Die Entdeckung des Himmels [Trouw, 7.9]

Ik heb helemaal geen zin om iets literairs te schrijven. Ik heb zin om te schrijven hoe fijn het hier in de Eifel is, nu de zomer op zijn einde loopt. Hoe juist niet-literair alles hier is. Literatuur is ontzettend ver weg. Hier vieren Rinus en Lien hun 50-jarig huwelijk; hier organiseren Gaby en Hans-Dieter een Sommerparty, waar buurvrouw C. zich wederom schandalig misdraagt, haar man de huid vol scheldt, begint te zingen, want ja, ze was ooit sopraan in Keulen, alle mannen die aanwezig zijn betast en mannen die daar niet van gediend toebijt dat ze met haar moeten flirten; hier bropbroppen steeds minder motorrijders langs; enorme vrachtwagens met sparren rijden af en aan; buurvrouw Monika komt naar buiten omdat het ineens zulk lekker weer is en buurman Klaus ontsteekt de barbecue; Christa van voorheen dakdekker Rudi heeft haar knie verdraaid, volgens zoon Johannes is het goed mis met haar binnenste kruisband (‘Ach, Du!’ zegt Christa, die wel ziet dat Johannes niet helemaal nuchter meer is.). Johannes komt namelijk net thuis van de nazit die volgde op de oefening van de vrijwillige brandweer bij Toni en Heidi. De oefening was rond tienen klaar, wij troffen de voltallige vrijwillige brandweer rond vieren, hoge stapels bierkratten in het midden, ik kreeg meteen een flesje in de hand gedrukt. Hondje Floris piept van opwinding, en dan toch ineens literatuur, of wat daarvoor door moet gaan.

Ik ken ze, ik ken alle koppen, maar ik kan er bij een enkele slechts een naam aan verbinden. ‘Waarom heb jij zulke rode handen?’ roept er één. ‘Brombeeren!’ roep ik terug. ‘Hier in de tas. Veel te weinig. Niet genoeg voor jam.’ Ze willen me nog een biertje in de hand duwen. ‘Nein!’ roep ik. ‘Je moet over ons schrijven!’ roepen zij dan weer. ‘Dat is goed,’ zeg ik. ‘Toevallig moet ik morgen (- dit was zondag -) een column leveren.’ En in mijn volgende boek moet ik ook over ze schrijven, krijg ik te horen. Maar alleen goeie dingen. Geen lelijke dingen, of dingen die niet kloppen, want daar heb ik een handje van, dat hebben ze best wel door. ‘Is goed,’ zeg ik. En of ik me er wel van bewust ben dat ik nooit iets lelijks over de vrijwillige brandweer van Nimshuscheid moet schrijven, want Schwarzbach mag dan wel bij Feuerscheid horen, de vrijwillige brandweer van Nimshuscheid is veel eerder ter plekke, mocht er bij mij brand uitbreken, dan de vrijwillige brandweer van Feuerscheid, en sowieso zijn die van Nimshuscheid natuurlijk veel beter dan die van Feuerscheid. Hier, vanochtend nog, toen ze wegreden bij de boerderij van Toni en Heidi, zagen ze dat een schaap zich vastgedraaid had in het schapengaas, toen hadden zij een stuk schapengaas weggeknipt met hun betonscharen en het schaap bevrijd, dus eigenlijk konden ze in hun logboek schrijven dat er een Einsatz had plaatsgevonden die ochtend. Inmiddels vraag ik me af hoe we er weg konden komen. Want ja, het is óf wegkomen, óf een uurtje later stomdronken thuis zien te geraken. ‘Wir sind weg!’ roep ik daarom plompverloren. Dat is goed, maar alleen als ik goeie, leuke, fijne dingen over ze op zou schrijven. Dat beloof ik.

We hadden Gaby en Hans-Dieter de avond ervoor ‘Die Entdeckung des Himmels’ van Harry Mulisch gegeven. Dat boek lag hier in huis, onduidelijk hoe of waarom. Nagelnieuw. ‘Lees jij wel?’ vroeg ik Gaby toen ik het haar overhandigde. ‘Sicher,’ zei Gaby. ‘Dat is mooi,’ zei ik. ‘Het is namelijk een ontzettend fijn boek om te lezen en die Harry Mulisch is een heel beroemde Nederlandse schrijver. Helaas dood.’

 

Nazomertje

Er is hier samen met de man-uit-het-verleden-die-langs-is-komen-rijden-en-niet-meer-weggaat dus ook een hond meegeglipt. De hond is erg lief en mooi (ze is een fox-terrier), maar soms ook een vervelend stuk vreten omdat ze niet op kan houden houtjes te brengen die je dan weg moet gooien. Als je dat niet doet, gaat ze op haar bevallige kontje zitten en begint óf te keffen óf te janken. Gisteren ontdekte ik puur bij toeval een afweer. We zaten na een drukke dag rond half zes een gin-tonic te drinken. Gin, tonic, een schijfje limoen en twee ijsklontjes in een blauwglazen glas. Floris zat luidkeels naast me te klagen. Ik pakte het glas op en stak dat onder haar neus. Eerst werd de kop weggedraaid, daarna het hele lijf en tenslotte sprong ze van het larikshouten podium af. Vervolgens hoefde ik haar het glas maar te laten zien (tinkeldetinkel met de ijsblokjes) of ze verdween. Bizar. Een hond met een fobie voor gin-tonic. Maar wel goed en handig om te weten.

Ondanks het warme weer beginnen de sedums al te kleuren. Het is de Sedum spectabile ‘Herbstfreude’, dat zegt wel genoeg. En ’s avonds trekt het al snel koud op. Overdag volop zomer. Vlinders, bijen, hommels, opdringerige wespen. Die wespen hebben de man en mij nog steeds niet gestoken, soms liggen ze op een bepaalde plek massaal te sterven. Ik zit eindelijk weer in de schrijfkamer. De afgelopen dagen heb ik de gastenkamer omgebouwd tot werkkamer. Daarin zit de man nu te werken. Iedereen heeft nu zijn eigen werkkamer. Behalve Floris. Die zwerft een beetje heen en weer. Maar een hond heeft natuurlijk helemaal geen werkkamer nodig. Die heeft genoeg aan houtjes, een sparrenappel, een bak met water en af en toe wat vreten. Ze doet erg graag samen met mij koken, ze is dol op watermeloen, komkommer en courgette. Vanochtend kwam ze nog even bij me liggen. Na een lange nacht slapen, in een bench, gewoon onder het dekbed gekropen en meteen wéér in slaap gevallen. Volgens mij zijn honden daardoor niet tot nauwelijks somber: ze slapen zo geweldig goed.

Aanstaand weekend weer de eerste Trouw-column schrijven. Ook bij de krant is de zomer voorbij. Gisteravond aten we bij het Fünfmädelhaus in Lambertsberg. We waren de enige eters en zaten buiten. Op een elektriciteitskabel zaten honderden zwaluwen. Het leek erop dat ze zich verzamelden om maar weer eens naar het zuiden te vliegen, maar de cheffin vertelde ons dat ze er woonden. De kringloop was weer prima in orde, liet ze ons ook nog weten: bloemen, insecten, zwaluwen. Het komt helemaal goed met deze wereld. Het eten was ook nog eens prima in orde, en de Grauburgunder smaakte heerlijk.

Floris en de geelgors

De man-uit-het-verleden-die-langs-is-komen-rijden-en-niet-meer-weggaat ligt naast me Caesarion van Tommy Wieringa te lezen op zijn Kobo. Ik vraag me af of dat een reden is hem eerst mijn bed en vervolgens mijn huis uit te zetten. Neu. Ik laat het nog even gaan. Iedereen mag lezen wat hij of zij wil, hoewel daar op een bepaald moment natuurlijk wel een grens aan zit. Gelukkig maakt hij zo nu en dan afkeurende geluidjes.

Ik stuurde een artikel op naar de vpro-gids. Het was een opsturen met mitsen en maren en een vraag naar op- dan wel aanmerkingen. Kreeg ik een enorm enthousiaste mail terug. Niks meer aan doen! En ook nog foutloos! Het ging over een documentaire die in september uitgezonden gaat worden in Tegenlicht en die ik dus al zag, om er iets over te kunnen schrijven. Over bomen. Toevallig was ik toen ik eraan begon te werken net begonnen in The overstory van Richard Powers. Ook dat nog. Overal bomen die signalen afgeven, die communiceren, een Weymountden (Pinus strobus) die zacht suizende geluiden voortbrengt. En het is allemaal zo, het is waar, maar wie vertelt ons of die met bomen dwepende mensen gelijk hebben of dat ze gek zijn? Springen we vol overgave in die groene wereld of gaan we er met onze rug naartoe zitten? Het is allemaal erg moeilijk, schreef ik, maar ook schreef ik dat het aan de andere kant doodsimpel is. Dat schiet niet op. Of juist wel. Niet alleen het opsturen van het artikel ging gepaard met mitsen en maren, het artikel zélf is één enorme mits en maar.

Op het vogelvoederstation is het na een doodstille maand juli nu weer razend druk. Enorme scholen mussen vliegen zenuwachtig af en aan, de boomklever verdrijft alles en iedereen, kool- en pimpelmezen wisselen elkaar af en als er dan nog een gaatje is, wordt dat gevuld door de matkoppen, terwijl heel soms het geelgorspaartje aan de voet rondscharrelt. Floris, de fox-terrier, had een keer bijna een geelgors te pakken. ‘Dat moet je laten,’ zei ik tegen haar. ‘Anders wacht het asiel of, erger nog, een spuitje.’ Ik weet niet of ze – ja: het dier heeft een mannennaam – begrijpt dat ik het niet meen. De man-uit-het-verleden-die-langs-is-komen-rijden-en-niet-meer-weggaat vroeg zich waarschijnlijk in stilte af of dít een reden was om zijn biezen te pakken. Maar hij liet het gelukkig ook nog even gaan.

Iemand ongestraft Caesarion laten lezen of ongestraft je hond met de dood laten bedreigen, wat heeft dat nu allemaal weer te betekenen?

Wespen die niet steken willen

Ik zie zelf ook wel dat het op deze plek anders is dan voorheen. Voorheen verschenen er veel meer dingetjes. Meestal van tamelijk opgewekte toon. Er is hier wel eerder een grote verandering opgetreden, vooral na het relativeringsloze, bijna adhd-achtige jaar 2007. Dat is twaalf jaar geleden. Toen kreeg ik bij nader inzien zo’n hekel aan mezelf, dat de toon al drastisch gewijzigd werd. Het punt is: ik moet willen gaan zitten, er moet iets gebeuren in mijn hoofd (mijn gedachten) dat maakt dat ik ga zitten om iets te tikken. En dat gebeurt domweg niet. De Trouw-column is zo’n beetje het enige wat eruit komt en daarom is het doorplaatsen van die column, eens in de twee weken, het enige teken dat ik nog weleens op deze plek kom.

Het heeft hier afgelopen (na)jaar maanden stilgelegen omdat ik me op een plek bevond van waaruit ik niets kon ondernemen. Een Niemandsland waarin niets betekenis had, waarin ik van klein moment naar volgend klein moment leefde. De tijd uitzat, soms letterlijk van minuut op minuut. Daarna bleek het oppakken van dit weblog – in elk geval zo’n beetje tot nu – onmogelijk. Wel schreef ik een boek. Dat deo volente komende februari uit gaat komen. Zo’n boek dat je eigenlijk liever niet geschreven had, maar ja: iets anders was er niet. Iets anders ging niet. De titel zal zijn: Knecht, alleen. Andere dingen gingen ook niet meer. Ik meldde me af bij Facebook, dat was een onverdraaglijk lege, ongeïnteresseerde, liefdeloze plaats geworden. Hol. Nep. Vreemd genoeg is Twitter er nog wel, met mate. Maar ook daar groeit de afkeer, sterven er naar mijn smaak veel te veel mensen in het openbaar. Een nieuwe trend: sterven op Twitter. Honderden likes. Leuk, hoor. Sterven doe je, vind ik, alleen, met mensen om je heen van vlees en bloed, die je vast kunt pakken of, desgewenst, van je af kunt stoten.

Het is niet zo dat er niets gebeurt. In tegendeel. Er gebeurt van alles. Momenteel staat mijn leven op z’n kop omdat een man uit het verleden langs is komen rijden en die man vertrekt niet meer. Ik wil ook niet dat hij vertrekt. De man heeft een hondje meegenomen. Het hondje mag ook blijven, hoewel ze wel erg kefferig is en na twee dagen mijn huis en tuin al als het hare beschouwde, wat inhoudt dat alles en iedereen afgeblaft dient te worden. Ook maken wespen een nest, zo’n prachtig papierachtig bouwwerk, onder de houten vlonder op het balkon. Ik stond er onlangs per ongeluk bovenop, op blote voeten, en geen enkele wesp stak me. De man uit het verleden gaat er ook gewoon middenin staan. De wespen steken ons niet, het windt ze schijnbaar niet eens op. Dat zal wel iets betekenen. Iets goeds, wellicht.

Deo volente in februari, schreef ik. Het is kant en klaar, maar er is nog ruim de tijd om – mocht dat nodig zijn – aan te schaven. Voor Jasper en zijn knecht moest ik vlak voor verschijnen een epiloog schrijven, omdat Jasper, wat niet de bedoeling was, doodging. En nu, wederom, ligt het einde open. Maar ik trap er niet in. Een boek is een boek (hoe autobiografisch ook) en het echte leven is het echte leven.

Leestips [Trouw, 6 juli]

Hoe kom ik aan mijn boeken? Zelden bezoek ik een boekhandel, eigenlijk alleen als ik een boekenbon heb. Als je zoals ik op het moment op de een of andere manier verbonden bent aan drie uitgeverijen, kom je al een heel eind. Uitgevers delen namelijk erg makkelijk en graag boeken uit. ‘Wil je nog wat?’ Ja, graag, zeg ik dan, en vervolgens loop ik zelf de schappen met kakelverse boeken langs. Vorige week nog snaaide ik bij Cossee de nieuwe John Coetzee mee. Ook gebeurt het dat ik boeken toegestuurd krijg, eveneens van uitgeverijen, en dan juist weer niet van de drie hierboven genoemde. Dan zit ergens een redacteur te peinzen wie er over dit of dat boek weleens iets vriendelijks en positiefs zou kunnen twitteren. Regelmatig zitten ze mis, dan krijg ik een boek over de natuur, zo’n modern boek, waarin staat dat bomen pijn voelen of dat Hosta’s de hele dag door met elkaar communiceren, om nog maar te zwijgen over wat geraniums ’s nachts met elkaar uitvreten.

Onlangs las ik in een kroeg voor uit een boek van Lucia Berlin. In café Helmers is het de bedoeling dat je niet uit eigen werk voorleest. Dat vind ik een fijn initiatief en daarom deed ik eraan mee. Er is geen honorarium aan verbonden, meestal is dat een reden om nee te zeggen tegen zulke uitnodigingen. Ik hoop dat de bezoekers van die avond zich genoopt voelden Handleiding voor poetsvrouwen aan te schaffen, dat is namelijk een erg mooie verhalenbundel. Dit is de eerste leestip in deze column die, ik voel het aankomen, uit gaat monden in een reclameuiting. Geen honorarium, wel een boek. Gilles van der Loo, de culinair recensent van Het Parool en een van de organisatoren, overhandigde me na afloop Alles van Kevin Canty. ‘Goh,’ zei ik, toen ik het cadeaupapier vol verwachting kapot had gescheurd. Iets anders had ik niet kunnen zeggen, want ik had nog nooit van Kevin Canty gehoord.

Is dat erg? Dat je schrijvers niet kent? Ik vind het altijd een pijnlijke tekortkoming van mezelf, aan de andere kant verzoent het je ook met het feit dat heel veel mensen nooit van Gerbrand Bakker gehoord hebben. Op een van de laatste bladzijden van het Privé-domeindeel van Alfred Birney duik ik ineens op. “Ik breng een bezoek aan Gerbrand Bakker. Ik schrijf al twintig jaar langer dan hij, maar hij lijkt me niet te kennen. Maar dat geeft niet.” Het is nog erger: hoe ik ook mijn best doe mij deze ontmoeting – ik herinner me het literaire festival in Den Haag waar dit plaatsvond – voor de geest te halen, het lukt me niet. Maar ook Birney heeft zich verzoend met het feit dat niet iedereen, zélfs als het een collega betreft, hem kent.

Terug naar Canty, ik las het boek nadat ik Niemand bleef van Birney las. Wat een prachtig boek! Wat een liefdevolle, warme, vreemde wereld. Veel perspectieven, veel wit. Een boek dat je doet inzien dat iedereen maar wat aanrommelt in het leven. Dat jij niet de enige bent die er niet altijd even veel van begrijpt. Dat het niet erg is om met iemand anders het bed in te duiken, zeker als dat onafwendbaar en onvermijdelijk is. Lekker veel honden ook, overal honden, al dan niet dood of bijterig. En op geen enkel moment sentimenteel, iets wat altijd op de loer ligt als een wat oudere man over gevoelens schrijft, zeker waar het vrouwelijke personages betreft. Ergens wijst Canty ons erop dat we allemaal sukkels zijn. Maar dan wel gevoelige sukkels die hun stinkende best doen.

 

Aardappel

Ik was erg geraakt door de column van Franca van afgelopen zaterdag. Ik vond het een prachtige column, misschien zelfs wel jaloersmakend. Ze had het over een ‘geest als van aardappel’ en ‘wat steekt mijn bruin daar schraal bij af’, in vergelijking met schrijvers die vrijheid nemen, die vlammen en fel kleurend schilderen. Het was een column die me aan het nadenken zette en dat gebeurt niet vaak. Hooguit denk ik bij deze of gene column eens: ‘O, ja?’ of: ‘Nou, nou.’ Ik dacht na over wat voor soort schrijver ik wil zijn, een gedachte waarop ik mezelf nooit eerder betrapte.

Eerst dacht ik: is dat belangrijk eigenlijk? Franca dacht erover na en schreef dat vervolgens op omdat ze – vermoed ik – een kort moment van jaloezie doormaakte en haar ouders op de vraag hoe ze vroeger was ‘Een heel gewoon kind’ hoorde antwoorden. Precies wat mijn vader en moeder zouden zeggen, en ook gezegd hebben. En dat ze het woord ‘trots’ nooit in de mond zouden nemen, maar wel blij zijn als het goed gaat. Met andere woorden: van je ouders moet je het in de schrijverij niet hebben, je moet je eigen pad kiezen en als je erop gesteld bent dat mensen trots op je zijn, als je wilt dat je erkend wordt, moet je daarvoor de juiste vrienden kiezen.

Ik kan me niet herinneren ooit jaloers te zijn geweest op andere schrijvers. Niet waar het hun schrijven betreft. Natuurlijk wel als de ander er met een prijs vandoor gaat waarvoor ik ook genomineerd was. Waarom zou ik jaloers zijn? Ik ben me bewust van mijn manier van schrijven, en ik wéét dat als ik anders (vuriger, vlammender, met meer kleuren) zou willen, ik dat domweg niet doe. Omdat dat niet bij mij past. Net zoals Franca vanuit haar aard schrijft zoals ze schrijft, schrijf ik geloof ik ook vanuit mijn aard. Ik herinner me een gesprek met haar vlak voor ze iets moeilijks moest doen in De Balie, meen ik, iets over Simone de Boeuvoir, geloof ik. Ik merkte aan haar dat ze dat dolgraag wilde doen, want andere schrijfsters deden het ook, het zou blijkbaar een nogal intellectuele avond worden, maar vooral ook merkte ik haar ongemak op. Wellicht omdat ze zelf voelde dat het niet bij haar paste?

Precies zo is het bij het schrijven ook. Als je ongemak bij jezelf voelt als je op een manier schrijft die niet bij je past, kun je er maar beter mee ophouden. En: als je probeert het anders te doen, doe je dat altijd voor de lezers, of de tijdgeest, of wat er op dat moment populair is. Je verloochent jezelf dan. Daarom heb ik nooit de neiging vuriger, vlammender en kleuriger te schrijven. Dat doen anderen al. Omdat dat bij ze past.

Ik wil dus een schrijver zijn die schrijft zoals hij gebekt is en zoals hij in elkaar steekt. Vandaar wellicht tegenwoordig liever een Privé-domeindeel dan een roman. Want ja, een roman is een tamelijk geconstrueerd iets. Dat wat er in mij zit, wie ik ben, dát is wat ik in wil zetten en ik zou dus nooit een roman willen schrijven zoals bijvoorbeeld Ilja Pfeijffer die schrijft. Misschien zou ik het wel kunnen, maar dat is een andere kwestie.

Het einde van Franca’s column is misschien een tikje verontrustend. Ze schrijft dat je je niet moet laten vangen in een rol, en al helemaal niet door je eigen betoog. Gaat ze de boel omgooien? Gaat ze van een ‘bruine schrijfster met een geest als van aardappel’ een vlammende, bloemrijke auteur worden? Ik ben benieuwd.

Een ouwe dag

Ik was gisteren op een trouwfeest. Dat vond buiten plaats en het was prachtig weer. En het bruidspaar was geweldig, in alle opzichten. Dus dat was allemaal prima in orde. Iets anders was niet helemaal in orde. Drie momenten.

Ik sprak met de moeder van de bruidegom. De bruidegom is, meen ik, 47. Waarover het ging, weet ik niet meer, maar de moeder van de bruidegom zei op een bepaald moment: ‘Wij zullen niet zoveel schelen.’ De bruidegom keek me schuins aan. ‘Ik ben van zes,’ zei de moeder. ‘1946,’ zei de bruidegom lachend. ‘Nou,’ zei ik toen, ‘dan schelen we toch nogal…’

Ik stond met een tante van de bruid aan een statafeltje te praten met een vriend van de bruidegom. Een man van een jaar of 45. ‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg hij aan mij. Ik wilde vragen: ‘Wie zijn jullie?’ of: ‘Waarom spreek je mij in meervoudsvorm aan?’ maar ondertussen kwam de tante al niet meer bij van het lachen. Ik had haar over het leeftijdsakkefietje met de moeder van de bruidegom verteld. Ik wees over mijn schouder naar de oom van de bruid. ‘Deze mevrouw is met die meneer getrouwd,’ zei ik. De tante is 70. Maar ze ziet er, toegegeven, wel erg jeugdig uit.

Teruggekeerd in Amsterdam, nam ik tram 26 naar huis. Het was nogal druk. Op een stoel vlakbij me zat een zwartharige jongen met een afbakpizza op zijn schoot. Ik stond. De jongen kwam half overeind. ‘Do you want to sit down?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei ik. De jongen bleef overeind. ‘Are you sure?’ vroeg hij. Ik wilde zeggen: ‘Don’t be ridiculous!’ maar zei: ‘Really, I can stand.’

Ik vertelde neef Casper vanochtend over deze drie momenten. En in plaats van uit te roepen: ‘Wat een rare mensen, oom Gerbrand!’ zei hij: ‘Ja, het is begonnen.’