Kameroenschaap – Berberaap

Ineens is mijn zomervakantie voorbij. Begin juli denk je nog dat het heel erg lang gaat duren voor de eerste Trouw-column weer geleverd moet worden, en dan moet je je nog haasten om er één voor vertrek naar Wales te produceren. Nu eerst nog een uurtje in de Eifel, zo’n wacht-uur, een tijdspanne waarin je niks meer doen kan, en dan met buurman Klaus naar Densborn en van Densborn naar Keulen en van Keulen naar Amsterdam. Ik wil gaan eten in de Bordbistro, maar tegenwoordig is de Bordbistro meestal stuk en kun je er alleen koffie en vierkante stukken droge taart krijgen. Dat is jammer. Ik heb de laatste twee Meisenknödel aan het vogelvoederstation gehangen en het laatste 4-seizoenen-strooivoer uitgestrooid. Ze zullen het zonder mij ook wel overleven, de matkopjes, mezen, vinken en geelgorzen. En het onbekende dier dat op mijn zoldertje huist ook. Laatst heb ik het zolderluik anderhalve dag open gehad, in de hoop het onbekende dier eens te zien te krijgen. Het klinkt groot, ’s nachts stommelt het, soms snurkt het. Verder heb ik geen last van het onbekende dier. Ik zie er tegenop alle gaten en kieren dicht te timmeren, ik ben bang dat het onbekende dier bij het vastspijkeren van de laatste plank nog op de zolder zit.

Nu pas is het nog een uur voor ik vertrek. Een uur. Nog een laatste alinea hier. Maar waarover in godsnaam? Er scharrelen nu ook een lijster en een heggemus rond. Nog maar wat dierennieuws dan: de oude tijger in de Eifel Zoo heeft afgelopen woensdag een spuitje gekregen. Er lopen sinds kort ook kamelen, hun bulten hangen slap, het gras is te mals en overvloedig. Trampeltiere heten ze in het Duits en ze bijten, staat op een bordje. Kraagbeer Mike, die er al ik weet niet hoe lang zijn Lebensende afwacht, zijn overgang naar de Bärenhimmel, leeft onverstoorbaar verder, waardoor zijn hok niet gemoderniseerd kan worden. Tien jaar geleden heeft hij zijn verzorger, de toen 80-jarige eigenaar van de Zoo, die hem met de hand grootbracht, zwaar toegetakeld. De man voerde Mike aardbeien en struikelde, waarop de beer overging van de aardbeien op de arm van de dierentuindirecteur. Ik heb nog even gekuschelt met het Kameroenschaap dat de profielfoto is op mijn Whatsappaccount. Volgens mij herkende ze me nog.

Op de afbeelding een Kameroenschaapram met een Berberaap op zijn rug. Die foto heb ik geleend van internet, zulke dingen komen niet voor in de Eifel Zoo.

Lichte verbijstering

Ik keek gisteren op de ARD naar het WK Atletiek. En ik was verbijsterd. De Britten – dat WK is in Londen – hadden de 100 meter mannen lekker opgebouwd, alle acht de mannen kwamen temidden van bescheiden vuurwerk uit de coulissen op, als was het een toneelstuk dat ze gingen opvoeren. Met als hoofdrolspeler Usain Bolt, en dan nog zeven bijrollen, voor onder andere Justin Gatlin en Christian Coleman. Niet om het één of ander, maar ik zag aan de kop van Bolt dat hij niet ging winnen, het zat ‘m in een kort aflikken van zijn lippen voor hij zijn bekende bewegingen maakte en breed naar de camera grijnsde. Alsof hij moest slikken op een moment dat hem dat niet uitkwam. Gatlin werd door het beschaafde Britse publiek met boe-geroep begroet, omdat Britten nu eenmaal NOOIT doping gebruiken, nooit valsspelen. Gatlin trok er zich niets van aan, keek strak naar de baan voor hem, die had zo zijn eigen gedachten.

Gatlin won, Coleman werd tweede en Bolt derde. Nou ja, dat kan, hoewel Bolt het zich anders voorgesteld had. En toen kwam het moment van verbijstering. Ik heb die hele Gatlin nauwelijks nog gezien. De camera bleef bij Bolt, die zich liet toejuichen door dat Britse publiek, die allemaal liever hadden gezien dat hij goud gepakt had. Of wacht, daar was toch Gatlin, die zich bijna op de grond wierp voor Bolt, alsof hij wilde zeggen ‘Ja, jij bent – of was – de baas, hier heb je mijn respect.’ Toen dat moment voorbij was, was het alleen nog maar Bolt, Bolt en Bolt, op een bepaald moment liep hij een Brit met een microfoon tegen het lijf, die hem begon te interviewen, een stadiongesprek was het, niet iets voor de tv. En zo ging dat maar door, even zag ik ook Coleman nog lopen met een Amerikaanse vlag om de schouders. Maar waar was toch Gatlin? De kersverse wereldkampioen? Wat gebeurde hier? Even nog kregen we hem hier in Duitsland (ik weet nooit precies of iedereen op de hele wereld hetzelfde te zien krijgt, uitgezonden en gekozen door de BBC), toen de ARD-camera van het presentatieduo naar de interviewplek van een Amerikaanse zender zwenkte en de Duitsers (ook in Duitsland is men niet bekend met doping, Duitsers spelen ook NOOIT vals) zeiden dat het eigenlijk niet mocht, dat zo iemand de 100 meter won, kón winnen. Ik weet ook niet of Gatlin een ereronde gelopen heeft, ik mag ergens hopen van niet, dat zou vreselijk pijnlijk geweest zijn; de wereldkampioen eenzaam sjokkend, uitgejouwd door de toeschouwers, terwijl de bronzen medaillewinnaar elders toegejuicht werd. Wat hij absoluut verdient, daar niet van, maar niet op dat specifieke moment.

De hypocrisie – in het land waar men dat woord uitgevonden heeft – ten top, samengebald in iets minder dan tien seconden en een nasleep van tientallen minuten. Elders op het veld sprong de Rus Alexandr Menkov 8 meter en 27 centimeter, hij werd vierde. Hij droeg een shirt dat niet Russisch was, dat mocht niet. Hij was ‘neutraal’, kwam uit onder de ‘neutrale vlag’. Net als de 18 andere Russen die er meedoen. De Britten klapten gewillig ritmisch met hem mee toen hij daarom vroeg.

Op de afbeelding de Britse sprinter Prescod. Hij werd zevende, in 10:17. Ik meen ook in zijn blik lichte verbijstering te herkennen.

Liguster

Ik wilde iets schrijven over die enorme varkenstalbrand, maar dat is me te groot, te onbegrijpelijk. Hoezo komen alle 24.000 varkens om? Waarom zet niemand de deuren open? Ik heb het even nagezocht, maar varkens hebben wel degelijk het instinct om te vluchten bij gevaar. En er zijn jaren geleden al uitvindingen gedaan die bij brand automatisch hokken en deuren openen. Hoe vaak lees je niet bij branden – ook in koeien- en kippenstallen – dat alle dieren zijn omgekomen. Dat hoeft niet. Echt niet. Kippen zijn trouwens écht de pineut, want die zijn zelf ook zeer brandbaar. Bah. Vreselijk.

Ik ga komende week afscheid nemen. Van twee vrouwen die een rol hebben gespeeld in mijn leven. Elisabeth van Unen, uitgeefster bij Piramide, zij gaf de etymologische woordenboeken en Perenbomen bloeien wit uit. Daarna heb ik jarenlang haar tuin gedaan in Bloemendaal, waarbij ze in het voorjaar urenlang angstig toekeek of ik de sneeuwklokjes in het gazon niet vertrapte terwijl ik de heggen aan het knippen was of de moestuin op orde bracht. Vaak riep ze dan ook: ‘Pas op voor de sneeuwklokjes!’ Het is helemaal niet erg als je al dan niet net uitgebloeide sneeuwklokjes vertrapt, die komen volgend jaar gewoon weer terug. Als het werk gedaan was, rookte ze tevreden een sigaartje en ik rookte een sjekkie, ook tevreden, meestal. Ik kreeg op een bepaald moment, vreemd was dat, een hekel aan die tuin, ik wilde niet meer, maar dat durfde ik niet goed te zeggen. Zoiets tekent de verhouding, tussen uitgeefster en schrijver, tussen tuinbazin en tuinman. Later ging ik toch weer, alleen voor de grote klussen want Elisabeth had ene Gerard aangenomen om het gras te maaien.

En buurvrouw Weiers, die Duitse lezers kennen als buurvrouw Trappen omdat in Duitsland in romans niet zomaar bestaande namen gebruikt mogen worden. Ze zat al anderhalf jaar in een verzorgingstehuis in Balesfeld en is 97 geworden. Ze is opgehouden met eten en drinken en ja, dan ga je dood. De dienst is aanstaande vrijdag in Feuerscheid, aansluitend koffie met Kuchen in Am Pääsch. Het afscheidnemen van Elisabeth (die 20 jaar jonger was dan buurvrouw Weiers) is vanmiddag in Heemstede. Ik weet niet precies wat ik me daarbij moet voorstellen, de begrafenis is later, in besloten kring. Ik hoop niet dat de voltallige familie daar is, ik ken die mensen nauwelijks en dan moet je onbekenden de hand schudden en iets zeggen, terwijl ik er heenga voor Elisabeth, het is iets tussen ons, en ik heb geen zin me zenuwachtig te maken om het hoe-het-hoort. Eigenlijk zou ik haar in het ziekenhuis gaan bezoeken, maar het ging op het einde razendsnel.

En afgelopen vrijdag zou mijn broertje 50 geworden zijn. Daar kwam ik achter omdat ik in Wieringerwaard was en mijn moeder een plantje ging kopen om op het graf te zetten. God ja, 28 juli, en 48 jaar geleden bloeiende liguster op de begraafplaats, die ervoor gezorgd heeft dat ik mijn hele leven lang al een hekel heb aan de vuile geur die die bloemen verspreiden; dat besef ik nu, zoiets hangt tientallen jaren in je achterhoofd tot je op een dag (in juni natuurlijk) het verband doorziet.

Maar goed, anderzijds zijn er nog enorm veel mensen en varkens en koeien en kippen die leven en dat ook nog wel een tijdje zullen volhouden.

Zomer

De zomer drentelt onverdroten voort hier in de Eifel. Nu eens is het 19 graden, dan weer 30, en regenen doet het regelmatig, af en toe ’s nachts, met donder in de verte. Iedereen is wel bezig met het één of ander. Nieuwe buren Axel en Gabi bouwen eindelijk hun nieuwe keuken in, dat kan nu elektricien Lothar de bedrading heeft vernieuwd, en als ze dat niet doen schelden ze op de honden die elkaar willen opvreten, wat ze verhinderen door klaarstaand water over ze heen te smijten; nieuwe buren Gabi en Hans-Dietmar laten een oude schuur verbouwen tot Harley-Davidsson werkplaats, al weken krioelen daar halfblote bouwvakkers rond, die graag hun bouwafval verbranden als de wind verkeerd staat; nieuwe buren Rinus en Lien bakken zelfgesneden frietjes en nodigen mij uit die op te komen eten, met een gehaktbal en sla. Heerlijk. Ik heb de jonge boer met grijze ogen niet meer gezien. Buurman Klaus rijdt elke dag naar Bitburg, waar zijn zoon een huis aan het bouwen is. Bezoek komt en gaat, komt en gaat en vaak schuift er ook nog iemand uit de buurt gezellig aan, om een gin-tonic of biertje te drinken en te luisteren naar dat onbegrijpelijke koeterwaals van ons.

Ikzelf ben dus aan het schilderen. Vrijwel alles is nu antiekgroen. Soms, als ik ’s avonds door de tuin dwaal, besef ik wat er allemaal al is gebeurd in de afgelopen vier jaar en vervloek ik mezelf dat ik in het begin niet veel meer foto’s heb gemaakt. Niet eens zozeer voor mezelf, maar ik hoor mezelf tegen nieuw bezoek zo vaak zeggen dat alles hier een woestenij was, en als ik het gezegd heb, zie ik aan hun ogen dat ze zich er niets bij kunnen voorstellen. Buurman Rinus kwam eergisteren drie halve wijnvaten langsbrengen, en één ervan heb ik al ingebed in de heuvel achter het huis. Er paste precies een grote speciekuip in, die ik onmiddellijk met water vulde. Weer een vijver erbij, in de schaduw van de appelboom met de oneetbare appeltjes. Trouw heeft zomerstop, wat betekent dat Jamal Ouariachi een column schrijft en ik anderhalve maand vrijaf ben, vandaar dat ik nu, hier, even mijn tuinnieuws kwijt moet.

De gierzwaluwen beginnen al hun afscheidsroep te oefenen, voor je het weet is het augustus. En pas dan – als de scholen en het voetbalseizoen weer beginnen – trek ik de wereld in, naar Wales, naar Zeeland, naar Griekenland en later nog naar Ierland. Als het bloeien in de tuin wel zo’n beetje zijn hoogtepunt gehad heeft, alles niet meer zo veel water nodig heeft en ik niet zenuwachtig en onrustig slapeloos in het een of andere bed & breakfastbed hoeft te liggen. De Abessijnse gladiolen komen tamelijk goed en overvloedig (100 bolletjes pootte ik) de grond uit, maar ik meen te weten dat die pas in hun tweede jaar bloeien. Daaraan zal ik dus niet veel missen.

Gisteren vroeg ik me af hoe het kan dat het snoer van de hanglamp in de keuken, dat langs het plafond loopt, onder de vliegenpoep zit. Waarom valt vliegenpoep niet naar beneden? Er zijn veel vliegen, vanwege de Herefordkoeien van de jonge boer met grijze ogen, die hier vlak in de buurt lopen. Stiertjes zijn het, soms staan ze midden in de Nims een beetje dommig voor zich uit te staren, misschien hebben ze heimwee naar de grazige, vlakke weiden waar ze geboren zijn en verbazen ze zich over water dat stromen kan, niet doodstil in een boerensloot staat.

Aantekeningen van een amateur-schilder

Dit blijkt een zomer van schilderen te zijn. Al mijn nieuwe houten ramen werden inclusief verf geleverd. Dat moet hier in Duitsland. Ongeverfd hout, nee, dat is werkelijk onmogelijk. Probleem is – in mijn ogen – dat die verf waterverf is, want verf op oliebasis is natuurlijk milieuonvriendelijk. Bijkomend probleem is dat die verf nooit ofte nimmer zal glimmen, het is immers water. Dat blief ik niet, matte ramen en deuren. Dus in Nederland kocht ik halfglans antiekgroene Wijzonol. Kozijn voor kozijn, deur voor deur begint mijn huis te glimmen, in een veel mooiere kleur dan die geleverd werd, dat groen was, eh, nou ja waterig, onbestemd. Antiekgroen is bij een bepaald licht bijna zwart. Samen met een witte gevel en een zwarte sokkel en een bak met rode geraniums op een vensterbank ziet mijn huis er nu uit als een dure villa in het Gooi.

Ik ben zelfs begonnen de houten oversteek van het dak te schilderen. Die was gebeitst, lang geleden. Schuren, schoonmaken, schilderen. Ladder geleend van buurman Klaus, buurman Rinus kwam langs op de elektrische fiets van zijn vrouw en vertelde me dat ik goed bezig was. Ik mis Radio Tour. Er is niet veel fijner in het leven dan een huis opknappen terwijl je urenlang naar een touretappe luistert. Jarenlang heb ik dat gedaan, vroeger. Het zwarte gat waarin je dondert als de Tour voorbij is! Vreselijk. En iets anders: het regent. Best veel. Zeurde ik onlangs over de vreselijke droogte hier, nu wil ik dat het eindelijk droog wordt, dan kan ik verder. De tweede pot begint trouwens beangstigend leeg te raken, misschien vriend Henk lief vragen of hij even bij de Praxis langs wil om een derde pot mee te halen.

En eindelijk is er tv-gewijs iets gelukt. Dat hele Canal Digitaal wordt niks, ik heb het opgegeven, maar nu kocht ik een Supersportticket bij Sky Deutschland, want aanstaand weekend is hier niet alleen vriend Henk, ook Pieter de Rijk is er – een stuk verderop – en hij wil erg graag de finale op Wimbledon zien. Ik ontdekte dat geen enkele Duitse zender Wimbledon uitzendt. Het duurde anderhalve dag voordat de website me eindelijk accepteerde en nu zelfs hartelijk welkom heet – ik had ook dit al opgegeven, en ik maakte niet eens dingen stuk uit woede – maar nu is er tennis. Vanmiddag Murray-Querry. Tenminste: als het blijft regenen. Bij droogte klim ik de ladder op. Ik kan een woonkamerraam openzetten en de laptop in de vensterbank zetten, dan is het bijna als Radio Tour, vroeger, toen alles beter en mooier was. Bijna, tv-kijken is natuurlijk niet erg handig bij het schilderen.

Het is op het vogelvoederstation alsof er een Turkse bruiloft gaande is. Alles en iedereen blijft deze zomer hangen, er hipten zelfs twee groenlingen aan de voet, en die vogels hebben heel veel geluk: afgelopen weekend vond ik in de Globus in Wittlich grote plastic emmers vol vierseizoenenvoer en mezenbollen. We kunnen nog weken voort, de vogels en ik.

Aantekeningen van een amateur-bioloog

Een dag nadat de jonge boomklever tegen het raam van de schrijfkamer was gevlogen – aan de binnenkant, mogelijk via de wijd openstaande kleine ramen op de noordkant naar binnen gekomen – en op zijn ruggetje op de laptop lag, vlogen de koolmezen uit. Een tweede leg. Uitvliegen, maar dat gaat zomaar niet: ze hippen het nestkastje uit en komen op de grond terecht, waar ze dan een beetje gaan rondscharrelen en proeffladderen. Ik zag er één en wist dat ik wel even bezig zou zijn, aangezien Felix, de kat van buurman Klaus, graag bij mij in de buurt is als ik in de tuin bezig ben. Op een bepaald moment had ik die kleine koolmees bijna zo ver dat hij/zij op mijn uitgestoken wijsvinger hipte. Ik heb Het vogelhuis van Eva Meijer gelezen, vandaar. Ik wilde hem/haar halftam maken, zodat hij/zij volgend jaar vertrouwelijk met me om zou gaan. Hij/zij en hem/haar, want ‘geslachten gelijk’ zegt Petersons Vogelgids.

Hij klom/fladderde omhoog via de terrastuin aan de zijkant van het huis. Ik vond het vreemd dat de beide ouders niet zenuwachtig heen en weer vlogen, tot ik doorkreeg dat ze met een ander jong bezig waren achter het huis, in het bos. Misschien hadden ze gezien dat ik me bezighield met dit jong; zoals al gezegd, ik las Het vogelhuis. Op het moment dat ik merkte dat de ouders hem in de gaten kregen (ik dacht de hele tijd: ‘ga nou toch eens roepen, dom dier!’), vertrok ik naar de bocht in de Nims om er mooie, rond afgesleten rivierstenen te gaan halen.

’s Avonds zaten ze met z’n allen op het vogelvoederstation, één van de jongen hing heel brutaal steeds op een mezenbol, liet zich zelfs door een boomklever of een matkopje niet wegjagen. Het waren er vier of vijf, ze deden zo druk dat ik het niet duidelijk kon zien. Ik ging ervan uit dat ‘mijn’ koolmeesje er één van was. Die vogeltjes leren in heel korte tijd heel veel, binnen een paar uur vreten ze zelf. Onhandig vliegen deden ze nog steeds, dat en hun vale kleur maakte dat ik ze als jongen herkende. De rijst die ik in het vogelvoederstation kiepte bliefden ze niet, misschien is die te kleverig. Binnen twee uur waren twee mezenbollen op. Vanochtend zag ik dat het eksterpaar van de rijst eet.

Ik ga er ook vanuit dat de jonge boomklever het overleefd heeft. Die vloog na een minuut of tien van mijn hand naar een tak in de eik. Maar zeker weet je zoiets nooit: het ree dat Jasper ooit greep, ontkwam, maar best vaak gaan ze later alsnog dood vanwege stress of een shock. Gevoelige dieren. Veel gevoeliger dan slakken, ik zeg maar iets, of mieren en zeker dan teken, die moet je echt met een scherp voorwerp doodmaken of in het vuur gooien, die zijn ongelofelijk taai. Ik denk dat teken de wereld gaan overnemen. Het duurt misschien nog even, maar ooit zal een laatste mens zich proberen te verschansen in zijn of haar huis. Ik begrijp werkelijk niet waarom daar in Hollywood niet al een film over gemaakt is. Een rampenfilm.

 

Je maakt iets en beseft dat je nog veel meer moet maken

Gisteren mdf laten zagen bij de Globus, vandaag de nieuwe boekenkast in elkaar gezet en – nadat ik hem weggehaald had van de afbeelding – al één keer in de verf gezet. Terwijl er bezoek was, en straks weer bezoek komt. Die nieuwe boekenkast was nodig omdat de bestaande (links op de foto) te klein geworden was voor eigen werk. Ja, inderdaad, ik heb een boekenkast vol eigen werk, in het Nederlands en allerlei andere talen. Daar schaam ik me helemaal niet voor, ik vergeet steeds wie ik ben, en die tastbare boeken herinneren me eraan dat ik dat allemaal ooit bij elkaar geschreven heb (en nogal wat  vertalers vertaalden minstens vijf planken bij elkaar). Er lagen boeken plat bovenop staande boeken en dat stond me niet aan, dat vond ik rommelig. Maar nu is er iets wat me ook niet aanstaat: er is tweeënhalve plank onbezet.

Punt is natuurlijk dat er in die kast geen Dautzenberg, McEwan, De Nooy, Zsófia Bán, Barry (Sebastian én Kevin), Anne Enright, Roos van Rijswijk, John McGahern, Andrew Miller, Oek de Jong, Kim Leine, Siegfried Lenz, Juli Zeh. R.J. Peskens, Austin Duffy of Koos van Zomeren mogen staan. Geen sprake van, die staan elders, voornamelijk in Amsterdam. Dus zal ik zelf aan de bak moeten. Nog tweeënhalve plank. Ik moet onmiddellijk beginnen. Maar eerst een gin-tonic, bij een aangename temperatuur van 26 graden, een tikje fris. Maar met citroen, limoen of komkommer?