Biograferen [Trouw 2.2]

De laatste Voskuil die ik las, was Requiem voor een vriend. Ik heb nu, op Het Bureau na, alles weer eens gelezen. En hoewel ik donders goed weet dat je dat wat er in een boek staat niet één op één mag verbinden aan de schrijver van het boek, ben ik nu toch wel écht van het idee af een biografie over Voskuil te willen schrijven. Dat kwam vooral omdat ik in Requiem voor een vriend ‘Tante Gert’ tegenkwam. Tante Gert komt ook voor in de wandeldagboeken, ze woont ergens in Engeland, is heel oud en de ik en L. bezoeken haar telkens wanneer ze in Engeland op vakantie gaan. Onduidelijk was van wie Tante Gert een tante was en ze is in de wandeldagboeken een vage figuur, van wie je niet eens weet of ze Engels of Nederlands spreekt. De tv staat altijd heel erg hard bij haar, want ze is stokdoof. Het wordt duidelijk in het boek dat Voskuil over zijn vriend ‘Jan Breugelman’ schreef. Of las ik het nou in De moeder van Nicolien? Hoe dan ook: ik kreeg meer informatie over Tante Gert en daardoor kon ik met terugwerkende kracht een puzzelstuk toevoegen aan de wandeldagboeken. Als je alles wat hij geschreven heeft chronologisch zou rangschikken, heb je al snel een heel leven te pakken. Vooruit, een gefictionaliseerd leven, maar dan wel een zeer sterk autobiografisch gefictionaliseerd leven.

Het enige wat je als biograaf zou kunnen doen is de werkelijkheid van de fictie te scheiden. En snel Lousje Voskuil bezoeken. Misschien nog wat medewerkers van het P.J. Meertens Instituut te spreken zien te krijgen. Een afspraak maken met Detlev van Heest. Maar dan nog: waarom zou je een biografie over iemand schrijven terwijl de schrijver zelf zijn uiterste best gedaan heeft zijn leven weer te geven zoals hij het in zijn boeken weergegeven heeft? Is dat niet genoeg? Moet je dat niet respecteren?

Ik las de biografie van Van Oorschot van Arjen Fortuin. Geweldig boek. Ook daarin komt Voskuil voor, en Voskuil schreef in Onder andere zelf een verhaal over Geert van Oorschot. Als je Frida Vogels leest, zal je Voskuil ook tegenkomen. Ik schrijf ‘zal’, omdat ik er nooit in geslaagd ben tot het werk van Vogels door te dringen, wat een nette manier is om te zeggen dat ik haar niet gelezen heb omdat ik het onleesbaar vind. Kruisbestuiving van alle kanten. Is het niet veel leuker voor lezers om door het lezen van verschillend werk verschillende pionnen in een schaakspel beter te leren kennen? Want Frida Vogels, op haar beurt, zit ook in het werk van Voskuil, onder de naam Henriette Fagel. Een geïnteresseerde lezer kan zélf een biografie van Voskuil samenstellen door werk te lezen waarin hij voorkomt.

Momenteel lees ik Earthly Powers van Anthony Burgess. Dat boek las ik meer dan twintig jaar geleden voor het eerst. Een nep-autobiografie, want de schrijver Kenneth Toomey die Burgess beschrijft heeft nooit bestaan. Maar wat hij doet is Toomey allerlei herinneringen laten ophalen aan échte, al dan niet dode, schrijvers. Een personage dat omgaat met werkelijk bestaande personen. Dat is verwarrend voor een lezer, al snel krijg je het gevoel dat Toomey ook een werkelijk bestaand persoon is. Ik houd erg van biografieën, ik houd ook erg van nep-(auto)biografieën. Atte Jongstra heeft het gedaan met De avonturen van Henry II Fix. Die Fix heeft nooit bestaan, maar de in de geschriften optredende Rhijnvis Feith bestond wel degelijk, waardoor je onwillekeurig denkt met een werkelijke autobiografie van doen te hebben. Het voordeel voor een schrijver: je kunt alles uit je dikke duim zuigen en research is overbodig.

‘Give the man a contract!’ [Trouw 19.1]

In deze krant las ik onlangs in de rubriek Personalia dat de roman Wees onzichtbaar van Murat Isik een tv-serie wordt. “Het verhaal van de Zaza-Turkse familie Mutlu tegen de achtergrond van het verval van de Bijlmer vormt een ‘geweldige basis’ voor een serie, vindt Idse Grotenhuis van [producent] Topkapi.” Dat klinkt mooi en maatschappelijk betrokken. Maar ik vermoed dat het slot van het stukje dichter bij de waarheid (lees: de reden voor verfilming) komt: “De roman ging al meer dan 135.000 keer over de toonbank.”

Een tv-serie of film maken van een onbekende roman gebeurt niet zo vaak. De titel moet een belletje doen rinkelen en als er bij duizend mensen een belletje rinkelt of bij 135.000, maakt dat nogal een verschil. Kijkcijfers en aantallen bioscoopbezoekers zijn belangrijk. Murat Isik is momenteel hot, vanwege de Libris Literatuurprijs, vanwege de enorme verkoopaantallen. Dát zal de reden zijn voor producent Topkapi om er in te springen. Maar zoiets zeg je natuurlijk niet als een krant je vraagt te reageren op het nieuws. Dan zeg je iets over de inhoud van het boek, de relevantie ervan, de maatschappelijke impact. Punt is natuurlijk wel om al die aandacht en bekendheid die er nú is, zo snel mogelijk uit te buiten. Als die tv-serie nog jaren op zich laat wachten, zal de aandacht weggeëbd zijn.

Ik heb me over het verfilmen van Boven is het stil nooit illusies gemaakt. Ik begreep ook wel dat de aandacht die er ooit was voor het boek de belangrijkste reden was om van het boek een film te maken. Ik meen me te herinneren dan er toentertijd 70 of 80.000 bioscoopbezoekers naar de film gegaan zijn. Dat is veel voor een filmhuisfilm. Misschien hadden de producenten op meer bezoekers gerekend, maar de film kwam uit in 2013, zeven jaar na het verschijnen van het boek. Opvallend was dat de film in Duitsland, waar hij al snel ging draaien, volledig geflopt is. Terwijl ook in Duitsland ik weet niet hoeveel exemplaren van Oben ist es still zijn verkocht. Zo zie je maar weer: je kunt geen succes maken. Dat ontstaat. Of niet. Alleen daarom al past het je als kunstenaar, zelfs bij een mega-succes, altijd nederig te blijven.

Ik hoorde in De slimste mens Maarten van Rossem zeggen: ‘Ik heb een tip: als je een boek goed vindt, ga dan nooit naar de verfilming ervan.’ Dat ben ik niet helemaal met hem eens. Je zou als lezer/kijker onderscheid moeten maken tussen beide kunstuitingen. Je moet in elk geval proberen het boek los te laten als je naar de film zit te kijken, en dan de film op zijn eigen merites beoordelen. In de tijd dat Boven draaide, hoorde ik van mensen dat ze niet gingen omdat ze ‘het boek niet kapot wilden laten maken’. Ik begreep dat niet. Het boek blijft toch het boek? Waren ze bang dat de verfilming het oordeel over het boek op hun figuurlijke harde schrijf zou overschrijven? Dan hadden ze toch erg weinig vertrouwen in hun eigen verbeeldingskracht.

De mooiste boekverfilming blijft voor mij Death in Venice. Ik durf zelfs te zeggen dat de film beter is dan het boek. Vanwege één briljante draai: Visconti maakte van de schrijver Von Aschenbach een componist en gebruikte muziek van Mahler als filmmuziek, die daardoor binnen- en buitenbeeldse muziek werd, waardoor vaag bleef of Dirk Bogarde ter plekke de muziek zat te componeren of dat alleen wij het hoorden. Hierbij hoort volgens de overlevering de uitroep van een van de producenten van de film: ‘Who wrote this music? Give the man a contract!’ Death in Venice kwam uit in 1971.

Concurrentie [Trouw, 5.01.2019]

Ik ben hier in de Eifel niet de enige schrijver. Er is collega Pauline Slot en er is natuurlijk Jacques Berndorf, pseudoniem van Michael Preute. Die schreef ik weet niet hoeveel zogenaamde Eifel-krimi’s en is daar schathemeltjerijk mee geworden. Er zullen er vast meer zijn, schrijvers bedoel ik. Eén daarvan is sinds kort Anja Krabben. Zij en haar man wonen in een dorp hier in de buurt. Ik ken Anja niet persoonlijk. Waarschijnlijk heeft dat te maken met wat er op bladzijde 136 van Een huis in de Eifel staat: “Als er iemand kan vertellen hoe je het beste met een Eifeler tuin kunt omgaan […] dan is hij dat, dacht ik heel logisch en stuurde hem een mail met de vraag of ik hem mocht interviewen over tuinieren in de Eifel. Maar helaas. ‘Ik laat deze beker graag aan mij voorbijgaan… Daghoor!’ mailde hij terug. Jammer. Zijn huis in de Eifel blijkt niet eens zo ver bij dat van ons vandaan te staan, slechts 17 kilometer, een kwartiertje rijden. (Ik ben het stiekem van buiten gaan bekijken, maar durfde niet te stoppen met de auto om té opzichtig zijn tuin te bewonderen.”

Tja, dat doe ik weleens. Dingen weigeren. Zo ben ik. Toch was Anja zo vriendelijk om me een exemplaar van haar boek toe te sturen. Het punt met zulke boeken (een soort Ik vertrek op papier) is dat ze vaak slecht geschreven zijn en dat ze vol staan met hoogst persoonlijke ditjes en datjes die eigenlijk alleen voor de schrijver zelf en direct betrokkenen boeiend zijn. Beide zaken zijn bij dit boek niet aan de orde. De schrijfstijl is prima en op de een of andere manier vormen de hoofdstukken, over heel uiteenlopende onderwerpen, een mooie samenhang, en is dit boek zeker niet alleen voor intimi. Ik kom er nogal eens in voor, er wordt geciteerd uit Trouw-columns of Jasper en zijn knecht. Daar schrik ik niet van, want Anja heeft dat keurig gevraagd. Een aantal andere Nederlandse Einwanderer heeft de beker niet aan zich voorbij laten gaan en tot mijn verrassing kwam ik de ‘jonge boer met de grijze ogen’ tegen. Zo noemde ik hem eens op mijn blog, nadat ik hem voor het eerst ontmoet had, waarop iemand die dat heel romantisch vond reageerde met: ‘Daar gaan we vaker van horen!’ Nee, dus, maar nu, via Een huis in de Eifel, toch weer wel.

Krabben duikt overal in: een hoogoplopend conflict tussen een Nederlandse boer en de burgemeester van het dorp, de man van wie de Hollandse boer de boerderij kocht, de vulkanen en de vulkaanmeren (de zogenaamde Maren), de fauna in het gebied, Nora Pfefferkorn, die duizenden ‘alledaagse’ foto’s nam van het leven in de Eifel, de aard van de huizen, motorrijders (Anja houdt daar wel van), beer Mike van de Eifel Zoo, de Duitse wouden.

Maar was vooral fijn is, zijn haar observaties van de Eifelers. Zij schrijft op wat ik zelf ook vaak opmerkte. Dat ze bijvoorbeeld niet van zoenen houden; dat het hondsmoeilijk is een Eifeler in je huis te krijgen, terwijl ze het leuk vinden als je bij hen op bezoek gaat; dat ze enorm behulpzaam zijn; dat ze gesloten en niet erg uitbundig zijn (maar winkelpersoneel is dan weer bijna overal uitzonderlijk vriendelijk) en dat het ons Nederlanders vaak verbaast hoe laks de werklui zijn die iets in of aan je huis zouden komen doen. Zo wachten Anja en haar man al twee jaar op een houten beeld van een paar marters dat gemaakt zou worden door een Eifeler ‘kettingzaagkunstenaar’. De in onze beleving Duitse Gründ- en Pünktlichkeit lijkt aan de Eifelaars voorbij gegaan te zijn.

15 december

Droog vriesweer. Bewolkt weliswaar, maar dat geeft niet. Eindelijk hebben de mussen die in de tuin van Herbert en Christin zitten door dat er bij mij ook iets te halen valt, meer dan alleen havervlokken. Zenuwenlijders zijn het, bij het minste geringste vliegen ze allemaal tegelijk op. Ik heb eindelijk de fout gemaakt waar ik op zat te wachten: bij het online kopen van een treinkaartje op de website van de DB kan er makkelijk iets misgaan. Gisteren pas zag ik dat de afreisdatum 16 december was en niet, zoals ik bedoeld had, 15 december. Geeft niet, er staat morgen niets op het programma in Amsterdam en er is voldoende eten, drinken en te roken in huis. Ook is er meer dan genoeg hout, en ik stook alle drie de kachels. Buurman Klaus maakt het niet uit of hij me vanmiddag of morgenmiddag naar Densborn brengt. Ja, nog steeds die sukkel zonder rijbewijs, maar ook iemand die ziet dat mensen het fijn vinden om een ander te helpen. Ik bedoel: je kunt je er schuldig of lullig om voelen, maar je kunt ook domweg dankbaar zijn en het accepteren.

Overmorgen staat er pas iets op het programma. Dan wordt mijn moeder 84 jaar. Ik ben sinds augustus niet meer in Wieringerwaard geweest. Dat ging niet. In de tussentijd heeft mijn vader twee keer in het ziekenhuis gelegen, maar dat is allemaal gelukkig goed gekomen. Ha, nu rijdt de Schrotthändler voorbij, zijn bel klingelt. Ik heb geen oud ijzer, ik kan hem niet helpen. Ik heb hier de hele week alleen gezeten. In de zin van zonder slapers. Buren Rinus en Lien zijn bonensoep komen eten, Klaus drinkt hier regelmatig koffie, buurman Herbert klopt elke dag wel aan de deur, ik zat bij Christa in de keuken, ik reed met Pauline Slot naar de Globus waar ik zoals gewoonlijk allerlei overbodige dingen kocht en elektricien Lothar kwam geld halen voor een klus die hij maanden geleden deed. Alles rommelt weer lekker gewoon door. Ik ben aan het schrijven, elke dag. Ik probeer de afgelopen drie maanden te vatten. Nu pas, achteraf; zelfs drie weken geleden was schrijven nog onmogelijk. Dat is vreemd, zelfs ik zelf vraag me nu al af waarom dat dan precies onmogelijk was. Dat vatten, dat beschrijven, zonder metaforen.

Ik heb zin in sneeuwklokjes. Ze kwamen al de grond uit, maar nu heeft de vorst ze in de wacht gezet. Sneeuwklokjes, winterakonieten, krokussen, sneeuwroem, narcissen en tulpen. En na al die bolgewassen de muur stucen en schilderen. Maar eerst vanmiddag worldcup schaatsen in Heerenveen. Ik kan het allemaal zien sinds ik de app van Ziggo op mijn iPad zette.

Lees Voskuil! [Trouw 8.12.]

Ik herlees Voskuil. Dat is waar ik momenteel behoefte aan heb. Ik wil geen moeilijke boeken, ik wil geen boeken waarin akelige dingen gebeuren, ik wil boeken waarin niets gebeurt en waarin de taal zalvend is. Troostend. De boeken van Voskuil als troostlezen. Ver hoeft ik niet te reiken: ik heb ze allemaal. Het Bureau staat in de Eifel, daar kan ik nu – in Amsterdam – even niet bij. Maar alleen al het idee dat dat monumentale werk daar rustigjes op me staat te wachten, in een schrijfkamer die niet betreden wordt en waar het, zo schat ik, een graad of zeven is, is al genoeg. Elke avond zullen de ruggen van de zeven delen zacht belicht zijn, ik bracht onlangs de kerstverlichting (de zogenaamde Weihnachtslichtschlaug) op orde en sloot hem aan op een tijdschakelaar, zodat-ie van kwart over vijf tot kwart over elf brandt. Dat is gezellig voor de buren die hoger op de berg wonen. Dan is het alsof ik daar ben.

Vooral de drie wandeldagboeken, Terloops, Buiten schot en Gaandeweg zijn, om zijn eigen woorden te gebruiken, meesterlijk. De hoofdpersoon en zijn vrouw L. op pad, van 1957 tot 1992. Ze ergeren zich allebei aan alles en iedereen. Andere wandelaars, het veel te warme weer, onvriendelijke hoteliers, het slechte eten. Ze redden slakjes van het pad en smullen ’s avonds van een kalflevertje. Ze zien hoe beestachtig dieren behandeld worden op marktjes op stoffige Franse dorpspleintjes en eten ’s avonds lekker een biefstukje. Ze hebben voortdurend hoofdpijn of ‘last van het hart’, zijn verkouden, beroerd en hondsmoe, ze zijn in of uit hun humeur. Geweldig. Ik was vergeten dat ze niet alleen in Frankrijk gewandeld hebben, maar ook in Engeland, Wales en Schotland. Drie van die langeafstandswandelingen heb ik ook gedaan, ooit. Offa’s Dyke Path, de West Highland Way en het Pembrokeshire Coast Path. Niets van wat ik las bracht me terug naar die tochten, op af en toe een plaatsnaam na. Zo zie je maar weer hoe literatuur en herinnering zich tot elkaar verhouden. Wat de ene schrijver ziet en opmerkt, gaat aan de andere schrijver volstrekt voorbij.

Ik schreef jaren geleden in Tirade een stuk over deze wandeldagboeken. De slotconclusie was dat ik blij was dat ik ze uit had, want veel meer had ik niet kunnen hebben. Ik kreeg toen een brief van Lousje Voskuil. Dat ze dat nou zo ‘aardig’ vond, dat ik zo kritisch had gelezen. Ik probeerde die brief terug te vinden, ik wéét dat ik hem, samen met een tweetal brieven van Arthur Japin, op een speciale plek opgeborgen heb. Maar zoals zo vaak met speciale plekken, blijkt die té speciaal te zijn geweest.

Je vraagt je af hoe mensen zo onverdraagzaam kunnen zijn. Onverdraagzaam en ronduit racistisch. Voskuil heeft het vaak over ‘negers’, en dan vrijwel altijd in één adem met Algerijnen. Bedreigend zijn ze, en luid. Ik herinner me een geërgerde uitspraak van Nicolien, in Het Bureau: ‘Moeten die Surinamers altijd zo luid zijn?’ Positief punt is dat Voskuil het allemaal wel gewoon opschreef. Ik bedoel: hij maakte van zichzelf in zijn boeken – of hij zich nou verschool achter Maarten Koning of als een ‘ik’ optreedt – niet een aardiger of beter mens. Hij onderzocht. Hij analyseerde voortdurend zijn eigen denken en doen. In Onder andere staat deze zin: ‘[…] Vergeten worden, voor wie daarvan weet te genieten, [is] iets heel moois.’ Hij doet deze uitspraak terwijl hij tweeënhalf uur op Station Baarn zit te wachten omdat zijn fiets tijdens de spits niet in de trein mag. Ik weet heel zeker dat die uitspraak op hemzelf slaat. Maar ondanks dat: lees Voskuil!

Abdolah en Dautzenberg [Trouw 24.11]

Ik ga zelden tot nooit naar lezingen van collega’s. Ik vermoed dat dat voor de collega’s ook geldt. Wat heb je er te zoeken? Je kijkt naar jezelf, ergens. Je ziet wat ze doen, hoe ze dingen zeggen, hoe koket of juist niet ze zijn, je hoort ze vertellen hoe ze een boek schrijven en dat weet je zelf ook wel en tegelijkertijd zie en hoor je jezelf daar zitten en dat leidt al snel tot minstens schaamte. Twee keer bezocht ik – ik heb nu geen flauw idee meer hoe dat zo kwam – vlak achter elkaar een lezing van collega Kader Abdollah. De eerste keer was ik diep onder de indruk. Hij vertelde dat hij van alles vergeten was en daarom niet zou spreken over zijn laatste boek, maar een beetje in het wilde weg zou vertellen. Ik dacht dus een volstrekt geïmproviseerde lezing bij te wonen en dat deed hij geweldig. De zaal zat stampvol en iedereen vond het geweldig. Niet veel later dan twee weken later ging ik opnieuw, ergens anders natuurlijk. Tot op de seconde hetzelfde. Ik wist niet wat ik meemaakte en ik voelde me bekocht.

Later sloeg dat om en veranderde het bekochte gevoel in bewondering. Hij heeft een programma, zo simpel is het. Zoals cabaretiers een programma hebben of muzikanten. Die doen ook altijd hetzelfde en het is helemaal niet de bedoeling dat je daar twee keer vlak achter elkaar heen gaat. Nou ja, bij muziek ligt dat anders, muziek kan soms altijd. En hoewel ik het over het algemeen leuk vind om een lezing te geven, vreet het ook energie. Dat komt omdat ik geen programma heb. Elke lezing is volstrekt anders, afhankelijk van waar het is, hoe de stemming in de zaal is, hoe ik me voel, allerlei factoren. Kader ondervangt dat door een programma te hebben. Hij komt, werkt en vertrekt. Vandaar de bewondering. Ik denk dat ik dat niet zou kunnen omdat ik dan veel zenuwachtiger zou zijn voor een lezing, angst zou hebben tekst kwijt te raken, als bij een toneelstuk. Een lezing in het buitenland vind ik trouwens altijd makkelijker, domweg omdat je in een vreemde taal spreekt en als je een vreemde taal spreekt ben je nooit helemaal jezelf. Losser is het vaak. Of alsof iemand anders het doet.

Vorige week bezocht ik weer eens een lezing van een collega. Anton Dautzenberg had me gevraagd te komen en als iemand me vraagt te komen ben ik meestal niet te beroerd om aan die wens te voldoen. We spraken voor de lezing – op zondagmiddag – af in een kroeg. Ik dronk een oude Rutte. Anton dronk twee glazen muntthee. De lezing was in een tamelijk deftig hotel aan een Amsterdamse gracht. Er kwamen nette mensen binnen, mensen die na de lezing thuis nog Podium Witteman zouden gaan kijken, denk ik. Gelukkig hielden Alma Mathijsen, de interviewster, en Anton zich in, al ging het al snel over anussen omdat Alma zich een anus voorstelde bij het woord ‘gloppenhol’. Zo omschrijft Anton zijn zitkamer in zijn Privédomeindeel. Het was prima te doen. Natuurlijk hoorde ik Anton dingen zeggen die ik hem eerder had horen zeggen, gewoon aan mijn keukentafel. Maar ach, is dat erg? Niet echt, het gesprek duurde zo’n vijftig minuten, de mensen mochten nog vragen stellen. Dat deden drie mensen. Anton antwoordde en daarna waren er gratis champagne en hapjes in de lobby, waar welgeteld één boek verkocht werd. Buiten was het inmiddels donker geworden en erg koud. Ik nam een laatste hapje, zoende Anton en fietste naar huis. Een welbestede, culturele middag, dacht ik ter hoogte van de Munttoren. Moet ik vaker doen.

Willoze wespen

Achter het huis staat een appelboom. Toen ik hier kwam, hing de toen nog tamelijk kleine boom scheef, verdrukt door andere bomen, op zoek naar ruimte en zonlicht. De andere bomen verdwenen, appelboompje bleef en ik bond een dik touw tussen de stam en een beuk. Daarmee trok ik hem min of meer recht trok. Dat wil zeggen: de stam, alle takken bleven zuidwaarts neigen. Ik snoeide hem zo nu en dan en zo langzamerhand lijkt het erop dat ik ooit een boom met een min of meer normale kroon ga krijgen. De appels zijn niet te vreten, dat is jammer. Kleine, groene dingen zijn het, met erg weinig smaak en erg sappig zijn ze ook niet. Geen idee hoe de appel heet. Het zijn er wel héél erg veel, bizar veel zelfs. Momenteel vallen ze af. Dat hij er nog staat, is omdat hij zo prachtig bloeit in het voorjaar.

Eergisteren toog ik naar achteren om die appels te verzamelen in een emmer. Al heel snel daalde ik weer af, want het zwierm er van de wespen. Ik ontdekte een nest, bovenin een telegraafpaal die er als ornament staat. Lekker, rul, mottig hout, met een dakje (een groene plantenschotel), daar houden ze wel van. Later, dacht ik. Om een uur of half acht ging ik er nog eens kijken. Geen wesp meer te bekennen. Het was nog steeds warm, en donker was het ook nog niet. Ik begon te rapen. Zo her en der kroop een versufte wesp, traag en doelloos. Als ik een appel pakte waar een wesp in zat, was dat geen enkel probleem: zelfs als het beest had gewild, was steken niet gelukt. Ik tilde voorzichtig de plantenschotel omhoog: tientallen wespen, ook al zo traag en tam. Wat is dat met die insecten? Moeten ze vóór donker binnen zijn? En zo niet, gaan ze dan dood in de nacht? Zijn ze aan het einde van een dag domweg doodop? Gisteren zag ik een dikke bij op een Sedum zitten, bijna donker was het. Hij deed alsof hij heen en weer scharrelde, misschien deed hij zelfs alsof hij nectar zoog, maar ik zag dat hij totaal versuft en lethargisch was. Als hij niet uitkeek, zou hij de hele nacht daar op die Sedum ‘Herbstfreude’ door moeten brengen, met alle gevaren van dien. Waar slapen wilde bijen? In een holle boomstam? In een insectenhotel? Wat weet ik toch eigenlijk weinig van insecten, feitelijk bijna niets. Deze staat van apathie had ik nooit eerder opgemerkt, en pas als je zoiets ziet, ga je je afvragen waarom het gebeurt of waar ze slapen.

Het is trouwens heerlijk nazomerweer in Schwarzbach. Een graad of 27, zon, windje, en ’s nachts moet bijna het dubbele dekbed weer uit de kast.