Poging tot begrijpen

Ik las The Magician van Colm Tóibín. Een boek over Thomas Mann. Ik las het in het Engels, daar had ik zin in: ik had al lang niet een boek in de oorspronkelijke taal gelezen. Over het algemeen vind ik Colm Tóibín een goeie schrijver, met zo nu een dan een boek ertussen wat ik niet snap, zoals bijvoorbeeld Nora Webster, dat ik nogal onverwacht zag als een soort van veredelde keukenmeidenroman. Onverwacht, maar ook dat je gedwongen wordt je af te vragen hoe zo’n boek tot stand komt, of het ‘keukenmeidenachtige’ dat ik er in las niet een gezocht stijlmiddel was, iets waar ik als lezer doorhéén zou moeten kijken, om vervolgens tot een dieper begrijpen van de tekst te komen. Zoals ik me vaak bij het werk van Alan Hollinghurst afvraag wat ik nu eigenlijk aan het lezen ben: nogal week, flemerig, homo-erotisch, upperclass-gezemel (met regelmatig ronduit irritante hoofdpersonen) of toch iets wat dat overstijgt, maar dan zonder dat ik in staat ben die tweede of derde laag te doorgronden. En: baseert Hollinghurst die hoofdpersonen – bewust of onbewust – op zichzelf, wat zou betekenen dat in elk geval ik hém irritant vind (met als vervolgconstatering: heeft hij dan zelf niet door hoe irritant hij is?), of is het toch echt zijn literaire bedoeling om van niet op hem gebaseerde hoofdpersonen irritant te maken? Jullie zien: ik doe mijn best om het te begrijpen en onderscheid te maken tussen feit en (auto)fictie.

Met The Magician had ik een levensgroot probleem: ik wist alles al. Werkelijk alles. Ik las namelijk een paar jaar geleden De familie Mann van Tilmann Lahme. Daarover schreef ik toentertijd ook een dingetje. Tóibín heeft een vast stramien: er wordt een bepaald onderwerp of tijdvak behandeld en meestal wordt dat afgesloten met een dialoog of een gesprek tussen de leden van de familie Mann, kort, en vrijwel altijd grappig of koddig, of ironisch. Dat houdt hij het hele boek (435 bladzijden) vol. Mijn vraag tijdens het lezen was: waarom? Waarom in godsnaam een dikke roman schrijven met ‘informatie’ die bij iedereen die weet wie Thomas Mann is bekend is? Het boek leest zelfs als een biografie. Biografieën die er in overvloed zijn. Komt nog bij dat ik de bijna respectloze toon die Lahme aansloeg in zijn biografie prettiger vond dat de serieuze toon die Tóibín aanslaat in zijn roman, die je ergens niet eens echt een roman kunt noemen omdat alles (buiten de dialogen, neem ik aan) wat hij erin opschrijft uit de werkelijkheid is geplukt. Waarom ‘vergooit’ een gerespecteerd schrijver jaren van zijn leven aan het schrijven van een roman die feitelijk niets nieuws in zich heeft? Ik begrijp het niet. Maar aan de andere kant: zie ik als argeloze lezer weer eens iets over het hoofd? En: ik las het boek wel uit, want dat krijgt Tóibín met zijn schrijfstijl wel voor elkaar. Waarom vindt de Daily Telegraph deze roman ‘A triumph’? En zegt de New York Times Book Review dat het ‘Thrilling’ is? Wat brengt John Banville ertoe het ‘remarkable’ te noemen? Hebben die recensenten Tilmann Lahme, of welke andere biografie dan ook, niet gelezen? Ben ik nou gek of zijn ‘de anderen’ gek? 

Nu lees ik Elisabeth Finch van Julian Barnes. Ook alweer zo’n ‘raar’ boek. Maar ik zeg er niks over. Het is namelijk nog niet uit. Het brengt me in elk geval wel iets nieuws.

Luxeproblemen bij een prima recensie

In een verder uitstekende bespreking van Knecht, allein in de Frankfurter Algemeine Zeitung, staat iets aparts: ‘Der Ausdruck “allein” bezieht sich nicht nur auf den Tod seines Tieres. Es geht auch um Bakkers Verhältnis zum Mitmenschen, um seine Homosexualität, die Suche nach einer feste Beziehung, “Knecht” ist ebenfalls ein Hinweis auf die passive Rolle bei Homosexuellen.’ Inzake besprekingen van De kapperszoon houd ik vol dat elke recensent die het woord ‘homoseksualiteit’ durft op te schrijven af is. Dat geeft namelijk uitsluitend de bekrompenheid en burgerlijkheid van zijn of haar eigen denkwereld weer. Aangezien het nergens gethematiseerd wordt, ís het geen thema en is er dus ook geen enkele reden om het te noemen. De Duitse bespreker van de FAZ maakt het eigenlijk wel heel erg bont. Komt nog bij dat de Duitse spelling van het woord, mer die x, erg dicht in de buurt komt van het vre-se-lij-ke ‘homofiel’, een woord dat graag door een bepaald soort mensen in de mond genomen wordt. Ergens ben ik hierdoor, zoals Raf Njotea zei tijdens een openbaar interview bij Passa Porta in Brussel, ook met Tobi Lakmaker, zónder dat ik het erover wil hebben toch een soort van activist. Een stille activist.

Het heel erg bonte van de Duitse recensent zit ‘m natuurlijk vooral in de laatste opmerking. Dat knecht een aanwijzing zou zijn voor de passieve rol bij homoseksuelen. Pardon? Maakt hij mij nou uit voor een bottom? Waarom in godsnaam? Staat dat in het boek? Nee, nergens. Let wel: er is niks mis met een bottom en hoewel dat Engelse woord inderdaad de ‘passieve rol’ tijdens geslachtsverkeer aangeeft, zegt het verder niets over hoe de betreffende persoon verder in het leven staat. Ik bedoel: als iemand zich in zijn kontje laat neuken, is hij niet automatisch in het algemeen een watje, een onderdanig persoon. Het is iets wat aangeeft hoe de recensent naar de wereld en misschien naar zichzelf kijkt. Het heeft niets met het boek te maken. Het ‘uitstekende bespreking’ uit de eerste zin slaat dan ook uitsluitend op het positieve oordeel over het boek dat hij heeft. Niet over de inhoud van zijn tekst. En, nog eens verder filosoferend: is een vrouw tijdens het heteroseksuele geslachtsverkeer dan ook altijd de bottom? Man top, vrouw bottom. Welja. Wat een onzin allemaal. Wat een stereotypen. Wat een hokjesdenken, hoe weinig fluïde.

Nog iets over die bespreking: Duitsers (lezers en recensenten) (en ja: ik generaliseer enorm) vinden boeken als die twee Privédomeindelen eigenlijk onverdraaglijk. Daar móét een roman van gemaakt worden, om het draaglijk te maken. Ook dat doet de recensent: ‘”Knecht, allein” ist ein literarisches Buch,  in dem der Autor dokumentarische Strategien anwendet, den Rohstoff der Wirklichkeit in einen poetischen Zusammenhang umwandelt.’ Ergens is het bewonderenswaardig dat Suhrkamp, mijn Duitse uitgever, telkens weer de gewaagde stap maakt zulke boeken uit te geven. Ik kan me wel voorstellen dat daar op kantoor zuchten van verlichting werden geslaakt toen ze hoorden dat er volgend jaar weer eens een roman aankomt. Waarin de hoofdpersoon dus niet Gerbrand Bakker heet.

Lekker de trap op rennen

Reclame. Wij hier in huis zien best veel reclame, dat komt mede door ons zondagavond-tvkijk-ritueel, dat zich voor een deel afspeelt op SBS6. Reclame is sowieso al hinderlijk of ergerlijk en er gaat geen blok voorbij of we schreeuwen taalverbeteringen naar het scherm. Maar zo soms is het ook domweg lachwekkend. Er is, al tamelijk lang, deze reclame te zien voor een traplift. Met een zo op het oog volstrekt fitte meneer die dan ook met een soort zelfverzekerd hupsje van die lift stapt en de woonkamer inloopt. Nou, dat is natuurlijk een acteur en zijn vrouw, die op de achtergrond gedienstig rondloopt met iets te eten of te drinken, is natuurlijk een actrice. Zij verdienen daar geld mee. Ze worden ingehuurd door het reclameburo dat de betreffende reclame maakt voor het betreffende bedrijf. Deze acteur is Peter Berkhof, geboren in 1959 te Velsen.

Hij speelt in meerdere reclames een rol. Zo is hij ook te zien in een reclamespot van Verisure. ‘Heb je het alarm aangezet?’ ‘Nee, sorry, vergeten.’ ‘Wacht, ik doe het wel.’ ‘Ja.’ ‘Zo.’ ‘We slapen inderdaad veel beter als het alarm aanstaat.’ ‘Welterusten.’ ‘Welterusten, lieverd.’ Maar nu is er sinds kort een andere reclame, voor een of ander versterkend middel voor de wat oudere mens. Ook daarin speelt Peter Berkhof een rol. Ik heb erg mijn best gedaan, maar kan niet achterhalen hoe het product heet. Hoe dan ook: het houdt je vitaal en levendig en daarom zegt Peter Berkhof op een bepaald moment iets als ‘Ik ren nog steeds gewoon die trap op.’ 

Kijk, dat kan dus niet. Of je hebt een lift nodig om de trap op en af te komen óf je rent vanwege een versterkend product diezelfde trap op en af (en moet dan maar hopen dat iemand die lift aan de kant heeft gemanoeuvreerd). Peter Berkhof kan daar weinig aan doen, die wordt gewoon ingehuurd. Die speelt zijn rol. De vraag is hoe geloofwaardig wij reclames achten te vinden. Blijkbaar is Peter Berkhof nog lang niet zo’n reclame-icoon als Cora van Mora (Juliëtte de Wijn) of Harry Piekema van de AH-reclames, die er allebei op een bepaald moment mee zijn opgehouden omdat ze niets anders meer kónden doen, want zij wáren Mora en Albert Heijn. 

Misschien is dat precies de reden waarom Peter Berkhof zo veel verschillende reclamerollen aanneemt, ongeacht eventuele tegenstrijdigheden. Om hoogstpersoonlijk te voorkomen dat hij wordt als Juliëtte de Wijn of Harry Piekema. Want kijk hier, dat is toch weer héél andere koek dan trapliften of een versterkend pilletje. Die hond is natuurlijk ook een acteur, dat is niet de hond van Peter Berkhof zelf. Nou ja, ‘natuurlijk’, ik weet dat helemaal niet.

Gekke jongens, die Duitsers

Gisteravond waren we met het dorp uit eten. En zoals dat gaat, spraken we een groot deel van de avond over dood en begraven en cremeren. Ik heb hier geloof ik wel eerder geschreven over hoe het hier, in de Eifel, gaat inzake dood. Iemand gaat dood en het lichaam wordt in het algemeen zo snel mogelijk uit huis gehaald (of vanuit het ziekenhuis naar een crematorium vervoerd) en een paar dagen later begraven of volledig zonder plichtplegingen gecremeerd (waarbij de nabestaanden meestal niet eens weten wanneer), waarna de urn later begraven wordt. Dode lichamen in huis, daar hebben ze hier geen zin in. Gisteravond kwam het gesprek op de een of andere manier op ruimen. De begraafplaats in Lasel is erg leeg. Dat heb ik altijd vreemd gevonden, want het is niet een begraafplaats die pas tien jaar geleden is aangelegd. Maar nu begrijp ik waarom. Ruimen moet hier anders begrepen worden als ruimen in Nederland.

Als het recht op een plek verspeeld is, wordt de grafsteen verwijderd. Dat is het. Van ruiming is helemaal geen sprake. Dat betekent in het geval van Lasel bijvoorbeeld dat de grond vol ligt met beenderen van gestorvenen en niet op een centrale plek of in een ossuarium, maar gewoon overal. Ik begreep er niks van. Buurvrouw Margret, naast wie ik zat, gruwde van het idee dat er een plek zou zijn waar alle beenderen van geruimde graven verzameld werden. Ja maar, zei ik, stel nou dat jij begraven wordt, Margret, en dat Max na tien jaar (‘Nein! Nein!’), nou vooruit, zei ik, vijfentwintig jaar, klaar is met betalen van die plek. Dan wordt de steen verwijderd en dan ga ik dood en ik wil op die plek liggen. Dan lig ik bovenop jou, of na een tijdje zelfs tussen jou! Nou, dat vond Margret absoluut geen probleem. ‘Wat?!’ zei ik. ‘Dat kan toch niet!’ Ja maar, riposteerde ze, daar merk ik toch niks meer van? Het, in mijn ogen, gebrek aan consequent zijn verbijsterde me. Gruwen bij het idee van een ossuarium, maar mij bovenop zich krijgen geen enkel probleem vinden. ‘Maar dat is dan toch geen geruimde plek? Dat is toch geen schoon graf?’ Dat vond niemand van de buren een probleem en bovendien: wat was er na 25 jaar nog van iemand over? ‘Nou,’ zei M. ‘archeologen halen na honderden jaren nog botten uit kerken.’ Ach, wat, vonden de buren.

Het is hier ook verboden een urn in huis te hebben. Alleen als je de grens overgaat en je je in Nederland laat cremeren, komt er een urn terug. Het idee dat zoals bij ons thuis nu mijn vader gewoon is teruggekeerd in zijn kantoortje, is onbestaanbaar. Dat verbijsterde Margret dan weer. ‘Ja, maar,’ zei ik, ‘straks, als mijn moeder ook is gestorven, gaan we ze samen bijzetten. Het is ergens een soort van werk-, geld- en tijdbesparing.’ Dus, vroeg ze, er staat in een ruimte in het huis van je moeder een urn met daarin de as van jouw vader, haar man? ‘Jazeker,’ zei ik. Ze at verder van haar schnitzel, licht met het hoofd schuddend. Wat een idioten, dacht ze vast. Die rare Hollanders. 

Bärlauchsuppe

25 april. De verjaardag van mijn vader. Een paar dagen geleden had ik mijn moeder aan de telefoon. ‘Over een paar dagen is vader jarig,’ zei ik. ‘Welnee!’ riep ze. Ik zei: ‘Jawel, 25 april.’ Zij weer: ‘Heb ik dat gezegd?’ Daar bleef ik even haken. Waarom zei ze dat nou? ‘Of ben je het domweg vergeten?’ vroeg ik. ‘Net zoals je onlangs je trouwdag vergeten bent?’ Ja, verdomd, moest ze toegeven. ‘Als ik het niet op de kalender schrijf, vergeet ik het.’ Als iets niet op de kalender staat, bestaat het niet. Nou heeft het natuurlijk ook weinig zin om aandacht te schenken aan een verjaardag die nooit meer gevierd gaat worden. Maar zulke datums blijven hangen. Ik weet nog precies wanneer mijn grootouders jarig waren. Zulke datums markeren iets. Vandaag gaan een paar van ons even langs. Met taart, misschien wel met bloemen. Ik ga bellen. De kans bestaat dat ze zegt: ‘Waarom bel jij?’ En ja, ik schrijf ‘datums’ omdat data voor mij ‘gegevens’ betekent.

Wij zijn in de Eifel, waar ik me voorbereid op mijn eigen verjaardag, die altijd en eeuwig drie dagen na die van mijn vader volgde en volgt. En die ik al ik-weet-niet-hoe-lang niet meer vier. Dit wordt er één waarvan je denkt: dit begint de spuigaten uit te lopen. Was ik een paar jaar geleden niet nog maar achtendertig? In elk geval maakt het dat we – M. is begin mei jarig – aanstaande vrijdag vrijwel het hele dorp mee uit eten nemen in de Heilhauser Mühle. Donderdag wilden we ook uit eten, met de jaarlijkse vaste gasten, gasten die een camper hebben of een caravan en eind april de ideale tijd vinden om die uit de winterstalling te halen en dan is de Eifel een fijne, niet al te verre, beginbestemming. Maar zoals gebruikelijk hebben zo’n beetje alle restaurants uitgerekend nu besloten om hun Ruhetag naar de donderdag te verplaatsen, waardoor ik genoodzaakt ben om zelf een grote pan daslooksoep te maken, verse broodjes te kopen, gebak te halen bij de bakker in Waxweiler, met gekarameliseerde uien en feta gevulde bladerdeegtasjes te bakken. Geeft niet. Dat scheelt ook aanzienlijk in de kosten, hoewel we tegenwoordig dusdanig onverschillig tegenover geld staan dat we gewoon in Nederland tanken. Bovendien: geen van de gasten eet ooit daslooksoep, dus daar maken we een goeie beurt mee. Ik ken een geheime plek, vlakbij een watervalletje, een kilometer of anderhalf van ons huis. Dat daslookveld wordt elk jaar groter. Als we willen, kunnen we ook nog pottenvol daslookpesto maken. Maar dat willen we niet. (M. zei onlangs iets grappigs toen hij achter in de tuin kwam: ‘Kijk, de rabarberjam komt ook lekker op.’ Met de aantekening dat ik degene in dit huishouden ben die die jam maakt.) 

Midden in de Boekenweek

Op 9 maart 2020 schreven vriend en collega Gerard van Emmerik en ik een paar mailtjes heen en weer over het Boekebal. Dat was dat befaamde Bal vlak voor de coronaellende losbarstte en waar iedereen voor het laatst onbekommerd elkaar aflebberde. Gerard had geen kaartje en vroeg hoe het geweest was. Ik schrijf over de glorieuze rentree van Cindy Hoetmer, die toen net Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar uit had. Ik bedank hem voor zijn aanbod hem te krappe broeken over te nemen omdat ik zelf genoeg broeken heb, hij schrijft over zijn vorderingen met een roman, ik meld dan weer dat ik over een paar maanden twee boeken uit ga hebben, het Privédomeindeel en het Van Oorschot wandelboekje, en dat ik aan het ‘rommelen’ ben aan een roman, waar hij dan weer meer informatie over wil en ik dan schrijf: ‘Ja, dat boek met jouw Igor erin en nog wat dingetjes… Of ik t rond krijg is de vraag, maar tot nu toe schrijf ik gewoon maar verder.’ Igor was een personage van hem, dat ik min of meer gestolen heb. Min of meer omdat ik zijn zegen had. 

En nu is het ‘rommelen’ en ‘of ik het rond krijg is de vraag’ uitgemond in een boek dat zo her en der al in de vierde druk in de winkel ligt. Ik moet nog eens diep nadenken en reconstrueren hoe ik dat voor elkaar gekregen heb. Of misschien moet ik dat juist helemaal niet doen. Gerard z’n roman is nog niet klaar. Soms kijk je achterom en denk je bij jezelf: hoe heeft alles toch zo kunnen lopen? Gisteren kreeg uitgeefster Eva Cossee een mailtje van John Coetzee. Daar stond in: “Ik vind het Gerbrands beste boek tot nu toe. Breng hem alstublieft mijn felicitaties over.” Die heb ik diep in mijn  zak gestoken en ik las met erg veel plezier Goed, naar omstandigheden (zie afbeelding), het tweede autobiografische boek van Cindy. Ik geloof dat ik contact met haar op moet nemen, want ik las daarin dat ze verontwaardigd, misschien zelfs wel boos op me is. Terwijl daar denk ik weinig reden toe is. Ik word omschreven inclusief achternaam en als mensen je bij je volledige naam noemen, weet je dat er iets mis is. Het klinkt dreigend, net als vriendin Trijntje die met diepe stem ‘Jetje de Bont!’ zegt tegen hun draadhaarteckel Jet als die iets stouts gedaan heeft. De Bont is de achternaam van Tuinmaat Han, met wie Trijntje getrouwd is. Als Jet iets goeds of liefs doet, heet ze dan weer poeslief ‘Jetje Kalverda’, omdat dat de achternaam van Trijntje zelf is. Nou ja, en maar goed, dat is iets voor buiten dit blog om. Ik begrijp nu wel iets beter Cindy’s blik toen ik haar op het afgelopen Bal opgewekt en zoals gebruikelijk zoende. En ik ga voor het gemak nooit meer iets schrijven over een boek van een collega dat wel of niet met goede redenen op de longlist staat van een belangrijke literaire prijs. Cindy, dat beloof ik. Iemand wijst je vast wel even op deze tekst.

Oud mysterie opgelost

Langs de route van Wanderweg 1 hing ineens onder een plaatje een afbeelding van het boekje De 3 bestaat niet. Keurig in een plastic opbergmapje, aan de boom bevestigd met een punaise. Het hangt er al best lang, zeker een jaar. Er zijn mensen die denken dat ik het er zelf opgeprikt heb. Dat is niet zo. Ik vroeg zo her en der bij mensen die ervoor in aanmerking kwamen na of zij er misschien iets mee van doen hadden, maar tot nu toe was het antwoord steeds: nee. Voor zo ver ik weet – ik ben al een tijdje niet op dat punt geweest – hangt het er nog steeds. De punaise zal Peter Wohlleben een doorn in het oog zijn, hij doet wel z’n werk. Op veel plekken waar ik speciale kit gebruikt heb om de plaatjes op bomen te plakken, is dat plaatje al naar beneden gekomen. De boom groeit, dijt uit, en duwt daarmee het metaal van zich af.

Afgelopen donderdag, in boekhandel Passa Porta in Brussel, werd het mysterie opgelost. Na afloop van een avond met Tobi Lakmaker en Raf Njotea (zelden heb ik zo oprecht gelachen tijdens een lezing, waar Lize Spit en Rob van Essen gezellig op de eerste rij zaten), kwam er een vrouw op me af. Met een beetje rood hoofd gaf ze me een opgevouwen A4’tje en zei iets als: ‘Ik wil een ruil doen.’ De ruil bestond eruit dat ik haar Kapperszoon signeerde en zij overhandigde mij dus het A4’tje. Daarop vijf foto’s. Op drie ervan staat de vrouw, Fransien Vandeweghe, met bergen sneeuw en telkens een 1, één foto is van het boekje en de laatste foto is van de boom (het is een spar) waarop de afbeelding van het boekje in z’n plastic jasje geprikt zit. ‘December 2020’. Fransien draagt een gele regenponcho, die in dit geval dus een sneeuwponcho was. ‘Nou ja!’ riep ik. ‘Wat is dit nou?!’ Nou, dat waren dus foto’s van haar wandeling. In de consternatie, er was ook een vriendin van Fransien, die dan weer de nicht was van Aiko Pastoor, die ik kende toen ik op de middelbare school zat, waar ik niets van begreep omdat de vriendin Vlaams was en Aiko een Nederlander, vergat ik te vragen waaróm ze dat gedaan had.

Erna gingen we – zónder Fransien en haar vriendin – naar een kroeg. Dat was, besefte ik na een tijdje, heel apart: hoe veel jaar was ik niet in een kroeg geweest? Wat was het daar druk! En vol. En overal stond bier. En mensen moesten schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Er kwam ook chips op tafel en Tobi at een bak vol kaas omdat hij zijn bordje Libanees eten dat we vóór de lezing aten niet opgegeten had. Het was net als vroeger. En een mooie generale repetitie voor lezingen die ik in de Boekenweek ga doen. Want dat heeft allemaal natuurlijk ook vrijwel stilgelegen de afgelopen twee coronajaren. Vervolgens, ook zoals gebruikelijk, lag ik de hele nacht wakker in de B&B die voor mij gereserveerd was. Gaf niet. Ik had een topavond gehad.

you are beautiful

We zaten op het terras van de La Place Roevenpeel, dat is in de buurt van Nederweert. Langs de A2. De La Place aan de overkant, Meiberg, is al maanden dicht en gaat nooit meer open. Dat is best apart, als je ziet hoe bedrijvig het is bij Roevenpeel. Op weg naar de Eifel stoppen we meestal bij tankstation Vossendal, dan is Maastricht heel dichtbij, en België ook. Soms, meestal door mijn schuld, is het Roevenpeel, en dan is Maastricht nog zestig kilometer en zijn we net niet op de helft. Op de weg terug stoppen we tóch bij Meiberg, omdat wat er te krijgen is in het tankstation daar best te doen is en er werken erg grappige mensen. Van die mensen, al wat ouder, die het werken op zo’n drukke plek eigenlijk niet aan kunnen. Dit is een heel lange inleiding op wat ik eigenlijk wil schrijven.

Op het terras – het was prachtig weer, een bijna lauw briesje en zon – zat ook een Engels echtpaar met twee ruwharige teckels. Die waren nogal tekeer gegaan toen M en Floris het terras op gingen. Dat had ik gemist, want ik was de etensophaler van dienst. Nou goed, je zit daar wat, je eet en drinkt en rookt en op een bepaald moment vertrokken de Engelsen. De vrouw kwam met haar ruwharige teckel op ons af. Ze wilde dat Skipper even bij Floris ging kijken. Beide honden waren totaal niet in elkaar geïnteresseerd. ‘What a beautiful dog,’ zei de vrouw. ‘Usually you don’t see fox-terriërs like this.’ Dat klopt, iets vaker zie je de ruwharige foxen, bij wie dan de spitse snuit door hun baardje en snorretje niet opvalt. Ze vertrokken. ‘Hoor je dat, Floris?’ fleemde ik, tamelijk luid. ‘You are beautiful!’ Ondertussen was er een medewerker van La Place, een jongen van zo te zien oorspronkelijk Marokkaanse afkomst, hun tafeltje aan het opruimen. ‘Dank je,’ zei hij en verliet het terras met een vol dienblad. Dat vond ik nou zo ontroerend. En daarom heb ik opgeschreven dat hij zo te zien oorspronkelijk van Marokkaanse oorsprong was, wat er anders niets of niet veel toe doet. Of mag ik dit eigenlijk niet opschrijven? Ik weet dat tegenwoordig niet zo goed meer. Kan me niks schelen. Ik vond het ontroerend en leuk. 

Wel jammer van Roevenpeel is dat er juist aan die kant van de A2 geen tankstation is en als er geen tankstation is, zijn er ook geen schappen met winegums. Vervolgens reden we dus winegumloos verder naar Schwarzbach. Ergens best goed. Al dat gevreet op niks af, daar word je alleen maar dik van. Op de afbeelding twee fox-terriërs, een gladharige en een ruwharige.

Foei, Arjen Lubach

Of het nou door de Actie Eigen Schrijvers Eerst (AESE) komt of door iets anders: er lijkt iets aan het verschuiven te zijn in de CPNB Top60. Er staan maar liefst acht Nederlandse literaire werken in de lijst, negen als ik de gedundrukte Willem Wilmink erbij tel, en tien (10) als ik de dichtbundel van Rijneveld daar óók nog bij optel. Inmiddels heeft natuurlijk de Lezer des Vaderlands Jörgen Apperloo zich min of meer aangesloten bij de AESE door uitsluitend Nederlandse literatuur te lezen en bespreken. Zelf las en lees ik ook erg mooie dingen. Confrontaties bijvoorbeeld, van Simone Atangana Bekono of Was, het debuut van Jilt Jorritsma, dat begint met een bizar tandarts- en aansluitend ziekenhuisbezoek vanwege een ontstoken vijfde verstandskies. Hij doet je denken dat het zich deels afspeelt in Friesland, vanwege de naam van een boerderij/gehucht, maar de omslagafbeelding toont een Wieringermeerse boerderij, mij houd je niet voor de gek.

Gisteren liepen Floris en ik een collegaatje tegen het lijf, hier op ons eigen Sporenburg. Het begon met Mozes, een flinke zwarte labrador die aan een lijn op de stoep lag. Die blafte Floris luid toe, maar Floris dacht: toedeledokie, ik loop hier met mijn bal, afblijven! Het bazinnetje kwam naar buiten en ik herkende meteen de wethouder van onderwijs, armoede en inburgering vanwege haar optredens op tv, maar hoe heette die nou toch? Zoals gebruikelijk ken je onmiddellijk de naam van de hond (in dit geval liefkozend ‘Moos’ genoemd), maar de bazennamen niet. We deden even blablabla en liepen naar huis, waar ik uit de brievenbus een verkiezingspostertje van de PvdA haalde. Aha, Marjolein Moorman, die ‘s avonds door Arjen Lubach belachelijk werd gemaakt omdat ze pontificaal vóór de slogans van de PvdA staat. Dat was best een lang item, grappig bedoeld natuurlijk, maar wat hij verzweeg – en wat alle niet-Amsterdammers niet konden weten – is dat aan de ommezijde van het postertje die slogans óók staan maar dan zonder Moorman. Heel flauw, Arjen. En bijna een soort van fake-nieuws, want onvolledig.

Onze minister van justitie woont hier ook op Sporenburg en ook zij en haar man hebben een hond. Een enorm groot en lief herderachtig geval dat altijd zonder lijn loopt en als het (gesprekken die buurtgenoten met Dilan Yesilgöz aanknopen) de hond allemaal te lang duurt, springt ze in het water en gaat ze een rondje zwemmen. Bij de laatste tweede kamerverkiezingen riep ze ons toe dat we wel VVD moesten stemmen. ‘Hahaha,’ deden wij, ‘wat een leuk grapje!’ Binnen stemden we allebei van de weeromstuit ‘strategisch’, en daar schamen we ons allebei nog steeds heel diep voor. Sigrid Kaag. Spijt als haren op onze hoofden. Wat een sof, we deden het om eventueel eindelijk eens een nieuwe minister-president te krijgen. Maar we hebben onze les wel geleerd. Strategisch stemmen is er hier in huis niet meer bij. 

Interview

Omdat hij romans eigenlijk maar ‘stom’ vond. Daarom duurde het maar liefst twaalf jaar voor de gevierde schrijver de sprong weer waagde. Gerbrand Bakker (1962) schreef met De kapperszoon een roman waarin ook de worsteling binnen zijn schrijverschap een rol speelt. Fietste hij er toch weer wat non-fictie in.

Er verscheen na De omweg in 2010 autobiografisch en non-fictiewerk van jouw hand maar geen roman meer. Had dat een reden? ‘Jazeker. ik vond romans ‘stom’, ik had genoeg van het genre. Ik vond ze pretentieus, en vooral ook de mensen die ze schreven – vooral mannen – pretentieus. En als je dat zo ziet, is er eigenlijk maar één conclusie: dan kan ik ze zelf ook niet meer schrijven. Vandaar die jarenlange non-fictie, waarin ik evengoed dat beoefende wat ik erg graag wilde beoefenen: schrijven.’

De kapperszoon is een boek over rouwverwerking en familiebanden. De setting: een kapperszaak, de hoofdpersoon: een kapper uit een kappersfamilie. Waarom het kappersvak? ‘Tja. Het had net zo goed een tegelzetter of directiesecretaresse – m/v/x – kunnen zijn, ware het niet dat een kapperszaak een plek is waar veel mensen komen. Veel interactie is. Een opening naar de wereld waar Simon, de ‘indolente’ hoofdpersoon, gedwongen wordt die wereld te ondergaan. En: ik ken geen andere Nederlandse romans waarin een kapper de hoofdpersoon is. Dus blijkbaar dacht ik: dat wordt tijd…’

In de roman komt een schrijver voor die een roman over een kapper wil schrijven. Is die schrijver misschien op de schrijver van De kapperszoon gebaseerd? ‘Ja. Nu kan ik wel ingewikkeld doen, maar natuurlijk is dat zo. Hoewel ik die schrijver niet bij naam noem. Ik vond dat voor mijzelf een leuk spel: eens kijken hoe vér je daarmee kunt gaan – dat bleek best ver te zijn. Er is, toen het boek al af was, iets bij me opgekomen: dat ik door die schrijver midden in het fictieve werk te plaatsen, weer de overgang terug van non-fictie naar fictie kon maken. De schrijver als overgangssmeermiddel, zeg maar.’

Je schrijft realistisch en geloofwaardig, ook als het buitengewone personen en situaties betreft. Hoe doe je dat? En heeft je schrijfstijl zich ontwikkeld? ‘Dit is wel een heel moeilijke vraag, zeg. Hoe doe je zoiets? Gewoon opschrijven wat bij je opkomt? Vooral aandacht besteden aan de dialogen? Juist karig schrijven zodat die eventuele onmogelijke dingen niet besmet worden door pompeus en sentimenteel taalgebruik waardoor het juist niet geloofwaardig is? Ik geloof wel, als ik er nu zo op terugkijk, dat ik mezelf steeds meer vrijheid heb gegeven in de loop van die tot nu toe vijf romans. Wie weet waar dat nog toe gaat leiden.’

Je verklaart en psychologiseert in je romans niet. Je laat vooral zien. Bewust? ‘Ja, dat is totaal bewust. Ik ben niet op deze wereld gezet om hem te verklaren. Het enige wat ik kan doen is dingen laten zien, en dan vaak ook nog zonder vooropgezet doel zodat ik – of beter: de uitgever of redacteur – later pas begrijp(t) waar het eigenlijk over gaat. Dat de uitgever je moet vertellen wat het thema is. Wat soms best handig is als je een gesprek op de radio doet. Ook: ik houd zelf helemaal niet van psychologiserende romans. Dan gaat de schrijver ervanuit dat ik dom ben, dat de dingen me voorgekauwd moeten worden. Dat doe ik blijkbaar niet ten opzichte van mijn lezers. (lacht) Kijk, ik begrijp de wereld, het leven, sowieso waarschijnlijk anders dan andere mensen vanwege mijn toch depressieverige aard. Die maakt dat je heel veel dingen net even iets anders ziet of ondergaat of aanvoelt. Wat voor de meeste mensen volstrekt vanzelfsprekend is, is dat voor mij toch vaak net iets minder. Dat zal dan ook wel doorsijpelen in mijn schrijven.’ 

Behalve schrijver ben je ook hovenier. Waar komt deze bijzondere combinatie vandaan? Versterken beide bezigheden elkaar? ‘Hovenier, afgestudeerd en al, ben ik pas vanaf 2006. Het jaar dus waarin Boven is het stil uitkwam. Ik moest toen, voor 2006 dus, iets gaan doen om geld mee te verdienen maar die roman haalde me in. Vanaf dat moment was ik schrijver, hoewel ik eerder al jeugdboekenschrijver was. En nee, die twee dingen staan helemaal los van elkaar buiten een soms, vanwege een vraag van een journalist, nogal gezochte overeenkomst. Wieden, scheppen, onkruid verwijderen: dat kun je allemaal ook figuurlijk op teksten loslaten’

Al een idee voor een volgende roman, of neem je daar opnieuw even de tijd voor? ‘Wellicht eerder weer eerst een Privédomeinachtig boek. Die zijn ook wel erg lekker en plezierig om te schrijven. Ik heb nog geen idee voor een nieuwe roman. Ik weet dat er schrijvers zijn die liefst al met iets nieuws bezig zijn als een roman nog maar net in de winkel ligt, maar dat heb ik nooit zo gehad. Wat komt, komt. Dat is geloof ik altijd al een beetje mijn levensinstelling geweest. Dingen forceren, neu… En soms komt er dus ook, zoals nu, toch na twaalf jaar weer een roman.’

[Zin Magazine, Daniëlle Bronsgeest]