Dierenscheten enzo

Amsterdam. Maar we waren in Harlingen. En op de Afsluitdijk en in Sint Nicolaasga. Floris zit op schoot terwijl ik dit tik en ze staart naar de muur. ‘Niet naar de muur staren!’ waarschuw ik, want de oude hazewindhond van Wendy van de bloemenstal deed dat ook en toen ging ze dood. Ze had zich afgekeerd van de wereld. Ik kreeg hier laatst commentaar omdat ik schreef dat een kat was verdwenen omdat ze aanvoelde dat ze dood zou gaan. Dat commentaar was terecht, want een kat beseft niet dat hij doodgaat. Maar hij keert zich wel van de wereld af en voelt dat-ie ‘iets’ gaat doen waar hij geen pottenkijkers bij wenst. Als ik er eens bij stilsta, besef ik nu dat ik geen van de katten die wij thuis vroeger hadden dood heb gezien. Ze verdwenen en dat deden ze ontzettend goed, want ze waren ook helemaal weg. Net als Felix van buurman Klaus. Weg. En dan ga je er maar vanuit dat-ie dood is, hoewel we nog even gedacht hebben dat hij bij mij op het zoldertje zat omdat daar ’s nachts geluiden klonken.

We hadden een dikke rode kater, Barbaar. Een van de weinige katten die binnen mocht, zelfs op de bank. Die rekte zich op een dag uit, met een poot ver naar achteren gestrekt en liet toen een dikke scheet. Ik heb zelden zo hard gelachen. Nu lach ik af en toe om Boomer, de weldoorvoede Rottweiler van buurman Rinus en buurvrouw Lien. Die ligt onbeschaamd enorme scheten te laten, en ze stinken ook nog. Anka, de Duitse herder, heb ik nog nooit een scheet horen laten. Ze hebben ook speeltjes, of beter: dieren van pluche, ik weet niet eens wat voor dieren, daar moet ik eens goed naar kijken. Daar komen ze af en toe mee aanslepen. Sommige dieren piepen. Dan moet ik ook lachen: twee van die grote, volwassen honden, met een pluchen piepdiertje.

Ik heb mezelf eindelijk geïnstalleerd, hier in de ‘nieuwe’ werkkamer. Ik had al wel een tafel, maar geen licht. Nu heb ik wel licht. Met ‘nieuw’ bedoel ik: fris opgeschilderd, meubels versjouwd, alles na jaren eens goed gesopt. Deze ruimte – ooit de afgeschoten kamer van neef Casper – is niet langer het hok waar dingen stonden omdat ze tijdelijk aan de kant moesten vanwege opknapwerkzaamheden elders in huis. Ik zit min of meer, na jaren, weer zoals ik zat toen ik al die boeken tikte. Onvoorstelbaar. Floris staart gelukkig niet langer naar de muur. Ze staat in een andere hoek van de kamer bij M. te likkebaarden, want die eet brood met kaas. Kaas! Dat is zo’n beetje het allerlekkerste op de hele wereld.

Aanstaande vrijdag komt een nieuwe keuken. Alles gratis en voor niets van de woningbouwvereniging. Het gebouw bestaat twintig jaar en alles is in de loop van de tijd sleets geworden. Dolf Verroen vroeg, in Sint Nicolaasga, of we een ander huis zouden nemen als we langere tijd in Amsterdam zouden zijn. ‘Ik zou niet weten waarom,’ antwoordde ik. ‘Niet nu we daar zo opgeknapt en verbouwd hebben.’ Het is een ander huis geworden, een huis voor twee mensen. En een hond (die ik nog nooit heb kunnen betrappen op een scheetje).

Bestattung

27 november. Het heeft hier de afgelopen nacht voor de eerste keer flink gevroren. Dat betekent ook meteen dat het mooi weer is. Helder. Gisteren scheen de zon overdadig. Dat kwam goed uit want buurvrouw Monika werd bijgezet in het graf van haar ouders op de begraafplaats van Lasel. Dat is een vreemde begraafplaats, hij is heel leeg. Het is – ik moet dat eens navragen – alsof hij ooit, en aan de stenen te zien niet eens zo heel lang geleden, geruimd is. Of elders is een oude begraafplaats geruimd, en dit is de nieuwe. Hij ligt tegen een heuvel aan, in terrassen. Buurman Max kwam met zijn stok vlak voor de bijzetting begon op ons toe lopen. Wij stonden bij het graf van dakdekker Rudi, we deden alsof we per ongeluk op precies dat tijdstip daar waren, omdat er maar een beperkt aantal mensen mocht zijn. ‘Kijk,’ wees hij met zijn stok naar een naburig graf, ‘dit zijn de ouders van Ina.’ ‘Goh,’ zei ik, want dat wist ik niet. ‘En dit is de man van Ina.’ Ik zag dat de moeder van Ina 99 was geworden.

Tegen de tijd dat de dienst begon, waren de andere mensen die net als wij deden of ze iemand bezochten allemaal dichter naar het graf toe gelopen, Max en Margret stonden er ineens met hun neus bovenop. Een mij onbekende vrouw snelde bijna gretig naderbij. Wij bleven wat op afstand. Op de een of andere manier werd de pastoor versterkt, misschien had de koster hem een microfoon tussen de bovenkleding gestopt. Iedereen droeg een zwart mondkapje. De zon scheen ongenadig, lange herfstdraden slierden over de begraafplaats, uit de schoorstenen van de huizen in Lasel steeg de rook vrijwel recht omhoog, we konden zelfs een hond die honderd meter verderop uitgelaten werd benauwd horen hijgen, dat geluid wat honden maken als ze aan de lijn trekken. Allerlei katholieke dingen die ik vaag ken, klonken helder verstaanbaar op. Und führe uns nicht in Versuchung sondern erlöse uns von dem Bösen

Toen de pastoor klaar was, liep hij heel langzaam langs ons. We knikten hem toe, hij knikte zachtmoedig terug. Dan komt het moment dat iedereen langs het graf loopt en met een buxustakje wat wijwater sprenkelt. Op dat moment word ik altijd heel zenuwachtig, op dat moment wreekt zich mijn atheïstische opvoeding. We wachtten tot iedereen klaar was, zelfs tot de familie zich verwijderde. ‘Je had best wat eerder mogen komen,’ zei buurman Klaus. ‘Ja, nein, das macht mich nervös,’ zei ik. Voor begrafenissen ben ik absoluut ongeschikt, ik ben alleen maar met mezelf bezig.

Ik wierp wat rozenblaadjes in het holletje waar de urn in verdwenen was. Ik zocht tussen de bloemstukken naar dat van de buren, daar had buurvrouw Margaret voor gezorgd. Het was erg mooi, met oranje bloemen, niet alleen met wit of rood. De zon scheen nog steeds, de begraafplaats was bijna weer leeg. Maar die vorst van afgelopen nacht! Een ramp voor de bloemen. Maar goed, dat is de natuur. Die gaat haar eigen gang. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat God de natuur bestuurt. Het heeft dus zo moeten zijn. Denk ik.

De stola van Ali Smith

Gisteren deed ik voor de eerste keer een Zoom-lezing, best laat, zo aan het schijnbare einde van de Tweede Golf. De lezing vond plaats in Zuid-Afrika, al weet ik niet of je dat zo kunt zeggen: feitelijk zal de lezing overal plaatsgevonden hebben. Op het ‘hoogtepunt’ waren er 27 mensen bij. Dat kun je zien onderin beeld. Ik had erg mijn best gedaan om er goed bij te zitten. Waarmee ik bedoel: dat de achtergrond leuk was om naar te kijken. M. deed op een bepaald moment de lampen achter mij aan, en toen zag het er nóg gezelliger uit. Dit naar aanleiding van het hok waar Ali Smith onlangs was gaan zitten om mee te doen aan een Zoom-gesprek over de Europese Literatuurprijs. Wat een armoedige toestand was dat. Op een gegeven moment zei iemand: hangt daar nou een hond in haar nek? Het bleek een half afgezakt stola-achtig ding te zijn, blijkbaar was het ook nog eens koud op haar schamele zolderkamertje.

Ik sprak met Daniel Hugo, dat is de dichter die Boven is het stil in het Afrikaans vertaald heeft. Ik zag Daniel voor het eerst, en laatst, in december 2018. In het Zuid-Afrikahuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Daar heb ik tamelijk warme herinneringen aan. Het was zo’n beetje het eerste wat ik deed na die maandenlange toestand waarover ik schrijf in Knecht, alleen. Het was er warm en intiem, er was wijn, er waren knabbeltjes. Dat was een ferme stap in de goeie richting. Gisteren spraken we dus over dat ‘ouwe brood’, en ook dat was bevreemdend. Maar toch ook wel weer leuk. Ik ben zo iemand die zich nog steeds verbaast over zulke technische mogelijkheden. Pas gisteravond, in bed, voelde ik me gebruikt. Geen enkele reactie, geen interactie, een half uur in het luchtledige weggepraat. Ik hoef waarschijnlijk niet eens te zeggen dat de deelname aan het Madibaland World Literary Festival geheel gratis en voor niets was.

Gelukkig kwam van buiten luid kraanvogelgebabbel. Het was mistig, waarschijnlijk waren ze de kluts een beetje kwijt, mogelijk waren er nogal wat geland op het weiland van voormalig Ortsburgermeister Ernst Görgen, op de heuvel tegenover ons huis. Net vlogen er vijf op vijftig meter hoogte voorbij. Ik belde Ernst op om te vragen of hij ze kon zien. Hij deed zijn best, maar kon op een bepaald moment niet verder omdat de telefoon het anders niet meer zou doen. Ik tik dit snel af, en dan lopen Floris en ik toch nog maar even de heuvel op. Je weet maar nooit. Het zou de eerste keer zijn dat ze hier in de onmiddellijke omgeving overnacht hebben.

Buurvrouw Monika en Hugo Walker

Buurvrouw Monika is afgelopen zaterdag overleden. Het werd mij meegedeeld door Irmgard, een van haar oudste vriendinnen. We stonden over de heg te praten (Irmgard en nog wat vrouwen waren de voormalige woning van buurvrouw Weiers, de moeder van Irmgard, aan het schoonmaken na schilderwerkzaamheden) over ditjes en datjes en toen zei ze: ‘Monika ist tod.’ Dat vond ik nogal tussen neus en lippen door. Twee uur eerder stonden buurman Klaus, buurman Rinus, M. en ik nog te keuvelen bij de poort. Zo snel als zoiets kan gaan. Zo toch nog onverwacht. Monika – de vrouw van buurman Klaus – was al twee jaar ziek. Twee jaar chemo, bestralingen, immuuntherapie, en vorige week zondagavond naar het Palliativstation in het ziekenhuis in Prüm. Ze is 64 geworden.

Ik merk dat ik er moeilijk mee overweg kan. Ik ben aan het hyperventileren, en dat ken ik van mezelf als ik geen raad weet met mijn emoties, en mijn emoties zich op hun beurt geen raad weten vanwege een antidepressivum. We gingen zondag langs bij Klaus, nadat ik besloten had dat iemand die eerste uren na het sterven geen behoefte zou hebben aan aanloop. Het huis was leeg. Er kwam van boven geen geroep om het een of ander. Klaus maande niet tot stilte omdat ze net was gaan slapen. Het is hier in Duitsland, mogelijk alleen in de Eifel, niet gebruikelijk overledenen thuis te hebben, en als iemand thuis doodgaat, wordt het lichaam zo snel mogelijk uit huis verwijderd. Monika was in Prüm en is vandaag overgebracht naar een crematorium. Klaus was praktisch. We troffen geen ontredderd mens aan, mogelijk als gevolg van zo’n lang ziekbed, waarbij – laat ik eerlijk zijn – de zieke niet echt de makkelijkste was. Maar wat kun je daarvan vinden? Hoe ben je zelf als je weet dat het einde eraan komt? Ik weet al heel lang dat ik onophoudelijk voetbalwedstrijden met het commentaar van Hugo Walker (1933 – 2015) wil zien en beluisteren – het liefst tussen clubs als Heracles en VVV – als ik eenmaal, halfmurw van de morfine, ergens op een sterfbed lig. Maar dat zeg ik nu. Je weet het gewoon niet. 

Wel weet ik dat het hele dorp onwerkelijk voelt. Alsof er iets scheef is. Iedereen houdt een beetje zijn adem in. Het crematorium is in Koblenz, dat is 140 kilometer verderop. Er had er twee kilometer verderop één kunnen zijn, ware het niet dat de buurt daar een stokje voor gestoken heeft. Ook anders dan bij ons, voltrekt zoiets zich in alle schimmigheid, niemand is daarbij, er is geen dienst, er is geen langzaam wegzakken van de kist. Het is een kille formaliteit en later, ergens volgende week, zal de urn bijgezet worden in het graf van haar ouders. Dan pas wordt er herdacht, verzamelt een vanwege alle maatregelen kleine groep mensen zich om afscheid te nemen. Buurvrouw Margret kwam zojuist geld ophalen voor het bloemstuk van de weg, en de weg, dat is ons hele gehucht. Ik was net eikenblad aan het harken. ‘Ich komme für Dich,’ zei ze dreigend. Floris was dolblij met haar bezoek.

Afnemende populariteit

Ik was begonnen aan een dingetje over de leenrechtvergoeding. Over hoe het toch kan dat je – ik – tien jaar geleden makkelijk 3500 euro per jaar binnenharkte aan bibliotheekuitleningen, en dat het in de jaren erna – met steeds méér boeken – alleen maar achteruit liep. Een dingetje vol wantrouwen. Tot ik de eerste factuur die gespecificeerd was, en dat was die over het jaar 2015 (1495,23) eens vergeleek met die over het jaar 2020. En wat bleek? Bibliotheekbezoekers lenen domweg veel minder Bakkers! Heerlijk, ook weer opgelost en nooit meer een kwaad woord over de LIRA. En, hoe laag of hoog het bedrag ook is, het komt wel elk jaar als een fijn extraatje waar je helemaal niets voor hoeft te doen. En ook, zeikerd die ik ben, ik kan er wel gewoon een nieuwe McBook Air voor kopen.

Dus, andere dingen. Gisteren kreeg Oek de Jong de eerste Boekenbon Literatuurprijs. Ik keek live naar de uitreiking, en zag tot mijn verbijstering dat er slechts zo’n 200 andere mensen keken. Zo staat de literatuur ervoor tegenwoordig in Nederland. In Trouw vanochtend was het nieuws niet meer waard dan één van de drie korte tekstjes in de rubriek personalia op pagina twee. Jammer. Ik ben wel blij voor Oek. Ik las Zwarte Schuur en vond het een écht boek. Het is de enige roman van de shortlist van vijf die ik las. Liever dan eens aan iets nieuws te beginnen, worstel ik me met enorm veel plezier voor de vierde keer door Het bureau heen, wat wellicht kan duiden op enig dedain ten opzichte van alles wat er tegenwoordig verschijnt. Maar dat weet ik niet zeker.

Ik tik dit aan de keukentafel, en dat is vanwege luiheid. Ik ben te lui om de kachel in de schrijfkamer aan te maken. Maar ook is het weleens lekker om ergens anders te zitten met je laptop, je bekijkt de dingen anders. Gisteren scheen de zon fel en toen was ik niet lui want ik lapte het keukenraam. Als de zon schijnt worden bepaalde dingen altijd genadeloos blootgelegd. Daarom kan ik nu zo helder als wat naar het vogelvoederstation kijken, waar alle vogeltjes tegenwoordig zeer luuks voer vreten, met zonnebloempitten en pinda’s. Ook hangt er een pot pindakaas en hangen er Meisenknödel. Hondje Floris maakt elke ochtend na het voeren een rondje rondom de voet van het station aangezien ik niet zonder te morsen het voer op het voederplankje krijg.

We zijn burgerlijk ongehoorzaam geweest. De laatste keer dat we ons in Bitburg lieten testen was dat dusdanig onaangenaam, dat we besloten hebben het nu niet te doen. De testlocatie is de voormalige Amerikaanse Commisary (zie afbeelding), daar is lekker veel parkeerruimte. Wij stonden tweeënhalf uur in de rij terwijl ettelijke nieuwkomers via een andere baan binnen tien minuten klaar waren. Dat leidde tot boosheid. Nadat een meisje mij tot twee keer toe een staaf in de keel stak en M. mijn reactie zag, riep hij: ‘Geen sprake van! Ik ga wel tien dagen in quarantaine!’ Hij kreeg hem, monkelend, in zijn neus, en dat bleek een fluitje van een cent. De uitslag kwam na vijf (!) dagen. Dus hier in Duitsland is het niet allemaal beter dan in Nederland.

Man over de vloer

Amsterdam. Gisteren hadden we de laatste man over de vloer. Eigenlijk twee, maar de chef vertrok al snel, nadat hij mij verteld had dat ik sprekend leek op iemand die hij kende, iemand op de Rozengracht. Of dat familie van mij was? ‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb geen enkele familie in Amsterdam.’ De man die achterbleef, een wat oudere man die heel slecht Nederlands sprak, ging de wand in de slaapkamer stuken. Dat duurde heel erg lang. Af en toe vroeg ik fluisterend aan M: ‘Is hij binnen?’ Hij moest telkens wachten tot een laag droog genoeg was. ‘Ga toch naar buiten,’ zei ik dan. ‘Even lekker roken.’ En dat deed hij. Hij wilde maar één kopje koffie en beëindigde het werk door op zijn knieën de lange gang met een nat doekje af te nemen. Voorlopig is het even klaar met mannen over de vloer. Later komt er nog een nieuw keukenblok. Later.

Ik lijk altijd op iemand. Of beter: vroeger leek ik heel vaak op iemand. Naarmate ik ouder word, wordt me nauwelijks meer gezegd dat ik op iemand lijk. De bekendste twee waren altijd Jan Lenferink en Wim Kieft. Waarschijnlijk groei je met het klimmen der jaren uit elkaar, qua gelijkenis. Ik lijk wel heel erg op zo’n beetje al mijn broers. Vooral de oudste, ik schreef er al eens over geloof ik, zou ik zo een lezing kunnen laten doen. Misschien moeten we dat over 13 dagen eens uitproberen. Dan heb ik een lezing in Zuid-Afrika. Jammer genoeg vanwege, nou ja, dat weten we nou wel, niet in Zuid-Afrika zelf. Ik houd mijn hart ervoor vast, want ik krijg steeds ‘generieke’ mails, aan alle deelnemers gericht, en in één van de bijlages kwam ik erachter dat de mijne op 23 november is. Maar persoonlijk weet ik dat dus nog niet en hoe het aangepakt gaat worden evenmin. En ik geloof dat ik het gratis doe, maar zelfs daarvan ben ik niet zeker. Nog een reden om het mijn broer te laten doen.

Gisteren zouden mijn vader en moeder hier komen kijken, maar dat is niet doorgegaan. Zij gaven mijn zus – de chauffeuse – de schuld, mijn zus gaf mijn ouders de schuld. Dat waren grappige telefoongesprekken. Ik ben er nog steeds niet achter waar de waarheid ligt. Ook allemaal ten gevolge van, nou ja, dat weten we nou wel. Mijn vader had al gevraagd of de ‘auto wel tot aan de voordeur kon komen’,  alsof je je in Amsterdam altijd door een mensenmassa heen moet werken om ergens binnen te geraken. Hun kat is doodgegaan. Sisi, een oeroud beest. En doodgaan in de polder betekent: verdwenen in een verre uithoek. Sterven zonder toeschouwers.

Mannen over de vloer

Amsterdam. Morgen zouden we naar Harlingen rijden om daar de uitreiking van de Anton Wachterprijs bij te wonen. Annemarie Haverkamp heeft die toegekend gekregen voor haar roman De achtste dag. Maar na de persconferentie van afgelopen dinsdag gaat dat niet door. Het zou in een kerk zijn, ze hadden kunnen doen of het een kerkdienst was, en voor het geval van een een plotse controle-inval een dominee of pastoor (al naar gelang de kerk een protestantse of katholieke kerk is) achter de hand hebben. Jammer. Vooral voor Annemarie Haverkamp. Maar ook voor ons. Ik had zin om weer eens de Afsluitdijk over te rijden. De uitreiking is nu drie weken verzet, maar dat is natuurlijk ook maar weer afwachten en bovendien zijn wij op 28 november helemaal niet in het land. Om nu om de Afsluitdijk over te kunnen 680 kilometer heen en weer te rijden is ook weer zo wat.

Floris vermaakt zich ondertussen prima hier. Er wordt gewerkt in huis, door heel veel verschillende mannen. Loodgieters, kitters, tegelzetters, stukadoors; iedereen neemt een klein deel van het al niet al te grote werk voor zijn rekening. Soms willen ze thee, soms willen ze koffie. De één is een enorme ouwehoer, de ander roept alleen maar en praat verder een kwartier in zijn oortelefoon, waardoor ik aldoor denkt dat hij iets zachter naar mij roept. Telkens wanneer er aangebeld wordt, gaat de hond door het lint. Zo’n voor ons onaangenaam moment: het beest weet dat de bel betekent dat er iemand aankomt. Ze wil daar zo graag heen – ik zet de voordeur open en dan vliegt ze de galerij over – dat het elke keer is alsof ze gered wil worden. Wég van deze twee vervelende mannen, méé met die nieuwe! De kitter die net het huis verlaten heeft, maakte de fout de rubber bal een paar keer weg te gooien. Ik moest Floris weghalen uit de badkamer, ze spartelde flink tegen. Jarenlang heeft het stiekem gelekt, minieme hoeveelheden water sijpelden de muur naar de slaapkamer binnen. Dat wordt nu allemaal verholpen. De stukadoor is de enige die nog komen moet. Geen idee hoe laat die komt. En ik krijg net van FedEx bericht dat een nieuw vloerkleed vandaag wordt afgeleverd. Dolle boel hier. Douchen mag niet, zei de kitjongen. Maar ik kan natuurlijk wel de badkamer opnieuw latexen. 

En schrijven, dat kan ook. Maar ja. Ik hoop dat dat kleed – gekocht bij RUGvista, kijk maar eens op hun website – snel komt. Dan kan ik de rest van de dag tevreden afwisselend daarnaar en naar de nagelnieuwe 55inch-tv staren. De Vuelta. Wielrenners in de kou en regen, met kale bomen langs de wegen, nauwelijks publiek, opstuivende bladeren. Bizar. Je zal zien dat Primoz zijn rode trui nog wel verliest voor zondag. 

Niemand boos

Afgelopen weekend heb ik vier optredens gedaan. Vier, in één weekend, na maanden stilstand. Het was erg plezierig. En het waren eigenlijk twee keer twee optredens: ik deed twee keer op één dag min of meer hetzelfde. Twee keer een nagesprek bij het toneelstuk Perenbomen bloeien wit in Nijmegen en twee keer een optreden bij Onder de vulkaan in Groningen, vanwege het maximum aantal bezoekers dat een theater in mag. Op zaterdag zat ik daarom om kwart over drie in de middag met kinderen te praten over zelfmoord, daar had ik me niet op ingesteld. Ik schrok me rot. Maar het ging goed. En na de tweede voorstelling was er een oudere man die vond dat je kinderen zulke ‘zware onderwerpen’ niet aan kon doen. Maar toen riposteerde ik met een verhaal van Dolf Verroen over een grote en een kleine vis, en bezorgd commentaar van ouders en leerkrachten op het opeten van de kleine door de grote vis. Wat blijkt: kinderen identificeren zich met de grote vis! Die vinden het prachtig dat dat kleine visje opgepeuzeld wordt! Niks geen probleem. 

De laatste zin in het toneelstuk is: ‘Ik ben af!’ uitgesproken door Gerson (Leendert de Ridder, waar kinderen nogal eens opgewonden van raken, want hij is op tv Mees Kees), als de broers na de dood van Gerson nog eens het spel Zwart gaan spelen. Ik zag ’s avonds het stuk voor de vijfde keer en voor het eerst doorzag ik het: ‘Ik ben af’ betekent ‘Ik ben dood’. Wat een mooie omschrijving, zo simpel ook, en troostend. Ik ben af. Klaar, over, uit. Ergens ook: niet zo moeilijk doen. Het kwam nogal bij me binnen. Hij komt op conto van Josee Hussaarts, die verving het laatste hoofdstuk uit het boek door deze scène.

Zondag twee keer ondervraagd door Coen Peppelenbos en Roos Custers in het Grand Theatre. Samen met Aaldrik Pot, die vier maanden op Rottummerplaat zat, en Paul de Kort, landschapskunstenaar. En Floris, die zwierf door het theater, zat af en toe bij mij op schoot en jankte hinderlijk door de anderen heen, nooit door mij, dat doet ze dan wel weer goed. Ze ging alle bezoekers af, zo’n hond is een super spreader. Het was allemaal erg genoeglijk en gezellig. Het hele weekend. Mensen waren blij en lachgraag. Er was niemand boos. De treinreis naar Nijmegen ging prima en was rustig, de autorit naar Groningen en terug idem. Zaterdag en zondag theatereten gegeten, het kostte ons allemaal niks. Ik kreeg een verzilverd speldje van een gierzwaluw, om op een trui of jasje te prikken. En ik heb weer eens wat geld binnengeharkt, dat is ook wel lekker. 

Boze mensen, deel 5

Maandagochtend. Het is al twee dagen bíjna droog. De Eifel deed de afgelopen weken zijn reputatie eer aan. ‘Jij schreeuwt toch altijd om regen?’ zegt buurman Klaus. ‘Ja,’ antwoord ik, ‘maar niet nu! Nu hebben we er niks meer aan.’ Mussen op het vogelvoederstation, zo nu en dan is de middelste bonte specht er ook weer. Waar zo’n beest blijft in de tussenliggende weken? (Te herkennen aan het rode hoedje, zie afbeelding.) Klaus vertelde ook dat Eifelkreis Birburg-Prüm een ‘Corona Hot Spot’ is momenteel. Twee verjaardagsfeesten en de aantallen in de gemeente zijn meer dan verdubbeld. We naderen Alarmstufe Rot. Ja, ook in Duitsland zijn mensen onverantwoordelijk, ik merk het zelf, opdat Nederlandse kranten die schrijven dat het bij de ‘Oosterburen’ zo goed gaat dat even weten.

Ik houd mijn hart vast voor de Nederlandse persconferentie van morgen. Aankomend weekend heb ik eindelijk weer eens een paar optredens, in Nijmegen en Groningen, waarmee ik geld verdien. Tot nu toe gaan ze door, beide theaters zijn  coronaproof. Maar is het na morgen nog steeds coronaproof? Sowieso zullen we bij terugkeer in quarantaine moeten, en ons laten testen in de Teststrasse in Bitburg.

O ja, boze mensen deel 5. Heeft te maken met Saskia Bellerman en Peter R. De Vries (‘Deze verklaring is volstrekt leugenachtig’) en bevooroordeelde talkshowpresentatoren. Nooit eerder was me opgevallen hoe zoiets werkt bij grote rechtszaken, misschien omdat het nu anders of erger is dan anders? Ik ben van de weeromstuit bijna op de hand geraakt van Jos B. Die morele verontwaardiging, en daardoor morele superioriteit, van al die mensen. Is het de taak van een rechtbankverslaggever dat ze alles wat er uit het kamp Jos B. komt persoonlijk ontkracht en in twijfel trekt? Lijkt mij niet, een beetje objectiviteit kan geen kwaad. Verslaggeven is verslag geven, niet duiden. Tegen de tijd dat op tv de slachtofferverklaringen getoond werden, had ik er zulke bedenkingen bij dat ik het verbeten gezicht van de moeder moeilijk aan kon zien (‘U bent een roofdier.’). Bovendien: het waren geen slachtofferverklaringen, het waren nabestaandenverklaringen. Tegenover een man die verdacht is en die al dan niet terecht alleen kan zeggen: ‘Wat u van mij wilt horen, kan ik niet zeggen.’ Volgens mij zei hij op een bepaald moment ‘Uw wens is niet mijn waarheid.’ Dat vond ik mooi gezegd. Hij is een verdachte, hij is (nog) niet schuldig. Maar ja, het volk weet precies hoe het zit. Het volk wil gerechtigheid, het volk wil lynchen. Het volk beweegt in grote groepen, dat maakt het volk ook zo angstaanjagend en bedreigend. Boos ben ik eigenlijk niet eens, dat is een te groot woord. Misschien ben ik alleen maar onthutst.

Boze mensen, deel 4

Ik ben zelden boos in het werkelijke leven. Ik bedoel: op mensen van vlees en bloed tegenover me. Eigenlijk nooit. Héél zelden laait er even iets van drift op tijdens een discussie over het een of ander, maar dat heeft dan met het onderwerp te maken, wat me op zo’n moment klaarblijkelijk meer aan het hart gaat dan ik dacht. Nee, ik wind me op over dingen die ik lees of dingen die ik zie. Een paar dagen geleden dit, op Twitter: ‘Het leven is soms zo wreed, en leed altijd oneerlijk verdeeld.’ Van een vrouw wier neefje overleden was. Ik ken haar niet, ik krijg zulke dingen te zien omdat mensen die ik volg zo’n bericht liken. Ze sluit af met ‘Zorg goed voor elkaar, heb het leven lief, en wees mild voor een ander.’ Dat laatste laat ik nu even zitten, maar daar heb ik ook mijn bedenkingen bij (omdat zij zo’n klap te verwerken heeft gekregen, is ze in staat, en gerechtigd, zulke clichéwaarheden over ons heen te storten en de lezer kan er niets tegenin brengen, juist weer vanwege het grote verdriet).

Deze vrouw zegt feitelijk: prima als er andere mensen doodgaan, maar nu het mij van dichtbij treft, is het leed oneerlijk verdeeld. Heeft ze niet nagedacht voor ze dit tweette? Wat is er ‘oneerlijk’ aan als iemand doodgaat? Waarschijnlijk is het altijd oneerlijk en dan is er helemaal geen reden om te schrijven dat het leed oneerlijk verdeeld is. Of het is altijd eerlijk en ook dan staat iedereen gelijk. Het zijn termen – eerlijk/oneerlijk – die helemaal niets te maken hebben met doodgaan. Die je – vind ik – ook niet mag gebruiken omdat je er impliciet maar keihard mee aangeeft dat het wél eerlijk is wanneer iemand anders doodgaat. Goed, ik zie het voorbij komen, en ik wind me op.

Gisteravond zaten we tv te kijken. Nou ja, de tv stond aan, ik was ondertussen even aan het mailen. Zegt iemand: ‘die en die moest naar het toilet.’ ‘Wc!’ riep ik, doortikkend aan mijn mailtje. En daarna: ‘Zullen wij ook eens Michael Spicer-achtige filmpjes gaan maken?’ Tik die naam maar eens in op internet. Hij is een Britse komiek die doet alsof hij Trump of Johnson of anderen influistert tijdens toespraken en interviews. The room next door. Dat is heel erg grappig. Hij is vaak quasi-boos. Je kunt hem volgen op Twitter. En natuurlijk gaan wij geen Michael Spicer-achtige filmpjes maken, want dat doet hij zelf al. Wij beschelden en becommentariëren alles wat we zien in de beslotenheid van de woonkamer, dat is meestal het beste. Wij maken of breken de politiek, wij weten dat je ‘wc’ zegt en niet ‘toilet’, wij vinden Op1 saai en snappen wel dat de mensen liever naar Jinek kijken en we worden niet langer boos als een persoon of bedrijf ‘het verschil wil maken’, we lachen ons daar inmiddels rot om, en we verzuchten: ‘Ja, janken maar weer,’ als iemand een gerepareerd geliefd heirloom komt afhalen in The Repair Shop op de BBC. En: komt M nog eens terug of moeten we het voortaan doen met Fidan en Renze?