagelijkse leven van sommige Iraniërs voor even écht vrij werd. Ik stapte, werkelijk waar, huilend in het vliegtuig dat ons terug zou vliegen naar Amsterdam. Iran is niet Iran, Iran is de ayatollahs. Als er in de krant staat: ‘Iran dit of dat’, dan gaat het niet over het volk. Dat is voor ons best lastig voor te stellen. Ik ben Mark Rutte en Mark Rutte is mij, bij wijze van spreken. Als mij iets niet bevalt, schrijf ik dat op een laken en posteer ik me aan de rand van de Hofvijver. Niks aan de hand. Dat nu in dat land, niet eens zo bizar ver hier vandaan, zeven uur vliegen maar, voornamelijk jonge mensen opgehangen worden voor minder dan met een geschreven protest op een laken voor een overheidsgebouw gaan staan, vind ik onverdraaglijk. Maar ik heb geen idee wat ik eraan kan doen.

In één mens

Onlangs was ik op de burelen van De Arbeiderspers. Eén van de fijne dingen van schrijver zijn en op zulke burelen te komen, is dat er altijd wel iemand zegt: ‘Zoek maar wat uit, hoor,’ wijzend op een kast met boeken. Ik haalde er een John Irving tussenuit. Eén die al tien jaar oud is, In een mens (In one person). [Ik weet dat ‘één’ min of meer afgeschaft is, maar bij de vertaling van de Engelse titel is de beklemtoning toch wel handig.] ‘Neem dan de nieuwe mee!’ kreeg ik te horen. Maar dat wilde ik dan weer niet, misschien dacht ik: beter een stukje terug in de tijd beginnen, wie weet lees ik vervolgens door. Vroeger, toen alles mooier, beter en makkelijker was, verslond ik de boeken van John Irving. Ik denk dat ik minstens 25 jaar geen boek van hem gelezen heb, de laatste zal Weduwe voor een jaar geweest zijn.

Aan de ene kant word je gek van hem: die tijdsprongen, die uitweidingen, dat geworstel (letterlijk: de sport), die geobsedeerde, wat verwrongen kijk op seks (altijd enorme leeftijdsverschillen, op het randje; bijna altijd incest), die terzijdes tussen haakjes. Ik was bang dat ik het een bladzijde of veertig vol zou houden. ‘Ik probeer het nog één avond,’ zei ik ettelijke avonden tegen M. (die heerlijk De buurman lag te lezen of Bij twijfel hard zingen). En toch heeft hij me weer te pakken. Naarmate ik het einde nader (hij zal ook nooit eens een boek van 200 bladzijden schrijven), lees ik door alsof ik marsepeinen aardappeltjes aan het eten ben. Het is lekker, maar altijd ligt ook de kans op misselijkheid op de loer. Vaker wel dan niet zijn zijn hoofdpersonen als Kuifje: op de een of andere manier worden ze overvleugeld door de andere personages en tóch zijn het échte hoofdpersonages. En als je eenmaal, zoals ook nu, gewend bent aan het oeverloze, blijft er een rond verhaal over, vooral ook omdat hij erin slaagt om de allerkleinste draadjes bij elkaar te houden.

Hij heeft eens iets gedaan waarvan ik dacht dat dat niet kon of mocht. Iets wat ik nooit vergeten ben, al vraag ik me nu wel af in welk boek dat gebeurde. Ik gok op Hotel New Hampshire. Ja, dat zal ‘m zijn, want daarin verkast een heel gezin van Amerika naar Wenen en dat doen ze met een vliegtuig natuurlijk en ze vliegen niet met z’n allen samen, maar in twee ploegen. Irving verzwijgt in dat boek misschien wel honderd (100) pagina’s lang dat één van de ploegen niet in Wenen aangekomen is omdat hun vliegtuig is neergestort. Je weet het gewoon niet. Dat vond ik magistraal. Als ik het me goed herinner, komt daarbij ook de hond van het gezin om het leven. Vreselijk. En al die tijd de lezer in het ongewisse laten.

Ik vermoed dat Elisabeth Strout een fan is van John Irving. Ik las nog nooit een boek van haar, maar we zagen de afgelopen dagen de miniserie die in 2014 van Olive Kitteridge is gemaakt, uitgezonden op HBO-Max. Daar keek ik naar alsof ik marsepeinen aardappeltjes aan het eten was én het speelt in Maine. Mogelijk vermoed ik het daarom. Een aanrader, trouwens. Mede vanwege Frances McDormand en Richard Jenkins.

Klinkt als…

Ik stond zojuist bij de kassa van de plaatselijke Bruna Bij twijfel hard zingen en het Literair Juweeltje van Gerda Blees af te rekenen toen bij de tweede kassa een mevrouw een vraag stelde. Ze vroeg naar het laatste boek van die schrijfster van Het zoutpad omdat ze ‘veel te benauwd’ was om zelf op zoek te gaan. Ze liep achter een rollator. Pal achter mij – het is bij onze Bruna altijd nogal vol en druk – stond een medewerkster tussen kartonnen dozen dingen uit te pakken. ‘Landmijnen!’ riep ze. ‘Nee, joh,’ zei ik. ‘Landlijnen.’ Ze keek me kort aan om te zien met wie ze te maken had en zei toen: ‘Nou, ja, klinkt als…’ Waarop ik weer zei: ‘Nou ja, met jouw titel waren we er wel meteen vanaf.’ Die uitspraak trok dan weer de aandacht van de jongen achter de toonbank die mijn boeken aan het inpakken was (Francis van Broekhuizen is voor M., die vindt haar erg leuk). ‘Is het uitmelken?’ vroeg hij. ‘Nogal,’ zei ik.

Deel 1 vond ik prima, al was de premisse niet uitgekomen, die man van haar leefde nog steeds. Nou, hop, een tweede deel, weer over die nog steeds doodzieke man. Wegens succes verlengd. Wéér niet dood. En bovendien: het succes was haar dusdanig naar het hoofd gestegendat ze in het tweede boek nogal wat wat goeroe-achtige trekjes vertoonde op niks af. Landmijnen laat ik dus maar aan me voorbijgaan, want in dat deel ondernemen ze de langste tocht ooit, ziek als die man is. Ik geloof er allemaal helemaal niks meer van.