Rabarberjam, eekhoorn en Toyota

Ieder jaar verrast het me toch weer. Dit keer kwam het heel laat omdat april en mei zo uitzonderlijk koud waren. Maar nu is in één week tijd alles uitgebarsten. De Hongaarse eik die zulke aarzelende, frêle blaadjes had, staat er nu bij alsof het altijd zomer is. Ik gooide net een hand voer in het vogelvoederstation en hoorde een luid gezoem: in de hulst, die bloeit met onooglijke witte bloementjes, honderden insecten, volgens mij een soort zweefvliegen, ze lijken op wespen. Dat gezeur nog steeds, mensen die op de sociale media zich afvragen waar de insecten toch zijn gebleven, die doemdenkers: hier! In de Eifel! Het barst ervan! Het ergert me al tijden aan mijn krant ook, Trouw. Is er eens iets goeds te melden, meteen weer een ‘maar…’ erachteraan. De grondwaterstand is helemaal op orde, maar hoe lang nog? Nou, dat zien we dan wel weer. Toch? De tweede golf (of zaten we nou al in een derde?) is op z’n einde, maar… Houd toch eens op met dat doemdenken. Dat angst zaaien. Onzekerheid planten. Je kunt beter zaad zaaien en planten planten, bessenstruiken, geraniums in de volle grond, Cosmea’s. De snijbiet die ik vorige week eindelijk in de grond stopte, piept er nu al doorheen.

Floris stond net gebiologeerd naar de eik te staren. Toen ik naar buiten kwam en ze mij even aankeek, greep de eekhoorn zijn kans en glipte via het boventerras en de picknicktafel die daar staat weg. Hop, hop, hop en opgelost in het bos. Bij de buren wordt gras gemaaid, ik weet zo even niet welke buren. Als ik zou willen, kan ik elke drie, vier dagen wel maaien, zó hard schiet het de grond uit. De clematis, nog zo één. Vorige week nog dacht ik ‘Die komt aardig terug’ en nu bloeit-ie al bijna. Ik kookte zestien potten rabarber-gember-citroenjam en het lijkt erop dat de bessenoogst dit jaar ook groot gaat zijn. Onlangs dacht ik nog: wat gaat die jam er toch hard doorheen, hoe kan dat? Tot ik besefte dat hier in huis al bijna twee jaar twee jameters wonen. Ik gaf één potje weg, aan buren Rinus en Lien. Buurman Klaus zei gelukkig zelf dat ik die jam niet weg moest geven; hij krijgt dus niet. Christa bracht ik een paar stengels, die wilde een rabarbertaart bakken. Jameters, dat is een bizar woord, zie ik nu.

En toch reizen we vrijdag weer eens af richting vaderland. Er moet een tweede prik gehaald worden, er is een afspraak op de uitgeverij, de nieuwe Toyota Auris touring sports 1,8 Hybrid kan opgehaald worden (met instaplijsten, stoelverwarming en panoramadak), er zijn filmopnames in Friesland. En er moet bijgesprongen worden in Wieringerwaard, mijn vader en moeder zijn momenteel wat in de lappenmand. Ik ben aangesteld om de heggen te knippen en dat doe ik dan dus ook. Ondertussen schreef ik ook nog een lang stuk voor Trouw (zonder doemdenken), zo’n stuk waarvan je, vlak na inzenden, denkt: ‘Ik neem het terug, dit kan niet.’ Toch deed ik dat niet. Over lesbische kopjes thee en slachtoffernichtjes en Martien Meiland. Is het jullie ook al opgevallen dat Martien Meiland, met de rest van zijn familie, SBS6 overgenomen heeft? Ik heb het idee dat hij momenteel de enige werknemer van die commerciële zender is en dat maakt SBS tot de grootste en belangrijkste homozender van het land. Zouden ze dat pak ‘m beet vijf jaar geleden verwacht hebben?

Eet- en vogelnieuws

Afgelopen dinsdag trokken we naar Prüm. Daar staat op de Hahnplatz, pal voor de oude abdij, een rode container. Bij een raam met tralies registreer je je, vraag je een QR-code aan en even later, bij een deur met tralies, word je getest. Wanneer je iets gegeten hebt, kort van te voren, steekt de man het staafje zachtzinnig in je neus, als je niets gegeten hebt mag je aan het staafje zuigen, als op een lolly. Een kwartiertje later kregen we alle drie via de telefoon door dat we negatief waren. In de tussentijd bezochten we de Sankt Salvador basiliek. Daar ligt Lothar I begraven, al sinds het jaar 855. ’s Avonds ging het naar Lambertsberg, naar het Fünfmädelhaus. Daar was het allemaal om te doen: uit eten! We namen alle drie een groot stuk Ierse biefstuk omdat we de avond ervoor vegetarisch gegeten hadden. Bij binnenkomst trokken we onze telefoons en dat was al genoeg, de waard geloofde ons wel. Dat is natuurlijk niet goed, je moet ons niet op onze blauwe ogen geloven. Het was erg plezierig. Niet koken, bediend worden, terwijl de huis- en gierzwaluwen, waarvan er heel veel zijn in Lambertsberg, heen en weer vlogen.

We hadden ook een dag vol zenuwen. Vrijwel alle kleine vogeltjes vliegen ongemerkt uit. Zo was de kast met kleine boomklevers zomaar leeg. Maar koolmezen maken er altijd een heel spektakel van. Die vliegen uit terwijl ze er nog nét niet helemaal klaar voor zijn, want betekent dat ze op de grond terechtkomen en daar nog een tijdje gevoerd moeten worden. Er wordt wat gehipt, er worden mini-stukjes gevlogen. Het waren er drie. Floris is vrijwel de hele dag binnen gebleven, wat haar helemaal niet aanstond, want ze voelde dat er buiten iets gaande was. Toen we terugkwamen uit Lambertsberg was er geen koolmeesje meer te zien. Je gaat er dan maar vanuit dat ze dan écht uitgevlogen zijn. In elk geval sterven ze niet op het erf, dat is wel fijn. Ik maakte de houten nestkast met het scharnierende dak schoon en twee dagen later begonnen de volwassen koolmezen die alweer te inspecteren. De pimpelmezen hadden helaas een misbroed. Twee dode meesjes en vijf koude eieren. De klevers pakken dat slimmer aan: de kleintjes vreten voer van het vogelvoederstation, dat ze gebracht wordt door de ouders. Bij dat station veel gekrakeel, vanwege drie grote bonte spechten, twee mannetjes en één wijfje. En er zijn twee goudvinkpaartjes. Waar dat nieuwe paartje vandaan komt? Ook groenlingen (zie afbeelding) en één dikke, vette appelvink. Gelukkig verkoopt de Globus het hele jaar door vogelvoer.

Abnormale Pinksteren

Pinkstermaandag. Voor het tweede jaar gaat de Rad Erlebnistag niet door. Dat is hier zo’n beetje het hoogtepunt van het jaar. Van Rommersheim tot Rittersdorf is de L5 afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en kunnen mensen 35 kilometer lang onbelemmerd fietsen, wandelen of skaten. Op zich kan zoiets best doorgang vinden natuurlijk, ware het niet dat het niet zozeer om het fietsen, lopen of skaten draait, maar om alle stopplekken onderweg. Waar je bier kan kopen en worsten en wafels met warme kersen en slagroom en Reibekuchen. Nimshuscheidermühle en Feuerscheid organiseren de Rastplatz bij ons om en om. Het ene jaar staat het echt om de hoek, het andere jaar moeten we er de brug voor over. Het ene jaar is het, om het zo maar te zeggen, bij buurman Klaus voor de deur, het andere bij Christa van voorheen dakdekker Rudi. Nu is het doodstil en bovendien regent en waait het. Ik vermoed dat na april deze mei als een van de koudste en natste van de afgelopen twee eeuwen de boeken in gaat.

Gisteren was ik nog even in het ziekenhuis in Prüm, om een foto te laten maken van mijn rechter grote teen. Die bleek niet gebroken te zijn, nadat ik in plaats van tégen Floris’ bal keihard in het terras had geschopt. Het was er als een scène uit een postapocalyptische film, moederziel alleen hompelde ik door de lange gangen, van de huisartsenpost naar de eerste hulp en vandaar weer naar radiologie, en toen weer terug naar de eerste hulp, beladen met formulieren die ik op verschillende plekken had moeten invullen. De pinksterhuisarts van dienst kwam uit Tadzjikistan. Ik kon hem niet verstaan, maar hij was enorm vriendelijk. Waar de eerste hulparts vandaan kwam, weet ik niet, maar ook hem kon ik niet verstaan. Hij was iets minder vriendelijk. De enige die ik goed kon verstaan was de radiologe, die mij complimenteerde met de geweldige show vanuit Rotterdam. Hoe Italië in godsnaam had kunnen winnen ging haar pet te boven. ‘Gute Besserung!’ riep de achter haar balie verscholen receptioniste me nog na. Buiten stond één man te roken. In een garage was een eenzame ambulancebroeder bezig. Ik denk dat ze daar dolblij waren dat ze een klant hadden gehad, ik denk dat ik me niet schuldig hoef te voelen dat ik een uur lang het Duitse gezondsheidssysteem min of meer voor niets had belast. En passant wel lekker ibuprofen van 600 mg in huis.

De teen klopt inmiddels niet meer (‘tokkeren’, noemt mijn moeder dat) en hij wordt al mooi bont en blauw, dank u wel. Over een paar dagen kan ik vast weer normaal lopen. Er is ons mooi weer beloofd, met uiteindelijk wel 18 (achttien!) graden en zon, maar dat schuift steeds een dag op en er komen dagen van 12 graden en regen voor in de plaats. 

Auto, Giro, graf, glazen oog en camping

Sommige dagen verlopen als stroop, sommige weken waaien weg als paardebloemenpluis. We kochten deze week een nieuwe auto in Zoetermeer en bezochten het MH-17 monument in Vijfhuizen. Dat is tamelijk indrukwekkend. Alle bomen die kunnen bloeien, bloeiden. De 15 bemanningsleden hebben een aparte status, uitsluitend zij hebben een linde. Floris kreeg een paniekaanval omdat er op het nabijgelegen Schiphol geknald werd vanwege vogels. Er zaten twee bijzonder vriendelijke groenwerkers in hun busje te lunchen en er was een ouwe donkerbruine labrador met grijze wenkbrauwen, dat zag er erg geinig uit.

Verder gebeurde er natuurlijk nog van alles afgelopen week, en ik zat urenlang voor de tv om te luisteren naar het gemoedelijke gekakel van Karsten Kroon en Jeroen Vanbellegem die de taak hebben elke etappe van de Giro van A tot Z te becommentariëren. Urenlang. Ze steken Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra danig naar de kroon. Die Giro zelf, trouwens, is nu al enorm spannend en enerverend. Het regent er veel, dat is jammer, ik zie het liefst zonovergoten plaatjes van het Italiaanse platteland. Ze hadden het de hele tijd over ‘Mooie Mikel’ en Vanbellegem noemde de renner (Landa) zelfs ‘bloedmooi’,  maar helaas reed hij tegen een verkeersregelaar aan en is hij naar huis. Ook werd de Belgische renner Pieter Serry (Deceuninck-Quick Step) pardoes van achteren omver gereden door de ploegleiderswagen van Team BikeExchange.

Gisteren gingen we op bezoek bij mijn vader en moeder. Onderweg vroeg ik M. of we eigenlijk al eens bij mijn broertje geweest waren. Nee, zei hij, dat zijn we niet. Dus we sloegen niet linksaf maar reden het dorp in. Het graf zag er oud en verweerd uit. Ik was over het algemeen degene die het verzorgde, maar al jaren heb ik de steen niet opgeknapt. Gewoon omdat mijn moeder het niet meer vraagt. Ik verwijderde een uitgedroogde cedertak, inclusief vermolmde cederkegels. Verder stonden er een tierige Helleborus en een bak met vetkruid en óp de steen legde ik een mooi beschilderd keitje, die ik vond in een rieten mandje met daarin een briefje dat iedereen deze keitjes mocht pakken en meenemen. Er lag ook al een keitje. Nu liggen er dus twee keitjes. Dat zag er mooi uit. Ik rommelde ook nog even de steentjes op het graf goed. Ik liep met M. nog even langs allerlei andere graven, dat van mijn allereerste vriendinnetje, tevens buurmeisje, en een paar oeroude graven waar betoveroudtantes en –ooms liggen, en de grootouders van mijn vader. Wij Bakkers houden er niet van graven na twintig jaar al te laten ruimen. Floris vond het erg fijn op de begraafplaats. Er lagen nogal wat denneappels.

Bij mijn ouders was iemand uit het dorp op bezoek, een joviale man met smerige kleren en zwarte handen. Hij had net daarvoor bij meerdere al dan niet gebrekkige buren het gras gemaaid. Hij bracht mijn vader tomatenplantjes. Hij klaagde over zijn glazen oog, want dat viel er veel te vaak uit. Hij dacht er zelfs over dat ene oog maar gewoon dicht te laten naaien. ‘Ik weet wel wie jij bent, hoor,’ zei hij tegen mij. ‘Jij bent die schrijver. Ja, jij bent die boekenwurm.’ Daarna bekeken we nog even de bouwplaats die de campercamping van mijn schoonzus en nicht moet worden. Op het stuk land dat ‘De Kroft’ heet, een klein weilandje pal naast de boerderij, waar vroeger meestal wat schapen liepen en zo nu en dan een zieke koe, komt een heuse camping, met overal water, elektriciteit en zelfs wifi. ‘Wifi?’ vroeg ik aan mijn broer, die betonnen platen aan het leggen was, ‘wat moeten die vakantiegangers nou met wifi? Die willen rust.’ ‘Ach wat,’ zei de broer van mijn schoonzus, die er ook was, Ben heet hij, ‘er komt hier toch niemand. Wat is hier nou te beleven?’

Daar had hij een punt. Ik begreep veertig jaar geleden ook niet hoe het kon dat Camping De Pauwen altijd maar vol stond. Daar was toch niks te beleven? Maar dat is gedacht vanuit de inheemsen natuurlijk, en weinig invoelend naar mensen die in een heel andere omgeving wonen. Iemand uit de bergen zal het daar heerlijk vinden: vlak land tot zo ver het oog reikt, mooie onbelemmerde luchten, het geluid van grutto’s en kieviten en met een beetje geluk het triomfantelijke gejoel van een veldleeuwerik. Ook mijn broer denkt dat nu. Die kan zich goed voorstellen dat ‘die lui uit Drenthe, die altijd maar in een bos zitten’ het er wel naar hun zin zullen hebben. Lekker douchen in een afgeschoten deel van de ligboxenstal, waar nu jongvee staat, lekker je haartjes wassen terwijl je omgeven bent door de geur van koeienstront. De tijd zal het leren. 

Goed geregeld, allemaal

Vanochtend op de veerpont naar de NDSM-werf gestapt. Het regende een beetje, het was grijs en grauw. Het was erg stil op de pont, ik keek om me heen of ik nog andere prikkandidaten zag. Ik zag ze niet. Ik merkte op dat ik beetje slappe benen had, zo ongeveer het gevoel dat ik als jongen onderweg naar de tandarts had. Grappig, blijkbaar toch wel ‘een ding’,  zo’n vaccinatie. Ik was natuurlijk te vroeg, maar niemand liep me op de route die uitgezet was naar het prikkamertje in de weg; het was er heel erg rustig. Een mooie locatie: de NDSM Loods. Normaal gesproken vinden hier modeshows plaats of internationale Tattoo Conventions. Om 08:40 had ik de prik al te pakken, terwijl ik voor 08:50 ingeroosterd stond. Tijdens het kwartiertje in de wachtruimte kwam de dienstdoende arts een praatje maken. Een gepensioneerde huisarts die vertelde dat hij af en toe echt wel iets te doen had. Mensen die van de spanning flauwvallen bijvoorbeeld. Toen vond ik mijn slappe benen niet zo vreemd meer.

Tussen de opgehoopte post van de afgelopen weken zit voor een tweede keer de paarse envelop. Het is hier in dit land allemaal toch wel erg goed geregeld. M. had onlangs voor de eerste keer zijn paarse envelop en twee weken later had hij, in Lelystad, al een coloscopie. Hij kreeg na afloop meteen te horen dat hij helemaal schoon was en dat betekent weer dat de volgende paarse envelop pas over tien jaar komt. Omdat ik overbruggingstijd had, daar in Lelystad, kwam ik in Batavia Stad terecht en daar stond ik ineens voor de deur van de Asicswinkel en vroeg ik hondsbrutaal of er een ‘gaatje’ was. De jongen keek naar mijn voeten – waaraan oude, afgetrapte Asics – en zei: ‘Kom maar binnen.’ Vijf minuten later had ik precies dezelfde schoenen aan mijn voeten, maar dan nagelnieuw, voor 50 euro! Vriend Henk en Floris bleven buiten, al wilde Floris wel erg graag ook naar binnen. Daarna aten we een patatje, Floris kreeg een bak water. De patat was heel erg lekker. Het was ontzettend koud, maar dat gaf niet. In de auto terug naar Amsterdam at M. brood en een paar marsen, want hij had al heel erg lang niets mogen eten. Hij had ook veel meer praats dan op de heenweg, en dat was wel gezellig. Ik zat achterin en keek intens tevreden naar het langstrekkende, dodelijk saaie landschap. Af en toe stak Floris haar kop om M’s arm heen, om even te controleren of ik er nog wel was. Ja hoor, ik was er nog.

Eenvoud, aub

Zoals gebruikelijk in het hol van de leeuw gekeken naar de dodenherdenking. (Ik vroeg buurman Klaus eens hoe zij dat eigenlijk (mogen) doen. Nou, niet. Zo her en der zijn er kleine, plaatselijke herdenkingen voor de slachtoffers, maar omdat Duitsland de agressor was en verloren heeft mag hier geen officiële dodenherdenking plaatsvinden.) Stemmige muziek, natuurlijk. En daarna Roxane van Iperen. ‘Wat zegt ze eigenlijk?’ vroeg ik aan M. M. wist het ook niet. Wat bedoelde ze? Ik haakte af. Holle retoriek, versluierend en moeilijk taalgebruik, want ja: hoe moeilijker iets klinkt, des te groter de diepte die er met de woorden wordt gesuggereerd. Gisteren werd op Tzum.nl met een vraagteken gehint op een eventuele verwijzing naar Abdelkader Benali in haar toespraak. Omdat dat dus niet duidelijk was. Even later riep ik: ‘Spoken word artiest! Wat is nou weer spoken word?!’ Nou, dat was dus Amara van der Elst die gewoon een gedicht voordroeg. ‘Zeg dat dan!’ riep ik naar het scherm. Het klonk mooi, maar ik begreep er niks van want een gedicht is een ding dat je in stilte moet lezen, en nog eens, om de betekenis ervan tot je door te laten dringen. Gelukkig was het opgehouden met regenen en kwam André van Duin. Die sprak begrijpelijk Nederlands. Geen versluierd taalgebruik, geen retoriek, geen bombast, geen onbeantwoorde vragen. Nee, hij sprak gewoon over zijn vader die hem nooit iets verteld heeft over de wat hij meegemaakt heeft in de oorlog en hij vertelde dat hij de Dam op 4 mei links laat liggen en naar het homomonument achter de Westerkerk gaat en als vanzelfsprekend kwam hij erop dat hij blij is om in een land te wonen waar de vrijheid heerst om te zijn wie je bent. Punt. Klaar. Eenvoud. ‘Goed!’ riep ik naar het scherm.

Later zei ik tegen M.  dat wij best een leuk tv-programma zouden kunnen maken. Wij roepen namelijk nogal eens naar de tv. Best veel, eigenlijk. De BBC heeft geloof ik al zo’n programma, waar in een aantal huiskamers meegekeken wordt naar een ander programma. Wij kraken alles af, dat is het leukste, het heeft geen zin om ‘prachtig!’ of ‘wat een waarheid wordt hier ons meegedeeld!’ tegen de tv te roepen. Of nou ja, misschien heeft het wel zin, maar het is niet leuk. Het is veel leuker om luidkeels mensen op hun dommigheden of fouten te wijzen. Floris doet af en toe ook een duit in het zakje, als ze dingen hoort die verdacht zijn, of spannend. Dan begint ze keihard te blaffen en soms zelfs rent ze de trap af om woedend naar buiten te stormen. Wat niet kan omdat de voordeur dicht is.

Chatham, New Jersey

Nu woon ik hier toch al een jaar of negen en nog steeds laten we ons in de luren leggen door ons onbekende Duitse Feestdagen. Ik heb hier eerder al eens over de overweldigende hoeveelheid katholieke vrije dagen geschreven, maar daar komen er nog een (flink) aantal bij. Duitsers zijn niet scheutig in het zichzelf vrije dagen verschaffen. De Dag van de Duitse Eenwording bijvoorbeeld, of – en daar heb ik het nu over – 1 mei. En die viel ook nog eens op een zaterdag, eergisteren. M. zat in de keuken toen ik beneden kwam. ‘We hebben een fout gemaakt,’ zei hij. Dat hield in dat we ons met hangen en wurgen door het weekend gegeten en gedronken hebben. Gelukkig is het pompstation in Schönecken altijd open, en daar is dan toch nog het een en ander te halen. Zo hebben zij altijd een aardige voorraad Van Nelle stevige shag in de schappen staan. Maar nu hebben we echt zin in iets anders dan bonensoep.

Gin en tonic was er wel, en daarvan het ik er twee (2) gedronken tijdens een anderhalf uur durende zoombijeenkomst met een ouwe schaatsvriend in Chatham, New Jersey. Die had ik zelf georganiseerd, dat vond ik best knap van mezelf en een paar minuten voor de afgesproken tijd verscheen JW plotseling in beeld. ‘Ah,’ zei hij, ‘daar ben je al.’ Ben ik van een generatie die zoiets ergens nog steeds onbegrijpelijk vind, of is iedereen onder de indruk van zo’n verbinding tussen Europa en Amerika? Dat het mogelijk is. De verbinding was glashelder. JW gaf me een rondleiding door zijn huis, een groot huis in de suburbs, op zo’n veertig kilometer van New York en hij nipte aan een Colombiaanse koffie, want zijn vrouw is Colombiaanse en het was daar nog maar 11 uur in de ochtend. Zo’n huis dat je in vrijwel alle Amerikaanse films ziet, met een lambrisering en buiten een door een tuinman onderhouden tuin waarin geen grassprietje scheef stond. De rest van de avond, ondanks allerlei dingen op tv, bonensoep, en het binnenhalen van de agapanthussen vanwege dreigende nachtvorst, was ik nog steeds in de VS. Ik kan het iedereen aanraden, je bent er echt even helemaal uit.

Nu boodschappen doen, vers voedsel inslaan, wijnen, mini-Lions. O, ja, JW’s zoontje van tien kwam ook nog even in beeld. ‘Say hello to Gerbrand,’ zei JW, ‘you met him when you were a year old.’ Het jochie dacht even na en zei toen tegen zijn vader: ‘I was not able to make memories at that age.’ En hij verdween uit beeld.

Kijk uit voor herfsttijloos

Gisteren was ik, zoals altijd op 28 april, jarig. Ik heb mooie cadeau’s gekregen: van twee mensen vogelvoer, een blauwe agapanthus, een boek, een paar kleine lavendels, zonnebloemenzaad en twee corona-zelftests. Het was drukker dan het in jaren was geweest. Alles buiten, dat kon, tegen de avond deed M de buitenkachel aan. Maar het allermooiste van mijn verjaardag was dat voor het eerst de etensgasten zélf hun eten geplukt hebben. Ze moesten er drie kilometer voor lopen. Floris en ik speelden met de bal in de Nims, de anderen stonden voorovergebogen daslook te knippen. Daar maakte ik ’s avonds een grote pan soep van. Ik geloof dat iedereen het lekker vond, het was in elk geval heel erg gezond. ‘En,’ zo zei ik tegen buurman Rinus, die ons net met zijn grote auto plus aanhanger naar het Dänisches Bettenlager bracht zodat wij er ons nieuwe matras konden ophalen, ‘er is niemand aan doodgegaan.’ Daarop pakte M zijn telefoon erbij en las een bericht voor van de SWR-app over een echtpaar uit de buurt van Koblenz dat dacht daslook geplukt te hebben in het ziekenhuis is beland, waar de man inmiddels is overleden. Volgens het bericht hadden ze het zeer giftige Herbstzeitlose geplukt. Herfsttijloos! Die bloeien in de late zomer kaal, als een krokus, maar het blad ontwikkelt zich in het voorjaar en lijkt inderdaad verrekt veel op het daslookblad. Ik wist dat er verwarring op kan treden met het lelietje-van-dalen, hoewel die toch wel een stuk later opkomt dan daslook, maar, hoe dan ook, als je een pan lelietjes-van-dalen opeet ben je wel even zoet op de wc. Ook giftig, maar vrijwel nooit met dodelijke afloop. Vandaag is iedereen weer weg en vannacht gaan wij als roosjes slapen.

Onbegrijpelijke dingen op zondag

Nog even los van de omstandigheid dat als je je fiets op slot zet, met zo’n ouderwets anwb-slot, dat is een slotje door het achterwiel, en dat dan vrijwel ALTIJD het metalen schuifje tegen een spaak aankomt, wat, als je kijkt hoeveel lucht er tússen de spaken zit, eigenlijk nauwelijks zou kunnen gebeuren, vandaag twee (andere) in mijn ogen onbegrijpelijke dingen. Wij spelen nogal eens Keezbord, dat is een soort modern mens-erger-je-niet, met kaarten. Een heel belangrijke kaart is de zogenaamde opzetkaart; als je die niet in handen krijgt, mag je niet je pion opzetten en val je dus buiten het spel. Nu is het zo dat één iemand van de vier (het kan ook met meer of minder mensen gespeeld worden, maar voor het gemak schrijf ik hier vier) onveranderlijk het haasje is. Eén van de vier spelers zit ALTIJD rondenlang toe te kijken omdat hij of zij geen opzetkaart krijgt. Dat kan niet. De kaarten worden geschud, alles is volstrekt willekeurig en tóch valt ronde na ronde dezelfde persoon uit de boot. Het kan niet, schrijf ik, maar het gebeurt toch. Is daar een of andere kansberekening voor, dat het toch ineens verklaarbaar is?

Het tweede ding betreft mijn tulpen. Ieder jaar, meestal eind juli, haal ik de tulpenbollen uit de grond. Dat is het beste voor tulpen, anders verdwijnen ze in de loop van de tijd, anders dan narcissen, die gedijen juist bij het in de grond laten zitten. Ik gooi ze allemaal bij elkaar in een kartonnen doos. Ik tip niet de roze tulpen met een rood stickertje aan, en de witte krijgen geen wit stickertje, de wilde tulpen geen zwarte stip. Tijdens de zomer schud ik die doos ook nog eens een paar keer op, om schimmel tegen te gaan en losse vliesjes te verwijderen. Volstrekte willekeur, geen idee wat voor tulp er uit welke bol komt. En nu staan alle witte tulpen bij elkaar in een border. Allemaal, er zit niet één andersgekleurde bij. Dat kan niet. Ik heb ze hapsnap in de grond gezet, ik graaide en pootte maar wat in het wilde weg. Daar kan ik me het hoofd over breken. Doe ik onbewust toch iets waardoor alle witte tulpen bij elkaar terechtkomen? 

Voor nu laat ik het even los, het is mooi aprilweer, de hond moet er nog uit en daarna begint Liège – Bastogne – Liége, zoals ze in Wallonië zeggen. Nog zo iets: bastognekoeken zouden in het Nederlands eigenlijk bastenakenkoeken moeten heten.

Babbeldingetje op zaterdag

Het is vandaag 24 april en de sleedoorns beginnen voorzichtig te bloeien. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Normaal gesproken zijn nu de heuvels hier overdekt met romig witte vlakken. Het is een erg koude april, die zich in al zijn wreedheid toont. Ik heb eigenlijk nog helemaal niet gesleept met de planten die binnen overwinteren. Bijna elke dag pluk ik door lichte vorst verwelkte vioolbloemblaadjes. Stiefmütterchen heten die hier. Alles staat stil, zegt buurman Klaus ten overvloede, en bij Rinus en Lien lijkt de eerste pas aangeschafte en geplante peer al ter ziele. Ik kocht mijn zwarte bessenstruiken later, die staan er goed bij. Het ‘gazon’ is min of meer verwoest door alle sneeuw van de afgelopen winter. Ik hoop dat het gras uit zichzelf nog een beetje uitstoelt.

Wij Rhijnland-Pfalzers mogen absoluut geen wild zwijn eten. Dat las M. voor. ‘Waarom niet?’ vroeg ik. ‘Heerst er mond-en-klauwzeer?’ Nee, er heerst geen MKZ, het heeft alles te maken met Tsjernobyl. ‘Maar dat is vijfendertig jaar geleden!’ riep ik. Die zwijnen hier vreten Hirschtrüffel – hertentruffels – en die houden nog steeds radioactieve stof vast. Na vijfendertig jaar! Nu eten wij sowieso geen wild zwijn, want dat smaakt erg vies, we eten liever kalkoen.

Verder hebben mensen die kruiden aan het zoeken waren in het woud een skelet gevonden. Tussen Rommersheim en Fleringen, hier zo’n tien kilometer vandaan. De menselijke resten lagen in een betonnen put van zo’n anderhalve meter diep. Al snel werd duidelijk, omdat er ook spullen gevonden werden, dat het ging om een man die in 2009 verdwenen was. Twaalf jaar geleden werd de toen 72-jarige man ondanks een intensieve zoekactie niet gevonden. Er wordt nog onderzocht hoe de man om het leven is gekomen, vandaar dat zijn identiteit nog niet is prijsgegeven. Twaalf jaar! Waar is mijn man, waar is mijn vader, waarom is hij weggegaan?

Het goudvinkenpaartje dat al twee jaar bij Klaus in een conifeer nestelt is verhuisd. En wel naar mijn opgekroonde en in vorm geknipte hulstboom. Ik heb het Klaus nog niet verteld. Hij gaat dat niet leuk vinden, dat ik – waarschijnlijk door allerlei lekkers op mijn vogelvoederstation, waar ze nu veel dichter bij in de buurt wonen – zijn vinkenpaartje heb weggelokt. Op de afbeelding het vrouwtje, dat is op een veel minder schreeuwerige manier dan het mannetje ook erg mooi. De boomklevers hebben alweer een aantal vijanden omgebracht, in elk geval een pimpelmees en een geelgors. Rotvogels.