Vakantie!

M en ik waren afgelopen week op vakantie. In Zeeland. Het was mooi weer en we verbleven in een luukse tent van Farmcamps op Camping Oranjepolder in de, inderdaad, Oranjepolder. Om ons heen drie gezinnetjes met baby’s. Nou ja, je hebt het niet voor het uitkiezen en sommige ouders verontschuldigden zich na nachtelijk geblèr. Ook liepen er katten rond en twee ontzettend lieve Bentheimer varkens, die we gras te vreten gaven omdat het smakken van die dieren een van de fijnste dingen is om te horen, en een paardje dat Lady heet dat niets liever doet dan letterlijk het gras onder je voeten vandaan te vreten, waardoor je het beest weg moet duwen om niet zelf om te vallen. Wij hadden er een soort status aparte, omdat we bevriend zijn met de familie Kodde. In hun monumentale Zeeuwse schuur werd vijf jaar geleden het toneelstuk Juni twee weken lang voor uitverkochte zalen (250 man) gespeeld. Ik was daar toen drie weken bij, het was niet lang na mijn grote darmoperatie en ik ben zelden gelukkiger geweest dan in die drie weken, waarin het ook nog eens stralend en warm septemberweer was.

We gingen naar het Watersnoodmuseum. M voor de eerste keer – die was sowieso nog nooit in Zeeland geweest – en ik voor de tweede keer. Dat had tot gevolg dat we het museum op verschillende manieren te lijf gingen. Hij doorliep alle caissons zoals het hoorde, ik bleef haken bij een foto plus opschrift in het eerste caisson. Een Zeeuwse knol, Vos genaamd, stond op die foto. Het water kwam, de familie verschanste zich op het dak en Vos wilde ook op het dak klimmen. Dat mocht niet. Ze hebben het arme dier met dakpannen bekogeld om hem te verjagen. En dan staat er: ‘Wil je weten hoe het afliep? Dat ontdek je later!’ Natuurlijk wilde ik weten hoe het afliep! Maar dat ‘later’ kon ik met de beste wil van de wereld niet vinden! Ik liep heen en weer, zocht me een ongeluk, vroeg het aan iedereen die ik maar aanklampen kon, maar niemand kon me helpen. Ik kon het niet loslaten, ik móest weten hoe het zat. Uiteindelijk wist de zesde persoon aan wie we (inmiddels waren verschillende museummedewerkers ook benieuwd en vormden we een zoekgroep) het vroegen waar de oplossing te vinden was: in het Deense huisje! Zo’n huisje dat na de ramp werd geschonken en waar tot op de dag van vandaag mensen wonen, maar natuurlijk niet in dit huisje, want dit huisje is nu een museumstuk. Daar hangt een foto en als je die foto openklapt, valt te lezen hoe het afliep. De vader van het betreffende gezin kwam om de een of andere reden op de veemarkt in Utrecht en daar hoorde hij een bekende hinnik, mogelijk nadat het paard de stem van zijn baas gehoord had. Vos! Vos was er dus in geslaagd vaste grond te bereiken na die vreselijke dakpanbekogeling en iemand had hem meegenomen en wilde hem nu verkopen. Blijkbaar was Vos vergevingsgezind, want hij liep met de vader mee terug naar Zeeland, waar hij herenigd werd met de rest van het gezin. Hè, hè, eindelijk kon ik het museum verlaten.

Later zwommen we ook nog in zee, kocht ik een peperdure kast van mangohout en een nieuwe pyjamabroek, speelden we avondenlang Keezbord, dronken we ruime hoeveelheden gin-tonic en witte wijn, gingen we lekker vaak uit eten in Veere, Middelburg en Vlissingen, zagen we de film Dune (ik vind dat een aanrader) op Film by the Sea en las ik in boekhandel ’t Spui het eerste hoofdstukje van De kapperszoon voor. Typisch zo’n vakantie waarvan je dagenlang bijkomen moet. Maar wel uiterst geslaagd. ‘Wat hebben we te zoeken op de Maldiven,’ zeiden we tegen elkaar. Niets. Helemaal niets.

Eifelupdate, 9 september

Ik begin me steeds meer te ergeren aan die idioot grote trekkers. Het is of die boeren elkaar de hele tijd willen afsnoeven. Gisteren schreeuwde boer Blum me toe vanaf zijn torenhoge positie in zijn cabine. Ik stond met Floris in mijn armen aan de kant van een landweggetje, op een splitsing. Hij wilde juist daar in, maar dat verstond ik niet. Ik moest naar de andere kant zodat hij ons niet zou vermorzelen. Uiteindelijk begreep ik het en zijn we niet vermorzeld geraakt. Die krengen halen ook met gemak de 80: ze scheuren hier langs alsof ze Lewis Hamilton zijn, ook nog eens met allerlei bizar grote landbouwwerktuigen er achteraan slepend. Nee, soms verlang ik terug naar de tijd van de goeie, ouwe Deutz die met moeite de 25 aantikte. En toen raakte ook al het werk gedaan. En nog eens iets: waar betalen ze die dingen van? Ze kosten zomaar 40- of 150.000 euro, als het niet meer is. Zo slecht gaat het blijkbaar niet met de boeren.

Eindelijk weer eens een volle week in de Eifel, zonder iets aan mijn hoofd. Geen vader die elk moment zou kunnen sterven, en eindelijk weer met internet. Telkens moet ik mezelf eraan herinneren: niets moet, niets dreigt, je bent hier onbelemmerd, vrijuit, je kunt als je wilt de godganse dag met Floris in de Nims spelen, vooral nu de hond écht heeft leren zwemmen en niet alleen natte pootjes haalt. Toen ze dik twee jaar geleden uit Bretagne deze kant op kwam, dorst ze helemaal niet in het water, het is dan ook een terriër, van terra, ‘aarde’. Maar zo langzamerhand hebben we haar zo ver gekregen dat ze weet dat het met warm weer heerlijk is om nat te zijn en dat ze niet zinkt als er geen vaste grond meer onder haar poten is. Er is wel een bal bij nodig. Zonder bal is er niks aan. Zelf ben ik ook regelmatig zeiknat omdat de bal is afgedreven.

Vorige week werd ik opgebeld door een redacteur van de Taalstaat. Over de AESE. Heel gesprek gehad en of ik genegen was naar de studio te komen. Ja, hoor, zei ik. Ik weet waar het is. Diezelfde avond nog werd ik afgebeld, want Herman Koch kwam. Nou ja, ook goed. En Koch staat deze week op 1, en Grunberg op 3 in de CPNB Top60, dus mijn betoog is alweer een tikje achterhaald. Dat afgebeld worden was op de boekpresentatie van Dit verdronken land van Renske Jonkman. Fijn was dat, gewoon een ouderwetse boekpresentatie. Met collega’s en bier en zoenen en aanrakingen. Ik snap de huidige toestand rondom COVID niet. Het lijkt mij toch tijd worden het als een griep te gaan beschouwen, de IC-capaciteit structureel met 250 bedden op te schalen (waarom gebeurt dat al niet?) en op te houden elke dag die cijfers te melden. Dat heeft helemaal geen zin meer. Maar ja, ik ben geen viroloog en geen IC-deskundige en geen politicus en heel veel andere dingen ook niet.

AESE (Actie Eigen Schrijvers Eerst)

Er is iets wat mij ernstige zorgen baart, en dat heeft te maken met de CPNB-top60. Al weken- en wekenlang bestaat die lijst voornamelijk niet uit Nederlandse literatuur. De ene na de andere Lucinda Riley – waar ik verder geen mening over heb omdat ik haar niet las –, de ene na de andere onthullende sportbiografie, het ene na het andere kookboek, twee Raynor Winn’s – waar ik wel een mening over heb want ik las ze alle twee: de eerste is een erg fijn wandelboek, de tweede las ik met stijgende ergernis omdat ze ineens een soort goeroe-achtige taal begint uit te slaan, een klimaatactiviste wordt en zich zelfs ontpopt als een Peter Wohlleben-aanhanger –, een hele trits thrillers en op nummer 1 een boek vol zogenaamde ‘wijsheden’, één van een aantal: mensen hebben momenteel blijkbaar nood aan sturing en zingeving die ze in zichzelf of om zich heen niet kunnen vinden.

Het schijnt weer goed te gaan met de boekenbranche, er wordt best lekker veel verkocht. Maar de vraag is dus: wát wordt er verkocht? Nou, dat heb ik in de eerste alinea omschreven. En dat baart mij zorgen. Pas voorbij die zestig boeken, dus vanaf nummer 61, zitten de romans van Nederlandse schrijvers (m/v/lhbtiq+). Vooruit, Alfred Birney staat er deze week (waarschijnlijk één keer) weer in omdat hij een hele avond met zijn kop op de tv was. Waarom kopen Nederlandse lezers niet massaal Nederlandse schrijvers? Eén verklaring is dat wij, Nederlanders, sowieso buitenlandse schrijvers prefereren; die schrijven veel betere boeken dan de Hollandse auteurs. Een vergelijking tussen een eindejaarstop in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland toont dat elk jaar weer aan. Waar het in de ons omringende landen eigen schrijvers eerst is, is dat bij ons helaas niet het geval. Iemand hoeft bijvoorbeeld maar de naam Dave Eggers in een krantenartikel te laten vallen of de krantenlezers vallen in zwijm. Dát is nog eens een schrijver! Nou, laat mij hier zeggen dat dat ronduit onzin is. Ik heb de afgelopen tijd – buiten die twee van Winn – weer tal van prachtige Nederlandse romans gelezen.

Wij moeten eens af van dat, wat is het eigenlijk, dat minderwaardigheidscomplex? Zowel de schrijvers als de lezers. Het is toch van de zotte dat er in de literaire top60 van dit land vrijwel geen enkele Nederlandse schrijver voorkomt? En, zoals ik al schreef, dat is al weken, misschien maanden het geval, en hoe langer dit voortduurt, des te moeilijker het voor een Nederlandse schrijver wordt zich weer eens een plaatsje te bemachtigen in die lijst. Want dingen die je niet ziet, koop je niet. Boeken waarover je niets hoort, ken je niet. Interviews of gloedvolle beschouwingen die niet geschreven worden, kunnen niet gelezen worden. En ondertussen wordt die Raynor Winn slapend rijk. Is ze van een dakloze Britse met haar dat nooit meer mooi zal worden vanwege maandenlange weersinvloeden en een doodzieke man in een miljonair veranderd. Wat ik haar best gun, daar niet van, maar het zou zo fijn zijn als veel meer Nederlandse schrijvers iets van die enorme royaltybedragen zouden kunnen en mógen afsnoepen. En dat kan alleen als lezers hun boeken kopen. Kopen en lezen. 

Badmintonnen

De laatste keer dat ik hem sprak, zocht hij naar zijn horloge. Hij keek naar zijn rechterpols, maar het horloge zat aan zijn linkerpols. ‘Dat heb ik,’ zei hij en keek nog wat rond. ‘Dus nu is het…’ Ja, alles was er, dus we konden afscheid nemen. Eerder al, een week, misschien wel twee weken, zei hij ineens middenin een gesprek: ‘Ik weet niet of je nog meer vragen hebt, maar ik zou nu eerst wel…’ En dan ging het over stoelen of kleden, om dingen die bij elkaar gezocht moesten worden. Een soort boekhouden. Tellen deed hij ook en soms vertellen over vakanties met de kleinkinderen in Frankrijk, een land waar hij nooit een voet gezet heeft. Een van de bijzonderste ochtenden was die waarop hij alleen maar Engels sprak. Weken geleden is dat alweer. Er belde juist toen een oude buurman, die vroeg of hij mijn vader kon spreken. ‘Jawel,’ zei ik, ‘maar hij zit wel in een Engelse fase.’ Dat vond de oude buurman geen probleem en ik zette hem op de speaker en ze spraken een tijdje Engels met elkaar. Maar als je zijn aandacht had, hem aankeek en iets vroeg, was hij helder. Vreemde wisselingen waren dat, die tussen waan en werkelijkheid.

Op zondagochtend, een dag nadat, zei mijn moeder, gezeten op het bankje buiten bij de achterdeur, ‘Maar, wacht eens even. Ik ben nu de baas.’ Later diezelfde zondag ging ze daarop door. ‘Hij was wel echt de baas hoor. En serieus.’ Ze dacht even na. ‘Maar ik vond dat ook wel makkelijk.’ Tegen de avond zei ze ineens tegen mijn zus en mij dat er testamenten waren. Ze werden opgezocht. Testament, ja, maar dan zo’n formele, waarin ze elkaar als gevolmachtigde aanmerken. ‘Kijk,’ zei ik tegen mijn moeder. ‘Hier staat het zwart op wit en in tamelijk ingewikkelde taal, maar je bent nu officieel de baas.’ 

De gierzwaluwen hadden het niet afgewacht. Maar de andere, gebruikelijke vogels, waren er nog wel. De duiven die altijd zo luidruchtig opvliegen vanuit de bomen, de enorme bruine kiekendief aan de overkant van de sloot en ik zag dat er in de voorsloot een enkele aalscholver woonde. Dat zijn enorme beesten bij wie, als ze zwemmen, het water over de rug stroomt. Vreemde, plompe vogels. Tijdens het condoleren, op de dors in de grote schuur van de boerderij, vlogen de boerenzwaluwen in en uit, er zal vast een condoleancegast met zwaluwpoep op zijn of haar kleren thuisgekomen zijn.

Die dorsvloer bleek een ideale plek om te badmintonnen. Geen wind en groot genoeg voor zelfs de hoogste of verste slag. Vooral gistermiddag en –avond, nadat we vader naar de achterdeur van het crematorium gebracht hadden en vier broers hem in de oven hadden zien verdwijnen, werd er fanatiek gebadmintond. Er werd gezweet en geschreeuwd. Badmintonnen is een enorm fijne sport. Die achterdeur, trouwens, was vanwege het ontbreken van een dienst in het crematorium. Hij wilde dat zelf zo. Geen dienst en alleen vrouw en kinderen, maar dan mag je niet via de voordeur naar binnen. Broer Piet kreeg een vinnige uitbrander van de dienstdoende crematoriummedewerkster omdat hij probeerde de rolkar onder de kist vandaan te trekken toen de kist bíjna helemaal op de schuif stond. “Wilt u mij alstublieft mijn werk laten doen?’ zei ze scherp.  Broer Cees-Jan vroeg hoe heet zo’n oven was. Duizend graden. Ik wilde weten hoe lang het duurde. Negentig minuten. Er was ook geen lijkwagen, vader stond in de Dodge pick-up van mijn jongste broer, en we reden langs plekken van vroeger: de eerste boerderij, waar mijn twee oudere broers geboren zijn; het oude woonhuis van zijn vader en moeder. Zo her en der stonden bekenden die het tijdstip kenden achter een raam of in de deuropening te zwaaien. ‘Mag ik erop wijzen,’ zei mijn jongste broer bij het crematorium, ‘dat ik geen enkel bloemstuk ben verloren?’ Jawel hoor, daar mocht hij ons op wijzen.

Later op de avond, na het eten in dezelfde schuur – alle tafels van het condoleren stonden er nog – kwam er een moment dat je naar huis wilt of moet. Moeder was al geruime tijd weg. Toen we bij haar binnenliepen, had ze alle rouwkaarten opengemaakt en gelezen. Een enorme klus, want er waren heel veel rouwkaarten binnengekomen, de postbode bond ze met dikke elastieken bij elkaar. Zo her en der kon ik zeggen wie of wat. ‘Kijk,’ zei ik dan, ‘deze is van Anja, je weet wel, de hulp van Dolf en Gerard.’ Ach ja, natuurlijk, die kwam oorspronkelijk uit Noord-Holland en vader had geweten wie haar vader was. ‘Nou ja!’ riep ik, ‘een kaart van Ted van Lieshout!’ We vertrokken. ‘We komen zondag weer,’ zei ik. ‘Misschien vind je het dan leuk een rondje te rijden over Wieringen.’ We zullen zien, vond ze. Prima, we zien dan wel of ze wil of niet. Zij is nu de baas in huis. Maar een rondje Wieringen, ik heb er hier geloof ik wel vaker over geschreven, doet wonderen en is altijd leuk en mooi en troostrijk.

Arbeit ohne Ende

Komende maand verschijnt Die 3 gibt es nicht. Na het opnieuw markeren van de 1 had ik al eens een controlerondje gelopen en onlangs liepen we met Zeeuwse gasten de 1 opnieuw, omdat ik tijdens het controlerondje had gemerkt dat die Schildchen verrassend snel verdwijnen. En jawel, ook nu weer waren er een paar weg. Op één punt zat nog wel een bordje, maar daar was het onkruid zo hoog opgeschoten dat hij er net zo goed niet had kunnen zitten. Dat was waar ik de vorige keer al een nieuwe had aangebracht omdat de oeroude wilg waarop de 1 zat was omgezaagd. Een andere ontbrekende was op de rug van een houten bank geplakt. Een bank waarvan ik me ervan had verzekerd dat die er zomer en winter stond. Ik belde aan bij het huis waar ik dus eerder had aangebeld om daarnaar te vragen. Er deed een jonge vrouw open. Ik vroeg of haar moeder er was. Nee, zei ze, dit is het huis van mijn opa en oma en oma is vorige week overleden. Ach, gecondoleerd, zei ik, en liet het verder zitten.

Het punt is dat die mensen maar wat doen. Ze halen paaltjes weg, ze rijden met hun maaimachines tegen bomen op waardoor het bordje eraf valt. Niemand die bedenkt dat die Schildchen of Aufkleber iets te betekenen hebben, of misschien bedenken ze het wel, maar kan het ze geen lor schelen omdat zij die 1 nooit ofte nimmer lopen. Dat ergerde me. En toen bedacht ik dat ik er iets over zou kunnen schrijven in het dorpsblaadje, het Feuerscheider Doerfblaedchen. Maar hoe pak je zoiets aan zonder dat je de inheemsen tegen de haren instrijkt? Zo’n Hollander die ze de les leest, een schrijver ook nog, die in andere boeken ook al het een en ander ongegeneerd neergepend heeft. En ik zal daarvoor contact moeten opnemen met de voormalige Ortsburgermeister, die juist alle contact momenteel schuwt omdat hij erge kanker heeft, en bovendien: via hem kwam ik ooit aan mijn bordjes en stickers en daarvan heb ik er nog maar twee. Nee, toch maar niet een stukje schrijven. Beter naar het kantoor van Naturpark Eifel in Prüm en daar zelf nog wat extra materiaal aanvragen. Dan kan ik ze gelijk wijzen op het boekje, dat ze natuurlijk in grote hoeveelheden zouden kunnen inslaan.

Buurman Rinus, en misschien buurvrouw Lien ook wel, verwacht dat het een drukte van belang gaat worden langs de 1, vanaf september. Rinus en Lien spelen een hoofdrol in het boekje en voor de Duitse uitgave zijn hun namen niet veranderd, in tegenstelling tot vele andere namen van Duitse buren, want dat moet vanwege privacyregels die in Nederland niet gelden. Dat is altijd een extra klus bij de vertaling, hoewel het met zoek + vervang ook wel weer tamelijk snel gaat. Rinus denkt dat ik in Nederland nog altijd een beroemde schrijver ben en dat ik dus vanzelfsprekend in januari, als De kapperszoon uitkomt, met mijn kop op de tv ga verschijnen. De kans dat dat in Duitsland gebeurt is nog groter. Ik probeer hem dat dus uit het hoofd te praten. ‘Misschien komt er wel een interview in een of andere krant,’ zeg ik. ‘Mogelijk iets op de radio.’ Maar goed, eerst Die 3 gibt es nicht. Eens zien of er horden toeristen onze kant opkomen.

Augustusdagen

Ik stap van de fiets en loop naar binnen. Voor de schuifpui staat nog steeds het in hoogte verstelbare bed. ‘Ik ben het,’ zeg ik, ten overvloede. ‘Ja.’ Daarna is het een tijdje stil. ‘Moet ik nu iets zeggen?’ vraagt hij. Daar denk ik even over na. ‘Nee, hoor,’ zeg ik dan. ‘Als jij geen zin hebt om iets te zeggen, dan zeg je gewoon niets.’

Mijn moeder loopt achter de rollator naar het kippenhok dat achterin de tuin staat. Op het door oom Flip op maat gemaakte dienblad dat precies op het zitje past, staat een bakje met etensrestjes. Ik begrijp niet hoe het kan dat die kippen geen plofkippen zijn. Ze zet de rollator aan de kant en doet het deurtje open. Maar dan rijdt de niet op de rem gezette rollator de droge sloot in. Getverjenne, denkt mijn moeder. Dat is niet zo mooi. Ze loopt naar het schuurtje, dat staat halverwege het huis en het kippenhok, en daar staan en hangen harken, schoffels en spades. Ze pakt een wieder en loopt terug naar de droge sloot. Ze slaagt erin het blad achter een kabel te krijgen en trekt het ding omhoog. Later, binnen, maakt ze de rollator – een heel mooie, uit Noorwegen – schoon. Die komt er wel. Gisteren liep ze voor het eerst sinds weken een rondje brug, laat het een kilometertje zijn. Vandaag deed ze dat weer. ‘Heerlijk,’ zegt ze. ‘Even weer in een andere wereld zijn.’

Mijn vader tilt zijn arm op. Die is angstig dun geworden. De hand ziet er uitgebeend uit. Hij zwaait met die hand. ‘Als ik dan naar jullie allemaal zwaai,’ zegt hij, ‘en gedag zeg’ – nu brengt hij de hand naar zijn borst – ‘dan moet ik hier toch niet meer zijn?’ Soms moet je met hem meedenken, proberen zijn gedachtegangen te volgen. ‘Maar je bent er dus nog wel,’ zeg ik. ‘Het is je tijd nog niet.’ De afgelopen dagen moest hij zo nu en dan huilen en na een bezoek van de huisarts, die onnadenkend met hem meeging toen hij zei dat hij dacht kanker te hebben, en hem daarin bevestigde met een ‘de kans is best groot dat u kanker hebt, meneer Bakker’, at hij tussen de middag een bakje appelmoes en rond half zes een tiental lepels paprikasoep. ‘Stop,’ zei hij toen. ‘Niet te veel ineens, want ik heb al zo lang niets gegeten.’ Hij wilde ‘groeien’, zei hij. Eventueel stond hem een biefstukje wel aan, maar dat moest dan wel vermalen worden.

Het zijn – denk ik – allemaal fases. Nu lijkt het erop dat hij terugkomt, of terug wíl komen, op zijn eerdere ‘besluit’ niet meer te willen eten, misschien zelfs op zijn besluit niet meer uit het in hoogte verstelbare bed te komen. Alsof het hem ineens allemaal te snel gaat, alsof hij geschrokken is van de manier waarop hij het heeft laten gaan. Dus groeien. Hij had het ook over een operatie, mopperde twee dagen geleden op bezoek dat veel te lang bleef hangen ‘terwijl ik voor een grote operatie sta,’ en dat bezoek rookte ook nog twee sjekkies in huis, hoewel binnen roken al wekenlang strikt verboden is. Het derde sjekkie rookte het bezoek buiten met zijn zuster, mijn moeder, die zelf nog nooit een sigaret aangeraakt heeft. Heel soms bekruipt mij kort het gevoel dat hij ons voor de gek houdt. Dat hij misschien zichzelf ook wel voor de gek houdt.

En ondertussen worden er nog steeds magnetronmaaltijden opgewarmd, draait de wasmachine elke dag, brengen mensen bloemen, worden er kaarten bezorgd en gisteren waren de gierzwaluwen nog niet gevlogen. Er worden boodschappen gedaan, de nachtzuster komt om 23.00 uur binnen en vertrekt om 07:00 uur. ‘Ik heb haar nog nooit gezien,’ zegt mijn moeder. Ik wel, ik heb haar (ze is één van twee die elkaar afwisselen) op een ochtend ‘afgelost’. Ze had ons die nacht drie keer bijna wakker gemaakt, zei ze in haar sappige Westfriese dialect. De waterhoentjes hebben verdomd nóg weer een nieuw nest gemaakt en de jonge ransuilen zijn uitgevlogen: ze zitten vijfhonderd meter verderop in de iepen langs de weg. De bruine kiekendief vliegt onvermoeibaar zijn of haar rondjes. Er zijn periodes waarin hij erg warrig is, en wij vertellen hem dan dat dat komt omdat hij nauwelijks drinkt en niet eet. Daar wordt je ‘raar’ van. Het wachten duurt dus voort, het is een ‘verlengd wachten’ geworden, wij reden zondag naar de Eifel en maandagavond weer terug. Ik moest het gras maaien en zwartebessenjam maken en nog zo het één en ander. Hij is niet ziek (‘Je moet niet denken dat je kanker hebt, vader,’ zei ik, ‘want dat heb je écht niet.’). Hij heeft tweeënzeventig jaar keihard gewerkt. Hij is op. Maar dat is een ruim begrip in dit geval, ‘op’. 

Julidagen

Terwijl buiten de bruine kiekendief aan het jagen is, de gierzwaluwen nog lang niet aan vertrekken lijken te denken, opgewonden langs het dak van de schuur scheren en de waterhoentjes een tweede leg hebben – er is bijna niets aandoenlijker dan kleine waterhoentjes: zwarte wollige baaltjes met een plukje rood, en bovendien: op het rustige platteland lijken er veel meer waterhoentjes dan meerkoeten te zijn, in contrast met de stad, waar de agressieve, opvliegende meerkoeten veruit in de meerderheid zijn – en de drie jonge ransuilen uitgevlogen lijken te zijn, waardoor de nachten van de campinggasten een stuk rustiger zijn geworden, ligt binnen op een bed dat in hoogte verstelbaar is mijn vader. Alles aan het bed is verstelbaar, ook voeteneind, hoofdeind en zelfs het midden, daar waar zo’n beetje de knieën liggen. We hebben zelf een dag of vijf geleden besloten dat niemand van de thuiszorg hem meer pillen hoeft te geven; sommige zijn zo groot dat hij ze domweg niet weggeslikt krijgt en bovendien eet hij niet meer. Anderhalve week geleden verslikte hij zich zo vreselijk in een enorme antibioticumpil dat we gedwongen waren buiten voor de achterdeur te gaan zitten tot het vreselijke hoesten een beetje voorbij was. Toen ik hem een dag of wat geleden voorstelde in plaats van een snee brood met pruimenjam een koude pannenkoek te eten als ontbijt, zei hij: ‘Zeur niet zo.’

‘We’, dat zijn wij, de kinderen. Buiten lijfelijk aanwezig, in wisselende samenstellingen, ook verenigd in een groepsapp, maar die functioneert niet zo goed, communiceren met alleen geschreven, korte berichten blijft toch ingewikkeld. Ik ben slecht in wachten, ik kan dat eigenlijk niet. Als iemand mij bijvoorbeeld op komt halen in een auto, zit ik een half uur van te voren al klaar en als ze dan ook nog eens te laat komen, kan ik niets meer doen. Niets, behalve wachten. Er zijn vast mensen die dan gewoon dat korte stukje van hun leven gewoon voortzetten, even dit doen, even dat, tot er aangebeld wordt. Ik kan dat niet, ik kan alleen nog maar wachten. En wachten is wat we nu ook doen. Soms lijkt het een kort wachten te zijn, een dag later zou het zo maar weer nóg een week kunnen duren. Er wordt elke dag een wasje gedraaid, de vaatwasmachine wordt in- en uitgeruimd, soms denkt iemand eraan het gras te maaien, de kippen moeten elke dag eten hebben en vooral water: kippen drinken ontstellend veel. Op het land rondom het huis gebeurt ook van alles: gewassen worden besproeid met gif, bollen worden uit de grond gehaald, hooi wordt geperst. Een oude buurman gebruikt zijn aftandse fiets als rollator, verplaatst zich daarmee over zijn terrein. Ik tref hem aan als hij nadenkend bij een houten bak met tarwe staat. Ik vertel hem over de situatie. ‘Godverdommetje,’ zegt hij. ‘Wie blijft er nog over aan de Barsingerweg?’ Er komt bezoek. ‘Als ik mijn hart uitspreek, wil ik niemand meer zien,’ zegt mijn vader. Maar mijn moeder houdt juist van bezoek. Eergisteren, nee: zaterdag, zei hij: ‘Ik moet nog wakker blijven tot morgenochtend.’ Toen kwam zijn zuster uit Heemstede. En nu, twee dagen later alweer, is hij nog steeds wakker. Tante Lief is gekomen en gegaan en hij vraagt: ‘Ligt er ook sneeuw?’ na een nachtje warme juliregen.

Vaak zit mijn moeder aan dat bed dat omhoog en omlaag kan. Ze zeggen dan dingen tegen elkaar die wij nog nooit gehoord hebben. ‘Jij bent mijn lieverdje’ bijvoorbeeld. Ze pakt hem vast waar ze kan, zijn handen, zijn hoofd. Een naam wordt meer beladen, op de een of andere manier. ‘Is Gerbrand daar?’ vraagt hij, en ik denk dan: dat ben ik, Gerbrand. Het klinkt nu belangrijk, zo’n naam. Net als de namen van al mijn broers en mijn zus. Af en toe wil hij wat water, soms staat iemand van de zorg – als die er juist op dat moment is – al klaar om dat te doen, maar dan zeg ik dat ik dat wel doe. Dan kan ook ik hem aanraken met een reden, want zomaar aanraken, nee, dat  deden we nooit, dus dat is nu ook nog steeds ‘een dingetje’. 

En dus dat wachten. Een wachten waarin ik tot bijna niets kom, want ja: als ik wacht, dan wacht ik. Ik kom er ook niet toe hier dingen te schrijven, ik erger me in stilte aan al die lui op Twitter die schreeuwen dat hun vader of moeder overleden is en daarvoor beloond worden met duimpjes en hartjes. Wat een onzinnige wereld. De Olympische Spelen gaan grotendeels aan me voorbij en ik heb het gevoel dat dat zo is voor bijna iedereen. Het is of ze op de tv doen alsof ze olympische spelen aan het spelen zijn, met de ene teleurstelling en mislukking na de andere. Vriend Henk vraagt of we iets zullen afspreken. Nee, schrijf ik terug, dat kan eigenlijk niet, alles is te onzeker. Wachten, en niets afspreken. En vriend Henk die doodeerlijk terugschrijft: ‘Nee joh, dat begrijp ik ook wel. Ik wilde gewoon iets voor je doen.’

Mijn moeder zit aan de keukentafel. Ze wrijft met haar hand over het houten oppervlak, af en toe tikt ze met de toppen van haar vingers op het hout. Iemand van de thuiszorg – dat zijn stuk voor stuk lieve, kordate, professionele vrouwen – vraagt haar hoe het met haar gaat en of zij ook wel aan zichzelf denkt.  De tranen zitten aan de oppervlakte, natuurlijk, en ze zegt; ‘Het loopt allemaal zo anders, we hadden zo graag samen oud willen worden.’ Dan zegt iemand dat dat al zo ver is, dat die tijd nú is. Dat ze nú samen oud zijn, hij 90, zij 86. Alsof oud en gebrekkig zijn steeds maar weer vooruitgeschoven was; ach, oud en gebrekkig en uiteindelijk dood, dat is iets voor in de toekomst.

Die camping, trouwens – ik schreef er hier al vaker over – is nu al een groot succes. Toen ik zondagmiddag vertrok stonden er acht bezoekers. Campers, caravans, een verdwaalde tent. En iedereen deelt rijkelijk sterren uit. Veel mensen hebben een hond, hond Bep van mijn broer probeert steeds erheen te glippen, want ja, zo’n fraaie Berner Sennenhond, die wil je wel even meepikken, vooral als je loops bent en die Berner Sennenhond een reu. De afgelopen tijd was het ook wel erg mooi weer, met windstille dagen. Ik heb geregeld een potje badminton gespeeld met neef Kees. De campinggasten maken dan foto’s van alweer een prachtige zonsondergang. En ondertussen ligt mijn vader dus op dat in hoogte verstelbare bed. We hebben hem niet naar boven gedaan. Zeker niet.

Eifelupdate

Het gebeurt wel vaker dat je, zeker als je eens lekker een beetje uitgeslapen hebt, aan je telefoon ziet dat er blijkbaar iets aan de hand is. De/het ene na de/het andere whatsapp-, mail- of zelfs privébericht op twitter stroomde binnen. Of ik veilig was? Waarom? vroeg ik me af. Heb ik iets gemist? Op een bepaald moment kwam er zelfs een bericht van mijn tandarts. Hoe dan ook, ook in ons Nimsdalletje viel in een etmaal zo’n 170 mm regen en de Nims zelf kwam totaan de garagedeur van buurman Klaus en aan de overkant, in Nimshuscheidermühle, stroomden alle huizen van de familie Keil, die op een rijtje van vier staan, allemaal onder. Maar ik weet dat alleen omdat ik Rinus en Lien opbelde en buurman Klaus, zelf merkten we er niks van omdat we in Amsterdam zijn. Altijd als er iets spectaculairs gebeurt daar, ben ik er niet. Drie jaar geleden stierf beer Mike na een flash-flood, waarover ik hier schreef. Ook al gemist. De keuken is wederom blank komen te staan, maar buurman Klaus heeft als het goed is samen met Slavo het wollen kleed over de poort gehangen en er zijn warmteblaas-vochtslurpermachine in gezet. Morgen gaan we de schade opnemen.

Ergens wel hartverwarmend, al die steunbetuigingen. Want dat betekent dat mensen aan je denken, ook de meest onverwachte, zoals de tandarts en de uitgever van de Arbeiderspers. Komende week, zo zag ik op mijn weer-app, wordt het daar mooi weer, zon en een graadje of 24. Voor je het weet is die keuken weer droog. Maar het blijft toch apart, dat water – als het eenmaal niet meer te stuiten is – dwars door een eeuwenoude meterdikke muur komt. In die zin is het helemaal niet nodig om daar te zijn tijdens noodweer, want hoe stuit je water dat door een muur komt? Niet. Je moet het met lede ogen aanzien, terwijl wij nu allerlei andere dagen zagen, hier in het droge Nederland. Erger is dat de plaatselijke glasvezelinternetkast weggespoeld is [zie afbeelding] waardoor er geen internet is. Dat is voor mij niet zo heel erg, maar M is voor zijn vertaalwerk afhankelijk van een goeie internetverbinding. Het is daar wel veel erger geweest dan in Limburg. Tot nu toe zijn er al 81 (!) doden gemeld. Maar ja, denk ik dan ook stiekem, zo’n dorp als Schuld is gebouwd in een U-bocht van de Ahr, met aan de stroomzijde een enorme rotswand. De geografie bepaalt de mate van schade en in dit geval dodelijke slachtoffers. Niemand van de buren heeft iets gemeld over mijn tuin. Ik ga er maar vanuit dat die redelijk ongeschonden is. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat die tuin, begrijpelijk ergens, niemand iets kan schelen.

Ransuilen en rollators

Gisteren was ik de stad in. Zaterdag, in de zomer. Er heerste een onwerkelijke vrede, zo een waarvan je niet precies kan zeggen waardoor het komt. Een dag eerder kwam ik scheldend thuis omdat ik met mijn fiets in een trein stond, op een vol balkon en toen de trein op CS tot stilstand kwam, deed niemand iets. Een heel balkon vol makke schapen. ‘De deur gaat niet vanzelf open,’ zei ik, zo’n beetje in het algemeen. Niks. Toen zei ik het nog een keer, tegen zo’n joch van een jaar of twaalf dat op de trap stond. Zijn moeder begon te sputteren. Maar nog steeds deed niemand iets. De deur werd uiteindelijk van buiten geopend. De moeder keek me op het perron woedend aan, want ja, ik was een brute, witte man van middelbare leeftijd die haar zoontje gekwetst had. ‘Vuile, gore kutstad,’ zei ik tegen mezelf. ‘Kutamsterdam.’ De hele rit naar huis bleef dat hangen en was de stad verre van vredig, maar eerder vol gemene, akelige mensen die mij vuil aankeken. Agressief, druk. Misschien vandaar die vreemde vrede, gisteren. Een rustige stad op een tamelijk fraaie zomerochtend. Ik kocht twee keer een half pond gemalen Afrikaanse koffie bij Kaffa in de Czaar Peterstraat en Dorp van Gilles van der Loo bij boekhandel Van Pampus. Floris was ook vredig en speelde met een loslopende chihuahua. 

Ik was opgefokt, vrijdag, omdat ik de hele week had doorgebracht in Wieringerwaard. Het gaat niet goed met mijn vader en moeder. Er is professionele hulp, en non-professionele hulp, en ik hoorde bij die laatste categorie. Het was me wonderwel meegevallen, daar een hele midweek logeren – deels met Floris – maar zoals wel vaker bij zulke emotionele toestanden, ontdek je pas dat ze emotioneel zijn als je uit de situatie weg bent. Prompt ook diarree en dan weet ik wel hoe de vork in de steel zit: het lichaam neemt de regie over van het hoofd, omdat het hoofd dingen niet helemaal verwerken kan. Wel grappig was – en ik zei ter plekke al dat ik dát ging opschrijven – was het constante geharrewar met twee rollators. Botsingen, opstoppingen, ‘Zet jij die rollator nou eens aan de kant!’ 

Ook werd ik berispt door mijn nichtje. ‘Schrijf je de volgende keer wél iets leuks over mijn camping?’ Die is open en er hebben al ettelijke campers gestaan. Donderdag en vrijdag stonden Tuinmaat Han en Trijntje er, met Jet en Suze, dwergteckels. Ze boften, want er vliegen daar momenteel drie kleine ransuilen rond, die soms zelfs gewoon op de tafel van het campinggastenzitje zitten. Ze schreeuwen de hele nacht door en de moeder jaagt laag over de grond zwevend op muizen. Daarnaast woont er een kiekendief en komen de hele tijd flinke zwermen gierzwaluwen langs. Trijntje gaf de camping vijf sterren, zelfs terwijl de douche en wc momenteel in een portacabin zitten. Twee andere campers hadden ook al vijf sterren gegeven. En al die sterren (’s nachts letterlijk prachtig te zien in die lichtluwe omgeving) tellen natuurlijk veel zwaarder dan de een of andere opmerking die ik hier gemaakt heb over je haar wassen in de geur van kalverenstront.

Uitstapje

Afgelopen vrijdag trof ik op een van de tuintafels een keurig schoongemaakt potje aan. er zat een sticker opgeplakt: rabarber-gember-citroen, met een datum. Dat had ik zelf geschreven. Twee dagen ervoor had ik Margret en Max een pot jam gebracht, nadat Margret een zak vol Afrikaantjes aan mijn poort had gehangen. Dus ik stuur buurvrouw Margret een whatsapp-bericht: ‘Heb jij nou werkelijk die jam naar een ander potje overgeheveld?’ Nee hoor, kwam al snel het antwoord, die jam was zo lekker, die hebben we al op. En nog iets: als je Afrikaantjes in grote getale neerzet, is dat helemaal niet tuttig. Dan is het leuk.

Gisteren hadden we een uitje in onze nieuwe wagen: M. ging zijn tweede prik halen in Maastricht. Floris ging ook mee. Met haar liep ik vanaf MECC naar het Gouvernementsgebouw, daarachter stroomt de Maas. Floris ging er een paar keer in en uit en werd door een opdringerige kletsnatte border-collie besnuffeld. Vervolgens liet diezelfde border-collie zijn balletje vallen, het leek wel een uitnodiging te zijn. Floris reageerde daar niet op, terwijl ze bloedfanatiek op haar eigen ballen is. Raar beest. Om die prik te vieren, wilde ik ergens in een dorp vlaai eten. Dat werd Cadier en Keer, we reden zomaar wat. Daar viel een aanhangertje dat achter een fiets zat om en de hond die erin vervoerd werd, rolde over straat, en tijdens het opruimen ontstond er een kleine file. Vervolgens ontdekte ik dat we heel dichtbij de Amerikaanse oorlogsbegraafplaats waren, dus daar reden we ook nog even heen, want M. was er nog nooit geweest. Het was er druk. Vanuit Margraten stuurde onze navigatie ons via een prachtige onopvallende grensovergang België in. Pas in de buurt van Verviers kwamen we op de gebruikelijke route terug. Die navigatie heeft een vrouwenstem, we hebben haar Patricia genoemd, afgekort Patries. Ze zeurt veel, heeft constant commentaar en we moeten nog even uitzoeken hoe dat te veranderen is. Nu roepen we de hele tijd: ‘Patries, hou je bek!’ En onlangs, op weg naar Friesland, reden we volgens Patries kilometerslang door een weiland, blijkbaar omdat ze nogal verouderd is, wat ons overigens niet verteld was door de autodealer.

Ik had me voorbereid op een drukke dag op Twitter, met heel veel boze reacties, omdat gisteren dat stuk in Trouw stond. Maar er gebeurde zoals gebruikelijk vrijwel niets. Trouw is een goeie krant, maar enige reuring, zoals De Volkskrant of NRCdie maken kunnen, komt er vrijwel nooit uit voort. Daarom schonken we bij thuiskomst snel twee gin-tonics in en gingen we in de tuin zitten. Toekijken hoe druk het bij het buurhuis was, daar werd gemaaid, geplant, en de heg werd geschoren. Dat is lekker: achteroverleunen met een tinkelend fris drankje en kijken naar hoe andere mensen werken. Eén van de Afrikaantjes bloeide al.