Ingezonden brief

Ik stuurde een ingezonden brief naar Trouw. Volgens mij was dat de tweede ingezonden brief in mijn leven. De eerste ging over de etymologische dwalingen van een man die zich verdiept had in de sport tennis en op een dag een platform had gevonden in De Volkskrant. Volgens hem kwam het woord racket van ra-ketsen, ‘terugkaatsen’. Genoeg reden voor een ingezonden brief, vond ik, en de tekst had ik eigenlijk al, want ik had met deze man al eerder een aanvaring gehad in het sporthistorische blad De Sportwereld. Hij vond dat ik niks van tennis wist en daarom ook niks van de etymologie van allerlei tenniswoorden. Dit keer ging mijn brief in op een filmbespreking:

“Soms moet je je toch echt afvragen of een filmrecensent en jijzelf wel dezelfde film gezien hebben. De bespreking van Ronald Rovers van In blue (14 september) maakt het me makkelijk: Rovers heeft iets geheel anders gezien. Nog los van zijn zeer magere psychologische ‘doorgronding’ van het verhaal, staan er twee koeien van fouten in het stuk. Nicu heeft niet een broertje maar een zusje en hij snuift geen lijm maar verf. Hoe kan een recensent zoiets zo verkeerd hebben? En, belangrijker nog, ga ik Rovers voortaan geloven als hij films bespreekt die ik niet gezien heb? Het antwoord daarop kan niet anders dan nee zijn.”

Gisteren en vandaag opende ik op mijn iPad gretig de lezerspostpagina van Trouw. Het blijft iets magisch, je eigen lezersbrief in de krant zien staan. Maar ik zag niks. Misschien ben ik te ongeduldig en zou ik maandag nog even moeten afwachten. Ik zag In blue in Vlissingen, het was de openingsfilm van Film by the Sea. Later die avond, aan het begin van de nacht, sprak ik met Maria Kraakman, die de hoofdrol speelt en de dag erop zoenden we elkaar in Middelburg ten afscheid. Ook dat blijft iets magisch: zomaar met iemand die in een film speelt kunnen praten en haar zelfs kunnen zoenen. En, nou ja, ik zag dus een zusje en verf, en Rovers gaf de film ook nog eens een nietszeggende ***. Gawie Keyser (De Groene Amsterdammer) zag wél verf en noemt In blue ‘een van de beste Nederlandse films die ik in lange tijd gezien heb’. Geen sterren of ballen, daar doet De Groene niet aan.

Het deed me denken aan een bespreking van Daniëlle Serdijn, ooit, van mijn boek Juni. Dat stuk stond ook vol fouten. Dat ze er niks aan vond kan ik haar niet kwalijk nemen. Feitelijke onjuistheden wel, en dóór die feitelijke onjuistheden wordt ‘goed’ of ‘middelmatig’ of ‘slecht’ volledig irrelevant, omdat je eruit af mag leiden dat het boek niet of slecht is gelezen en – in dit geval – de film niet of slecht is bekeken. Zonde van de kolomruimte. Ik snap ook wel dat er niet altijd even veel tijd is, iedereen heeft het druk, maar het maken van een film of het schrijven van een boek duurt soms jaren en daar mag je je als recensent niet in een ongeconcentreerd uurtje zomaar van afmaken.

Weer verbijstering (een toneelrecensie)

Afgelopen week weer eens verbijsterd geweest, de wereld om mij heen niet begrepen, de meningen van anderen volstrekt ongegrond bevonden. Ik was met vriendin en regisseuse Annelore Kodde op het Zeeuws Nazomerfestival, waar we de vier voorstellingen hebben gezien, op vier achtereenvolgende avonden. Nee, één was ’s middags, op de Oesterdam, en dat kwam door het tij: dat stuk kan alleen met laagtij gespeeld worden en die maandagmiddag was het ’s middags om drie uur op z’n laagst. Er zijn mensen die Hiroshima mon amour om zes uur ’s ochtends hebben moeten kijken. Best interessant. Daarna kwam Vlaklanders in de deels ontmantelde schouwburg in Middelburg. Best interessant. Er speelden twee Titussen in: Titus Muizelaar en Titus Tiel Groenestege. De derde was het verst: helemaal in Sas van Gent. Uit de tijd vallen, naar het boek van David Grossman. Toen begon ik me al aardig te ergeren, zo langzamerhand. Aan al die taal! Omslachtige taal, poëtisch en onbegrijpelijk! Dood kind. Zeg dat dan! Doe daar iets mee. Misbruik het niet, gebruik het niet, en áls je het gebruikt, gebruik het dan rechtstreeks en onmiddellijk, oprecht en rauw, gedraag je niet als een ‘kunstenaar’ die zijn/haar verdriet met de rest van de wereld wil of moet delen. Ik mijmerde over het woord ‘liefde’, en die mijmering deed me geen goed. Een loos cliché, Amerikaans (“I loooove you Talullah!” van het ene zusje in een levensgevaarlijke en doodenge kermisattractie tegen het andere zusje). Niemand begrijp het, vooral ook – denk ik – omdat het zo’n begrip is dat, in weerwil van wat iedereen denkt, NIET universeel is maar juist ontstellend individueel. Nee, die voorstelling deed me diep zuchten, hoewel de voorstelling mooi was, met mooie decors enzo, en erg goed gespeeld. Ik werd er moe van en dacht terug aan Hiroshima, dat ik al kende van de film, en wat voegde die enorme slijkplaat met rennende of – o, nee – vertraagd rennende vrouwen daarop, aan de twee Titussen die een soort luxestuk aan het spelen waren, ik bedoel: leuk, maar als er één een gebroken voet had gehad, was het al niet doorgegaan omdat de gebroken voet veel belangrijker was dan de inhoud van het stuk.

De hele week al ruiste het rondom Een nieuwe god, geschreven door Heleen Verburg. Die distantieerde zich van het stuk omdat regisseur Stefan Perceval een koor toevoegde van – zoals hij zelf zei – ‘géén amateurtoneelspelers, maar mensen die getuigen van hun eigen leven. ‘In een tijd waarin religie te vaak samengaat met terreur en verwoesting pleit Heleen Verburg voor die andere kant van de godsdienst: troost, medelijden, solidariteit, liefde.’ (Uit een recensie met één ster uit de Theaterkrant). Veel van Verburgs tekst sneuvelde en één van de mooiste momenten in het stuk is als actrice Marlies Hamelynck iets uitroept als ‘Sodemieter op met je liefde!’ Het was alsof ze mijn mijmeringen van de avond ervoor had gehoord. Mensen hadden ons gezegd: ‘verdoe er je tijd niet aan’ of ‘verschrikkelijk slecht’ of ‘een complete mislukking’. We hadden er zelf – eerlijk is eerlijk – in de loop van de week grapjes over gemaakt en we hielden ons hart vast.

Het was formidabel, het laatste stuk was veruit het beste van alle vier de locatievoorstelling. Het raasde over ons heen, in een uurtje tijd, in de Abdijkerk in Midddelburg, op een toneel als een omgekeerde boot, van hout, met dikke, vette muziek als Un bel di Vedremo uit Madama Butterfly vlak nadat een lid van het koor (allemaal mensen die het moeilijk hebben, psychisch of anderzins) hartverscheurend verteld heeft over het wegnemen van haar drie kinderen. Ja, vet, ja, cliché, op het randje, maar hier perfect op zijn plek, en juist daarom juist géén cliché. Het was hartverscheurend en rauw, en oprecht en waar. Het koor schreeuwde minutenlang: ‘Mama!’ Godsamme nog aan toe! (Ik moest denken aan dat prachtige The Tree of Life van Mallick, waarin Sean Penn ronddoolt onder het zeggen van de woorden ‘mother’ en ‘brother’, steeds opnieuw.) De oude vrouw die zich een uur lang aan ‘God’ Bram Kwekkeboom vastklampte op dat hellende toneel nadat ze een paar keer luid ‘Ik mis mijn man zo!’ heeft geroepen. Dit was echt, dit was een gebeuren dat je de tranen in de ogen bracht, iets waarvan bij geen enkele van de andere drie ‘kunstige’ stukken in de verste verte sprake was, hoewel die ook alle drie over ‘liefde’ gingen en dode kinderen en het uitdijen van de kosmos, of weet ik veel wat allemaal.

‘Meedogenloos,’ was alles wat Annelore Kodde na afloop zei. Waarmee ze doelde op het kapot maken van zo’n stuk. Het kapot kúnnen maken van zo’n stuk. De machinerie die losgaat, het elkaar napraten van mensen. Ik was ook volstrekt in de war en kwaad ook, en wilde na afloop tijdens het roken het hele koor omhelzen en zoenen. In de auto terug naar Arnemuiden zei ik tegen tante Tineke en ome Jo dat er mensen zijn die uitsluitend boeken kopen die in de kranten slecht besproken worden. ‘Ik snap dat wel,’ zei ik ook.

Heleen Verburg heeft op een avond dat het stuk niet speelde samen met een bevriend acteur integraal haar tekst in de Abdijkerk voorgelezen. Een tekst geschreven op twee personen. Best blij ben ik dat ik dat gemist heb, ik vrees dat ik misselijk geworden zou zijn door al die troost, medelijden, solidariteit en liefde, verpakt in poëtische, onbegrijpelijke taal.

Hongerige mosasaurus

Gisteravond wilde ik een film kijken. Op tv. Net terug van vakantie, snel dit en dat en zus en zo en ’s avonds wilde ik gewoon op de bank een film kijken. Neef Casper was vertrokken – die vliegt vandaag naar New York – , ik had eten gemaakt en twee glazen witte wijn gedronken en was er helemaal klaar voor. Jurrasic World, daar had ik nou echt zin in. Ik hou wel van dinosaurussen die mensen opvreten. De film werd uitgezonden door SBS6. Ik kijk nooit naar SBS6, maar dan ook werkelijk nooit. Om half twaalf begreep ik precies waarom.

Ik heb het niet precies bijgehouden, maar voor mijn gevoel duurt de reclame waardoor de film steeds onderbroken wordt net zo lang als de film zelf. Nou ja, vooruit, dan kijk je even op je iPhone of je gaat even pissen, hoewel dat na de vierde keer al flink gaat vervelen. En ineens kreeg ik Shownieuws voor mijn kiezen! Gewoon middenin de film! En toen kwam ook nog Piets Weerbericht vanaf een of andere treurige camping! Zijn er mensen die dat aankunnen? Bestaan er mensen die dan naar zo’n film blijven kijken? Wat is dat voor een krankzinnnigheid?! Dat er mensen bestaan die zo’n film uitkijken is zo, want ik heb de film uitgekeken – de mooiste scène is die waarin de Britse assistente van de hoofdrolspeelster gegrepen wordt door een vliegdinosaurus, in het water terechtkomt, wéér door die vliegdinosaurus gegrepen wordt, lijkt te ontsnappen, maar dan worden vliegdinosaurus én Britse assistente samen door een Mosasaurus naar binnen geslokt – maar dat doe ik dus nooit meer. Geen wonder dat iedereen illegaal films downloadt (dat zag ik in het Journaal), het is een marteling om een avond lang SBS6 te kijken. Ik was kapot en daardoor kon ik ook nog eens niet slapen. Het is niet alleen reclame voor auto’s of shampoos of luiers maar ook reclame voor overige SBS6-programma’s, of misschien moet je die aankondigingen noemen. Ik werd er misselijk van, het was als het eten van een mislukte dubbele cheeseburger. SBS6 ís McDonalds: het is plat en fout-Amerikaans en als je klaar bent met eten heb je een heel vreemd gevoel in de maag: vol en toch leeg. Onbevredigd. Half. Met een vieze smaak in je mond.

Maar goed: nu ben ik er wel van op de hoogte dat Hanny Veerkamp met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd na onfortuinlijke val. Dat is toch ook wat waard. En ze had het de afgelopen tijd al zo moeilijk. Gelukkig is ze alweer thuis en verzorgt man Ton haar liefdevol. Ze kan vandaag niet optreden op het Jordaanfestival. Dan moeten we allemaal maar naar de Uitmarkt.

Kameroenschaap – Berberaap

Ineens is mijn zomervakantie voorbij. Begin juli denk je nog dat het heel erg lang gaat duren voor de eerste Trouw-column weer geleverd moet worden, en dan moet je je nog haasten om er één voor vertrek naar Wales te produceren. Nu eerst nog een uurtje in de Eifel, zo’n wacht-uur, een tijdspanne waarin je niks meer doen kan, en dan met buurman Klaus naar Densborn en van Densborn naar Keulen en van Keulen naar Amsterdam. Ik wil gaan eten in de Bordbistro, maar tegenwoordig is de Bordbistro meestal stuk en kun je er alleen koffie en vierkante stukken droge taart krijgen. Dat is jammer. Ik heb de laatste twee Meisenknödel aan het vogelvoederstation gehangen en het laatste 4-seizoenen-strooivoer uitgestrooid. Ze zullen het zonder mij ook wel overleven, de matkopjes, mezen, vinken en geelgorzen. En het onbekende dier dat op mijn zoldertje huist ook. Laatst heb ik het zolderluik anderhalve dag open gehad, in de hoop het onbekende dier eens te zien te krijgen. Het klinkt groot, ’s nachts stommelt het, soms snurkt het. Verder heb ik geen last van het onbekende dier. Ik zie er tegenop alle gaten en kieren dicht te timmeren, ik ben bang dat het onbekende dier bij het vastspijkeren van de laatste plank nog op de zolder zit.

Nu pas is het nog een uur voor ik vertrek. Een uur. Nog een laatste alinea hier. Maar waarover in godsnaam? Er scharrelen nu ook een lijster en een heggemus rond. Nog maar wat dierennieuws dan: de oude tijger in de Eifel Zoo heeft afgelopen woensdag een spuitje gekregen. Er lopen sinds kort ook kamelen, hun bulten hangen slap, het gras is te mals en overvloedig. Trampeltiere heten ze in het Duits en ze bijten, staat op een bordje. Kraagbeer Mike, die er al ik weet niet hoe lang zijn Lebensende afwacht, zijn overgang naar de Bärenhimmel, leeft onverstoorbaar verder, waardoor zijn hok niet gemoderniseerd kan worden. Tien jaar geleden heeft hij zijn verzorger, de toen 80-jarige eigenaar van de Zoo, die hem met de hand grootbracht, zwaar toegetakeld. De man voerde Mike aardbeien en struikelde, waarop de beer overging van de aardbeien op de arm van de dierentuindirecteur. Ik heb nog even gekuschelt met het Kameroenschaap dat de profielfoto is op mijn Whatsappaccount. Volgens mij herkende ze me nog.

Op de afbeelding een Kameroenschaapram met een Berberaap op zijn rug. Die foto heb ik geleend van internet, zulke dingen komen niet voor in de Eifel Zoo.

Lichte verbijstering

Ik keek gisteren op de ARD naar het WK Atletiek. En ik was verbijsterd. De Britten – dat WK is in Londen – hadden de 100 meter mannen lekker opgebouwd, alle acht de mannen kwamen temidden van bescheiden vuurwerk uit de coulissen op, als was het een toneelstuk dat ze gingen opvoeren. Met als hoofdrolspeler Usain Bolt, en dan nog zeven bijrollen, voor onder andere Justin Gatlin en Christian Coleman. Niet om het één of ander, maar ik zag aan de kop van Bolt dat hij niet ging winnen, het zat ‘m in een kort aflikken van zijn lippen voor hij zijn bekende bewegingen maakte en breed naar de camera grijnsde. Alsof hij moest slikken op een moment dat hem dat niet uitkwam. Gatlin werd door het beschaafde Britse publiek met boe-geroep begroet, omdat Britten nu eenmaal NOOIT doping gebruiken, nooit valsspelen. Gatlin trok er zich niets van aan, keek strak naar de baan voor hem, die had zo zijn eigen gedachten.

Gatlin won, Coleman werd tweede en Bolt derde. Nou ja, dat kan, hoewel Bolt het zich anders voorgesteld had. En toen kwam het moment van verbijstering. Ik heb die hele Gatlin nauwelijks nog gezien. De camera bleef bij Bolt, die zich liet toejuichen door dat Britse publiek, die allemaal liever hadden gezien dat hij goud gepakt had. Of wacht, daar was toch Gatlin, die zich bijna op de grond wierp voor Bolt, alsof hij wilde zeggen ‘Ja, jij bent – of was – de baas, hier heb je mijn respect.’ Toen dat moment voorbij was, was het alleen nog maar Bolt, Bolt en Bolt, op een bepaald moment liep hij een Brit met een microfoon tegen het lijf, die hem begon te interviewen, een stadiongesprek was het, niet iets voor de tv. En zo ging dat maar door, even zag ik ook Coleman nog lopen met een Amerikaanse vlag om de schouders. Maar waar was toch Gatlin? De kersverse wereldkampioen? Wat gebeurde hier? Even nog kregen we hem hier in Duitsland (ik weet nooit precies of iedereen op de hele wereld hetzelfde te zien krijgt, uitgezonden en gekozen door de BBC), toen de ARD-camera van het presentatieduo naar de interviewplek van een Amerikaanse zender zwenkte en de Duitsers (ook in Duitsland is men niet bekend met doping, Duitsers spelen ook NOOIT vals) zeiden dat het eigenlijk niet mocht, dat zo iemand de 100 meter won, kón winnen. Ik weet ook niet of Gatlin een ereronde gelopen heeft, ik mag ergens hopen van niet, dat zou vreselijk pijnlijk geweest zijn; de wereldkampioen eenzaam sjokkend, uitgejouwd door de toeschouwers, terwijl de bronzen medaillewinnaar elders toegejuicht werd. Wat hij absoluut verdient, daar niet van, maar niet op dat specifieke moment.

De hypocrisie – in het land waar men dat woord uitgevonden heeft – ten top, samengebald in iets minder dan tien seconden en een nasleep van tientallen minuten. Elders op het veld sprong de Rus Alexandr Menkov 8 meter en 27 centimeter, hij werd vierde. Hij droeg een shirt dat niet Russisch was, dat mocht niet. Hij was ‘neutraal’, kwam uit onder de ‘neutrale vlag’. Net als de 18 andere Russen die er meedoen. De Britten klapten gewillig ritmisch met hem mee toen hij daarom vroeg.

Op de afbeelding de Britse sprinter Prescod. Hij werd zevende, in 10:17. Ik meen ook in zijn blik lichte verbijstering te herkennen.

Liguster

Ik wilde iets schrijven over die enorme varkenstalbrand, maar dat is me te groot, te onbegrijpelijk. Hoezo komen alle 24.000 varkens om? Waarom zet niemand de deuren open? Ik heb het even nagezocht, maar varkens hebben wel degelijk het instinct om te vluchten bij gevaar. En er zijn jaren geleden al uitvindingen gedaan die bij brand automatisch hokken en deuren openen. Hoe vaak lees je niet bij branden – ook in koeien- en kippenstallen – dat alle dieren zijn omgekomen. Dat hoeft niet. Echt niet. Kippen zijn trouwens écht de pineut, want die zijn zelf ook zeer brandbaar. Bah. Vreselijk.

Ik ga komende week afscheid nemen. Van twee vrouwen die een rol hebben gespeeld in mijn leven. Elisabeth van Unen, uitgeefster bij Piramide, zij gaf de etymologische woordenboeken en Perenbomen bloeien wit uit. Daarna heb ik jarenlang haar tuin gedaan in Bloemendaal, waarbij ze in het voorjaar urenlang angstig toekeek of ik de sneeuwklokjes in het gazon niet vertrapte terwijl ik de heggen aan het knippen was of de moestuin op orde bracht. Vaak riep ze dan ook: ‘Pas op voor de sneeuwklokjes!’ Het is helemaal niet erg als je al dan niet net uitgebloeide sneeuwklokjes vertrapt, die komen volgend jaar gewoon weer terug. Als het werk gedaan was, rookte ze tevreden een sigaartje en ik rookte een sjekkie, ook tevreden, meestal. Ik kreeg op een bepaald moment, vreemd was dat, een hekel aan die tuin, ik wilde niet meer, maar dat durfde ik niet goed te zeggen. Zoiets tekent de verhouding, tussen uitgeefster en schrijver, tussen tuinbazin en tuinman. Later ging ik toch weer, alleen voor de grote klussen want Elisabeth had ene Gerard aangenomen om het gras te maaien.

En buurvrouw Weiers, die Duitse lezers kennen als buurvrouw Trappen omdat in Duitsland in romans niet zomaar bestaande namen gebruikt mogen worden. Ze zat al anderhalf jaar in een verzorgingstehuis in Balesfeld en is 97 geworden. Ze is opgehouden met eten en drinken en ja, dan ga je dood. De dienst is aanstaande vrijdag in Feuerscheid, aansluitend koffie met Kuchen in Am Pääsch. Het afscheidnemen van Elisabeth (die 20 jaar jonger was dan buurvrouw Weiers) is vanmiddag in Heemstede. Ik weet niet precies wat ik me daarbij moet voorstellen, de begrafenis is later, in besloten kring. Ik hoop niet dat de voltallige familie daar is, ik ken die mensen nauwelijks en dan moet je onbekenden de hand schudden en iets zeggen, terwijl ik er heenga voor Elisabeth, het is iets tussen ons, en ik heb geen zin me zenuwachtig te maken om het hoe-het-hoort. Eigenlijk zou ik haar in het ziekenhuis gaan bezoeken, maar het ging op het einde razendsnel.

En afgelopen vrijdag zou mijn broertje 50 geworden zijn. Daar kwam ik achter omdat ik in Wieringerwaard was en mijn moeder een plantje ging kopen om op het graf te zetten. God ja, 28 juli, en 48 jaar geleden bloeiende liguster op de begraafplaats, die ervoor gezorgd heeft dat ik mijn hele leven lang al een hekel heb aan de vuile geur die die bloemen verspreiden; dat besef ik nu, zoiets hangt tientallen jaren in je achterhoofd tot je op een dag (in juni natuurlijk) het verband doorziet.

Maar goed, anderzijds zijn er nog enorm veel mensen en varkens en koeien en kippen die leven en dat ook nog wel een tijdje zullen volhouden.

Zomer

De zomer drentelt onverdroten voort hier in de Eifel. Nu eens is het 19 graden, dan weer 30, en regenen doet het regelmatig, af en toe ’s nachts, met donder in de verte. Iedereen is wel bezig met het één of ander. Nieuwe buren Axel en Gabi bouwen eindelijk hun nieuwe keuken in, dat kan nu elektricien Lothar de bedrading heeft vernieuwd, en als ze dat niet doen schelden ze op de honden die elkaar willen opvreten, wat ze verhinderen door klaarstaand water over ze heen te smijten; nieuwe buren Gabi en Hans-Dietmar laten een oude schuur verbouwen tot Harley-Davidsson werkplaats, al weken krioelen daar halfblote bouwvakkers rond, die graag hun bouwafval verbranden als de wind verkeerd staat; nieuwe buren Rinus en Lien bakken zelfgesneden frietjes en nodigen mij uit die op te komen eten, met een gehaktbal en sla. Heerlijk. Ik heb de jonge boer met grijze ogen niet meer gezien. Buurman Klaus rijdt elke dag naar Bitburg, waar zijn zoon een huis aan het bouwen is. Bezoek komt en gaat, komt en gaat en vaak schuift er ook nog iemand uit de buurt gezellig aan, om een gin-tonic of biertje te drinken en te luisteren naar dat onbegrijpelijke koeterwaals van ons.

Ikzelf ben dus aan het schilderen. Vrijwel alles is nu antiekgroen. Soms, als ik ’s avonds door de tuin dwaal, besef ik wat er allemaal al is gebeurd in de afgelopen vier jaar en vervloek ik mezelf dat ik in het begin niet veel meer foto’s heb gemaakt. Niet eens zozeer voor mezelf, maar ik hoor mezelf tegen nieuw bezoek zo vaak zeggen dat alles hier een woestenij was, en als ik het gezegd heb, zie ik aan hun ogen dat ze zich er niets bij kunnen voorstellen. Buurman Rinus kwam eergisteren drie halve wijnvaten langsbrengen, en één ervan heb ik al ingebed in de heuvel achter het huis. Er paste precies een grote speciekuip in, die ik onmiddellijk met water vulde. Weer een vijver erbij, in de schaduw van de appelboom met de oneetbare appeltjes. Trouw heeft zomerstop, wat betekent dat Jamal Ouariachi een column schrijft en ik anderhalve maand vrijaf ben, vandaar dat ik nu, hier, even mijn tuinnieuws kwijt moet.

De gierzwaluwen beginnen al hun afscheidsroep te oefenen, voor je het weet is het augustus. En pas dan – als de scholen en het voetbalseizoen weer beginnen – trek ik de wereld in, naar Wales, naar Zeeland, naar Griekenland en later nog naar Ierland. Als het bloeien in de tuin wel zo’n beetje zijn hoogtepunt gehad heeft, alles niet meer zo veel water nodig heeft en ik niet zenuwachtig en onrustig slapeloos in het een of andere bed & breakfastbed hoeft te liggen. De Abessijnse gladiolen komen tamelijk goed en overvloedig (100 bolletjes pootte ik) de grond uit, maar ik meen te weten dat die pas in hun tweede jaar bloeien. Daaraan zal ik dus niet veel missen.

Gisteren vroeg ik me af hoe het kan dat het snoer van de hanglamp in de keuken, dat langs het plafond loopt, onder de vliegenpoep zit. Waarom valt vliegenpoep niet naar beneden? Er zijn veel vliegen, vanwege de Herefordkoeien van de jonge boer met grijze ogen, die hier vlak in de buurt lopen. Stiertjes zijn het, soms staan ze midden in de Nims een beetje dommig voor zich uit te staren, misschien hebben ze heimwee naar de grazige, vlakke weiden waar ze geboren zijn en verbazen ze zich over water dat stromen kan, niet doodstil in een boerensloot staat.