Gekrakeel [Trouw, 4 juli]

[Dienstmededeling: dit was de laatste reguliere column over ‘de literaire wereld’ in Trouw. Ik schrijf de zomer nog vol met wat ik maar wil en dan is het met het eerste nummer van Tijdgeest, eind augustus, voorbij.]

Een schandaal was het. Een grof schandaal. Op een bepaald moment waren de woorden op en plaatsten voornamelijk vrouwelijke schrijvers als statement uitsluitend het omslag van het boek van Manon Uphoff op Twitter of Instagram. (Wat er op Facebook gebeurde weet ik niet, want ik ben al lang van dat verderfelijke medium weg). Maar ook mannenschrijvers uitten hun ongenoegen op Twitter, Jamal Ouariachi zei dat het inmiddels zo ver was gekomen dat een clown met een hondje de belangrijkste literatuurprijs kon winnen. Doelend op het, vond ik, uiterst vermakelijke filmpje dat getoond werd van Sander Kollaard in de uitzending van Nieuwsuur waarin de bekendmaking was. En o ja, alwéér een witte mannelijke schrijver! Kan dat nou niet eens anders? Nou, blijkbaar dit keer niet, terwijl er drie vrouwen in de jury zaten, tegenover twee mannen. Allemaal wit.

Onmiddellijk dezelfde avond begon ik in Vallen is als vliegen, dat had ik al een hele tijd in huis. Drie nachten later had ik het uit. Ik was er letterlijk zo nu en dan niet lekker van geworden, het boek speelde met mijn lichaam. Ik vond het een prachtig boek, erg goed geschreven, maar ik moest ook denken aan zo’n winnende World Press-foto van een gruwelijk oorlogsmoment, en de vraag die dan gesteld wordt of je zoiets eigenlijk wel mooi kán of mág vinden. En ik was bezig met de vraag of je zo’n uiterst particulier incestverhaal voor een roman mythische proporties mee zou moeten geven, en met de vraag of waargebeurd erger is dan verzonnen. Het verwarde me, en dat is goed natuurlijk, als literatuur dat met je kan doen.

En toen dacht ik terug aan Uit het leven van een hond, en het plezier dat ik had beleefd aan het lezen van dat boek. Er gebeurt niks ergs, de dingen gebeuren gewoon, maar ik wandelde heel graag mee met hoofdpersoon Henk. Ik genoot van zijn stijl. In de samenvatting van het boek op Bol.com staat het volgende: ‘Aan het eind van de dag zien we Henk, in helderziende dronkenschap, met zijn hond op de bank. Wat was dit voor een dag? Een reinigende ervaring? Een catharsis? Nee, het was simpelweg een dag, tijd die voorbijging, het leven dat werd geleefd.’ Je zou kunnen zeggen dat de stijl van Kollaards boek in overeenstemming is met dat gegeven en voor de stijl van Uphoffs boek gaat dat eveneens op; het is razende taal voor een razend verhaal.

En daar moet je dan dus uit kiezen, als jury. En niet alleen dat, er waren nog vier boeken, van De Jong, Coster, Te Gussinklo en Schermer. En die kunnen alle vier ook schrijven als de beste. En wij – alle Nederlanders die niet in de betreffende jury zaten – hebben er geen idee van wat er gebeurd is. Misschien ging het wel tussen Saskia de Coster en Sander Kollaard, mogelijk – dat gebeurt vaker dan je denkt – was Uit het leven van een hond de nummer drie, het boek dat er met het been vandoor gaat. Werd er over twee andere boeken zó gestreden dat er alleen over een nummer drie unanimiteit bestond. Want dat is en blijft het wezen van een jury: de leden ervan moeten het eens zien te worden. Dat is geven en nemen, dat is verhit argumenteren, dat is gaan voor een bepaalde stijl, dat is elke keer weer uit zien te vinden wat literatuur ís, en uiteindelijk tot een door iedereen gesteunde winnaar komen. Dus ondanks geklaag en verwensingen op Twitter zit Sander Kollaard als een prins een paar weken op Zweedse wolken want hij won. Hij en niemand anders.

Black-out [Trouw, 20 juni]

Bij de ingang van het NPO-gebouw op het mediapark in Hilversum trof ik collega Jan Siebelink. Of eerder: hij trof mij, ik was al doorgedrongen tot de hal, hij kwam binnenlopen. Hij bleef even staan, keek me aandachtig aan en zei toen: ‘Nu zie ik het.’ Aan de balie boog hij zich iets te vertrouwelijk over naar de baliemedewerkster, die daarop iets terugdeinsde. We kregen allebei een badge en konden het gebouw in. Ik kijk elke keer als ik daar ben mijn ogen uit. Daar komt Dione de Graaff gewoon aanlopen en ze zegt ‘Hallo’ tegen me! Dolf Jansen sloft voorbij en zegt nonchalant ‘Goedemorgen’. De medewerker van De Taalstaat nam de trap, Jan en ik gingen samen, te dicht op elkaar waarschijnlijk, met de lift. Boven gingen we bij elkaar zitten en we namen eens even goed de literaire wereld door. Ik vroeg hem – wat ik eerder in de week anderen al gevraagd had, wat kon omdat ik de hele week in Amsterdam was omdat ik mógelijk bij M kon aanschuiven – of hij een idee had hoe het mogelijk was dat een boek – Suikerbastaard – van een schrijver – Jaap Scholten – vanuit het niets, zonder één bespreking en zonder media-aandacht op plek 38 in de CPNB Top60 terecht kon komen. Jan zijn verstand stond er bij stil. Het mijne ook. We kwamen er niet achter. ‘Het is en blijft een bizarre en moeilijke wereld,’ verzuchtte Jan, die onlangs een aantal niet al te malse kritieken te verstouwen had gekregen.

Frits Spits stak zijn hoofd door de deur. ‘Goedemorgen, mannen!’ zei hij. ‘Fijn dat jullie er zijn.’ Jan Siebelink dacht even na en zei toen: ‘Ja, en dat we er überhaupt nog zijn.’ Dat vond ik wel erg diep gaan voor iets voor elven op een zaterdagochtend, maar Frits glimlachte en toen zei Jan: ‘Goed, daar hebben we het straks nog over.’ Daarna mocht ik en toen ik klaar was, werd Jan binnengebracht. ‘Veel plezier!’ zei ik. Iets later zat ik alweer in de taxi die me terug naar Amsterdam zou vervoeren. De ruiten hadden prachtig getint glas, waardoor het Hollandse landschap dat ik al drie maanden niet gezien had op magistrale wijze langs me heen trok. De chauffeur had de radio aanstaan. Radio 1. De Taalstaat. Dat vind ik altijd prettig, dat zo’n programma – net als Met het oog op morgen – gewoon doorgaat terwijl je zelf net geweest bent en er onthecht naar kan luisteren.

Jan las iets voor uit Knielen op een bed violen en toen hij klaar was, vroeg Frits: ‘Ja, en wat dééd die vader toen, Jan?’ Het bleef stil. Het bleef heel lang stil. Jan zei: ‘Ja, wat dééd die vader…’ Frits nam het over, die moest Jan vertellen wat de vader in het boek toen deed. Ondertussen had ik al een paar keer luid vanaf de achterbank geroepen: ‘Jan! Zeg iets!’ Soms vergeten mensen die op de radio zijn dat ze op de radio zijn. ‘Kom, Jan! Iets!’ Radio bestaat bij geluid. Op tv kunnen mensen best lang hun mond houden omdat er altijd nog beeld is om de tijd te vullen. Jan had een black-out. En niet vanwege zijn leeftijd, maar gewoon van de spanning of wat dan ook. Ik heb ook weleens een black-out en inmiddels heb ik geleerd om dan zo snel mogelijk domweg ‘Dat weet ik niet, hoor’ te zeggen, want dan kan in elk geval het programma gewoon door. En het is helemaal niet erg dingen niet te weten. Zoals ik hier al vaker schreef: iedereen is een sukkel en we doen allemaal maar ons best. Zo’n heerlijk rustgevende gedachte.

Lieve Margriet [Trouw, 6 juni]

‘Iets minder lieve, maar steeds toch best nog lieve Margriet: ik had bij het schrijven van mijn vorige column niet goed stilgestaan bij de gevolgen. Kijk, het was allemaal de schuld van buurman Rinus. Die woont hier een stukje hoger op de berg, met zijn lieve vrouw Lien, hun twee honden en een stuk of achttien kippen. Hij zei: ‘Jij moet met je kop op tv!’ Ik heb hem geduldig uitgelegd dat het zo niet werkt, dat dat allemaal zo makkelijk niet gaat, dat je uitverkoren moet worden. En toch, hield hij vol, moest ik met mijn kop op de tv. Vandaar die column van twee weken geleden. Een ander gevolg had ik ook niet goed ingeschat: de schaamte die me overviel elke keer als iemand me vroeg of ik al benaderd was door M. Dat is als gedoucht, haartjes gekamd, mooi overhemdje aan, lekker geurtje op zitten wachten op je spannende date en dat die date dan gewoon je huisje voorbij rijdt. Dat voelt akelig!

Ik dacht dat je sportief genoeg was het er eens op te wagen. Nou, je begrijpt dat ons huishouden – in de week voor Pinksteren bestaande uit mijn man, ons hondje Floris, die heel tere voetkussentjes heeft, en een goede vriendin die een week op bezoek was – uit pure nijd en vanwege het lekkere weer de hele week niet naar M gekeken heeft. We aten buiten, speelden spelletjes, wandelden kilometers lang of keken de ene feelgoodfilm na de andere. Tot ik vrijdag – het eten liet even op zich wachten –op de Ziggo-app tikte. Meteen viel ik in een gesprek met Rutger Bregman. Ik riep mijn vriendin erbij want die is dol op Rutger Bregman, ik geloof dat ze een tikje verliefd is op zijn zwoele lispel en zijdezachte borsthaar. ‘Kijk!’ zei ik tegen haar. ‘Wat leuk! Margriet geeft die jongen die nooit op tv is de kans iets te vertellen over zijn boek dat nu vertaald is in het Engels en wat deels verfilmd gaat worden door een Amerikaanse producent! En dat deel is niet eens door hemzelf bedacht, het is een allang bekend verhaal, waarover deze zomer zelfs een documentaire uitkomt waar Rutger niets mee te maken heeft. Maar mensenlief wat een succes, wat een eer voor zo’n jongen uit de polder en wat fijn voor hem dat hij eindelijk eens op de tv komt!’ ‘Ach, zeikerd,’ zei mijn vriendin. Die vriendin kent mij heel goed, dus ze zal wel gelijk hebben.

Maar stel je nu eens voor dat je het volgende doet. Je nodigt een volstrekt onbekende debutant uit en je doet of je neus bloedt. Je overlaadt hem of haar met loftuitingen en laat in niets doorschemeren dat het een debutant betreft. Je zult hopelijk zien dat de kijkers daarop massaal dat debuut gaan kopen, en dat de roman een week later in de cpnb-top 60 staat. Debutant blij, uitgever van de debutant blij, en in wat verschilt dat nou allemaal met de nieuwe roman van Ilja Pfeijffer? Ik zeg je: helemaal niks. Het gaat namelijk, of: het zou moeten gaan, om de kwaliteit van het werk. Doe het gewoon een keer, durf het. Een experiment! Iets tegendraads! Iets onbregmaniaans! Iets anders! Gelijke kansen voor iedereen! Niet altijd maar de mensen die toch al succes hebben. Kijk, voor mij hoef je het niet te doen, ik red me wel, ik heb geld, drink elke dag overheerlijke frisse Grauburgunders, en stel dat je me alsnog zou willen uitnodigen, vrees ik dat ik nee moet zeggen, want in het echt ben ik helaas lang niet zo stoer als hier op papier.’

‘Ist das Jasper?’

Op paaszondag liepen we in de Schönecker Schweiz. Waarom het daar zo heet, weet ik niet. Ik vroeg het aan buurman Klaus. Die keek me even aan en zei toen: ‘Schönecken, zo heet het stadje en Schweiz omdat het er op Zwitserland lijkt.’ Tja. Hoe dan ook, er kwamen ons twee mannen tegemoet lopen. Eén van de mannen keek naar Floris en vroeg: ‘Ist das Jasper?’ Wat? ‘Jasper ist tod,’ zei ik. Ja, dat wist hij. Toen vroeg hij of Anna Kaas (is: Kaan, maar goed, Duitsers) een Apoplex had gehad, in het boek Juni. ‘Een wat?’ vroeg ik. ‘Hirnschlag.’ Ah, een hersenbloeding. ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Mooi idee wel.’ Hij wees naar Floris. ‘Dat is Floris,’ zei ik. ‘Die leer je ook nog wel kennen.’ Toen we verderliepen, draaide ik me om. De man was druk en opgewonden aan het praten tegen zijn wandelmaat. ‘Ja ja,’ zei ik tegen M. ‘Der weltberühmte niederländische Schriftsteller Gerbrand Bakker.’

M. zei een paar dagen later: ‘Die hond heeft in een jaar tijd ook heel wat meegemaakt.’ Hoe dat zo, wilde ik weten. ‘Nou,’ zei hij, ‘eerst was het een rothond die weg moest en nu worden er paadjes voor mevrouw aangelegd door de tuin.’ En dat is waar. Bij het ballengooien let Floris niet op planten of struiken, daar gaat ze dwars doorheen. Daarom spitte ik een gele plant uit de langwerpige border naast het larikshouten terras en verving die door drie plankjes van 40 cm lang, waardoor er een soort van bruggetje ontstond. Eerst liep het kreng er langs – waardoor ze alsnog dwars door een Hosta of de kleine vijg liep –, later nam ze de brug. ‘Goed zo!’ riepen we dan. Floris kan doorgaan met ballen ophalen tot ze omvalt. Dat duurt even, dan staat ze op en drentelt naar de keuken en drinkt daar een bak water leeg. Vervolgens staat ze weer klaar voor de volgende ronde.

Wat de hond ook heel fijn doet – ooit hoopte ik van Jasper dat hij dat zou gaan doen – is in de buurt blijven als ik in de tuin aan het werk ben. Ze loopt sowieso niet weg, het poortje naar de boventuin staat eigenlijk altijd open, maar ze heeft ook op de een of andere manier door wanneer ik aan het werk ben. Dan jengelt ze niet met de bal, maar scharrelt wat rond, gaat soms zelf hinderlijk in de weg zitten als ik onkruid aan het uitsteken ben. Maar meestal, zeker met het warme weer van de afgelopen dagen, gaat ze onder een struik in de schaduw liggen. Schrijven trouwens, zoals nu, ziet ze niet als werk. Nu zit ze luidkeels te gapen, het blauwe balletje ligt een twee meter verderop. Correctie: het balletje ligt nu onder mijn stoel. Trillend zit ze er naast. Gapen doet ze niet meer, ze drängelt met dwingende keelgeluiden.

Motor, paard, pallet

Er gebeurden hier vorige week twee ongelukken. Een erg ongeluk en een iets minder erg ongeluk. Wanneer er weer eens groepen scheurende motoren voorbijkomen, roepen we soms ‘Boom!’ of ‘Bocht!’ Motoren zijn verschrikkelijk. De manier waarop mensen op die motoren zitten is ergerniswekkend. Maar als er dan eens werkelijk sprake is van een boom of bocht, en een zoon, is dat toch echt niet leuk. Een 55-jarige motorrijder uit een naburig Bundesland verloor in een zeer flauwe bocht de macht over het stuur. Omdat de bocht nauwelijks een bocht te noemen is, zijn er onder de vangrail niet van die speciale motorrijdersredplaten aangebracht. Hartstikke dood. Zijn zoon reed achter hem. Het gebeurde zo’n 200 meter verderop. De hele middag alles in rep en roer, weg afgezet door de vrijwillige brandweer, de gele ADAC-helikopter, politie, ziekenwagens en na verloop van tijd de lichtgrijze lijkwagen. Zoals wel vaker met mensen die ergens met hun snufferd bovenop zitten, lazen we een paar uur later op de website van de Trierische Volksfreund van de hoed en de rand.

Het tweede ongeluk betrof een vrouw en een paard. Er kwamen twee schimmels aanrijden, Floris en ik hoorden de hoeven klepperen. Van verre stak Suzanne haar hand al op. De vrouwen hielden goed de zijkant van de weg aan, er reden auto’s voorbij en één vrachtwagen. Die LKW trok iets te snel weer op, waardoor het paard van Suzanne – Charlie, ik ken hem wel – zo schrok dat hij op hol sloeg. Suzanne slaagde er nog een tijdje in aan Charlie te blijven hangen, maar toen het paard in de grassige berm tegenover mijn poort kwam, liet ze los. Dat ziet er enorm heftig uit: een frêle vrouw op de grond, een enorm paard er bovenuit. Heeft hij op haar gestaan? En: vrouw op grond, paard er vandoor. ‘Haal jij Charlie even op,’ zei Suzanne, die inmiddels tegen de poort aan zat, sterretjes zag en van M. een glaasje Johannisberensap had gekregen. Ik haalde Charlie op, wat verbazingwekkend makkelijk ging, het dier was rustig en liet zich gewillig meenemen. Na een tijdje leek alles weer in orde en vertrokken de beide vouwen en hun schimmels. Charlie hapte nog wel even een paar bloesems van mijn lijsterbes weg. ‘Hé!’ riep ik. ‘Dat hoeft nou ook weer niet!’ Nu heeft Suzanne rugpijn, kan ze niet veel doen, en verveelt ze zich een beetje.

Ik heb het wel vaker geschreven: in de Eifel gebeurt altijd wat. En wij hebben alweer twee keer buiten de deur gegeten! Dat is lekker, zeg. Gewoon zitten en je laten bedienen. In het Fünfmädelhaus in Lambertsberg. Buiten, want het was mooi weer, dus zonder mondkapjes. Alleen als je naar de wc moest of ging betalen, even dat ding op. Morgen gaat het buitenbad in Bitburg weer open. Er is bezoek, mensen durven weer de grens over en je kán de grens ook over: niemand die je tegenhoudt. Dat mag namelijk niet. Dit als tip voor mensen die al langer even naar Duitsland wilden maar dat niet durfden. Ik zelf – nog een ongelukje (met een zware houten pallet) – heb gekneusde ribben, dus dat zwembad kan me nog wel een week of twee gestolen worden…

ADVERTENTIE [Trouw, 23 mei]

‘Ik herinner me de presentatie van Jasper en zijn knecht, voor Athenaeum aan het Spui. Er werden meerdere Privé-domeinen tegelijk gepresenteerd. Er was bijna niemand, mensen liepen voorbij, onderweg naar andere dingen, andere plaatsen. Van die blikken die Amsterdammers kunnen hebben, zo’n blik van val me niet lastig, ga aan de kant, doe dit ergens anders. Onrust. Prachtig weer, zon, warm. Juni. Een openbaar gesprek met Anton de Goede dat nogal chaotisch verliep, iemand — het zou een medewerker van de uitgeverij geweest kunnen zijn — die vanaf de zijlijn riep: ‘Vier sterren in nrc!’ Het zal dus op een vrijdag geweest zijn. Sodeflikker op met je sterren, dacht ik. Laat me even hier rustig staan met dat boek in mijn handen.’

Hoofdstuk 74, bladzijde 243 van Knecht, alleen. Als u dit leest is het bijna dinsdag en dan komt dat boek uit. In die prachtige Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers. Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. Ze hebben een aantal vaste tinten en ik had zin in paars. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek. En het is van mij. Dat is wat ik maar aan wil geven met het citaat hierboven. Als het bij mij in de boekenkast staat, is het goed. Dan is het in feite al klaar. Dat ik uit die kast kan pakken, openslaan en mijn neus erin steken. En dan snel weer terugzetten. Van mij. Mijn boek. Recenseer maar een eind weg, lees maar een eind weg, heb maar een mening.  Of niet. Je mag het wegleggen, in een hoek smijten, maar je mag het ook op een prominente plaats op de salontafel leggen en er zo nu en dan liefdevol naar kijken en eventuele gasten zeggen: ‘Dát boek moet jij lezen.’

Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen. Zo’n soort boek is het. Er zal op de uitgeverij geprobeerd worden het onder de aandacht te brengen, maar dat ontgaat mij hier in de Eifel. Het literaire leven voelt zo ver weg, is zo iets van vroeger, zo uit een vorig leven. In een mailtje viel wel het woord M. Dat is geen woord, het is een letter, maar als het slaat op het programma van Margriet van der Linden is het wél een woord. Toen dacht ik bij mezelf: dat zou wel goed zijn, en gezellig bovendien. Ik zat eens op de Uitmarkt te signeren met Margriet van der Linden en we hadden het zeer genoeglijk, tussen ons in zat een heel beroemde schrijver, maar ik was zo met Margriet bezig, dat ik vergeten ben wie die beroemde schrijver was. Ook stond er in het mailtje iets over corona en de noodzaak van een zeer particulier autobiografisch boek, en ‘moet je wel in zo’n programma willen als de mensheid in oorlog is met een virus?’

Nou, ik denk van wel. Ik denk dat iedereen inmiddels zó verschrikkelijk coronamoe is, dat álles wat niet het virus betreft, meer dan welkom is. Op het moment dat ik dit schrijf, is er helemaal geen sprake van M. Niks gehoord. Dus bij deze: lieve, lieve Margriet: het kán nog! We hebben nog vier dagen! En als je me twee whisky’s te drinken geeft voor het begint, nou, dan wordt het gezellig hoor. We kunnen over van alles en nog wat praten, het hoeft niet eens over het boek te gaan! Ik kan bijvoorbeeld allerlei handige tuintips geven, daar zitten de mensen ook om te springen. Ik kan smakelijk vertellen over J. J. Voskuil of desnoods alleen deze column voorlezen, bij die eenzame microfoon in je studio.

Beu [Trouw, 9 mei]

[Zal je altijd zien: ik schrijf zo’n column vijf dagen van tevoren, waardoor de Trouwlezers gisteren konden denken: ‘Wat zeik je nou, Bakker? Je kúnt naar de bioscoop, je kúnt naar de tandarts!’]

Ik weet dat Gardeners’ World alweer maanden op de BBC te zien is. Ik weet het en ik heb nog niet één keer gekeken. Wat is er aan de hand? Hoe kan ik het elke vrijdag weer vergeten en elke zaterdag of zondag denken: verdorie, nou heb ik alweer Gardeners’ World niet gezien! Geen idee. Alles is anders tegenwoordig. Ik wil dolgraag weer eens naar Amsterdam, ik wil mensen vastpakken en zoenen, ik wil naar boekpresentaties en dan dronken worden, ik wil zelfs mijn eigen boeken presenteren terwijl ik daar al sinds ik me kan heugen helemaal geen zin in heb, tot groot verdriet van mijn moeder, die juist op zulke gelegenheden weer eens al mijn vrienden kan zien. Ik wil mijn huis in de hoofdstad gaan opknappen, ik wil dat er schilders komen, ik wil ombouwen en verschuiven, een nieuwe keukentafel kopen, zo’n enorm groot ding waar minstens tien stoelen omheen passen en dan lekker eten en drinken op die tafel zetten en de stoelen bijvoorbeeld vullen met de schrijverseetgroep – Gerard van Emmerik, Ellen Heijmerikx, Elke Geurts, Anja Sikken, Wilfred van Buuren – en dan slap ouwehoeren over schrijven en andere dingen, en ondertussen wil ik aan ze zitten en ze zoenen, en de dag daarop wil ik naar de bioscoop om bijvoorbeeld de uitgestelde nieuwe James Bond te gaan kijken en de dag daarop wil ik onbekommerd naar de tandarts, want er is een stuk vulling uit een kies gerold en als ik daar toch ben, wil ik aansluitend naar de mondhygiëniste. Ik wil zo veel.

Morgen ga ik naar het ziekenhuis in Prüm, daar zit een KNO-arts en die gaat mijn oren uitspuiten. Dat mogen huisartsen hier in Duitsland niet doen, daarvoor moet je dus speciaal naar een KNO-arts. Ik heb er wel zin in, dat is weer eens een leuk uitje, iets anders, iets normaals, al werd me wel op het hart gedrukt mijn mondkapje op te zetten anders kwam ik er niet in. Mijn oren zitten zó dicht dat ik al dagenlang in een eigen wereldje leef. Ik versta niet wat mensen tegen me zeggen of wat er op de tv gezegd wordt, maar als iemand een lepel laat vallen of wanneer hondje Floris probeert door haar beschermende plastic kopkap haar oren te krabben schiet ik overeind, zo veel kabaal maakt dat.

En ondertussen zou ik gewoon een column moeten schrijven over het literaire leven in de breedste zin van het woord, maar er is eigenlijk geen literair leven van belang momenteel. Ja, elke dag wordt er voorgelezen uit de Decamerone door Vlaamse en Nederlandse acteurs, maar ik weet niet eens waar ik dat zien en horen kan en – veel erger nog – ik zit helemaal niet te wachten op acteurs die mij de Decamerone voorlezen. Nogal wat dingen zijn helemaal niet leuk online, die dingen zijn alleen maar leuk als het live is, als je er zelf bij ben, samen met andere mensen. Als het een uitje is, een gebeurtenis, een belevenis. Ik vind dat best moeilijk, dingen beleven op internet. Het is tweedehands, het is een pleister en omdat iedereen het doet en aanbiedt, is het alleen daarom ook al niet meer leuk.

Net zomin als de reclame van nu. Gatverdarrie, al die bedrijven en instellingen die zichzelf feliciteren omdat ze ‘juist nu’ voor ons zijn. Coronareclame lijkt verdacht veel op WK Voetbalreclame: na een paar dagen ben je het meer dan zat allemaal en hoop je vurig dat voetbal (en corona) wordt afgeschaft alleen maar om ons die vervelende reclame te besparen. Was het maar herfst. Of volgend jaar.

Die beide Ohren sind frei!

Er is hier een oorlog gaande. Vanochtend pas viel het me op en met terugwerkende kracht begreep ik waarom onlangs een dode geelgors voor de deur van de Hauswirtschaftsraum lag. Een boomkleverpaartje heeft een houten nestkastje betrokken, het is voor het eerst dat daarin genesteld wordt. Ze zijn weken bezig geweest het te verbouwen, de in- en – neem ik aan – uitgang zijn met prut bekleed. Gisteren kwamen we thuis uit Prüm en toen zag ik twee mussen bij het nestkastje. Een beetje pesterig. Vanochtend lag er een dode mus op de grond pal onder het nestkastje, precies op de plek waar anderhalve week geleden die dode geelgors lag. Oorlog. En de boomklevers trekken vooralsnog aan het langste eind. Misschien is het een afrekening, de boomklevers zijn heer en meester op het vogelvoederstation, jagen alles en iedereen weg. Baasjes zijn het. Mogelijk vinden de andere vogels nu dat ze teruggepakt moeten worden. Nu dat ze min of meer vastzitten in hun kast. Wat een hufters, allemaal. En: het is al een heidens karwei om eieren te leggen en de jongen te voederen, moet je ook nog eens huis en haard verdedigen tegen rancuneuze medevogels!

Prüm. Daar is een ziekenhuis en in dat ziekenhuis doet Silvia Ghilinschi haar werk. Ik leefde al dik een week in een afgesloten wereldje. Mijn oren zaten potdicht, ik kreeg bijna niks mee, alleen af en toe opschrikkend als iemand een vork liet vallen of Floris als een bezetene haar plastic beschermkap begon te krabben. Juist die geluiden kwamen extra hard binnen. Hier in Duitsland spuiten huisartsen geen oren uit. Daarvoor moet je naar een KNO-arts, hier Hals-Nasen-Ohren-Ärztin. Toen Frau Ghilinschi begon moesten we nog met handen en voeten praten, toen ze klaar was, zei ze: ‘Die beide Ohren sind frei!’ omdat ik nog wat nasputterde. Ik had het erg benauwd gehad met mijn FFP1-masker van de Globus, vooral omdat ik met de trap naar de derde verdieping was gelopen. God, wat is dat toch lekker, vrije oren. Ik wist nauwelijks meer hoe het was voluit te horen. Aansluitend deden we boodschappen bij de REWE en daar kochten we een zakje met negen (9) mondkapjes, van die echte, voor 9,99. En twee Zitrone-Sahne Röllchen om bij thuiskomst de goede afloop van allerlei dingen te vieren. En gin en tonic voor rond half zes.

Alledaagse beslommeringen

Nadat Floris en ik op onze vaste plek in de Nims met takken hadden gegooid, wilde ik op de terugweg op een andere plek oversteken om nog weer verder nóg eens te kunnen oversteken. Ja, beetje ingewikkeld, maar ik snap het precies. Floris wilde er ineens heel snel uit en rende tegen prikkeldraad aan. We hadden allebei niet door wat dat voor schade had aangericht. Drie kwartier later lag ze bij dierenarts Dirk Kuntze op de tafel. Inmiddels is het verband verwijderd en ziet de wond er mooi droog uit, maar de kap moet nog tot aanstaande maandag op. Dat is zielig, zo’n kap. Ook ik kan niet wachten tot de hechtingen eruit gaan en ze kan likken wat ze wil aan dat rare, kale stuk op haar poot. Ze snapt niet zo goed dat je met zo’n plastic toeter op je kop ook kunt slapen. Er wordt hier in huis erg veel gegromd. Ook tanden worden ontbloot. Ze doet haar bijnaam eer aan, maar dat is gemeen om te schrijven.

Gisteren was ik jarig en was ik zoals gewoonlijk een beetje triest, of opstandig, of dwars, en kortaf en verre van gezellig. Ik ben altijd van alles op mijn verjaardag, behalve jarig. We hadden in de ochtend zes stuks gebak gehaald in Waxweiler, je weet maar nooit. Met FFP1-maskers voor van de Globus. De enige gast was Buurman Klaus, die rond vijven met een fles gin kwam aanzetten. Ik wilde nog een stukje met Floris gaan lopen, maar in plaats daarvan draaide ik om half zes de fles gin open. Het zal niet een verjaardag zijn die ik me altijd zal herinneren, zoals onze koning dat wel schijnt te hebben. Ik ben altijd hier in de Eifel en er rijden meestal een camper en een caravan aan. En vriend Henk is er vrijwel altijd. Maar de camper en de caravan staan nog in de winterstalling en Henk kan niet autorijden vanwege een operatie aan zijn been, maanden geleden alweer. In de tussentijd is ook hondje Bas nog doodgegaan. Denk daar maar eens aan als jullie vinden dat je het moeilijk hebt.

Maar goed, het wordt altijd vanzelf weer 29 april. Er staat net een brood in de oven, met Brotklee, een kruidenmix uit Süd-Tirol. De drukproef van De drie bestaat niet komt net binnen. De limiet voor contactloos betalen is ongemerkt verhoogd naar 50 euro, dat is handig. Het snakken naar regen duurt voort; er wordt ons elke dag wel iets beloofd, maar nattigheid uit de hemel ho maar. Floris ligt naast me te zuchten, we zullen zo een klein rondje gaan lopen, maar eerst moet het brood uit de oven. Tijdens het fietstochtje onlangs, waarbij ze in een speciale hondenrugzak zat, jammerde ze onophoudelijk zachtjes. Ik kon niet uitmaken of dat van ongeluk was of uit een wens om zélf te kunnen rennen, desnoods pal naast de fiets en dat ze het uitje evengoed toch wel aangenaam vond.

 

Duitse pijp en Mutske

Al 76 dagen geen reservekopie, lees ik als ik de laptop aanzet. Gisteren was dat 75 dagen, morgen zal het 77 dagen zijn. Dat reservekopieapparaat staat in Amsterdam. Het allerbelangrijkste mail ik zo nu en dan naar gmail.com, dan verlies ik dat bij een eventuele calamiteit niet. Het betreffende bestand heet “Kapper” en bestaat uit iets meer dan 30.000 woorden. Dat is een half boek.

De Duitse pijp (Aristolochia Macrophyla) die ik afgelopen herfst als twee kale staken meekreeg van mijn vader loopt uit [zie afbeelding]. Daar ben ik erg blij mee, de staken zagen er morsdood uit. De leipeer – aan de andere kant van de deur van de Hauswirtschaftsraum – heeft mooi gebloeid, maar ook een paar nachten lichte vorst gehad. Zojuist snoeide ik driekwart van de roodbladige Japanse esdoorn weg. Hij is nog niet volledig afgeschreven, onderin loopt-ie voorzichtig weer uit. De rododendrons beginnen te bloeien (het is 22 april!) en de zure kers is witter dan ooit. Over een week of twee zal ik al rabarber kunnen telen. Dat is nodig ook, want alle zelfgemaakte jam is op één potje na op.

Floris heet inmiddels ‘Mutske’.  Dat komt door Tonneke van die documentaire over ‘Tonnekes rijdende winkel’ in Tilburg. Die zit op een bepaald moment op de bank te roken, samen met haar pitbullachtige hond, die ze liefkozend ‘Mutske’ noemt. Dat was zo’n beetje het enige woord wat we konden verstaan, de rest van de tekst uit die documentaire is ons ontgaan, want er was geen ondertiteling. Soms valt Floris van de trap, dan is ze te haastig. Heel vaak kan ze de haar toegeworpen stok, terwijl ze er bovenop staat, niet vinden. Ze kan erg grappig niezen. Allemaal redenen de hond Mutske te noemen.

Het zwermt van de goudvinken op het vogelvoederstation en de grote bonte en middelste bonte specht wisselen elkaar af bij de mezenbollen. Afgelopen nacht heeft een of ander dier een aardewerken pot met een agave erin kapot gegooid, waarschijnlijk hetzelfde dier dat een tijdlang elke nacht de mezenbollen stal. De agaves staan op een etage van het vogelvoederstation. Een boomklever werkt al weken aan de verbouwing van mijn enige houten nestkastje. Rondom de ingang wordt aarde geplakt, waarschijnlijk aan de binnenkant ook. Blijkbaar kan er alleen in een kunstmatig nest genesteld worden als het er uitziet als in de natuur. De twee prachtig mooie mussenpotten die ik van Tuinmaat Han kreeg staan leeg. Misschien zijn het toch geen mussenpotten en moet een ander vogelsoortje de keramieken huisjes nog ontdekken.

Iedereen in Schwarzbach is gezond, al heeft buurman Max last van zijn knie en heeft buurvrouw Monika natuurlijk kanker. Coronagezond, bedoel ik. Er was een geval in Nimshuscheid, ik weet wie, maar die reed gewoon rond in zijn grote auto, draaide lukraak overal zijn raampje open, deed alsof er niks aan de hand was en organiseerde een reünietje met alle andere mannen met wie hij op wintersport geweest was. Apart volk, Eifelaars.