Hond en vos

Afgelopen zondag waren we in de Schönecker Schweiz. Dat is een wandelgebied dat blijkbaar op Zwitserland lijkt. Zo nu en dan rijden we daarheen om eens een ander loopje te hebben met Floris. Daar – zo’n tien kilometer van Schwarzbach – ontdekte ik dat de Nims, die hier een niet onaanzienlijk riviertje is, samenvloeit met een ander beekje en zelf maar een kilometer of vijftien verderop ontspringt (in totaal dus 25 kilometer verderop). We verdwaalden afgelopen zondag en toen merkten we waarom ze het daar Zwitserland noemen: enorme rotspartijen en ravijnen. We moesten naar een beekje in de diepte, maar het was onmogelijk er te komen. Behalve voor Floris. Die joeg een vos uit een hol en ging er achteraan, fox-terriër als ze is. Ze buitelden achter elkaar de diepte in. Wat mij dan verbaast is dat die vos zich niet gewoon omdraait en de aanval opzoekt. Een vos is al snel twee keer zo groot als Floris. Floris is dan niet, zoals Jasper, uren verdwenen. Na een minuut of vijf is ze alweer terug, van precies de andere kant, helemaal ongeschonden. En die ‘andere kant’ bleek na een korte zoektocht de kant van de berg om naar beneden te komen.

Hier komen we eigenlijk nooit iemand tegen tijdens wandelingen. In de Schönecker Schweiz wel. En natuurlijk niet alleen mensen, maar ook honden. Opvallend hoe verschillend mensen met hun hond omgaan. Floris liep los achter een aangelijnde bordercollie aan, en verdween om een hoek. ‘Geh weg!’ hoorden we. Toen we de hoek om kwamen, zagen we Floris en de andere hond elkaar vriendelijk besnuffelen. De bazin hield haar hond angstvallig strak aan de lijn en ze keek erg boos. Zo af en toe vind ik het wel gezellig, die andere mensen en honden. Hier loop ik altijd maar alleen. Maar dat gaan misschien wel veranderen als mijn Van Oorschot-boekje over de 1 uitkomt. Misschien komen er dan drommen mensen deze kant op. Die dan allemaal bij buren Rinus en Lien zullen gaan logeren, want dat raad ik ze in het boekje aan. Rinus en Lien wonen pal aan de wandelroute en verhuren de bovenste verdieping van hun huis aan vakantiegangers. Ons huis zien ze niet, dat ligt, vanaf de 1 gezien, onderaan een beboste steile heuvel.

Gisteren kwamen we op de berg achter het huis Happy tegen. Dat is foute boel, ware het niet dat Happy stevig aan de lijn zat en Werner haar in toom hield. Floris liep los, maar ik lijnde haar ook snel aan. Werner en ik probeerden een gesprek te voeren, wat niet lukte vanwege twee woest blaffende honden. Happy wil Floris vermoorden. Happy wil alle honden vermoorden. Voor mensen ongevaarlijk. Het is hier nu prachtig: het heeft flink gevroren, alles is wit en de lucht is kristalhelder. Alle vogels zijn blij, de geelgorzen zijn teruggekeerd, de Alaskan Malamutes van Herbert en Christin jammeren zachtjes, de rivier stroomt zilverig naar beneden. De kachels branden. Om half zes een glaasje Auchentoshan.

Opdoeken die handel [Trouw, 28.12]

Ik zat eens in een jury samen met Rachel Cusk. Nee, het was zelfs zo dat Rachel Cusk en ik de gehele jury vormden. Een jury van twee mensen. Dat kan sowieso niet, maar het was nu eenmaal zo. Rachel Cusk is een Britse schrijfster. Nadat alles achter de rug was, kon ik de naam ‘Rachel Cusk’ niet meer horen. Als iemand – altijd een vrouw – mij zei dat ze haar boeken zo geweldig vond, begon ik al over te geven, zelfs zonder ooit een woord van Rachel Cusk gelezen te hebben. Het was onze taak om de beste Ierse roman van het jaar te kiezen voor de Kerry Group Irish Novel of the Year. De Kerry Group is een voedingsmiddelenbedrijf dat zich daarnaast blijkbaar graag met literatuur bezighoudt. Buiten een over het algemeen moeizaam verlopende communicatie was het dieptepunt dat Rachel Cusk een bepaalde schrijfster de prijs wilde toekennen omdat die nog nooit een grote prijs had gewonnen. Mijn verstand stond er bij stil, en toen we na heel wat geharrewar tot een échte winnaar waren gekomen, weigerde ze de uitreiking bij te wonen en stond ze erop dat ik een tekst van haar over de betreffende schrijfster daar voor zou lezen. Ze wilde dat haar stem gehoord zou worden. ‘Dat zal niet gaan,’ zei ik. ‘Als ik jouw tekst voorlees, zal het lijken alsof zij de prijs gewonnen heeft.’ De oplossing was simpel: aangezien ze er niet was, heb ik de vrijheid genomen haar tekst aangepast voor te lezen.

Een klucht, ergens. Nadat ik voor Trouw van 14 december een stuk geschreven had over de teloorgang van een literaire prijs, diende de volgende klucht zich alweer aan: de uitverkiezing van de NRC Lezersprijs 2019. 25 boeken, allemaal met vier of vijf ballen, waren uitgezocht door de recensenten van de NRC en daar konden de lezers op stemmen. Het staat iedereen vrij zich daar op de sociale media tegenaan te bemoeien. Ik had een tweetje kunnen schrijven met de oproep om op ‘Zwarte schuur’ van Oek de Jong te stemmen omdat dat zo’n mooi boek is. Iedereen kon dat doen. Maar toen deed Özcan Akyol (meer dan 88.000 volgers) het. Hij riep al zijn volgers op ‘nog een poll te fucken’ en op underdog Jan van Mersbergen te stemmen. Vrijwel onmiddellijk haalde Jans boek het boek van Bart van Loo in, dat tot op dat moment aan kop ging. Het grappige was dat toen gebeurde waarover ik het in mijn vorige reguliere column had: onterechte lof wordt zonder tegenspraak als een warm bad ondergaan. In dit geval: onterechte erkenning voor een boek wordt niet weersproken. Van Mersbergen, de NRC, de uitgever van Jan, boekhandel Athenaeum, iedereen deed alsof zijn of haar neus bloedde en er werd slechts gemeld dat Van Mersbergen nu aan kop ging: het leek erop dat alles de verdienste van het boek zélf was. Pas toen Van Mersbergen op 17 december daadwerkelijk won, schreef hij er op zijn weblog iets over. In een lange, zichzelf in de staart bijtende tekst die defensief van toon was en waarin hij Akyol niet bij naam noemde en niet bedankte. Zelfs toen nog deed hij alsof het een samenspel was geweest van eigen inspanningen om stemmen te werven en andere dingetjes. (Wie dat nalezen wil, vervoege zich op zijn weblog en zoekt de post van 18 december op.) De papieren NRC meldde op 18 december wijselijk niets over de prijs.

De conclusie lijkt me onderhand wel duidelijk. Opdoeken. Alles. Als je wilt genieten van een wedstrijd gewoon naar het WK Schaatsen of EK Handballen kijken. Daar wint altijd de beste.

Goed bezig, Bakker

Mag je de ene vogel voortrekken boven een andere? Eigenlijk niet, maar ik werd die gaaien toch echt beu. Vroeger heette de vogel Vlaamse gaai, maar dat mag je geloof ik niet meer zeggen. In het Duits heet hij Eichelhäher, ‘eikelschreeuwer’, min of meer; häher is een klanknabootsend woord voor het gekras. Als ik vers voer op het vogelvoederstation strooi, zijn twee gaaien er als de kippen bij. Alle andere vogeltjes zijn bang voor ze. Er komt ook weleens een mannetjesmerel of een middelste bonte specht op het vogelvoederstation, maar die leven in harmonie met de mezen, matkoppen en boomklevers. Binnen de kortste keren slokken die grote vogels alles naar binnen. Ik betaal me scheel aan vogelvoer. Het was genoeg. Ik had nog een rol schapengaas liggen en daar knipte ik een stuk vanaf. Zoals gebruikelijk was dat stuk te kort: ik kon slechts drie zijden van de voertafel bemazen. Daar liet ik het even bij en ging in de keuken zitten.

De gaai vloog op zijn gebruikelijke ingang af en daar bleef hij verbouwereerd zitten: hij kon er niet naar binnen. Daarna inspecteerde hij de twee andere zijden en tenslotte kroop hij bij het onbemaasde stuk naar binnen om van alles naar binnen te schrokken, waarna hij dóór zijn favoriete aanvliegzijde wegvloog. Hij kan dus wel van binnen naar buiten, maar niet van buiten naar binnen. Daarin vind ik hem tamelijk dom: een gaai is een kraaiachtige en kraaiachtigen staan bekend om hun slimheid. En nog iets: door één zo’n maas passen wel twee gaaien en toch schrikt het ijzerdraad ze af. Ik tikte ook de vierde zijde dicht. De kleine vogeltjes hadden helemaal geen last van het schapengaas. Weer ging ik in de keuken zitten, dronk een kopje koffie en at een groot stuk marsepein. Ik kan eten wat ik wil, ik heb onbeperkte toegang tot voedsel en drinken. De gaai niet meer.

Toen hij een tweede keer aan kwam vliegen, was hij nog verbouwereerder dan eerder. Er was verdomme geen enkele mogelijkheid meer bij het voer te komen. Ik kreeg medelijden met hem (of haar, geen idee, ‘geslachten gelijk’), maar dat gevoel verdrong ik al snel. Hij hipte langs alle zijden, en nóg eens, maar het enige wat hij kon doen was voorzichtig over een ijzerdraad heen een beetje voer pikken. Ik zag al snel dat dat hem helemaal niet beviel. Het is óf alles óf niks met gaaien. Onbeperkte toegang wil hij. Het is tijd voor hem om eerder begraven eikels op te zoeken. Ergens heb ik die twee gaaien een dienst bewezen: mijn vogelvoederstation maakte ze alleen maar lui en gemakzuchtig. Als dit nog iets langer had geduurd hadden ze afgeleerd in het wild in de natuur te overleven! Conclusie: ik trek geen vogel(tjes) voor, ik herstel de natuurlijke orde. Goed bezig, Bakker.

Mangelhaft

De schoorsteen is van het dak gevallen. Wij waren een paar dagen in Amsterdam, waar ik een brief aantrof van Meisterschornsteinfeger Stefan Feltz. In die brief stond dat er geveegd was én dat twee van de drie schoorstenen gebreken vertoonden. Dat wist ik, er zou weleens wat vers cement tegenaan kunnen. Maar als je dan terugkomt en één van de schoorstenen ligt op de grond, in de Japanse tuin om precies te zijn, is dat wel erg toevallig. Mijn theorie is nu dat de een of andere schoorsteenveger eens flink aan die schoorsteen getrokken heeft om te zien of het ding nog wel goed vastzat. En dat daardoor het al mangelhafte cement losgeraakt is, waardoor het ding slechts een windstoot nodig had om om te kiepen.

Ik vond het wel een mooi taakje. Eerst een gesneuvelde dakpan verwisselen, want de regen duurt hier onverminderd voort. Daarna heb ik de vierkante aardewerken pijp schoongeschraapt en de betonnen dekplaat met een staalborstel bewerkt. Ik heb een betonnen tegel in stukken geslagen en met de brokstukken en mortel de pijp op de dekplaat bevestigd. Heel kunstzinnig ziet het er uit en voor zover ik uitmaken kan ook nog eens heel stevig. En ik vind het altijd erg leuk om op de nok van het dak te zijn. Dan zie je weer eens andere dingen. Ik maakte lawaai, maar buurman Herbert kon maar niet uitmaken waar dat lawaai vandaan kwam. In de brief werd me gemaand de ongerechtigheden op 1 februari verholpen te hebben. De helft is voor elkaar. Voor de andere helft, de keukenschoorsteen, moet eerst een nieuwe zak mortel gehaald worden. Bovendien moet het liever niet regenen en vorst kan ik al helemaal niet gebruiken.

Straks nog even de verjaardag van Christa van voorheen dakdekker Rudi en dan barsten de kerst- en oud&nieuw-festiviteiten los. Ik ga er vanuit dat als we op 1 januari terugkeren in de Eifel, de keukenschoorsteen ook in de Japanse tuin ligt. Er is altijd wel iets als je terugkomt. Iets met water, of een boom, of de schoorsteen, of de buitenkerstverlichting, een dier dat per ongeluk ergens ingesloten is geraakt. Alleen daarom al blijft het leven in de Eifel altijd spannend en enerverend. Zulke dingen gebeuren in Amsterdam nou nooit. Saaie stad.

Bookspot [Trouw, 14.12]

Er was een tijd, ik schreef nog romans, dat er in Nederland twee grote literatuurprijzen waren. De Libris en de AKO. Twee boekhandelsketens, al zou je kunnen zeggen dat de Amsterdamse Kiosk Onderneming meer een tijdschriftenwinkel is met als extraatje een nogal beperkte voorraad boeken, goedverkopende boeken. Er werken mensen die het niet uitmaakt of ze een pakje shag verkopen, een tijdschrift, of een boek. Het gaat om de omzet, het draait er niet zo om literatuur. Ik had het gevoel, toen, dat de Libris Literatuurprijs iets meer status had, maar dat is slechts een gevoel. De AKO is zeven jaar ouder dan de Libris, ze werden respectievelijk in 1987 en 1994 voor het eerst uitgereikt. Qua anciënniteit zou je kunnen betogen dat de AKO gezaghebbender was. Twee van mijn boeken stonden ooit op de shortlist van de Libris, ik meen me te herinneren dat één boek ooit op de longlist van de AKO stond, waardoor ik ook het gevoel kreeg dat er Libris-schrijvers en AKO-schrijvers bestonden, maar dat is vast een onzinnige stelling. Allerlei gevoelens, niet op feiten gebaseerd, en tóch was ik een Libris-schrijver. Een Libris Literatuurprijs-schrijver, moet ik preciseren. Die stond, toen ik voor de eerste keer aan de voor bijna alle andere aanwezigen feestelijke uitreikingsdis in het Amstelhotel zat, nog los van de boekhandels. Ik zag om me heen zo veel bekende boekhandelaren, dat toen pas het kwartje viel: de prijs is vernoemd naar de boekhandelsketen.

De Libris Literatuurprijs heeft al 25 jaar dezelfde naam. Hij wordt elk jaar toegekend aan een boek dat in het voorgaande kalenderjaar is verschenen. Dat is overzichtelijk. De AKO werd toegekend een een boek dat verscheen tussen 1 juli en 1 juli. Dat is al een tikkeltje onoverzichtelijk. In 1997 werd de AKO Literatuurprijs de Generale Bank Literatuurprijs. Die werd aan drie schrijvers toegekend. Er zijn in Nederland dus drie schrijvers die kunnen zeggen dat ze die prijs gewonnen hebben. Maar de enige die dat wérkelijk nog kan zeggen is A. F. Th. van der Heijden. Ik weet niet of hij dat nog vaak doet, want de erkenning is verbleekt met het verdwijnen van de naam. Zo gaat dat. De twee anderen kunnen niets meer zeggen, want ze zijn dood: Herman Franke en Karel Glastra van Loon. Allebei veel te jong, respectievelijk 61 en 42 oud. Misschien is het maar goed dat die naam van de prijs is opgedoekt.

In 1999 werd de Generale Bank overgenomen door Fortis en veranderde de naam in Fortis Literatuurprijs, maar onder die naam is de prijs nooit toegekend. Ik zie een vergadertafel voor me met bankmensen die tonnen per jaar verdienen. Ze praten over belangrijke bankzaken en dan staat punt 8c op de agenda: ‘Literatuurprijs’. “Wat? We hebben potdorie een bank overgenomen en nu moeten we een boek een prijs toekennen?! Wat is dat voor waanzin? 50.000 gulden? Wie gaat dat betalen?” Op de een of andere manier slaagden ze erin de prijs weer terug te schuiven naar de AKO. In 2014 nam de ECI de prijs over want de AKO wilde of kon er geen geld meer voor vrijmaken. ECI – later eci – staat voor Europa Club Internationaal. Het was een boekenclub die in de loop van de jaren alle andere boekenclubs (waaronder Boek en Plaat) opslokte en meer en meer een webboekenwinkel werd. De ECI Literatuurprijs werd aan drie schrijvers toegekend: Jeroen Brouwers, Martin Michael Driessen en Koen Peters. Er zal een tijd komen dat de ECI Literatuurprijs – juist vanwege de korte levensduur – net als de Generale Bank Literatuurprijs schimmig zal zijn, dat met het verdwijnen van de naam de erkenning verbleekt. Er kwam een lezersprijs bij, twee jaar lang werd die toegekend, in 2016 en 2017, aan Driessen en Peeters. De winnaars bij de vakjury waren tevens de winnaars bij een lezersjury.

In 2018 – nog maar een jaar geleden – veranderde de naam eci in Bookspot en daarmee veranderde de naam van de prijs ook. Ik schreef een paar weken geleden een column over de prijs, waarin ik bekende dat ik op internet op zoek moest naar wat Bookspot was. Erger nog was dat ik de column een dag na het schrijven ervan al weg kon gooien omdat bekend werd gemaakt dat hij wordt opgeheven. De Bookspot Literatuurprijs is twee keer uitgereikt, en daar zal het dus bij blijven. Het bizarre is dat de prijs dit jaar aan maar liefst vier schrijvers toegekend is. Dát was de reden voor het schrijven van mijn column. Ik zag door de bomen het bos niet meer. En als ik – als schrijver die toch zou moeten weten welke prijzen ik allemaal binnen zou kunnen schrapen – het al niet meer begrijp, zal het voor de argeloze boekenkoper en literatuurliefhebber helemaal niet meer te volgen zijn. Peter Buwalda trapte af door de lezersprijs te winnen. Een week later won Manon Uphoff de scholierenprijs en op 14 november wonnen Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen de échte prijs, die voor het eerst was onderverdeeld in fictie en non-fictie. Wie waarom waarvoor genomineerd was en door wie werd mij op de website van de prijs niet duidelijk.

Er zal een tijd komen dat er lacherig zal worden gedaan over de poging van Bookspot om de belangrijkste literatuurprijs van Nederland te worden door maar liefst vier prijzen toe te kennen, met als volstrekt onbedoeld gevolg dat niemand één van de vier schrijversnamen zal kunnen noemen omdat de bomen dus het bos aan het zicht onttrekken. Het was betekenisloos geworden. En: de nominaties voor de AKO Literatuurprijs en de bekendmaking van de winnaar waren altijd te zien in Nieuwsuur, later moest dat gebeuren bij Koffietijd of RTL 5 uur Live, maar literatuur was blijkbaar niet gezellig genoeg, want dit jaar was nergens op de tv iets te bekennen over de prijs, waardoor de Bookspot Literatuurprijs qua aandacht werd overvleugeld door de bekendmaking van de NS Publieksprijs, die kort erop in een uitzending van DWDD werd toegekend. Martine Bijl heeft Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen dik verslagen. Ook in de CPNB Top-60: op woensdag 27 november stond Rinkeldekink op plek 1, De hoogstapelaar van Te Gussinklo – een week eerder toegekend – was nergens te bekennen.

Bookspot had er – hoe moeilijk dat ook is, want je wilt ten opzichte van de inmiddels bedaagde maar eerbiedwaardige en hoog aangeslagen Libris Literatuurprijs een inhaalslag maken – beter aan gedaan pas op de plaats te maken. Eerst die lezersjury afschaffen, want dat lijkt toch altijd een ‘correctieprijs’ (“Ach joh, zo’n jury, dat zijn van die linkse boekenwurmen die van ‘moeilijke boeken’ houden”), waardoor je het aanzien van je eigen prijs feitelijk onderuit haalt, en non-fictie de non-fictie laten. Want voor non-fictie zijn er allerlei andere prijzen, waaronder de Jan Wolkersprijs voor natuurboeken en de Libris Geschiedenisprijs. Eén winnaar. Die dan ook écht wint, want de aandacht voor hem of haar wordt niet verdund door drie nevenwinnaars. Onbedoeld is de Bookspot Literatuurpijs wel met een enorme knal uitgedoofd: zoals een boom of struik die sterven gaat nog één keer zo uitbundig probeert te bloeien om nageslacht zeker te stellen werden vier boeken als zaadjes de wereld ingeschoten. Maar: je kunt uitbundig bloeien wat je wilt, het sterven wordt er niet door opgeheven.

 

En ach, die zoete kraaloogjes…

Er zijn dit jaar uitzonderlijk veel muizen. Buiten en binnen. Omdat ik bijna altijd de deur van de Hauswirtschaftsraum open heb staan, hebben ze het zich daarbinnen behaaglijk gemaakt. Opvallend genoeg vraten ze de tulpenbollen – die hier al anderhalve maand in de grond zitten – niet aan. Allerlei andere dingen werden wel aangevreten. Eén keer heeft Floris er één gevangen. Daar was ik erg blij mee. Een fox-terriër die muizen vangt. Jammer genoeg – ondanks verwoede pogingen er nog meer te grijpen – bleef het bij die ene. Op een ochtend vond ik er drie in de prullenbak waarin een nog lege gelber Sack (voor verpakkingsmateriaal) zat. Twee ervan waren aangevreten, een derde was opvallend dik, maar ondanks het opvreten van zijn soortgenoten ook morsdood. Bizar genoeg dreven er onlangs ook drie in een emmer die vol stond met regenwater. Altijd drie. Piept de eerste uit nood, en springt de tweede dan te hulp? En dan een derde? Maar is de vierde tegen die tijd wijzer geworden en laat die de andere drie gewoon verzuipen?

Van de week zag ik dat ze ook de planten die ik in de Hauswirtschaftsraum laat overwinteren aangevreten. Grote gaten in de vette bladeren van de agaves, tussen het bouwhout afgeknabbelde blaadjes van de Brachyglottis greyii. De laatste – die in een grote kuip staat – heb ik dus maar weer buiten gezet. Ik heb sparrentakken gesnoeid en die in de aarde gestoken. Misschien overleeft de struik zo de winter. Het probleem is dat ik niet weet wat ik eraan kan doen. Ik probeerde al eens muizenvallen, maar daar werd de kaas van af gevreten; die sluwe Eifelmuizen lieten zich niet zomaar de nekjes breken. Gif kan ik niet strooien omdat Floris er steeds rondscharrelt. Die gele zakken – een stuk of vier per maand – zijn ook erg geliefd en ik heb geen ruimte om ze in de hoogte weg te bergen. Ik tilde er eens één op en toen schoten er twee muizen uit tevoorschijn. Zakken zaden voor de vogels: grote gaten en overal maiskorrels. Ze vreten werkelijk alles en knabbelen ook hout aan, waardoor ze boven in de schrijfkamer kunnen komen, hoewel ik geloof dat ik dat nu heb weten te voorkomen.

Neem dan een kat, zeggen mensen. Dat gaat ook niet, of die kat zou de hele tijd mee heen en weer moeten reizen tussen hier en Amsterdam. Daar komt bij dat Floris dat niet erg zou waarderen. Ik weet dat er honden zijn die erg lief zijn met katten, maar dat zijn altijd honden van iemand anders, honden die op Twitter en Instagram leven. Jasper hield niet van katten en Floris houdt ook niet van katten. En uiteindelijk heb ik niet zo veel tegen muizen. Die mogen er van mij best zijn. Als ze zich maar een beetje weten te gedragen.

Maarten ’t Hart [Trouw, 30.11]

Er is iets waar ik slecht tegen kan. Ik geloof dat ik dat trekje van mijn moeder heb, of misschien is het wel een algemeen ding van mijn opvoeding en afkomst. Het is dit: als er iets over je gezegd wordt wat niet waar is je mond houden. Dat zal in het dagelijks leven vast ontzettend vaak gebeuren, maar ik doel nu op dingen die ik zie en hoor op de televisie of tijdens openbare lezingen. Als er dus iets over je gezegd wordt door een presentator of interviewer, met publiek erbij en tv-kijkers. Ben Feringa, de nobelprijslaureaat uit 2016, zat onlangs bij dwdd. Zoals gebruikelijk ronkte Matthijs van Nieuwkerk er flink op los en op een bepaald moment ontviel hem: ‘Jij bent de beste scheikundige ter wereld!’ of woorden van die strekking. Feringa, één van tien kinderen van een Drentse boer, liet het allemaal heerlijk over zich heenkomen. ‘Ho!’ riep ik naar het tv-scherm. ‘Zeg iets! Relativeer!’ Feringa zei niets.

Tijdens de lezing in Leipzig waarover ik een maand geleden schreef, hadden we alle drie een kwartiertje in een avondvullend programma. Jan Konst mocht als laatste en tijdens de introductie viel meerdere malen het woord ‘bestseller’ over zijn boek De Wintertuin/Der Wintergarten. O, ja? dacht ik. Nog even los van het feit dat hij om onverklaarbare redenen veel langer aan het woord was dan Marjolijn van Heemstra en ik, hield hij zijn mond daarover. Hij liet het allemaal heerlijk over zich heenkomen. Pas later kreeg ik het programmaboekje onder ogen: “Das Buch wurde in den Niederlanden und in Deutschland zum Bestseller!” O, ja? dacht ik weer. Ik kreeg bij navraag van de Nederlandse uitgever een verkoopcijfer. Niet slecht, maar lang niet genoeg om een bestseller genoemd te mogen worden. Van de Duitse uitgever kreeg ik geen antwoord. Ik weet niet wat dat betekent. Misschien vonden ze de vraag te onbeschaamd, misschien waren de verkoopcijfers dusdanig dat ze die liever voor zichzelf hielden. Niets tegen Jan Konst, dat is een fijne vent en het boek las ik niet, daar gaat het hier ook niet om. Het gaat om het houden van de mond.

Nu kom ik op Maarten ’t Hart. Die was, net als Ben Feringa, eveneens onlangs bij dwdd. Het is altijd heel leuk, Maarten ’t Hart op tv, maar bovendien hij deed wat iedereen – in mijn ogen – hoort te doen. Van Nieuwkerk stond zoals gebruikelijk in de waarom-heb-jij-nog-nooit-de-P.C.Hoofprijs-gewonnen-stand en riep: ‘Tweeënhalf miljoen exemplaren verkocht van Een vlucht regenwulpen!’ Ho ho, riposteerde ’t Hart, je moet niet vergeten dat het boek ooit het (gratis) boek was van de campagne Nederland Leest van de CPNB. ‘Ach, nou ja…’ zei Van Nieuwkerk. ‘Nee, dat waren minstens 800.000 exemplaren,’ zei ’t Hart, waarmee hij in één klap de formule van het programma ondergroef én de boel eerlijk in perspectief zette.

Waarom moet iedereen altijd een bestseller schrijven? Waarom moet iedereen de beste scheikundige van de wereld zijn? Waarom altijd die lijstjes met de beste liedjes, de beste boeken, de mooiste vogel, de populairste tuinplant? Nergens voor nodig. Het is helemaal niet erg als Max Verstappen vijfde wordt, het is niet erg als er van een boek ‘slechts’ 1324 exemplaren verkocht worden; het is nog veel minder erg een sukkel te zijn omdat we in wezen allemaal sukkels zijn die ook maar hun best doen er iets van te maken. Maar zo lang geen van de in het openbaar bewierookten daar iets tegen doet, is die ideale wereld vol al dan niet strevende sukkels heel ver weg.