Nog eens: Dominik Paris

Acht jaar geleden schreef ik elke dag een OS-dingetje. Elke dag. Alsof ik niks anders te doen had. Op 22 februari 2010 was dat het volgende: Dominik Paris hing twee jaar geleden zijn ski’s aan de dennenbomen en ging de koeien van zijn vader hoeden op de hoogvlaktes in Alto Adige. Dat is echt waar, Evert ten Napel heeft het gezegd. Hij was het meer dan beu, dat gejakker in de sneeuw. Toch pakte hij die ski’s er weer bij en stond na de afdaling in de combinatie tweede. Drie uur later ging het helemaal mis op de slalom. Misschien houdt hij het nu voorgoed voor gezien en zoekt hij vrede bij zijn koeien op de grazige almen in Südtirol, want zo heet Alto Adige in het Duits. ‘Dominik!’ zal op een dag een fijn meisje roepen. ‘Dominik!!’ Hij zal iets terugroepen en het meisje later vertellen dat hij Dominik Paris is en verrassend tweede stond op de helft van Olympische combinatie in een heel ver land. ‘Das weiss ich doch,’ zal het meisje zeggen. ‘Deswegen bin ich ja hier. Ich liebe dich, Dominik Paris.’

Dus in 2008 hing Dominik Paris al zijn ski’s aan de wilgen. Blijkbaar is dat fijne meisje niet bij hem langsgekomen op die grazige alm, want gisteren werd hij 4e (vierde!) op de afdaling in Pyeongchang. Of dat meisje is wél langsgekomen en is na een tijdje weer verdwenen omdat ze het niet met hem en zijn stinkkoeien uithield, waardoor Dominik bij zichzelf dacht: waarom niet nog eens proberen? Vandaag werd hij 7e op de Super G. Dat is heel goed, al was het alleen maar omdat de nummer 1 de rest van het veld nodig heeft om nummer 1 te kunnen worden. Zonder nummers vier en elf geen gouden medaille. Als iedereen die altijd maar tweede of vijfde wordt het voor gezien houdt, blijft er niets over. Mensen als Dominik Paris (14 april 1989) moeten er zijn. En wie hangt er nou op z’n 19e al zijn ski’s aan de dennenbomen? Dat was veel te vroeg. Hij heeft het nu in elk geval langer volgehouden dan Evert ten Napel.

Tot slot nog de observatie dat het ergens een schande is dat een zachtmoedig mens als Jorrit Bergsma tot twee keer toe de glans van zijn gouden (vier jaar geleden) en zilveren medaille wordt afgenomen omdat iedereen obsessief bezig is met de prestaties van een andere sporter. Aan de andere kant: zeker op de Olympische Spelen is het verhaal regelmatig groter dan de prestatie. Kijk maar eens naar onze vrolijk dansende Nederlands-Amerikaans-Ghanese skeletonner. Die vriend van Mark Tuitert. Nog een observatie: Herman van der Zandt en Bart Veldkamp komen er steeds beter in. Dat programma van zes tot zeven heeft precies de juiste mate van ironie en daardoor bijna onafhankelijkheid.

Kolven en koersballen (uit: Trouw)

Wieringerwaard. Ik zet de fiets in de trein en stap uit in Schagen. Afhankelijk van hoe de wind waait, is het Schagen of Anna Paulowna. Vandaag waait de wind uit het zuidwesten, dat is Schagen-wind. Als eerste loop ik een rondje door de tuin van mijn vader en moeder. De winterakonieten kleuren een donkere hoek geel, de sneeuwklokken lichten overal op. De kippetjes zijn in de rui, ze leggen niet en kakelen zacht. Aan de overkant van de brede sloot zit Bep keihard te blaffen. Bep is de nieuwe hond van mijn broer en ze is doodsbang. Sneu vind ik dat voor het beest. Ze heeft me al minstens zes keer gezien, maar ze leert niet. Ze kan niet onthouden dat ik haar geaaid en liefdevol toegesproken heb, ze begrijpt dus niet dat ze voor mij geen angst hoeft te hebben. Een chocoladekleurige labrador. Na het middageten – mijn moeder heeft groentesoep gemaakt – stap ik weer op de fiets en rijd naar het dorp. Het is prachtig weer, overal buitelen merels over elkaar heen. Ik ben benieuwd naar het dorpshuis.

Het dorpshuis is mijn lagere school. Geen idee of het open is, het is donderdagmiddag, rond tweeën. De deur gaat open, door de grote ramen aan de voorkant had ik al mensen gezien. Als ik binnenkomt in wat ooit een gang was, roept een man me ‘Gerbrand Bakker!’ toe. Dat is mooi, hoef ik niet uit te leggen wie ik ben. Wel moet ik uitleggen wat ik kom doen. Rondkijken. Een groep mensen heeft de school gekocht voor 1 euro. Daarna met vrijwilligers verbouwd, installateurs legden dit en dat tegen kostprijs aan en binnen een half jaar was het dorpshuis klaar. De oude school, een even duidelijke als voor de hand liggende naam. Ik loop dwars door verdwenen muren heen, zie waar ik zat in een bankje bij het raam (door een enorme vetplant, waar ik 45 jaar geleden koste wat kost naast wilde zitten. Dit blijkt een andere te zijn.), zie hoe ik de bok uit het hok reed in de gymzaal. ‘Daar was de keuken,’ wijs ik. Daar weet mijn rondleider niets van, die keuken was er zeker niet toen zij begonnen te verbouwen. De kolfclub is er ondergebracht, en de koersbalclub. Je kunt er biljarten. De redactie van De Roodbroek heeft er een plek gekregen. In de gymzaal zitten de muziekvereniging en de toneelclub. ‘Zijn deze kapstokken uit mijn tijd?’ vraag ik. Nee, die zijn van later. Goed zo, ik herinner ze me namelijk niet.

Daarna loop ik nog even door naar de ijsbaan. IJsbaan in januari, bij een graad of 10. Het water rimpelt in de zuidwestenwind, eenden vliegen op. Ik maak een foto. Het is heel leeg in de kantine van de ijsclub, die gedeeld wordt met Onderhands, de jou de boule-vereniging. Overal op de banken ligt troep. De banken zijn opslag geworden. Onvoorstelbaar dat hier deze winter nog geschaatst zal worden.

 

Herrijzenis. Een filmbespreking.

Ik was voor het eerst van mijn leven op het IFFR. Het was afgrijselijk weer. Overal stonden enorme wolkenkrabbers. Ik vroeg me af hoe dat prachtige nieuwe station kan blijven staan, ik bedoel: hoe het komt dat het niet instort. Wind en regen. En toen zag ik de film Resurrection van de Vlaamse regisseur Kristof Hoornaert. Ik was uitgenodigd door de regisseur. Misschien zat hij met klamme handen in de foyer terwijl een honderdtal mensen de film aan het bekijken was. Erna zou een Q&A volgen. Een bos. Heuvelachtig weideland. Een jongen die een andere jongen doodmaakt. Een oude man op een vervallen boerderij. Vier koeien en een hond en een paar kippetjes. Maar ook een bak vol vrolijk bloeiende geraniums op het erf. De oude man is de enige die praat, de jongen zegt in de hele film geen stom woord. De oude man vraagt. Hij krijgt geen antwoord. Soms is er zon, soms regent het. De film schijnt – ik heb daar geen verstand van – geschoten te zijn met een speciale camera, door een Litouwse cameraman. Breed beeld. Op een bepaald moment, alsof die muziek nog nooit gebruikt is in een film, het requiem van Mozart en dat klinkt alsof je het inderdaad nooit eerder hoorde. Soms is een cliché geen cliché. Het bos is een beukenbos. De twee bomen voor de boerderij zijn essen. Er is een moestuin en één rozenstruik. Met witte rozen. Er is een stal met een dikke laag stro. De koeien staan er alsof ze tot op de millimeter op de juiste plek zijn gezet. De hond jankt, de hond speelt mee, de hond zet dingen in gang. De film begint in een grote stad en eindigt in een grote stad, mogelijk dezelfde stad. Gierzwaluwen vliegen over, fazanten roepen. Op een bepaald moment, aan het einde van de film, staan alle kamerplanten in bloei.

Resurrection betekent ‘verrijzenis’ of ‘herrijzenis’. De tweede betekenis is vermoed ik de betere in het licht van deze film. ’s Nachts in bed, of waar dan ook later, besef je, of denk je te beseffen, wat er gebeurt tijdens die laatste scene tussen de oude man en de jongen in de stad. “The end, what about the end?” vroegen verwarde mensen tijdens de Q&A. De regisseur gaf geen krimp en hoofdrolspeler Johan Leysen evenmin. Wat een geweldige, diepe, ontroerende en in al zijn visuele pracht eenvoudige film. Hoe die jongen – gespeeld door Gilles de Schryver – donker kijken kan! (Ik vermoed dat er tijdens het filmen van een heftige scène een adertje in zijn linkeroog gesprongen is en dat de regisseur bij zichzelf dacht: ‘Hoeveel geluk kun je hebben?’) Hij is – ja, arthouse, ja, moeilijk, ja, geen Tom Hanks – op veel te weinig plekken vanaf 29 maart te zien in Nederland. Amsterdam, Utrecht en Nijmegen. Maar als iedereen naar binnen dromt bij EYE of ’t Hoogt, en dusdanig dromt dat de zalen overvol raken, kan dat zomaar veranderen.

Kleurige sokken en dampende lijven

Ik zat afgelopen dinsdagavond in de Stadsschouwburg. Er was een dansvoorstelling – Dancing Grandmothers – van de Eun-Me Ahn Company. ‘Uit Korea’ stond er in een folder. Korea? denk ik dan. Welk Korea?! Zuid-Korea natuurlijk. Het land waar over twee weken de Olympische Spelen beginnen. Choreografe Eun-Me Ahn wordt de ‘Pina Bausch van Seoel’ genoemd en bij deze dansproductie ‘gaat het publiek uit z’n dak’. Het was heel erg mooi. Even wennen, maar na een tijdje wilde ik niets anders dan mezelf in die kluwen van danslijven werpen. We zaten op de eerste rij. Dat is niet een heel goeie plek, maar hier was het prima: we zagen alles vanaf voethoogte en de kleedkamerlucht sloeg ons in het gezicht. Alle mannen droegen oma-jurkjes. Nou, dan heb je mij meteen al te pakken: een man in een jurk vind ik prachtig, als ze maar niet proberen er als een vrouw uit te zien. Gerard-Jan Reijnders liet in de jaren ’80 en ’90 zijn mannen ook graag in van die prachtige mannenrokken optreden.

Bij zulk soort dans – chaotisch, vrijwel geen enkele synchronie – richt ik me altijd op één danser. Nooit op een danseres. De mijne was de langste jongen, zijn oma-jurkje was de fijnste en hij was de enige met lang haar en het vermoeden van een snor. Het eerste half uur was een techno-gebeuren dat je in een trance bracht. Daarna kwamen de grandmothers: op een scherm, dansend in hun dagelijkse Koreaanse omgeving, vaker wel dan niet misprijzend bekeken door echtgenoten of collega’s, en later ook live, waarbij de dansers de oudere vrouwen opbrachten en afvoerden.

Dat ik het erg goed vond, kon ik aflezen aan mijn mate van jaloezie. Waarom stond ik daar niet? Waarom wentelde ik me niet rond in het zweet en de kleurige sokken, de onderbroeken, de dampende lijven? Waarom hoorde ik niet bij die groep mensen die de hele wereld afreizen? Hoe jaloerser ik ben, des te beter ik het vind. Ik wil deel uitmaken van die kleine gemeenschap, hoewel ik ook donders goed weet hoe vluchtig dat is: als de voorstellingenreeks is afgelopen, valt zo’n groep onbarmhartig uit elkaar. Die jaloezie uit zich ook in het feit dat ik na afloop wil blijven hangen in de bar. Ik wil die mensen – en, eerlijk is eerlijk, vooral mijn besnorde Koreaan – zien en spreken en aanraken. Ik wil niet weg uit deze betovering. Ik ben jaloers op ze, ik wil niet in mijn eentje op de fiets door de melancholische regen naar huis. Wat is daar, thuis? Helemaal niks! Dat was niet waar, thuis stond neef Casper af te wassen en ik dronk nog een whisky en vertelde dat ik een geweldige dansvoorstelling had gezien en tegen de tijd dat ik in bed kroop was het ouderwetse, jaloerse, erbij-willen-horen gevoel al grotendeels verdampt. De dag erna was het woensdag en waren de Koreaanse sferen helemaal opgetrokken. Nog twee weken wachten, dan dompel ik me er weer helemaal in onder.

warme dagen

Aangezien het aan de overkant van de Atlantische Oceaan zo verduiveld koud is, is het hier dus warm. Dat is altijd zo. Op de een of andere manier moet er blijkbaar altijd een evenwicht zijn. Nooit eens is het overal ter wereld verduiveld koud. Of bokheet. Hier in de Eifel waait het ook nog eens niet en de vogeltjes laten al voorzichtig hun voorjaarszang horen. Naar voer op het vogelvoederstation talen ze nauwelijks. Vorige week woensdag – neem ik aan – heeft het hier óók keihard gewaaid, overal in het bos liggen groepen sparren om. Elvis weet soms niet hoe hij die nemen moet. Kan hij er onderdoor of moet hij helemaal omlopen? Soms moet ik het voordoen en dan zakt hij ook iets door zijn enorme poten en komt zuchtend achter me aan. Buiten dat danst hij door het bos, het is machtig mooi om te zien hoe soepel en gracieus het enorme beest lopen kan. Hij houdt me goed bezig. Rond half negen lopen we het ochtendrondje en daarna moet hij eten. Pas daarna ga ik eten en de kachel aanmaken. Om twaalf uur de grote ronde en dan iets na vieren de laatste grote ronde van de dag. Dan komen we meestal in de schemering thuis. Soms brandt de kerstverlichting al. Die mag ik er nog niet afhalen van buurvrouw Monika. Want het ziet er zo gezellig uit. Het lichtsnoer zit aan een tijdklok, dus zelfs als ik hier niet ben, floept het ding elke dag om 17:00 uur aan.

Morgen komt het baasje van Elvis hem op de terugweg van de beurs in Frankfurt weer ophalen. En mij ook. Ideaal is dat. Het weekend in Amsterdam en dan aanstaande maandag weer hierheen, als het meezit met een manuscript vol op- en aanmerkingen. Dan heb ik daar werk aan. Zomaar hier zitten is lastig geworden. Waarom dat veranderd is, snap ik niet precies, al besef ik inmiddels wel dat een dode Jasper er mee te maken heeft. Met een hond is de helft van de dag gevuld. Vorige week heb ik de trap bij vrienden geschilderd, in twee dagen tijd. Dat was ook een prima tijdspassering. Tijd moet gevuld worden. Lege ruimte. Komt dat nou echt door het stoppen met Citalopram? Ik móet bewegen, letterlijk en figuurlijk. Ik vraag me af hoe ik dat twee, drie jaar geleden deed. Ik kan me uit die tijd helemaal niet heugen dat ik zo nodig bezig moest zijn. Dat ik aan het begin van een dag dacht: ‘Hoe kom ik hier met goed fatsoen doorheen?’ Nog iets van een hond: het is genoeg om op de grond te zitten of te liggen en de kop van een hond op je schoot of je borst te hebben. Merken dat dat beest dan intens tevreden is. Dat is dus óók iets doen, bezig zijn. Vredig samen zijn. Maar dan moet je wel van de betreffende hond houden. Met een hond die ik stom vind, gaat dat niet.

Een koninklijke kerst

In de winkel van Paleis het Loo kocht ik afgelopen woensdag een boek voor 3,50. Juliana in beeld, ‘traditie en vernieuwing in de Nederlandse portretkunst van de twintigste eeuw’. Een boek vol schilderijen en foto’s van mijn geliefde vorstin, inclusief een schilderij van Antoon van Welie (1866 – 1956) uit 1951 dat al heel lang in het depot van het Schiedams Museum staat. Het hing in de raadzaal, maar verhuisde al snel naar de burgemeesterskamer, waar een bezoeker de betreffende burgemeester ooit vroeg: ‘Is dat uw vrouw?’ Als verontschuldiging voor het inderdaad nogal slechte schilderij voerde de Schiedamse gemeenteraad aan dat de ‘bejaarde societyschilder’ zijn oude vorm niet had teruggevonden sinds de verwoesting van zijn huis aan het Haagse Bezuidenhout tijdens het bombardement in 1945.

Eerder al keken we – ik voor het eerst van mijn leven – naar de kersttoespraak van Willem-Alexander. ‘Goed gesproken,’ mompelde mijn zwager, maar ik kan het hem niet meer zien zonder de stem van Sander van de Pavert er onder te horen, en precies dat gebeurde ook toen ik op Het Loo een filmpje zag van de ‘verjaardag met burgers die ook op 27 april jarig zijn’, vorig jaar in het Paleis op de Dam, op 28 april. Het heeft altijd iets lacherigs en natuurlijk kwamen op twitter en facebook al snel gemanipuleerde foto’s langs waarin grapjassen het witte schilderij dat in de kersttoespraak te zien was kunstzinnig hadden ingevuld.

Mijn vader kwam aanzetten met een brief die hij ooit van prins Bernhard gekregen had. Een brief van prins Bernhard! Tevredenheidsbetuiging, was het onderwerp. Maar eigenlijk was het een doekje voor het bloeden. Alle militairen die betrokken waren bij de nasleep van de watersnoodramp hadden een onderscheiding gekregen. Behalve het regiment waar mijn vader onderdeel van was. Het 411 Garde Bataljon Fuseliers Prinses Irene. Dat was om de een of andere reden over het hoofd gezien. Hij ontving de brief op 20 maart 1953 en veel later hebben alle betrokkenen nog eens een onderscheiding gekregen, ook mijn vader. Hij wilde er nooit iets over vertellen, over het zoeken naar, en wanneer mogelijk identificeren van lichamen. En nu kwam hij ineens aan met deze brief.

Niet alleen dat, hij had nog iets moois: een Vrijstelling vordering van rijwielen. Op 14 augustus 1942 door de burgemeester van Barsingerhorn uitgereikt aan mijn grootvader Jan Bakker Czn. Hij had een Veeno, nr. 09164, met een reminrichting van Torpedo en een jasbeschermer en een kettingkast. Voor zover ik weet is hij de hele oorlog op die Veeno blijven fietsen. Die moet hij vóór de oorlog al gekocht hebben, in de oorlog was het voor het fietsenbedrijf uit Bedum onmogelijk rijwielen te bouwen omdat de Duitsers al het staal vorderden. Inclusief de fiets van mijn moeder, die in de Wieringermeer woonde, zo’n 23 kilometer van Barsingerhorn verwijderd. Zij had geen Vrijstelling vordering van rijwielen. Het arme kind was nauwelijks tien jaar oud. Er zal dus een Duitser voor gek gereden hebben. Of die fiets is omgesmolten.

‘Met wie spreek ik?’

Ik werd vanochtend om 08:01 uur wakker gebeld. Ik zei ‘Hallo’ en aan de andere kant zei een vrouw: ‘Med hvem taler jeg?’ Ik noemde mijn naam. Zij mompelde nog zoiets als ‘Forbundet forkert’ en hing op. Wakker gebeld worden door een Deense. Dat is niet wat je verwacht om acht uur in de ochtend. Ik verwacht sowieso geen telefoon om acht uur in de ochtend. Ja, met slecht nieuws. En zij wilde weten met wie ze sprak terwijl ze mij toch opgebeld had. Vreemd. Kort daarop kreeg ik twee whatsappjes uit de Eifel, die met luid geluid binnenkwamen, aangezien ik vergeten was de iPhone op stil te zetten. Ik gaf het op en ging uit bed.

Vervolgens kreeg ik een mail van een Trouw-lezeres. Ze bedankte me voor de fijne, innemende miniatuurtjes die ik schets van mijn leven in de Eifel, ontdaan van alle hectiek van het dagelijkse bestaan. ‘En wat een heerlijke droge humor!’ Zo nu en dan krijg ik zulke mailtjes of (ingezonden) brieven. Dat is niet verkeerd, je vraagt je toch weleens af of je goed bezig bent, zeker omdat het inderdaad veel meer ‘miniatuurtjes’ zijn dan een keiharde column, waarop columnisten altijd – omdat ze nogal tekeer kunnen gaan – wel reacties krijgen op Twitter. Maar zelfs mijn ‘miniatuurtjes’ krijgen weleens commentaar. Trouw had een tijd terug een link naar een column doorgeplaatst waarin ik me afvroeg of ik meer medelijden had met de buurvrouw of met haar zieke hond en daarop reageerde een vrouw met: ‘Medelijden is een zelfgerichte activiteit.’ Ik dacht daar even over na en vroeg haar toen: ‘Und?” Nooit meer iets op gehoord. Mensen willen nu eenmaal ergens op reageren, móeten op dingen reageren, zelfs als er van pure onschuldigheid niks te reageren valt.

Dus als je medelijden hebt met iemand, heb je dat eigenlijk met jezelf? Moet ik het zo begrijpen? Of is het als met woede: dat je negen van de tien keer als je woedend bent op een ander, je het eigenlijk op jezelf bent? Zou je geen medelijden moeten voelen omdat je dan – in weerwil van hoe het lijkt – meer met jezelf dan met de ander bezig bent? Ingewikkeld hoor. Ik heb best vaak medelijden met mensen of dieren. Nooit met bomen. Wat zegt dat dan over mij?