Buiten [Trouw, 28 maart]

Wat was ik blij met buurman Klaus. Er was al langer sprake van dat een van zijn twee Thuja-hagen het veld moest ruimen omdat hij hem veel te lief gesnoeid had. Het zal wel een Thuja occidentalis zijn geweest, al ben ik daar niet helemaal zeker van. Ja, gewéést, want onlangs mocht ik de kettingzaag erin zetten en binnen een paar uur was de twaalf meter lange haag verdwenen. Levensboom wordt de Thuja bij ons wel genoemd, maar hier zat erg weinig leven meer in, en dat was het gevolg van het ‘lieve snoeien’ van buurman Klaus in de afgelopen vijfentwintig jaar. Samen met Klaus en buurman Rinus, die zijn aanhanger ter beschikking stelde en erg graag zelf wilde rijden, waren we zo’n beetje de hele dag bezig. Ook buurman Herbert vond het wel gezellig en lucratief, die kwam van tijd tot tijd kijken of er geen oud ijzer onder de haag vandaan kwam. Oud ijzer dat hij weer kan verhandelen. Hij had geluk, midden in de morsdode haag stond een oeroud hekje, met stalen staanders.

Na afloop zaten we op Klaus’ terras, ineens in het volle zicht van iedereen die langs kwam rijden, een biertje te drinken. Ook buurman Rinus, die eerder in de week nog een etentje bij ons afzegde, want we moesten toch een beetje voorzichtig zijn, en hij is al wat ouder en heeft een nieuwe hartklep. En, eerlijk is eerlijk, ik ben ook de jongste niet meer. Buurman Klaus zit qua leeftijd tussen ons in. We waren drie mannetjes die heel genoeglijk en vooral ‘immer mit der Ruhe’ een haag hadden gesloopt, en we waren alle drie tijdens het drinken van het biertje zeer tevreden. In de loop van de dag botsten we bij het laden van de aanhanger regelmatig tegen elkaar op. Heel af en toe zei ik tegen Rinus: ‘Ga eens een stuk verderop met die takken lopen sjouwen, man!’ Maar dat was grappend, terwijl het maar weer eens aantoonde hoe lastig het is om voortdurend elkaar te ontlopen, hoe moeilijk het is consequent te zijn in het behouden van sociale afstand. Maar zo voelt het hier, in de Eifel. Het is open en wijds – ondanks de vele bossen – en leeg; een eventueel gevoel van dreiging en gevaar lijkt hier ver weg. Ik ben erg blij dat ik al wekenlang hier ben en niet in Amsterdam.

Al een tijdje is het voorjaar hier. Winter is het sowieso niet geweest. We hadden heel weinig sneeuw en gevroren heeft het nauwelijks. Het regende bijna onophoudelijk. De tuin lag stil. En dan, op zomaar een dag, vind ik mezelf terug op mijn knieën bij een border, ben ik oud blad aan het weghalen en het eerste onkruid aan het uitsteken. En dan nog duurt het even voor ik besef dat het voorjaar begonnen is, en dat ik vanaf dat moment geen dag meer niet in de tuin ben. Want niet alleen in die ene border ligt blad, overal ligt blad en ik moet allerlei vaste planten uitgraven en verplaatsen, dat heb ik in gedachten maanden eerder al gedaan, en die nieuwe gemetselde trap, die kan toch zeker  nog een heel stuk verder opgebouwd worden, hoger de berg op? En het is ook alweer tijd om het sneeuwklokjesblad op te binden, zodat er stramme bosjes in de verder nog tamelijk zwarte aarde staan.

Met hondje Floris loop ik naar een plek in het bos, voorbij de weide op de berg achter mijn huis, waar ik onlangs mooie, rechthoekige keien heb zien liggen, en die verzamelen we, of beter: ik, terwijl ik om de hond bezig te houden zo nu een dag een stok weggooi, en iets later komt M. in de witte, oude Dacia voorrijden en laad ik de keien in de kofferbak. Langzaam komt de trap steeds hoger. Nu het niet langer regent kan ik weer metselen met de Putz- und Mauermörtel van bouwcentrum Globus. De Globus wordt door de Duitse overheid gelukkig nog steeds gezien als een winkel die onontbeerlijk is, en dus niet sluiten moet. Bij de ingang staan desinfecteringspalen. M. trouwens is nieuw hier in de Eifel. Ik kende hem dertig jaar geleden heel kort en afgelopen zomer kwam hij hier langs en is nooit meer weggegaan. Van de week kropen we in bed en zei ik: ‘Als ik nog steeds alleen was geweest, zou ik dit ook allemaal wel doorgekomen zijn, want ik heb altijd alles in mijn eentje gedaan, maar zo is het toch wel een stuk gezelliger.’ Dat vond M. erg fijn om te horen, en hij was het met me eens.

Ik leende van buurman Klaus zo’n snoeischaar aan een lange stang en snoeide overal dood hout weg op grote hoogte, maar ook levend hout, bijvoorbeeld van de appelboom achter het huis, die sinds ik hem ken scheef hangt, maar met een beetje beleid en slim snoeien, krijg ik hem steeds rechter en meer in de vorm die een appelboom zou moeten hebben. Steeds vaker is het ineens en ongemerkt zes uur, en is het hoog tijd voor een glas whisky, en tijd om te koken, zodat we om zeven uur voor die vreemd uitgeklede uitzendingen van dwdd kunnen zitten, die in deze nadagen onverwacht vaak ontroerend en verfrissend waren.

Af en toe denken we aan ons huis in Amsterdam. M. zou daar precies zo als hier kunnen werken, hij is vertaler, maar ik zou met mezelf geen raad weten. Al die mensen in een stad met alleen een balkon of zelfs dat niet eens. Dan besef ik hoe rijk ik hier toch ben, met al die natuur om me heen en te midden van die natuur dat ene getemde stukje grond, dat getemd moet blijven, want het is immers een tuin. In het begin heb ik achter het huis, waar het het steilst is, terrassen gemaakt met stammen van bomen die ik zelf omzaagde; het bos dat in feite tot aan de dakgoot kwam heb ik letterlijk omgelegd, werd van rechtopstaand liggend. Maar nu zijn die stammen vermolmd en heb ik mooie dikke planken gevonden bij de Globus waarmee ik stukje bij beetje die boomstammen vervang. Soms duurt het jaren voor een deel van de tuin zijn uiteindelijke vorm krijgt. En zelfs dan is dat deel van de tuin, mezelf kennende, zijn leven nog niet zeker.

Onophoudelijk werk. Gedachten bij dat werk. Eens in de week wagen we ons in de REWE in Bitburg of Prüm. Altijd wel een luidruchtige vrouw daar, die blaffend hoest, veel te hard praat met de dames van de vleesafdeling, zich tussen de mensen in de rij bij een kassa worstelt om bij de door haar gewenste pakjes sigaretten te komen. Een aandachttrekster, een gevaarlijke vrouw die om onduidelijke redenen geen boodschap heeft aan anderhalve meter. Eenmaal buiten weer vrij ademen, hop, alles in de auto en snel huiswaarts, waar het gras al bijna gemaaid moet worden, zo ver is de lente al, waar stenen klaarliggen, waar brede, houten planken tegen het houthok staan, waar hondje Floris – onwetend van alles – zo hard met haar staartje zwaait dat het er bijna af valt. Straks gaan M. of ik of wij samen de bossen in met haar. Bossen waar we nooit iemand zien, waar alleen vogels, vossen, reeën en dassen komen. Bossen vol takken om te gooien, snelstromend water om achterna te zitten, lucht om in en uit te ademen.

Snoeien en lezen [Trouw, 21 maart]

Er staat nog één lezing, in Metz. Op 4 april. Maar Duitsland heeft op het moment dat ik dit schrijf allerlei grenzen op slot gedaan, dus zelfs als die lezing niet geannuleerd wordt, is het misschien wel onmogelijk om er vanuit de Eifel heen te rijden. Wie weet is het tegen de tijd dat u dit leest voor ons niet eens meer mogelijk door België heen naar Amsterdam te komen. Dan zitten we hier vast, hoewel dat natuurlijk niet zo voelt, want ik (we) woon (wonen) hier en hondje Floris woont hier ook en die vindt het in de bossen en langs de beken oneindig veel fijner dan in de straten van Amsterdam. En ik heb hier veel meer te doen dan in Nederland. Het is prachtig weer, de tuin lokt. Ik metsel een nieuwe trap, ik verpoot vaste planten, ik heb van buurman Klaus zo’n snoeischaar aan een lange stang geleend, dus kan ik in mijn ogen hinderlijke takken op vier meter hoogte afknippen en eindelijk eens het dode hout uit de oeroude perenboom in de voortuin verwijderen.

Daarnaast wordt momenteel de laatste hand gelegd aan twee boeken van mij die in mei uitkomen. Dat vereist nogal wat heen-en-weer mailen. Ik ben feitelijk klaar, nu was en is het tijd voor flapteksten, aanbiedingsteksten, omslagen, de laatste puntjes op de i, promotionele plannen, voornamelijk door anderen te verrichten. Onlangs, we waren net een paar dagen in Amsterdam, bracht een Poolse bezorgjongen drie grote kartonnen dozen met boeken langs. Die hebben een tijdje in het houthok gestaan terwijl het regende, tot het moment dat buurman Klaus de kachel aan ging maken. Omdat mijn houthok goed gebouwd is, zijn de boeken niet nat geworden. Een dag na onze terugkeer zette de Poolse bezorgjongen zijn witte busje stil voor de poort en vroeg hij – met handen en voeten – of die drie dozen goed binnengekomen waren. Dat vond ik erg aardig van hem, al sputterde buurman Klaus nog wat tegen. Iedereen had die boeken kunnen stelen!

In de drie dozen zaten tachtig boeken. Het was de eerste zending voor de Anton Wachterprijs. Allemaal boeken van debutanten. Eerstelingen. Te beoordelen door een jury bestaande uit schrijvers (Kees ’t Hart, Marja Pruis, Joke Linders en ik) en een juryvoorzitter, Geart de Vries, een Fries. Ik meen te begrijpen dat dat verboden is door Eus, want ja: schrijvers die schrijvers beoordelen, dan heb je maken met kruiwagens, handen boven hoofden, onzuivere voorkeuren. Ik denk dat dat wel meevalt. Juist omdat het debutanten zijn, ken je niemand. Hoe dan ook, wat ik maar wil zeggen is dat ik genoeg te doen heb. Ik hoef me niet te vervelen, sterker nog: steeds zie ik die enorme stapel staan en denk ik: ik moet eens gaan lezen. Het is zelfs zo dat mijn vriend meer uit de stapel gelezen heeft dan ik, en hij geeft er zijn mening ook nog over. Maar áls ik bezig ga, pak ik het zo aan: ik lees twintig bladzijden en dan weet ik genoeg. Dan gaat het boek aan de kant en krijgt het een kruisje op de lijst, of ik lees verder. ‘Maar op basis van twintig bladzijden kun je toch geen oordeel vormen?!’ zullen mensen uitroepen. Nou, riposteer ik dan, dat kan dus wel. En stel nu dat ik het helemaal verkeerd gezien heb, als de andere vier een volstrekt andere mening hebben, lees ik het boek alsnog. Dat is het voordeel van een jury. Het is een groep mensen die samen tot een oordeel komt. Het liefst in een oneven aantal, want dan pas valt er goed te stemmen.

Ondertussen zitten wij in de tuin, en staat bovenstaande fles op tafel. Rond zessen natuurlijk, niet om tien uur des ochtends.

Liefde in tijden van corona

Zondagmorgen. Eifel. Alles is afgezegd en geannuleerd. Er is geen reden volgende week af te reizen naar Nederland. M. kan niet eens meer zwemmen want vanaf vandaag is het zwembad in Bitburg ook dicht, tot en met 13 april. Verder is het tamelijk ontspannen. Gisteren gebaarde ik buurman Klaus een stukje verderop toen hij kwam kijken hoe ik opschoot met het metselen van een  trap de berg op. ‘O,’ zei hij, ‘snotteren, dat hoort niet bij corona.’ Daarna mocht hij weer dichterbij komen. Ik bevind me regelmatig rond zessen nog in de tuin en als ik dan aan iemand vraag hoe laat het is, hoor ik pas dat het tegen zessen loopt. Lente, dus. De afgelopen dagen voerde ik de kippen van buurman Rinus en buurvrouw Lien. Ik wist niet dat kippen zo ongelofelijk veel water drinken. En elke dag nam ik tien (!) eieren mee naar huis, want als je die laat liggen beginnen die kippen er zelf aan en dan heb je de poppen aan het dansen, want daar schijnen ze nooit meer mee op te houden. Nu staan er op het aanrecht zo’n 25 eieren, drie dagen geleden maakte ik een omelet met zeven (7) eieren, nou, daarna heb ik er wel even genoeg van. Ik hoop dat ze de beelden van de camera die in de carport hangt terugkijken, want ik heb raar gedaan en stokken naar Floris gegooid op het erf. De haan heeft me niet aangevallen en ik heb het lokeitje laten liggen.

Het voelt hier veilig, we slapen, eten, werken, lopen kilometers met Floris in het volstrekt lege bos, kijken naar lege tv-studio’s, steken de kachels aan en we zoenen met niemand. Alleen met elkaar. (Liefde in tijden van corona.) Besprekingen over boeken gaan via de mail, economisch gezien lever ik nauwelijks iets in, alleen die 700 euro van afgelopen woensdag in Heerlen, maar waarschijnlijk wordt die lezing later opnieuw op de agenda gezet. Ik ben benieuwd hoe we morgen in Bitburg de REWE aantreffen, of er nog wc-papier is en pasta of brood. Maar brood kan ik zelf bakken, ik heb meel en de afdeling gist (Hefe) is zó minuscuul dat niemand die ooit kan vinden. Gelukkig is de Globus niet dicht, mijn Mauermortel is bijna op en de brokkenbus van Floris begint eveneens hol te klinken. Ik ben ontzettend benieuwd hoe Studio Sport er vanmiddag uit ziet. Als er überhaupt een uitzending is. Er zijn tachtig boeken bezorgd door een Poolse jongen. Die moet ik allemaal lezen, voor de Anton Wachterprijs. Mij hoor je verder niet. En nu gaat de zon ook nog schijnen.

Hardop [Trouw, 7 maart]

Ik weet dat dingen die bedoeld zijn om in het hoofd van mensen te rammen graag rijmen. Dat doen die dingen niet uit zichzelf, daar zitten mensen achter. ‘Koopt uien van Schouten, dan kunt u lekker bouten.’ Dat heeft dan de familie Schouten bedacht, die vindt dit een prima manier om hun uien aan te prijzen. In andere gevallen zal het een team van mensen zijn die met iets op de proppen komt: ‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt.’ Die is van de overheid. ‘Melk is goed voor elk.’ Ooit riep Bart de Graaff ‘Zeg maar nee, dan krijg je er twee!’ (‘Toevallig’). Iedereen kent Bart de Graaff nog, maar het koekje Bichoc is volledig vergeten, misschien hebben iets te veel mensen er nee tegen gezegd. Iets wat rijmt, beklijft is de gedachte. Langs de weg kan bijna niets niet rijmen, misschien is dat omdat auto’s erg snel langs of onder die teksten door rijden. Sinds een tijdje lees ik overal ‘Ben je Bob, zeg het hardop.’ Die zit me nogal dwars.

Ten eerste omdat ik nog steeds niet weet wat Bob betekent. Ja, ik weet dat de Bob degene is die niet drinkt en dus achter het stuur zit, maar waar staat het voor? Nou, ik zocht het eindelijk eens op. Op rijksoverheid.nl staat dit: ‘Bob is geen afkorting en staat niet voor Bewust Onbeschonken Bestuurder. De Bob-campagne is een idee van het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV).’ Bob betekent dus niets. Dat is niet fijn. Wat bezielde de Belgen die dit bedacht hebben? Bob had dus net zo goed Annie kunnen zijn of Constantijn. Of rijmt Bob op veel dingen zodat je jaren vooruit kunt met rijmende slagzinnen? En ben je nou de Bob of kortweg Bob? Ook dat vind ik onduidelijk. En tegen wie moet de persoon die niet drinkt op een feestje die slagzin uiten? Tegen zijn of haar vrienden? Tegen de politie? Tegen de gastheer van het feestje? Ik begrijp het niet. O wacht, op daarkunjemeethuiskomen.nl (aanklikbaar op de website van de Rijksoverheid) lees ik het volgende: ‘Met de Bob-gifjes kun je ook op social media zeggen dat je Bob bent! Zoek in de gif-functie van je social-media-kanalen naar #zeghethardop. Zo kun je je vrienden, je voetbalteam of je familie aan het begin van de avond via WhatsApp, Instagram of Facebook al laten weten dat je Bob bent.’ Aha, het voetbalteam. En: ‘Maar ook als je alleen rijdt kun je een Bewust Onbeschonken Bestuurder zijn.’ O, wacht, Bob betekent dus tóch iets?

Maar wat mij het meeste tegenstaat is het ritme. Rijm gedijt het best met ritme. Je kunt rijmen wat je wilt, als het ritme ontbreekt valt alles in duigen. Zeg de slagzin maar eens hardop. Hij valt helemaal dood. Want het ritme is helemaal verkeerd. Er ís geen ritme. Bij de Rijksoverheid werken mensen die verantwoordelijk zijn voor deze Bob-campagne. Die moeten steeds weer met nieuwe slogans komen, daar worden ze voor betaald. Is er dan niemand van die lui die inziet dat je domweg door het woordje ‘dan’ in te voegen een veel beter bekkende slagzin krijgt? Ben je Bob, zeg het dan hardop. Zeg het maar eens hardop, zoals bevolen, dat loopt al een stuk beter, en nóg beter wordt-ie zo: Ben je de Bob, zeg het dan hardop. Ik verlang terug naar de tijd van ‘Glaasje op, laat je rijden.’ Geen rijm, wel ritme, het is bijna de eerste zin van een Carnavalskraker. De Rijksoverheid kan er natuurlijk ook voor kiezen zo nu en dan een échte dichter wat extra inkomsten te verschaffen.

 

Floris, Boomer, Anka en Happy

Floris scharrelt wat heen en weer tussen de schrijfkamer en de Hauswirtschaftsraum. Hier boven is het warm, beneden zitten mogelijk muizen. De laatste muis was in de pedaalemmer zonder deksel met de Gelbe Sack gekropen en kon er niet meer uit. Ik hoorde hem. Voorzichtig tilde ik de kapot gevreten zak op en liep naar achteren, naar de bostuin. Daar schudde ik hem eruit. Het was een heel grote, dikke, met bolle kraalogen. Daarmee keek hij me aan, alsof ik moest zeggen wat hij nu moest doen. ‘Wegwezen,’ zei ik. ‘En wegblijven!’ Langs de jonge meidoorn en de in vorm gesnoeide es schuifelde hij traag weg.

Regen. Iets dikker dan motregen. Warm. Dit is tot nu toe de warmste winter die ik hier in de Eifel meemaakte. Het heeft misschien vier nachten gevroren, vooruit: vijf, en de temperatuur is niet verder gedaald dan min vijf. Vroeger lag hier soms tot in april sneeuw en het kwam voor dat het twintig graden vroor. Vroeger was het hier vrijwel altijd windstil, tegenwoordig krijgen we zelfs stormen als Ciara en Dennis mee, waardoor heel veel sparren omwaaien. Eerder dacht ik dat er een spar of zes omgewaaid waren, na inspectie ontdekte ik dat het er vijftien waren. Inmiddels zijn die allemaal weg. Niet één lag plat, ze hingen allemaal in de beuken. Dat maakt zagen heel lastig omdat er druk op staat. De dikste, met een diameter van een centimeter of veertig, bewaarde ik voor het laatst. Die hing het gevaarlijkst. Uiteindelijk zaagde ik er drie brokken uit en toen stond het kreng bijna rechtop tegen de beuk waartegen hij leunde, de onderkant muurvast in de bosgrond. Ik had geen zin hem met veel pijn en moeite steeds korter te zagen, dus die blijft daar staan, tot hij uit zichzelf wegrot. Dat zal nog wel even duren. Alle andere sparren liggen in keurige stukken gezaagd op elkaar gestapeld. Volgende zomer kan ik ze opstoken. Het is zeker een kuub of vier. Maar eerst nog tegen deeltijdbuurvrouw Ina zeggen dat ik haar omgewaaide bomen weggeruimd heb, en toestemming vragen om ze op te stoken. Buurman Rinus kwam kijken, samen met herder Anka en Rottweiler Boomer. Hij gaf handige tips en hij zei dat hij mijn Husqvarna 353 met één hand kon bedienen. Anka en Boomer struinden de grond af en gingen een potje vechten. Op het weiland kwam buurman Werner langs met zijn moordlustige hond Happy. Hij treuzelde wat, ik weet niet wat hij van plan was. Gelukkig liep hij na zijn hand opgestoken te hebben verder. Toen ik klaar was, zweette ik als een otter.

 

Het Bal [Trouw, 22.2]

Over een tijdje is het weer zo ver: het Boekenbal. En aansluitend de Boekenweek. Maar die Boekenweek kan mij gestolen worden, het gaat om het Bal. Dat is het hoogtepunt van het jaar en dat hoogtepunt vindt op 6 maart plaats in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Er wordt weleens geschimpt op dat Bal, het zou elitair grachtengordelgedoe zijn en de run op kaartjes wordt door mensen die geen kaartje hebben of krijgen belachelijk gemaakt. Maar het is natuurlijk helemaal geen elitair grachtengordelgedoe: het Boekenbal is als het jaarlijkse personeelsuitje van de HEMA. En dan niet de HEMA van alleen Hengelo, maar van alle vestigingen. Het Bal is een personeelsuitje: alle schrijvers van Nederland en België komen één keer per jaar samen. Niks elitairs aan. Wat de ‘leek’ erover hoort, zijn de opstootjes, de vechtpartijen, het vanuit de zaal bruut onderbreken van het openingsprogramma, terwijl het over het algemeen een genoeglijk samenzijn is, waar je met deze en degene praat, waar gedanst en gezoend wordt, waar – toegegeven – flink gedronken wordt. Je loopt ook iedereen de hele avond te feliciteren, met de shortlist van de Libris, met een gewonnen poëzieprijs, met geweldige verkoopcijfers. Ik ben tegenwoordig nog maar twee keer per jaar stomdronken: op het Bal en tijdens het negentigjarig jubileum van de vrijwillige brandweer van Nimshuscheid.

Het zijn de uitgevers die bij de cpnb kaartjes aanvragen voor hun auteurs. Aanvragen én betalen. Let wel, een kaartje kost zomaar 150 euro, als het niet meer is. De cpnb zelf zal niet al te veel kosten hebben aan hun eigen Bal. Daarnaast is niets gratis op de avond. De schrijvers, uitgevers en boekverkopers dienen zelf hun drankjes af te rekenen, evenals eventuele broodjes kroket. Dit jaar krijgen genodigden voor het eerst geen brief in de bus. Alles gaat via de mail. Van de week schoot mij ineens te binnen dat ik die mail van de cpnb al binnen had. Een mail waarop ik antwoorden moest, ik diende voor een bepaalde datum aan te geven of ik gebruik wilde maken van de kaartjes. Maar toen ik die mail ging opzoeken, bleek hij verdwenen te zijn. Ik raakte lichtelijk in paniek. Ik mailde iemand van de cpnb. Die bleek op skivakantie te zijn. Maar, zo meldde hij behulpzaam vanuit een koude skilift, ik kon met Die-en-Die contact opnemen. Ondertussen had ik in mijn onrust alweer iemand anders een mailtje gestuurd. Ik werd per ommegaande teruggemaild. Bijgevoegd was een uitnodiging om ‘verslag te doen van het Boekenbal’. Maar wees er snel bij, werd me gemaand, de plekken zijn zeer schaars! Verslag doen?  dacht ik. Wat heeft dat nu weer te betekenen? De betreffende persoon, die dus werkt bij de branche-organisatie van schrijvers, had geen flauw idee wie ik was. Ik mailde een tikje geagiteerd terug dat ik helemaal geen verslag wilde doen, maar dat ik zélf wilde feesten! En dat ik uitgenodigd was, maar dat die mail verdwenen was. In HEMA-taal: de kassamevrouw van de Zwijndrechtse vestiging, die daar al veertien jaar gedienstig haar werk doet, wordt bij de ingang van het zalencentrum waar het personeelsfeest plaatsvindt door haar bloedeigen chef tegengehouden met de argwanende vraag: ‘Wie bent u eigenlijk?’ Van de betreffende cpnb-persoon hoorde ik verder niets meer. Gelukkig kreeg ik de volgende ochtend een mail van Die-en-Die, en zij meldde me dat het opnieuw versturen van de uitnodigingsmail onmogelijk was, maar dat ze me op de lijst gezet had en dat ik rond 28 februari de kaartjes zou krijgen. Er viel een pak van mijn hart. Ik mocht weer. Als ik me niet vergis, wordt het mijn vijftiende Bal.

Stormschade en winterakonieten

Ik ging afgelopen zondagavond even naar buiten om te voelen hoe storm Ciara hier huishield. Precies op dat moment waaide de groene lantaarn met daarin de nepkaars op batterijen van het vogelvoederstation. Mijn huis staat in een dalletje, de meeste wind woei er overheen. Toen we, later, in bed lagen, zei ik: ‘Alweer zo’n storm die nogal tegenvalt.’ Gisteren zag ik dat achterin mijn bosje, aan de bosrand, een stuk of zes dode sparren omgewaaid waren. Daar moet ik op af met de kettingzaag. Ze hangen allemaal, dat is gevaarlijk. Ik schrijf ‘mijn bosje’ maar feitelijk is het het bosje van Ina, van de leegstaande boerderij om de hoek, aan de L5. Daar woonde tot haar dood haar moeder en zoals hier gebruikelijk wordt het Elternhaus niet verkocht. Ina is halverwege de tachtig en woont in Keulen. Ik denk niet dat ze me de opruimwerkzaamheden kwalijk gaat nemen.

Nog steeds waait het erg hard. Dat is vreemd voor hier. De Nims is momenteel een woest stromende rivier. Misschien moet ik nog even wachten met die kettingzaag; voor je het weet waait zo’n spar op je kop. Hondje Floris is bijna helemaal hersteld van haar korte bewustzijnsverlies. Nog een kleine bult op de snuit, het korstje van de wond is er eergisteren afgevallen. Ze neemt me niets kwalijk en mocht ze dat toch doen dan weet ze dat heel erg goed verborgen te houden. Ik spitte op de groenstortplek – in het bosje van voormalig buurvrouw Weiers – van buurman Max ontelbare sneeuwklokjes uit. De meeste zijn bijna in bloei. De winterakonieten worden al vaalgeel. De witte tuinmuur is helemaal groen van de algen en de eerste verf bladdert er al af. Dat heb ik afgelopen zomer niet goed gedaan. Bijna iedereen vindt de muur zo mooier, maar ik niet. Het is tot nu toe een kwakkelwinter. Nat. Minus vijf graden was de koudste nacht.

Gisteren met M. voor de tweede keer Call Me by Your Name gezien, die stond op Netflix. Ik wilde eens zien of ik mijn mening over de film moest herzien. Dat was niet het geval, ik vond het nog steeds een nogal sentimentele draak, waar – zo is en blijft mijn stelling – weinig van overblijft als die Amerikaanse student Oliver een vrouw zou zijn. M. zag ‘m voor het eerst en vond het een mooie film, ik zag het wel. Hij smolt helemaal weg. Vanavond maar weer eens zo’n fijne sf-film, met spectaculaire special effects. Dat is altijd goed.