Bij een ZEMBLA-uitzending

Iemand wees me op de ZEMBLA-uitzending van gisteravond (15 april) over het afbouwen van antidepressiva. Die iemand weet dat ik volgende week een on-lineafspraak heb met een psychiater die – hoop ik – veel verstand heeft van medicijngebruik. Zoals verwacht was het ontluisterend. De allerbeste manier om af te kicken is met zogenaamde ‘taperingsstrips’ (uiterst nauwkeurig afgewogen elke dag ietsje minder) en die worden door vrijwel alle zorgverzekeraars niet vergoed, waardoor mensen noodgedwongen in veel gevallen dan maar gewoon ‘doorslikken’, waar de makers van die middelen dan weer niet al te veel op tegen hebben. Voor alle duidelijkheid: afbouwen gaat vaker wel dan niet gepaard met akelige bijverschijnselen.

De moeilijkheid van een antidepressivum – in tegenstelling tot het gros van de medicijnen – is dat elk mens er anders op reageert. Wat de een prima helpt, doet voor een ander niets. Het heeft ook totaal geen zin om jouw middel aan te prijzen bij een andere depressieveling. Ik ben weleens boos geweest bij de apotheek. Ik kwam voor mijn gebruikelijke middel en toen kreeg ik een ander doosje, van en andere fabrikant. ‘Die blief ik niet,’ zei ik. Ja maar, kreeg ik te horen, het is precies dezelfde werkzame stof. Dat is niet zo. Het minste geringste verschil kan al funest zijn. ‘Werkzame stof’, oké, maar in zo’n pil zitten ook andere stofjes, ‘niet-werkzame’ stofjes die de pil tot pil maken. Het luistert ontzettend nauw en dat zo’n apotheek daar lichtzinnig of zelfs achteloos mee omgaat is onbegrijpelijk. Zo leidde bij mij de overgang van citalopram naar escitalopram, met een slikloze periode van een klein jaar, tot Knecht, alleen. ‘Precies dezelfde werkzame stof, hoor.’ Ammehoela. Inmiddels mogen mensen van mij daar over grappen dat het wel mooi een boek heeft opgeleverd. Ik kan daar zelf ook wel om lachen.

Die afspraak met een mij onbekende psychiater gaat over die escitalopram. Die slik ik sinds september 2018. Na maanden van de meest vreselijke ellende sloeg het eindelijk aan. Tenminste, dat dacht ik. Ik was zó blij dat ik weer enigszins normaal kon functioneren, dat alles een meevallertje leek. Als ik terugdenk aan die laatste maanden van 2018 leef ik nu als het ware in de hemel. Maar het is een ‘hemel’ in vergelijking, niet de zuivere hemel. Ik begon langzaam te beseffen dat het spul me weinig goeds brengt. Ik fluctueer – in overleg met mijn therapeut die inmiddels met pensioen is – al meer dan twee jaar met de dosering en dat op zich is al een slecht teken. ‘Ik verlang zo terug naar mijn oude, vertrouwde citalopram’ zeg ik tegen de therapeut, waarop hij me er volstrekt terecht op wijst dat resultaten behaald in het verleden geen garantie bieden voor de toekomst; nog zoiets van een antidepressivum in tegenstelling tot twee paracetamolletjes, die altijd, nu en over 20 jaar, mij van mijn hoofdpijn afhelpen.

Om eerlijk te zijn vind ik het doodeng. Vandaar dat ik via de huisarts dat ene consult heb geregeld met een psychiater. Zelfs toen ik bij de huisarts was en hij me vroeg of ik over wilde op een ander middel, moest ik zeggen dat ik dat niet wist. Toen hij vroeg of ik niets meer wilde, wist ik dat ook niet. Ik weet niet wat wijsheid is. Ik weet niet of ik zonder wil of kan, ergens weet ik niet eens meer hoe ik me ‘normaal gesproken’ voelen moet. Maar wat je hebt, heb je. Ik weet nu, met de escitalopram, waar ik aan toe ben, als jullie begrijpen wat ik bedoel.

Nog iets over die docu: alle mensen die meededen zeiden dat ze af wilden bouwen omdat ze niet langer depressief waren. Punt. Ja, hè, hè,  dacht ik toen, dat is natuurlijk omdat je een antidepressivum slikt! Daar werd verder niet op ingegaan. Alweer zo’n onzekerheid met antidepressiva: voel je je goed omdat het middel je van je depressie heeft afgeholpen en heeft het geen nut meer, of voel je je goed omdat je juist door slikt? Hoe voel je dat? Hoe weet je dat? Nou ja, daar kom je dus achter als je afbouwt. Duivels dilemma. (Hiermee heeft Teo, die gisteren reageerde, een soort van antwoord.)

Duur matras

We hadden vandaag twee Termine. Om 11:30 bij het Dänisches Bettenlager en om 12:30 bij Messerich. Allebei in Bitburg. Het eerste wat ik zei toen we bij de beddenzaak binnenkwamen was: ‘Es soll nicht unbedingt 500 Euro kosten.’ Waarbij soll hier meer de betekenis ‘hoeven’ had. Ik durfde dat te zeggen omdat we speciaal geholpen werden door Adelheid, de zuster van buurvrouw Monika. En die ken ik. Goed, wij liggen en weer opstaan, liggen en weer opstaan en dat ene matras was toch echt het lekkerste. Afgeprijsd van 1000 naar 500 euro. Alleen dáárom vertrokken we met een aankoopbon voor een matras van 500 euro. Het matras zelf kunnen we over een week of drie ophalen.

Onderweg naar Messerich, dé herenmodezaak van Bitburg, wipte ik even binnen bij Eselsohr, de boekhandel van Bitburg om te zeggen dat er binnenkort twee nieuwe boeken in het Duits uitkomen. De vrouw in de winkel kende ik niet. Ik vroeg waar de cheffin was. ‘Wie is de cheffin?’ vroeg ze. Dat kon ik haar niet zeggen omdat ik de naam van de cheffin vergeten was. Zij noemde een naam. ‘Ja, die,’ zei ik. Nou, die was er niet meer want de winkel was in andere handen overgegaan. Heel veel handen, een groep mensen had hem gekocht zodat hij zou kunnen voortbestaan. (Ein Konsortium, zei ze.) ‘Ach,’ zei ik. Wat of ik wilde? Zocht ik iets? Nee, nee, zei ik, ik kwam alleen even vertellen dat er binnenkort twee boeken van mij uitkomen. Dat vond de vrouw een lastige opmerking, ik zag het ondanks haar Mundschutz. ‘Ik heb hier ook weleens een lezing gehouden, vandaar,’ maakte ik het nog moeilijker. Of ik al mijn boeken altijd via Eselsohr aan de man bracht? Wilde ze weten. ‘Eh, nee,’ zei ik. ‘Maar u heeft vast geen enkel idee wie ik ben?’ Nee, zei de vrouw. Geen flauw idee. ‘Nou,’ zei ik, ‘dan heeft het ook geen zin om deze vooraankondiging te doen.’ Daar gaf ze me gelijk in. Ze vroeg niet wie ik dan wel was. Jammer, want dan had ik – zoals in De 3 bestaat niet staat – kunnen zeggen dat ze te maken had met de weltberühmte Niederländische Schriftsteller Gerbrand Bakker. Ik keek de winkel nog even rond, zag dat de literatuur grotendeels vervangen was voor van die boeken met schreeuwerige omslagen en Engelse schrijfstersnamen en een sticker met 9,99 of 15 euro erop en vertrok.

Bij Messerich slaagde ik prima, zoals dat heet. Twee broeken maar liefst. M. kocht een jekkie met een capuchon. ‘Leuk, hoor,’ zei ik. ‘Nu zie er net zo uit als Tuinmaat Han.’ Die draagt ook altijd jekkies met capuchons, of een hoodie zoals dat tegenwoordig heet.

Wie?

Wij denken graag dat ‘de literatuur’ een nogal belangrijke rol speelt in het leven. Wij, dat zijn mensen zoals ik, die nogal wat andere schrijvers kennen, de krant lezen, naar de opera of toneel gaan, boekenrecensies spellen, ons een beetje met politiek bemoeien, ons zorgen maken om het klimaat, kortom: mensen die tegenwoordig ‘links’ genoemd worden, hoewel dat volstrekte onzin is. Links en rechts bestaan al enkele jaren helemaal niet meer, maar niemand die dat in de gaten heeft. Soms word je met de neus op de keiharde feiten gedrukt. Hier in huis wordt vaak naar Pointless gekeken, een spelshow van de BBC, rond etenstijd. Laatst was er een vraag waarbij gevraagd werd naar de schrijver van Midnight’s Children, inclusief initialen (SR). ‘Salman Rushdie!’ werd hier vanaf de bank geroepen. Slechts 13 van de 100 mensen wist dat. Dertien! Zo’n wereldberoemde Brits-Indische (dus in het geval van Pointless inheemse) schrijver! J.D. Salinger was een ander antwoord, en dat wisten nog minder mensen.

Dus. Reken maar dat hier in Nederland het gros van de mensen zich helemaal niet bezighoudt met literatuur. Die geen schrijversnamen kent, laat staan boektitels. Je moet er, vind ik, ook altijd vanuit gaan dat niemand je kent, dat voorkomt pijnlijke momenten wanneer je naar de tv kijkt en daar allerlei jou volstrekt onbekende mensen zitten te oreren alsof ze Jezus zelf zijn, of zeggen: ‘Vrees niet, hoor. Ik ga niet voorgoed in Amerika wonen’ met een vanzelfsprekendheid en een aplomb, terwijl ik op de bank zit en denk: wie is dat in godsnaam? Dat is pijnlijk, plaatsvervangend pijnlijk. En dat zijn dan nog mensen die door een veel groter deel van de Nederlandse bevolking wél gekend wordt. Geen schrijvers, maar ‘presentatoren’ of ‘influencers’. Hoe dan ook: bescheidenheid past.

Neemt niet weg, of: juist daarom, dat ik hier even wil terugkomen op dit dingetje, waarin ik schijnbaar zomaar drie boeken noemde die ik toen nog niet gelezen had. Schijnbaar zomaar, want Entius ken ik, met Heijmans was ik in Montpellier en met Kuypers wissel ik wel eens wat uit op Instagram. Inmiddels las ik alle drie de boeken en het zijn zonder uitzondering, en elk op een eigen en unieke manier, heel mooie boeken die ik met heel veel plezier gelezen heb. Gewoon schrijvers van eigen bodem, geen Rushdies of Salingers, die niets onderdoen voor de buitenlandse schrijvers die wij hier zo graag hoog in de CPNB Top-60 hebben staan. Lees ze ook maar (als je daar zin in hebt, natuurlijk) en onthoud de schrijversnamen. Je weet maar nooit of je er tijdens het meedoen aan een quiz nog voordeel van hebt.

Recensie

Ik geloof dat ik alle Passions gezien heb. Ik maak er iets van als het Songfestival. Zitten en kijken. En vergelijken. Die van gisteravond was één van de slechtste. Alleen Judas die een Nederlandse versie zong van I’m only human van Rag’n’Bone Man ging wel. Ik vond, en dit is gegroeid door de jaren heen, Jezus een manipulerende, onaardige, hooghartige, quasi-gepijnigde man. Niet boeiend ook. Hij is als Kuifje naast Bianca Castafiore of Tom Poes naast Bommel. Ik keek liever nog naar Tooske Ragas of die kok van Binnenste Buiten of die rooie bakkersjongen uit Heel Holland Bakt en toen Umberto Tan vanuit zichzelf, dus ongescript, ‘Wauw, heftig’ zei, brak ik. Vanaf dat moment zei ik bij alles, bijvoorbeeld wanneer Trijntje Oosterhuis een lied inzette: ‘Wauw, heftig!’ M. keek tegenstribbelend mee, hij moest wel, want ik keek. En toch zei ik tegen vriend Henk, die belde vanaf de fiets: ‘Hé joh, ik kijk The Passion, bel straks maar terug!’

En tegelijkertijd ging het op alle andere zenders over een debat, of was dat debat zelfs te zien, daar wil ik vanaf zijn. Ook dat werkte niet mee: zo’n verhaal als oud brood nóg eens brengen terwijl elders Mark Rutte wellicht afgeslacht werd. Dat was, zeg maar, ietsje urgenter. Ik wilde dat toch ook een beetje meekrijgen omdat ik op 17 maart iets bizars gedaan had. Ik heb op Sigrid Kaag gestemd. Ik, SP’er in hart en nieren, sinds mensenheugenis lid van de Partij. Dat kwam door een optreden van haar in Jinek, de avond van de 16e maart. Ze zag er dodelijk vermoeid uit. Ik dacht: ik wil Sigrid Kaag als premier. Hoe pakken we dat aan? Nou, stap één was op haar stemmen. En stap twee leek gisteravond plaats te grijpen. Rutte weg, ruim baan voor Kaag. Ze lijkt heel erg op de premier uit Borgen, hoewel die zwart haar had. En ik meende me te herinneren dat Birgitte Nyborg op een nogal onconventionele manier premier van Denemarken geworden was: de vrouw die vanuit een moeras van gekonkel en gemanipuleer ineens als lotusbloem boven komt drijven. Een tweede reden om niet op de SP te stemmen was, eerlijk is eerlijk, omdat ik nu eens niet in het kamp van de losers terecht wilde komen. Ik wilde weleens winnen bij de verkiezingen.

Vanochtend las ik in de krant dat Rutte niet weggestemd was, op drie stemmen na. Maar ook las ik dat zijn geloofwaardigheid ernstig en wellicht blijvend is aangetast. Als hij nu eens klasse zou willen tonen, wordt hij minister van buitenlandse zaken. Dat zou hij prima kunnen, hij hoeft om te beginnen nooit zijn vrouw of man alleen te laten. Binnen de VVD is verder niemand die premier kan worden. Het zou ook weleens tijd worden, een vrouwelijke premier in Nederland. 

Loopeend, enzo

Gisteren hield ik voor het eerst van mijn leven een eendenpul vast. Pulletje, belachelijk woord, maar wel weer mooi dat voor diersoorten eigen en unieke woorden bestaan voor de jongen. Het lijkt verdacht veel op het Franse poule voor ‘kip’. Buurman Rinus broedde in zijn broedmachine kuikens uit en dit keer had hij er ook drie eieren van een loopeend bij. Twee waren niet goed, de derde kwam uit. Nu rennen er in een kartonnen doos met een reptielenlamp erboven vier kuikentjes en één pulletje rond. Ik denk dat dat pulletje inmiddels wel denkt dat hij/zij een kip is. ‘Pak ‘m maar op,’ zei Rinus. Eerst spartelde hij wat tegen, maar al snel werd hij rustig. Ik smolt. Ze zijn erg onrustig, ze pikken, lopen, rommelen in die doos. En dan ineens is het of ze allemaal tegelijk kort in slaap vallen. Pas als het donker wordt, gaan ze echt slapen. Het klinkt heel gezellig, de kartonnen doos staat naast de eettafel. Rinus en Lien hadden geprobeerd het eendje in water te laten zwemmen, maar dat was mislukt. Daar moest-ie niks van hebben. Loopeenden hebben veel minder behoefte aan water dan andere eenden. Ik wilde hem wel mee naar huis nemen. Stel je toch voor dat je een tamme loopeend hebt! Die gewoon mee gaat winkelen en wandelen. Maar Rinus en Lien wilden hem houden.

Ondertussen is in de tuin een eekhoorn Floris aan het uitdagen. Ik zag ‘m net al voor de tweede keer precies dezelfde route nemen. Het is een rooie, dus een inheemse. Ik heb hier nog nooit een grijze gezien. Net sprong hij vanaf een hek op de grond, om Floris te tergen, en daarna klom hij razendsnel in een pruimenboom. Om de hoek, langs de L5, ligt een dode kat. Eergisteren, bij aankomst, moesten we een enorm eind omrijden – over Plutscheid en Lasel – om thuis te kunnen komen. Er was een vrachtwagen op z’n kop in het weiland van boer Blum terechtgekomen en er werden met een kraan pogingen ondernomen die LKW te bergen. Na dik twee weken afwezigheid is het op het vogelvoederstation erg rustig. De goudvinken zijn er. Ik ben benieuwd of de staartmees nog terugkomt. Ergerlijk is dat we overal onderweg al bomen in bloei zagen staan en dat struiken al uitlopen, maar hier loopt alles zoals gebruikelijk weken achter. De narcissen bloeien nog niet eens en lang niet alle sneeuwklokken zijn uitgebloeid. In de nacht lichte vorst. Het brandhout is bijna op.

Fietsenrek

Een paar dagen geleden raakte Floris in gevecht met een Tervuerense herder. Als Floris bezig is met een bal, dan moet een andere hond het niet wagen daar aan te komen. (Soms, onverwacht, is dat dan weer geen enkel probleem. Ik herinner me Jopie, een prachtige vuilnisbak, die doodkalm Floris’ bal oppakte en Floris stond erbij alsof ze niet eens wist dat die bal van haar was. Ik denk dat ze op slag verliefd raakte op Jopie, net als ik.) Ik zeg tegen het baasje of bazinnetje dat Floris erg bezitterig is en op wat gromwerk na levert het geen problemen op. Maar deze hond was, zo bleek, met een gastbaasje op pad. Beide honden waren onaangelijnd. De herder kwam iets te druistig aanstormen en Floris besloot dat dat te ver ging. Ze raakten in de clinch. Beide baasjes – ik en het gastbaasje – sprongen ertussen. In het gekrakeel werd het gastbaasje gebeten, waarschijnlijk door Floris. In een vinger. Het bloedde. ‘I don’t blame you,’ zei de man, hoewel hij gewoon een Nederlander was. ‘Dit is heel erg vervelend,’ zei hij. ‘Ik ben gitarist.’ Het was, voor zover ik kon zien, meer een schram dan een diepe bijtwond. Hij wilde mijn nummer, wat ik hem gaf en we zetten allebei onze tocht voor. Ook hij, ondanks zijn gewonde vinger. Dat vond ik vreemd.

Later op de dag belde hij. Hij was bij de dokter geweest. Tetanus, antibioticum, vinger in het verband. Hij deed nogal dramatisch, zei dat er gelukkig geen pezen of spieren geraakt waren. En weer zei hij wel twee keer hoe vervelend het voor hem was. Waarschijnlijk moest hij een opnamesessie afzeggen. ‘Nou, beterschap maar!’ zei ik, afsluitend. De ochtend erop liepen M. en Floris in de hal het bazinnetje en de herder tegen het lijf, ze wonen in hetzelfde gebouw. Zij wilde precies weten wat er gebeurd was. Dat wist M. niet want hij was er niet bij geweest. Ook zij begon over ‘heel vervelend’ en ‘hoge kostenposten’ en of Floris wel vaker mensen beet. Ondertussen zat de herder rustig in een hoek en stond Floris ongeïnteresseerd naast M. Er was geen bal in het spel.

Er zijn mensen die niet sportief zijn, die de ander – die ze in hun ogen iets aangedaan heeft – graag willen laten weten en voelen hoe erg het allemaal is. Die een drama maken van een in wezen klein ongelukje. Die ‘hoge kostenposten’ bijvoorbeeld, wat houdt dat in? Ik neem aan dat de ziektekostenverzekering van het gastbaasje gewoon dat doktersbezoek vergoedt. Waarom zou ik, of mijn ziektekostenverzekering, daarvoor moeten opdraaien? Waarom zou je een aansprakelijkheidsverzekering inzetten voor iets wat gewoon geregeld wordt? En dan hebben we het nog niet eens over de toedracht van ‘het ongeluk’: twee onaangelijnde honden, onduidelijk welke hond er ‘begon’, vingers die in een kluwen hond gestoken worden. 

Het bracht mij een fietsongeluk in herinnering. Ooit was ik bezig een man met een kind in een kinderzitje in te halen. De man zwaaide onaangekondigd naar links af. Hij had niet achterom gekeken en hij had zijn hand niet uitgestoken. We botsten. Ik belandde een stuk verderop in een fietsenrek, waarbij ik mijn duim kneusde. De man en het kind lagen op straat. Het kind schreeuwde. De blikken van de vader en alle omstanders! Wat had ik gedaan?! Dan heb je al verloren. Ik was niet het schreeuwende kind. Ik hielp vader en kind omhoog, er werden broeken afgestoft, er werd bepaald of er schade was. Dat was er niet. Niemand, op mij na, was gewond. Iedereen kwam met de schrik vrij. Maar ik kreeg de boze blikken, ook tijdens het opraapmoment. Ik heb niet eens tegen die man gezegd dat hij wel even zijn hand had mogen uitsteken.  Ik voelde me zielig en had heel erg de aandrang mijn gelijk te halen, maar ik heb het laten zitten. Dat kan je namelijk gewoon doen.

Hamlet

Ik stapte bij halte Rietlandpark in lijn 26. Het was nogal druk binnen, mensen schoven naar hun plek. Bij de deur, ik was net langs hem heen gekomen, stond een donkere jongen met een petje. Toen de tram ging rijden, begon hij met een vuist tegen het plexiglas rondom de conducteursplek te slaan. Er was geen conducteur. In zijn andere hand een halve liter bier. Hij droeg geen mondkapje. Op de vloer rolde een leeg blik bier heen en weer. Daarna beukte hij met zijn hoofd tegen het glas van de deur. Ondertussen mompelde hij van alles. Dingen over praten, en dat mensen hem niet aankeken. De sfeer was gespannen, zoals dat gaat in een groep mensen waarbinnen één iemand raar doet, agressief overkomt. 

Halte Zuiderzeeweg. Mensen erin en eruit. ‘Kijk, nou weer!’ zei de jongen. ‘Ik sta hier toch!’ Hij stond minder dan een halve meter bij me vandaan. Ik weet niet meer wat ik zei, maar ik zei iets tegen hem en ik keek hem aan. En toen kregen we een gesprek. Hij was een Hindoestaan, zei hij. Hij was in zijn jeugd opgepakt en vastgezet. ‘Maar nu zit je niet vast,’ zei ik. Nee, dat was waar. Maar hij had niemand. Geen ouders, geen broers of zussen. En vanaf dat hij zich kon herinneren keken mensen naar hem met een racistische blik. Hij was helemaal alleen. ‘Weet u hoe dat voelt, als mensen je altijd zo aankijken en negeren?’ Ik hoorde dat hij ‘u’ zei. Ik vroeg hem waar hij nu woonde dan. Nou ja, daar ergens, in zo’n huis. Hij gebaarde naar IJburg, waar we op weg naartoe waren. ‘U bent al ouder, u weet dat wel.’ Geen idee wat, maar dat deed er niet toe. Intussen was hij een stuk rustiger geworden. En toen zei hij iets wat me erg aansprak. Dat je nooit weet wat zich in iemand afspeelt, ik neem aan dat hij dat over zichzelf zei. 

‘Nee,’ zei ik. ‘Wat er in het hoofd van een ander zit, daar kom je nooit achter.’ Mijn halte – Steigereiland – kwam eraan. ‘Ik moet er uit,’ zei ik. ‘Succes verder.’ Ja man, zei hij. ‘Hier, een coronaboks,’ en hij offreerde me zijn ellenboog. Ik gaf hem een ellenboogje terug. Toen ik uitstapte en na een tijdje omkeek, zag ik dat hij ook was uitgestapt en met de trambestuurder in gesprek was. Gewoon, een gesprek, daar was niets agressiefs aan.

Twintig minuten later stond ik onder de markies van een groentezaak te schuilen voor de regen, ik wachtte op lijn 26 de andere kant op. Ik rookte. En ik besefte – na een gesprek met de huisarts over het afbouwen van mijn antidepressivum, waarmee ik al sinds het begin (september 2018, zie Knecht, alleen) in gevecht ben, en waarbij de huisarts me op de een of andere manier in mijn ogen niet erg behulpzaam was geweest – dat ik het waarschijnlijk weer alleen moest doen. Alleen moest beslissen. Ik was als de Hindoestaanse jongen die woonde in een huis ‘daar ergens’. Dat we allebei een geest hebben waar een ander, hoe goed ze ook hun best doen, nooit wérkelijk toegang kunnen krijgen. Wat een onvolmaaktheid toch, aan what a piece of work is man, how noble in reason, how infinite in faculty! In form and moving how express and admirable! In action how like an angel, in apprehension how like a god! The beauty of the world. The paragon of animals.

Stephen Fry negeren

Ik heb vanmiddag een lezing in Londen. Net zoals ik onlangs een lezing had in Zuid-Afrika. Er is natuurlijk niks aan, zo met een laptopscherm voor je snufferd. En in Zuid-Afrika duurde het een half uurtje (en werd ik na afloop vriendelijk bedankt en ruw van het scherm gesmeten, waardoor je denkt: wacht eens even, ik zat toch net nog in Stellenbosch?), straks duurt het wel tot anderhalf uur. En ik ben al gewaarschuwd dat er mogelijk mensen (dames) zijn die het hoogste woord hebben zonder dat ze het boek gelezen hebben. Dat lijkt me nu juist wel weer leuk. En ik krijg hiervoor betaald, dat is ook leuk. De deelnemers op hun beurt moeten er ook voor betalen, ik ben benieuwd hoeveel schermpjes er gevuld gaan worden. Het boek, trouwens, is Knecht, alleen. Het is voor het eerst dat ik een soort van lezing heb met dat boek, tien maanden na verschijnen. Eindelijk contact met mijn eigen werk. Eigen werk dat vanwege die coronatoestanden weggevallen lijkt, opgelost in een onaflatende opeenvolging maatregelen.

[Update: het was een ontzettend leuk gesprek en iedereen was heel lief.]

Omdat het in Londen is, dacht ik terug aan al die geweldige literatuurfestivals in Engeland en Ierland. En dat ik daar al jaren niet meer kom omdat mijn werk niet langer vertaald wordt. Wat is best begrijp, wie wil er daar nou lezen over de alledaagse dingetjes van een schrijver die vrijwel onbekend is? Een autobiografie heeft bekendheid nodig, anders wordt-ie niet verkocht natuurlijk. Alleen Duitsland (Suhrkamp) zet onverdroten voort, hoewel ze daar ook veel liever een roman hebben. Als er één ding is wat ik jammer vind aan het niet langer publiceren van romans, is het dit wel. Die festivals waarbij je ineens naast Salman Rushdie zit, in tweegesprek gaat met Per Petterson, recalcitrant Stephen Fry (die het hoogste woord heeft natuurlijk) kunt negeren (wat helemaal niet lief is, want die man heeft het ook niet makkelijk, er is een reden voor zijn drukte), Monty Don tegen het lijf loopt, gezellig even bijbabbelt met Ann Enright.

En tenslotte nog even dit: óók vanwege die niet aflatende serie maatregelen is het momenteel zo dat lezers (boekenkopers) nog veel meer dan anders alleen kopen en vervolgens lezen wat ze op tv zien. Dat is momenteel Adriaan van Dis en, eh, nou ja, Adriaan van Dis. Het is momenteel allemaal nog oneerlijker verdeeld dan het normaal al is. Lees en koop ook andere boeken! Doe juist nu (gadverdamme, wat een afgezaagd cliché, gelukkig tikte ik er niet ook nog samen bij) je best om iets anders te vinden. Zuurstofschuld van Toine Heijmans, De atlas van overal van Deniz Kuypers, Niet ik van Yolanda Entius. Ik noem er zomaar een paar, er zijn er natuurlijk nog duizenden meer.

Vogelditjes & -datjes

Een staartmees. Eén. Anderhalve dag aanwezig. Vandaag zag ik hem nog niet, sowieso is de vroege ochtend voor het goudvinkpaartje, waarvan vooral het vrouwtje een totaal wezenloze indruk maakt. Het is alsof het beest niet eens beseft dat ze zich in Luilekkerland bevindt. Maar ondertussen wel alle andere vogels domweg door haar aanwezigheid er weghoudend. Misschien is die ene staartmees een verkenner, want in het algemeen – zo meldde Tuinmaat Han me – komen ze in troepen. Nooit eerder gezien hier. Het doet me terugdenken aan de winter met de kuifmezen. Dat je eerst nog denkt een pimpelmees met een rommelig, wild kuifje te zien, maar nee, het is toch echt een kuifmees. Een hele winter lang, na een maand was het aparte er wel af. Daarna nooit meer gezien, nooit meer teruggekomen.

Gisteren was ik op de fiets even naar Schönecken om er boodschappen te doen. Op de terugweg neem ik soms de landweg die vrijwel parallel aan de L5 loopt. Op een gegeven moment zag ik iets in mijn linker ooghoek, het vloog met me op. Ik dacht meteen aan een kolibrivlinder, maar het bleek een winterkoninkje te zijn dat zijn best moest doen om me in te halen. Ik rijd hier op een elektrische fiets, vandaar. Een grote kolibrivlinder en een klein winterkoninkje zijn bijna van hetzelfde formaat. Een staartmees is ook klein, ‘zeer kleine, bijna bolvormige mees’, zegt Petersons Vogelgids. ‘Rossig.’ Altijd mooi om een nieuwe vogel te zien. Eergisteren vond ik aan de voet van het vogelvoederstation een dode geelgors. Waarom? Geen flauw idee, het enige wat ik kan verzinnen is dat die vogels elkaar zo nu en dan met doodsverachting van het station afvechten. Even weet ik niet wat ik met zo’n dode vogel aan moet, dan gooi ik hem over de tuinmuur in de greppel aan de overkant van de weg.

Zo’n kolibrivlinder is trouwens een erg mooi beest, met een enorm lijf. Taubenschwänzchen heet-ie hier. Duivenstaartje. Ik dacht eerst dat het iets heel bijzonders was, maar de soort is al best lang tamelijk algemeen in Noord-Europa. Inmiddels, trouwens, heeft de staartmees al weer even aan de Meisenknödel gehangen, maar hij had het ongeluk dat de twee boomklevers er ook net waren. En boomklevers zijn hier de alfavogeltjes. 

Twee Bitburg winterbockjes

Buurman Rinus en buurvrouw Lien lieten in de vakantiewoning op de bovenste verdieping van twee slaapkamers drie slaapkamers maken door het plaatselijke schilder- en timmerbedrijf. De twee nieuw ontstane slaapkamers werden geschilderd en van een laminaatvloer voorzien. De derde slaapkamer bleef ongemoeid. Ze hadden allebei helemaal geen zin om te schilderen. ‘O,’ zei ik, ‘dat doe ik wel.’ Vooral door het vooruitzicht te kunnen schilderen met die fijne latex die alleen schildersbedrijven hebben en waarvan een pot achtergebleven was. Dure verf die geen strepen of blokken geeft. In de betreffende slaapkamer waren donkerbruine vlakken. Alles moest wit. Ik ging het werk inspecteren. Rinus was bezig in een nieuw slaapkamertje een spiegel op te hangen. ‘Je weet wat vakantiegasten doen, hè?’ vroeg ik. Nee, dat wist hij niet. ‘Nou,’ zei ik, ‘die halen die spiegels van de muur en gaan dan seks hebben. Thuis doen ze dat om de een of andere reden niet, maar zo’n vakantiewoning nodigt daartoe uit. Seks in de spiegel.’ 

De volgende dag ging ik aan het werk. ‘Kijk,’ zei Rinus. Hij had de spiegel niet opgehangen, hij had hem met een schroef aan de wand geklonken. ‘Jouw schuld, hè!’ zei hij. Hij trok aan de spiegel. Die zouden vakantiegangers echt niet van de wand krijgen. Inmiddels was het slaapkamertje ingericht, er stond een stoel in de hoek. ‘Daar staat een stoel,’ zei ik. ‘Nu ga je heel gevaarlijke situaties krijgen. Nu moeten ze op die stoel klimmen om seks in de spiegel te kunnen doen. ‘Ja, hallo!’ zei buurvrouw Lien. ‘Zo blijf je aan de gang!’ Ik ging aan het werk. Het was heel fijn werk. Het ging snel, de dure verf maakte een fijn soppend geluid en de bruine wand was in twee lagen blinkend off-white. Om drie uur was ik klaar. Het vloerkleed dat er lag hoefde niet vervangen te worden. We gingen buiten zitten om een winterbock van Bitburg te drinken. Daar vertelde Rinus van het kippenhuisje dat hij in Zeeland had gebouwd. Mooi gepotdekseld. Maar hij was zo lekker bezig, dat hij toen alle vier de wanden opgetrokken waren pas ontdekte dat er geen deur en geen raam in zat. ‘Nee,’ zei ik. ‘Dat is niet waar.’ Jawel hoor, zei buurvrouw Lien. ‘En toen heeft hij er gewoon een deur uitgezaagd en iemand had nog een dubbelglas raam staan.’ We namen nog een biertje. Het was prachtig weer en het rook naar mest. Tientallen mussen kwetterden in de conifeer.

Vanochtend kreeg ik foto’s van de ingerichte laatste slaapkamer. ‘Mooi hè?’ schreef Lien er bij. Ja, erg mooi en lekker fris. Ik zag op een foto een spiegel hangen. ‘Is die spiegel wel goed bevestigd?’ schreef ik. Ja, de spiegel zat onwrikbaar aan de muur. Hopelijk mogen er vanaf de paasdagen weer gasten in.